Reislust, in de beteekenis des woords, welke wij menschen daaraan
hechten, wordt bij de dieren niet gevonden, zelfs niet bij de vogels,
die benijdbare wezens, wien de goddelijke gave werd geschonken
vliegende de landen door te trekken en zeeën te overbruggen. Onbezorgd
en vrij, zooals de handwerksgezel uittrekt om vreemde landen, vreemde
zeden en vreemde kunst te leeren kennen, trekt geen enkel dier; want
meer nog dan wij is dit gebonden aan een bepaalde plek, en sterker dan
het heimwee der menschen ketenen gewoonte en traagheid het aan de
plaats der geboorte. Maakt het zich gereed deze te verlaten, dan
gehoorzaamt het aan een wet van dringende noodzakelijkheid, en het
trekt alleen uit om het gebrek te ontloopen, dat in ’t verschiet
dreigt. Nood en ellende echter zijn maar al te vaak het deel en lot,
hetwelk de vreugdelooze vreemdelingschap aan het dier bereidt, dat in
dit geval slechts reisverdriet ondervindt.
Een en ander is evenzeer van toepassing op de trekkende visschen als op
de trekkende vogels, maar in ’t bijzonder geldt zulks voor de vele
zoogdieren, welke nu en dan wandeltochten ondernemen. Weinigen doen
zulks zoo regelmatig als de vogels en visschen, doch de aanleiding tot
de verhuizingen is bij allen dezelfde. De dieren verhuizen, omdat
gebrek aan voedsel in uitzicht is, of omdat de schaarschheid zich reeds
eenigermate doet gevoelen; zulke reizen zijn dus meer te beschouwen als
een ontvluchten van naderend gebrek, dan wel als eene begeerte om een
gelukkiger land op te zoeken.
Wanneer ik spreek van de verhuizingen der zoogdieren, dan bedoel ik
daarmede niet de gewone stroop- en zwerftochten, die ook al ter wille
van het voedsel geschieden, evenmin zulke tochten, welke ten doel
hebben den verbreidingsgordel te verruimen, maar alleen die
gemeenschappelijke reizen, welke sommige zoogdieren, nu eens in meer
regelmatige, dan weder meer onregelmatige volgorde, ver buiten de
grenzen hunner woonplaats voeren, dus naar streken, alwaar zij eene hun
vreemde levenswijze moeten aannemen, om deze even spoedig weder vaarwel
te zeggen, zoodra hun dit mogelijk is geworden of mogelijk voorkomt.
Zulke verhuizingen komen nog het meest overeen met het trekken der
visschen en vogels, en hoe beter wij de eersten leeren kennen des te
juister zal ook ons inzicht worden in ’t wezen van het laatstgenoemde.
Kleine uitstapjes buiten de grenzen der gewone verblijfplaatsen
volbrengen alle zoogdieren, en zulks om verschillende redenen. Soms
zijn de mannetjes en vooral de ouden, meer geneigd tot rondzwerven dan
de wijfjes en de jongen; men ziet ze daarom dikwijls zonder bepaalde
redenen een zeker gebied verlaten om een ander op te zoeken; de jonge
mannetjes van gezellig bijeenlevende soorten worden wel eens door de
oudere hoofden van een troep stelselmatig verdreven en tot verhuizen
gedwongen; de moeders zwerven gaarne met haar kroost door het gebied,
alwaar dit laatste geboren werd; beide seksen trekken en reizen om
elkander op te zoeken. Bij gelegenheid van zulke tochten ontdekt het
dier de een of andere geschikte verblijfplaats, eene streek, waar
overvloed van voedsel is, of waar beschermend struikgewas groeit, of
een geschikt hol; het toeft daar dan langer of korter tijd en betrekt
eindelijk voor goed het beloofde land. Oude jagers weten bij ervaring,
dat een afgejaagd distrikt van buiten af weder nieuwen toevoer erlangt,
en onder gunstige omstandigheden zeer spoedig even sterk bevolkt kan
worden als vroeger. Niemand, die niet weet, dat vossen- en dassenholen,
die zoo moeilijk te vernielen zijn, altijd bewoond blijven, hoe sterk
er op deze dieren ook jacht worde gemaakt. Andere zoogdieren, op wier
doen en laten minder nauwkeurig acht wordt geslagen dan op het wild,
gedragen zich niet anders. Er heeft ongetwijfeld een onophoudelijk
reizen en trekken plaats. En zoo wordt dan ook, zoo niet de natuur zelf
zulks belet, of roofdieren of menschen hier verhinderend optreden, het
verbreidingsgebied der soorten steeds grooter.
Onze voorvaderen deelden hun woningen tot het eind der vorige eeuw met
de huisrat, terwijl zij de bruine rat slechts kenden van hooren zeggen,
of misschien zelfs in ’t geheel niet. De eerste was een rat met vele,
ofschoon niet alle ondeugden van haar geslacht. Zij bewoonde de zolders
onzer huizen, at van ons koren, van ons spek en allerlei anderen
voorraad, knabbelde aan de deuren, planken vloeren en het huisraad,
draafde des nachts onheilspellend door oude kasteelen en dergelijke
spookgebouwen, veroorzaakte veel verdriet, menigen schrik en voedde het
geloof aan spoken en het bijgeloof; maar met haar was het leven nog
mogelijk, en men kon haar nog meester worden. Een flinke huiskat hield
haar in bedwang, een goede kamerjager bond met haar den strijd aan.
Daar verscheen plotseling haar gevaarlijkste vijand, en van nu aan
begon haar licht te tanen. In het jaar 1727 zag men groote scharen
bruine ratten, die òf rechtstreeks, òf over Perzië uit Indië moeten
gekomen zijn, over de Wolga zwemmen, en spoedig daarna ervoer men door
welke plaag Europa voortaan gekweld zou worden. Rivieren en kanalen
volgende, bereikte de bruine rat de dorpen en steden; zij nam, in spijt
van menschen en katten, onze woningen eerst van beneden in bezit en
nestelde zich in de kelders en gewelven, steeg allengs omhoog naar de
zolders en daken, verdreef na een langen, verbitterden strijd haar
bloedverwant, maakte zich tot meesteres in ons eigen huis en toonde
duizenden malen, wat een rat vermag; want deze bezit alle ondeugden der
familie en legt ze daarbij onverholen aan den dag; zij spotte met alle
pogingen om haar te verdrijven en behield tot op dezen dag overwinnend
het veld, dat wij haar met behulp van honden en katten, met klemmen en
vallen, met vergif en kruit te vergeefs betwisten. Bijna tezelfder tijd
dat zij over de Wolga zwom, in 1732, bereikte zij Europa nog langs een
tweeden weg, doordien zij op Oostindische schepen naar Engeland werd
overgebracht. Van nu af begon zij hare reize door de geheele wereld.
In Oost-Pruisen verscheen zij reeds in 1750, in Parijs drie jaren
later; Midden-Duitschland werd door haar veroverd ten jare 1780; eerst
vestigde zij zich, evenals elders, in de steden, om van hier uit
langzamerhand het platte land te bevolken; dorpen, die niet aan
rivieren gelegen zijn en die zij dus minder gemakkelijk kon bereiken,
betrok zij eerst in de laatste tientallen jaren dezer eeuw; toen ik nog
een opgeschoten knaap was, kende men haar nog niet in mijn
geboortedorp, het rijk behoorde daar nog toe aan de ook nu daar reeds
door haar volledig verdreven zwarte rat.
Nog later verscheen zij in de afgezonderd gelegen gehuchten en eenzame
boerenwoningen, echter niet voor het midden dezer eeuw, en nog altijd
zet zij haar zegetocht voort. Niet tevreden met de ontdekking en
verovering van Europa, toog zij, en zulks reeds op het einde der vorige
eeuw, op nieuwe avonturen uit. In de bereids door haar bewoonde
zeeplaatsen zwom ze van den oever naar de schepen, klouterde langs
ankerkettingen, touwen, enz, aan boord, nam haar intrek in het veilige,
donkere scheepsruim, doorreisde op dat vaartuig alle zeeën, landde aan
alle kusten, en bevolkte van hier uit alle landen en eilanden, waar
deze slechts in bezit zijn genomen door den beschaafden, in vaste
woningen levenden mensch, haar onvrijwilligen beschermer en
onderhouder. Tegen wil en dank hebben wij haar geholpen, het haar
althans mogelijk gemaakt zulk eene groote uitbreiding te geven aan haar
gebied. Aan geen ander, den mensch niet onderworpen zoogdier, is zulks
ooit gelukt.
Een ander voorbeeld van soortgelijke verhuizingen biedt ons de ziesel,
een in geheel Oost-Europa en West-Siberië veel voorkomend, en tot de
familie der eekhoorns, meer in ’t bijzonder tot de onderfamilie der
marmotten behoorend, schadelijk knaagdier, dat de grootte van een
hamster bereikt. Albertus Magnus zag den ziesel in de omstreken van
Regensburg, alwaar hij thans niet meer voorkomt; daarentegen is hij in
den jongsten tijd Silezië weder binnengetrokken, alwaar hij voor
veertig en vijftig jaren onbekend was; tegen het begin van 1850
ongeveer verscheen hij daar, zonder dat men kon nagaan, vanwaar hij
gekomen was, en van nu aan drong hij langzamerhand naar het westen
door.
Ook hier is het alweder de mensch, die deze verhuizingen in de hand
werkt, omdat het dier, zoo al niet daaraan gebonden, althans in
bebouwde velden, de het meeste voedsel belovende en dus voor hem
gezegendste woonplaatsen vindt.
Geheel hetzelfde mag gezegd worden van nog andere muizensoorten, wier
verdere verspreiding gelijken tred houdt met de vermeerdering van het
aantal bebouwde velden. Aan den anderen kant wederom wordt door den
mensch het woongebied van vele zoogdieren door ontwouding,
droogleggingen en andere veranderingen in den toestand des bodems
verkleind; hierdoor bewerkt hij en ongetwijfeld veel meer nog dan door
rechtstreeksche verdelging, het wegtrekken van een aantal zoogdieren,
die daar vroeger vaste woonplaatsen hadden opgeslagen. Want ook op de
zoogdieren is de wet van toepassing, dat slechts zulke woonplaatsen
vroeger of later worden bevolkt, die voor hen geschikt zijn, en zulks
niettegenstaande de mensch dit soms op willekeurige, ruwe en wreede
wijze gewelddadig tracht te beletten.
Verschillend van zulke tochten zijn die, welke de zoogdieren nu en dan
ter wille van eene tijdelijke verbetering hunner positie volbrengen.
Hieraan nemen waarschijnlijk, zoo niet alle soorten, dan toch enkele
leden van alle familiën dezer klasse deel; zij duren langer of korter
tijd, brengen de dieren in meer of minder afgelegen streken, kunnen
daarom zelfs het karakter van werkelijke verhuizingen aannemen, maar
eindigen toch na zekeren tijd en brengen het trekkende zoogdier
eindelijk weder in zijn oorspronkelijke woonplaats terug. Het voornemen
of de hoop zich betere weiden of jachtvelden te verzekeren, eene
toevallig zich voordoende gelegenheid om een aangenamer leven te
leiden, deze zijn zeer zeker de voornaamste beweegredenen voor zulke
zwerftochten. Zij hebben dan ook jaar in jaar uit, op alle breedten en
op alle hoogten plaats, zelfs in streken, die te allen tijde dezelfde
levensvoorwaarden in zich sluiten. Het zoogdier begint en volbrengt die
tochten nu eens afzonderlijk, dan weder in troepen, al naar het gewoon
is eenzaam of gezellig te leven; dikwijls blijven de wegen dezelfde, en
worden dezelfde plaatsen regelmatig op dezelfde tijdstippen bezocht;
maar altijd zijn het toch toevallige omstandigheden, die het dier
leiden en richten.
Wanneer de vruchten van de heilige vijgen- en andere boomen, die de
tempels der Hindoes omgeven, op het punt zijn van rijp te worden, zien
de Brahmanen, aan wie de zorg voor die tempels en boomen is
toevertrouwd, met heilige ontroering de aankomst hunner vierbeenige
goden te gemoet. En niet te vergeefs; want zij verschijnen wis en
zeker, de tot goden verheven apen, de hulman en bonder, om zich te goed
te doen aan de lekkere vruchten der voor hen alleen geplante en
verzorgde boomen, tevens om daarbij nog te rooven en te plunderen in de
naburige tuinen en plantages. En daarna verdwijnen ze weder, tot groote
droefheid hunner vereerders, tot groote vreugde van alle andere
bewoners, wier bezittingen zij op de brutaalste wijze beschadigden.
Wanneer in Centraal-Afrika de korrels van het inheemsche graan, de
doerrha of het kafferkoren, rijpen, daalt een troep bavianen onder
aanvoering van een ervaren, deftig opperhoofd, die vol waardigheid en
trots zich van zijn ambt kwijt, van de bergen naar omlaag, ten einde te
onderzoeken of hun neef, de mensch, zoo vriendelijk is geweest ook in
dit jaar weder het graan voor hen uit te zaaien. Of eene bende
meerkatten, nadert, onder even uitstekend geleide, den zoom der
bosschen, om te juister tijd de akkers ongestraft, zoo zwaar mogelijk
te brandschatten. Wanneer de vurige oranjeappelen op de plantages der
Zuid-Amerikaansche boeren tusschen het donkergroene loof schitteren,
dan trekken de rolapen er op los, ten einde die vruchten met den
eigenaar te deelen. Ook andere plantenetende dieren worden door de
begeerte om zich het dagelijksch brood met weinig moeite te veroveren,
naar streken, plaatsen en velden gedreven, die zij anders vermijden;
roofinsecten volgen andere, hier of ginds tijdelijk verblijfhoudende
insecten; de groote roofdieren vormen steeds de achterhoede van de
plantenetende soorten hunner klasse, in ’t bijzonder die onzer
huisdieren. De leeuw trekt met den rondzwervenden Afrikaanschen herder
van plaats tot plaats; aan de verzenen der verslagen, huiswaarts
vluchtende legers van Napoleon hechtten zich de Russische wolven; tot
midden in Duitschland achtervolgden zij de ongelukkige soldaten.
De vischotters ondernemen reizen te land om van de eene rivier in de
andere te geraken; lynxen en wolven doorkruisen in den winter somtijds
aanzienlijke oppervlakten lands. Door al deze reizen komt er eene
wijziging in de woonplaatsen, het eene dier schuift het andere op; maar
eene eigenlijke verhuizing kan zulks nog niet genoemd worden. Ook zijn
nood en gebrek slechts bij uitzondering aanleiding tot en motief voor
werkelijke verhuizingen; veeleer is het hier een oogenblikkelijk
opkomend verlangen, dat tot zulke tochten aanzet.
Geheel anders verhouden zich die zoogdieren, welke telken jare,
omstreeks denzelfden tijd, van woonplaats veranderen en onder
omstandigheden tamelijk ver verwijderde oorden opzoeken, om van hier
uit wederom op bepaalde tijden naar de oude woonplaats terug te keeren;
dezen verhuizen, want zij grijpen niet eene toevallige gelegenheid aan,
maar zij gehoorzamen bewust of onbewust aan eene dringende
noodzakelijkheid.
Als grond en oorzaak van alle werkelijke verhuizingen der zoogdieren
moeten wij in de eerste plaats beschouwen, duidelijk uitgedrukte
wisseling van jaargetijden. In landen met eene eeuwige lente hebben
geen verhuizingen plaats, daar de aanleiding er toe ontbreekt. Zomer en
winter moeten scherp van elkaar gescheiden zijn, zij dan de laatste
door ijs en sneeuw, of door gloeihitte en droogte gekenmerkt; gebrek en
overvloed moeten met elkander afwisselen, wanneer het trage zoogdier
tot heengaan zal besluiten.
Op kleinen maatstaf reizen reeds die dieren, welke gebergten bewonen.
De gems, steenbok, alpenhaas en marmot trekken, wanneer de sneeuw
begint te smelten, of iets later, zich over steilten en gletschers een
weg banende, naar omhoog, alwaar de ontdooide grasvelden een even
overvloedig als heerlijk voedsel aanbieden; vóór de winter is
aangebroken keeren zij naar de lagere gedeelten van het gebergte terug.
De beer, van nature een omnivoor, door gewoonte een roover, onderneemt,
ten minste in de gebergten van Siberië dergelijke tochten, en eindigt
deze eveneens vóór de komst van den winter; ook de wilde katten en
honden, die de gebergten bewonen, handelen eveneens.
Plaatsveranderingen van dit genre zijn zelfs gewoon in de gebergten van
meer zuidelijk gelegen landen, de tropen niet uitgezonderd. In Indië
evenals in Afrika klimmen en dalen zekere apensoorten op bepaalde
tijden geregeld op en af, zoeken de olifanten bij de intrede des
winters de laagvlakten, bij den aanvang van den zomer de hoogten op. In
de Andes van Zuid-Amerika vluchten de guanaco’s voor de sneeuw naar de
dalen, voor den gloed der zomerzon naar de berghellingen. Door het
gebergte zelf worden aan al deze tochten enge grenzen gesteld. Wij
hebben hier te doen met een hoogteverschil van één tot drieduizend
meter, met afstanden die in weinige uren, ten hoogste enkele dagen
kunnen worden afgelegd. Kenschetsend voor deze tochten is evenwel de
regelmatigheid, met welke zij geschieden, vooral in betrekking tot het
tijdstip, waarop zij ondernomen worden, en niet minder in betrekking
tot de wegen, langs welke zij plaats hebben.
Heuvelland en vlakte, zee en lucht schenken meerdere speelruimte dan
het gebergte en daarom laten zich de hier wonende of zich tijdelijk
ophoudende dieren gemakkelijker dan die, welke in het gebergte verblijf
houden, op hunne tochten vervolgen en nagaan. In de toendra’s van
Rusland en Siberië doet het rendier, dat in Skandinavië de gebergten
niet verlaat, elken herfst groote tochten, om tegen het volgende
voorjaar naar zijn zomerverblijven terug te keeren; altijd ongeveer in
denzelfden tijd verlaat het Groenland om van hier over het ijs naar het
Amerikaansche vasteland te verhuizen; daar blijft het den geheelen
winter en zoekt eerst in April de fjielden van zijn geboorteland weder
op. Zoowel in Rusland en Siberië als in Groenland schijnt het niet
alleen de vrees voor den naderenden winter te zijn, die tot verhuizen
aanspoort, maar hierbij komt nog als tweede aanleiding eene aan het
hooge noorden gebonden plaag. De korte zomer n.l. roept eene
ongeloofelijke hoeveelheid kleine insecten in ’t leven, inzonderheid
eene onbeschrijfelijke menigte steekmuggen en horzels, die niet alleen
den mensch, maar ook het rendier het leven verbitteren. Om dezen te
ontvluchten verlaat het dier de moerassige toendra, boven welke
gedurende den korten zomer dichte wolken van muggen zweven, en vlucht
naar de minder door deze insecten geplaagde gebergten zijner
woonplaats, die op gemeld tijdstip tevens zoo rijkelijk met geurige
weiden bedekt zijn, als met klimaat en land bestaanbaar is. Die
gewoonte wordt erfelijk en zoo is het mogelijk, dat telkens dezelfde
wegen worden betreden en tevens die verhuizingen altijd weder op
hetzelfde tijdstip plaats grijpen. Er ontstaan dientengevolge gebaande
wegen, die duidelijk in ’t oog vallen, mijlen ver door de toendra
verloopen en op bepaalde plaatsen de stroomen en rivieren doorsnijden.
Tegen den aanvang van den tocht scharen zich de wijfjes met haar
kalveren in kudden van tien tot honderd stuks bijeen, de spiesherten en
smaldieren volgen, en daar achter voegen zich de oude herten. De eene
troep volgt onmiddellijk op de andere, zoodat de waarnemer
duizendtallen dezer dieren kan zien voorbijtrekken. Allen snellen
steeds vooruit, laten zich noch door water, noch door bergen
terughouden, en komen niet tot rust dan nadat zij de winterkwartieren
betrokken hebben. Benden wolven, beren en veelvraten hechten zich aan
hun voetzolen en leggen alzoo evenzeer een niet klein gedeelte van dien
weg af. In het voorjaar trekken de rendieren ongeveer langs denzelfden
weg terug, en weder in nagenoeg gelijke slagorde, maar in veel kleinere
kudden, en ook langzamer en wat meer op hun gemak.
Nog grooter afstanden leggen de Amerikaansche wisenten of bisons, de
„prairiebuffels” af. Hoe ver zij reizen weet men eigenlijk nog niet
recht, maar men heeft trekkende troepen ontmoet van Canada tot Mejiko,
van de Missouri tot het Rotsgebergte en zoo is men gerechtigd aan te
nemen, dat een en dezelfde kudde zeer groote landstreken van het
aangegeven gebied door trekt. Men heeft deze bisons in den zomer, over
de eindelooze vlakten der prairiën verstrooid, aangetroffen, en in den
winter op dezelfde plaatsen, maar tot duizenden vereenigd; men heeft
gezien hoe zij reisden, want men heeft hen vervolgd op de door hen
gebaande, honderden mijlen ver in meer of minder rechte richting, over
gebergten en door de vlakten verloopende „buffelpaden”; men heeft zich
door eigen aanschouwing er van overtuigd, dat de grootste stroomen hun
geen hinderpaal in den weg leggen, dat zij, evenals eene lawine zich in
deze wateren storten en ze met hunne donkere lichamen als het ware
geheel opvullen; men heeft gezien, dat de dieren zich van elkander
scheiden en zich weder vereenigen, dat de kudden zich vergrooten en
zich oplossen in kleinere, dat oude, knorrige, heerschzuchtige en
boosaardige stieren de gemeenschap met de andere bisons vermijden,
misschien worden verdreven, en op deze wijze waarschijnlijk eerst na
een langen, moeilijken strijd, gedwongen worden tot den volgenden zomer
eenzaam rond te dolen; men heeft opgemerkt, dat zij in den winter,
wanneer er veel sneeuw is gevallen, in de bosschen of tegen de
hellingen der bergen beschutting zoeken tegen de ruwheid des weders.
Reeds in de maand Juli vangen zij hun tochten van het noorden naar het
zuiden aan. Weinig talrijke kudden, die tot op dit tijdstip een lui en
gemakkelijk zomerleven leidden, sluiten zich aan anderen aan en samen
vervolgen zij hun weg; andere troepen voegen zich bij hen en naarmate
men vooruitdringt, groeit de menigte en wast het aantal, zoodat er
eindelijk die groote massa’s uit zijn voortgekomen, die van nu af aan,
als door éénen geest bezield, samen werken en handelen, totdat het
voorjaar hen weêr scheidt. Zoodra de winter voorbij is, lossen de
massa’s zich weder, misschien in omgekeerde volgorde, in kleinere
kudden op, die zich al weder verdeelen, tot er niets dan kleine
gezelschappen meer overblijven. Dit alles geschiedt op de terugreis.
Zoowel op de uit- als thuisreis trekt steeds de eene kudde, op zekeren
afstand van eene volgende verwijderd, na de andere; allen blijven
evenwel nagenoeg op hetzelfde pad. Treffen zij eene gunstige plaats,
b.v. eene met sappig gras begroeide laagte, dan grijpt hier eene
tijdelijke opstuwing van den levenden stroom plaats. Onder zulke
omstandigheden vereenigen zich op hetzelfde punt ontelbare scharen
bisons; zij vertoeven dan eenige dagen achtereen op dezelfde plek en
breken eerst dan weder op, wanneer al het gras is afgeweid en de honger
tot verder trekken noodzaakt. Ook de bisons worden achtervolgd door
wolven en beren, terwijl gieren en adelaars onheilspellend boven hun
hoofden zweven.
Niet alleen vrees voor gebrek aan voedsel, maar ook het ontbreken van
drinkwater kan de aanleiding zijn, die tot reizen aanspoort. Wanneer in
het zuidoosten van Siberië, inzonderheid in de hooge steppe van Gobi,
de winter nadert, worden alle zoogdieren, voor zoover zij geen
winterslapers zijn, door de bijzondere gesteldheid van dat hoogland
gedwongen in lager gelegen oorden een onderkomen te zoeken. De winter
treedt in dit Middel-Aziatisch hoogland niet strenger op dan in de
noordelijk of noordoostelijk daarvan gelegen streken, maar hij is hier
meestal vrij van sneeuw en bedekt alle wateren, die bovendien wegens
den weinigen neêrslag niet talrijk zijn, met eene dikke ijslaag. Zoodra
nu die laatste zoo dik is geworden, dat geen der in de Gobi verblijf
houdende dieren het ijs verbreken kan, zien zij zich tot verhuizen
verplicht, en nu trekken zij niet naar zuidelijker, maar juist naar
noordelijker streken, die het voorrecht bezitten van veel sneeuw te
bevatten: de trekkende dieren toch kunnen beter hun dorst lesschen met
de zachte sneeuw, dan met het harde ijs, en ook loopen zij
gemakkelijker op de eerste dan op het laatste. Nu kan men ook begrijpen
waarom de kropantilope, die veelvuldig in de genoemde steppe voorkomt,
een land verlaat, dat met uitzondering alleen van de daar ontbrekende
sneeuw, m.a.w. met uitzondering alleen van water, hetzelfde aanbiedt
als het winterkwartier. Niet de honger, maar de dorst drijft het dier
naar den vreemde. Is de winter in aantocht, dan verzamelt zich de
overigens reeds gezellig levende antilope in grootere troepen van vele
duizenden individuen; alle lager gelegen landstreken rondom het hooge
geboorteland zijn met deze kudden opgevuld. Gezamenlijk verwijderen zij
zich tot op honderden mijlen afstands van den geboortegrond, en leggen
op dien tocht soms in een enkelen nacht tien à twaalf geografische
mijlen af. De waarnemer, die hen volgt, ziet overal hun sporen en in
zulk eene menigte, dat het schijnt alsof kort van te voren eene
buitengewoon talrijke schaapskudde hier langs getogen is.
Nog voor de trektijd der antilope is aangebroken, komt de koelan of
dziggetai, de vermoedelijke stamvader van ons paard, en in elk geval
het prachtigste en edelste wilde paard der aarde, in beweging. De
veulens van den jongsten zomer zijn in den herfst reeds zoo krachtig
geworden, dat zij eene lange reis kunnen meêmaken, snelle marschen
uithouden en alle wederwaardigheden en gevaren van een ongeregeld leven
met goed gevolg het hoofd kunnen bieden. Ook de jonge, vierjarige
hengsten bevinden zich in de volle kracht des levens, verlaten reeds op
het eind van September, vol moed, de ouderlijke kudde en dringen
voorwaarts. De oude hengsten en merriën eindelijk worden aangegrepen
door de zucht tot paring en worden onrustig en reislustig. Zoo begint
het vlugge, ondernemende dier, reeds vóór de winter invalt, zijn
tochten; daarom mist men in deze verhuizingen duurzaamheid en
regelmaat, zoodat zij eenigszins het karakter verkrijgen van
avontuurlijke zwerftochten. Ten einde het hun door den aanvoerenden
hengst opgelegde juk af te schudden en vrij te zijn, om zich zelf tot
gebieders op te werken, verlaten de jonge hengsten de moederkudde en
zwerven nu zelfstandig door de zandsteppe. Alle jongere, geslachtsrijp
geworden en zelfs sommige oudere merries schijnen door hetzelfde gevoel
bezield te zijn als de op daden beluste jonge hengsten; ook zij pogen
de tyrannie van hem, die haar tot nog toe gebood, te ontvlieden. Zij
voegen zich bij de eersten—evenwel om nu onder het juk van dezen haar
nek te krommen. Maar zonder strijd wordt de heerschappij niet
verkregen, goedschiks geeft de oude gebieder zijn rechten niet op.
Urenlang staat de jonge hengst op den top eens heuvels of van een
bergrug en slaat van hier uit een onderzoekenden blik over het veld.
Zijn oog doorloopt de woestijn, zijn naar den wind gekeerde
neusvleugels zijn opengesperd, zijne ooren hebben zich gespitst.
Strijdlustig, in gestrekten draf springt hij in elke kudde, die nadert,
rent hij elken mededinger, dien hij ontwaart, te gemoet, en een woedend
gevecht begint om de merries, die den overwinnaar alleen zullen volgen.
Dit vechten en kampen brengt echter beweging in de kudden, scheidt ze
van het gebied, alwaar zij den zomer hebben doorgebracht en is de
voorbode van thans aanvangende, uitgestrekte en onafgebroken
zwerftochten. Na of nog vóór het eindigen van de zooeven besproken
gevechten, verzamelen zich de troepen koelans in elk geval tot steeds
talrijker wordende kudden, totdat er eindelijk legers van meer dan
duizend stuks ontstaan, die gezamenlijk optrekken en wel naar zulke
streken, die overvloed van voedsel opleveren. Ook in de
winterkwartieren scheiden de wilde paarden zich niet van elkander en
zijn deswege genoopt, ter wille van het voedsel voortdurend rond te
zwerven. Dreunend klinkt de hoefslag dezer aaneengesloten, gewoonlijk
snel voortdravende kudden, en meermalen is het gebeurd, dat de Kozakken
in de grensdistricten van het Russische Rijk, daardoor verschrikt, te
wapen vlogen. Geen wolf zal het wagen zulk eene kudde aan te vallen,
want de moedige hengsten weten te hunner verdediging zulk een goed
gebruik van de hoeven te maken, dat de wolf alras van zijn aanval
afziet; slechts zieke en vermoeide wilde paarden vallen het roofdier,
dat deze tochten volgt, nu en dan ten offer. De mensch richt evenmin
onder deze legers veel schade aan; de koelans toch zijn zeer schuw en
voorzichtig, zoodat het moeilijk valt hen te naderen. In weêrwil van
dit alles kan een strenge winter dezen dieren noodlottig worden, vooral
wanneer er veel sneeuw valt. De reeds zoo schrale weide is dan spoedig
uitgeput en dit te eerder, naarmate de kudden talrijker zijn. Dan azen
de dieren zonder keus of smaak op alle planten, die zij kunnen vinden.
Maandenlang moeten zij zich voeden met niets dan ontbladerde twijgen.
De gladheid en ronding des lichaams gaat verloren; eerlang zijn het
wandelende geraamten. Zelf gebrek lijdende, kan de merrie-moeder haar
veulen niet meer het noodige geven; de uiers drogen op. Menig veulen,
dat op zijn nog jeugdigen leeftijd de harde kost der ouden niet kan
verteren, lijdt gebrek. Ook de ouden lijden onder deze winterplagen.
Sneeuwstormen, die dagen lang kunnen aanhouden, waaien de weiden onder
de sneeuw, verdooven den moed, terwijl de driestheid der wolven in
gelijke mate toeneemt, welke dieren de krachteloozen neêrvellen en den
sterkeren boozen overlast aandoen. Zoodra evenwel de omstandigheden
zich ten goede keeren, keert ook weder bij deze taaie, tegen het weêr
geharde schepselen de oude levenslust terug, en zoodra de sneeuw begint
te smelten vangen zij den terugtocht weder aan, om binnen ongeveer eene
maand het vroegere zomerverblijf weder terug te vinden; hier lossen zij
zich weder op in taboenen, of afzonderlijke kudden, herstellen zich
onder ’t genot van rijkelijk en geurig voedsel spoedig weder van de
geleden schade, worden weer vet en glad, en zijn den kommer en de
ellende van den winter geheel vergeten.
Hoe groot de afstanden ook mogen zijn, die alle tot nog toe behandelde
zoogdieren afleggen, bij die der robben en walvisschen zijn ze echter
niet te vergelijken. Het water begunstigt alle bewegingen van een
daarin levend dier, biedt in hoofdzaak overal dezelfde
levensvoorwaarden aan en stelt om deze reden, op gemakkelijker wijze en
met minder moeite en gevaren in staat tot het volbrengen van verre
tochten. En toch wekt het eenigszins onze verbazing te vernemen, dat
vele zeezoogdieren, inzonderheid de walvisschen, tot de meest
reislustige schepselen behooren, ja dat velen hunner, en misschien wel
de meesten, ongeveer hun geheele leven lang op reis zijn. Strikt
genomen heeft geen enkele walvisch gedurende het geheele jaar eene
vaste verblijfplaats, maar trekt dit dier, of alleen, of paarsgewijs,
met zijn jongen of in scholen vereenigd, onafgebroken van de eene
wereldzee naar de andere, terwijl somtijds enkele oorden bijzondere
lievelingsplekjes zijn, die bij voorkeur en op geregelde tijden worden
opgezocht, ’s winters andere dan in den zomer. De zeeën, in welke
dezelfde walvischsoort zich des zomers en des winters ophoudt, liggen
dikwijls verder uiteen dan men gewoonlijk meent; enkele wallen
doorreizen jaarlijks meer dan een vierde gedeelte van den ganschen
aardbol. Men ontmoet ze des zomers aan de ijsmuren van de Noordelijke
IJszee en in den winter niet zelden aan gene zijde des Evenaars.
Gezellig in de hoogste mate en vol opofferende liefde jegens hunne
jongen, verzamelen zich met name de vrouwelijke wallen tot soms
verbazingwekkende aantallen, om onder aanvoering van enkele mannetjes
langs bepaalde wegen en op bepaalde plaatsen door den wijden Oceaan te
trekken; sommigen vervolgen daarbij hunne reis langs de kust, anderen
door de hooge zee. Stormen en het niet verschijnen van zekere dieren,
die hun tot voedsel verstrekken en waarin men de naaste aanleiding tot
deze verhuizingen hebbe te zoeken, wijzigen soms richting en aanvang
van den tocht; in ’t algemeen echter geschieden deze reizen zoo
regelmatig, dat men zoowel in het noorden als in het zuiden de komst
der walvisschen van bepaalde dagen afgerekend te gemoet ziet en wachten
uitzet, ten einde dadelijk voor de vangst gereed te zijn. De
kustbewoners hebben dikwijls dezelfde walvisschen, die zij herkenden
aan bijzondere kenteekens, zooals b.v. verminkte vinnen, en die ze
tevergeefs hadden nagezet, jaren achtereen juist op denzelfden tijd en
juist op dezelfde plaats teruggezien, terwijl de jacht op deze
winstgevende en daarom fel bestookte dieren met dezelfde regelmatigheid
wordt uitgeoefend als op het vasteland de hazenjacht. Op andere tijden
des jaars zou men tevergeefs naar wallen zoeken. „Na Driekoningen” zegt
reeds de oude Pontoppidan, „zien de Noormannen van alle bergen naar
walvisschen uit, wier komst door de haringen wordt aangekondigd.” Eerst
maakt de springwal zijn opwachting, drie of vier, hoogstens veertien
dagen later verschijnt de vinvisch, ofschoon de een naar het schijnt
uit Straat-Davis, de ander uit Groenland opbreekt. Aan de zuidelijke
kusten der Faroer, en wel hoofdzakelijk in de Qualbenfjord, ziet men
jaarlijks omstreeks Sint-Michiel van drie tot zes anarnaks, heden ten
dage zoowel als vóór honderd en negentig jaar.
In zekere golf van Schotland verscheen twintig achtereenvolgende jaren,
steeds op denzelfden tijd, een walvisch, die onder den naam van „Hollie
Pyke” algemeen bekend was, telken jare nagejaagd en eindelijk gevangen
werd. Aan de kusten van IJsland kiezen jaarlijks enkele walvisschen
dezelfde inhammen en baaien uit om hier eenigen tijd te verblijven, elk
jaar dezelfde maanden en dezelfde weken, zoodat de kustbewoners ze
persoonlijk kennen en aan ieder hunner namen hebben gegeven. Zekere,
goed bekende moeder-wallen bezoeken elk jaar dezelfde baai, om hier
haar jongen ter wereld te brengen; men spaart deze dieren zelf, doch
zij moeten hun eigen leven duur genoeg, nl. met dat van hun kroost
koopen. Uiterst zelden geschiedt het, dat de reizende walvisschen zich
aan tijd noch richting binden; in het algemeen trekken zij met zulk
eene regelmatigheid door den wijden Oceaan, dat het is alsof zij zich
naar den stand der sterren richten en gebaande, van ter zijden
begrensde wegen betreden. Geen ander zoogdier trekt met zooveel
regelmatigheid; men kan dit trekken vergelijken met dat der vogels.
Evenals de walvisschen ondernemen ook de robben jaarlijks meer of
minder verre, maar over ’t algemeen ook zeer regelmatige tochten. Die
soorten, welke in binnenzeeën leven, kunnen deze wel is waar niet
verlaten, maar zij trekken ze toch telken jare op gelijke wijze door;
of zij zwemmen op bepaalde tijden de rivieren op, welke in genoemde
zeeën uitmonden. Alle soorten daarentegen, die in de wereldzeeën
verblijf houden, vangen elk voorjaar en elken herfst reizen aan, die in
bepaalde richtingen verloopen, en naar bepaalde streken voeren. Alle
robben uit het hooge noorden en die, welke om de zuidpool wonen, worden
steeds door het zich in den winter uitbreidende ijs tot verhuizen
gedwongen; zij trekken daarom met dat ijs naar gematigde breedten af,
om met het smeltende ijs weder dichter de polen te naderen. Zij, zoowel
als alle andere soorten der orde, waartoe zij behooren, worden nog door
eene andere, niet minder gewichtige beweegreden tot reizen gedreven;
zij kunnen nl. alleen op het vasteland of althans op groote, vast
liggende ijsschollen hun jongen ter wereld brengen en zoo lang
verzorgen, tot deze in staat zijn de ouden in zee te volgen om daar
zelf in het levensonderhoud te voorzien. Zoo verschijnen dan telken
jare duizenden en honderdduizenden robben op bepaalde eilanden of
ijsschollen, welke geboortegronden van hun geslacht zij zoo geheel en
al met hunne lichamen bedekken, dat elke beschikbare ruimte in beslag
moest genomen worden om voor allen plaats te vinden; hier brengen zij
hun jongen ter wereld, verwijlen weken, ja maanden achtereen op het
land en het ijs zonder intusschen te jagen, in zee te dalen en voedsel
tot zich te nemen, zogen de jongen, paren alsdan, lossen het verband
weder op, verdeelen zich over den uitgestrekten Oceaan, om van nu aan
weder op oude wijs te leven, of zij vangen met hunne nog veel zorg
eischende jongen meer of minder ver zich uitstrekkende jachttochten,
alzoo nieuwe reizen aan.
Van alle hier opgenoemde trekzoogdieren behoort geen enkel tot de
winterslapers, die, goed beschut, in diepe, zorgvuldig toegestopte
onderaardsche woningen, in schijndooden toestand den boozen winter
doorbrengen. Deze dieren zijn dus niet genoodzaakt hunne woonplaatsen
te verlaten. Evenwel, ook onder dezen zijn er, althans voor zooverre
diegenen betreft, welke in de gematigde luchtstreek leven, enkelen, die
gedurende hunne jeugd trekken, nl. de vleêrmuizen.
Hoe onvolkomen de vleugels der vleêrmuizen, vergeleken met die der
vogels ook mogen schijnen, toch zijn het geschikte werktuigen ter
plaatsverandering en zij stellen zelfs in staat tot het volbrengen van
tochten, die tot de lichaamsgrootte van het dier in geen verhouding
staan. Bovendien is er nog een andere omstandigheid, die der
reislustige vleêrmuis ten goede komt, daarin bestaande, dat het dier
door zijn jongen aan geen bepaalde plaats gebonden wordt, want deze
klemmen zich van het oogenblik der geboorte af aan de borst der moeder
vast om door deze, tot zij volwassen zijn, door de lucht gedragen te
worden. Om al deze redenen behoort de vleêrmuis tot die dieren, welke
te allen tijde tot verhuizen en reizen gereed zijn, en zij maakt dan
ook van de voordeelen haar geschonken, bij tijd en wijle een
uitgestrekt gebruik. In den regel zijn alle reizen, die de
verschillende soorten van vleêrmuizen ondernemen, meer zwerftochten,
die ten doel hebben op sommige tijden andere, meer voedsel belovende
streken op te zoeken; toch kunnen deze tot werkelijke reizen worden, en
althans enkele soorten worden daardoor naar ver afgelegen landen
vervoerd, en zulks geschiedt met die regelmatigheid, welke ware
verhuizingen kenmerkt. De grootste vleêrmuizen, de kalongs of vliegende
honden, ondernemen elken avond, ten behoeve van haar hoofdvoedsel, dat
uit vruchten bestaat, verre tochten; daarenboven vliegen zij soms over
zeestraten van tien geogr. mijlen breedte, ja, naar men zegt, begeven
zij zich wel eens van Zuid-Azië naar Oost-Afrika en omgekeerd. Waar is
het dat zij in beide werelddeelen voorkomen.
De eigenlijke vleêrmuizen doen voor de kalongs niet onder. Ten einde
jacht te maken op insecten, die in de verschillende tijden des jaars op
verschillende hoogten verschijnen, stijgen deze dieren van de
laagvlakten naar de bergen omhoog, om in den herfst weder naar beneden
te dalen; zij volgen de kudden der nomaden van Middel-Afrika—al weder
om de hier zich verzamelende insecten—maar zij reizen ook van het
zuiden naar het noorden, en keeren van hier weder naar ginds terug, en
omgekeerd. Zoo verschijnt de ombervleêrmuis eerst met het begin der
heldere zomernachten in het noorden van Skandinavië en Rusland, om deze
breedten, die men als haar eigenlijk geboorteland kan aanmerken, reeds
in den nazomer weder te verlaten; zij begeven zich alsnu naar de
Duitsche Middelgebergten en de Alpen, om daar te overwinteren. Zoo ziet
men de meervledermuis des zomers geregeld in de Noordduitsche vlakten,
maar ontmoet haar echter om dezen tijd slechts zelden in de gebergten
van Middel-Duitschland, alwaar zij den winter in de rotskloven
doorbrengt. Dat ook andere in Duitschland levende vleêrmuissoorten
soortgelijke reizen volbrengen, is meer dan waarschijnlijk.
Bovenvermelde voorbeelden, die uit het rijkelijk voorhanden materiaal
zoo maar te grijpen waren, zijn zoo vele bewijzen voor die soorten van
verhuizingen, welke men op grond der regelmatigheid, waarmede zij
geschieden, willekeurige zou kunnen noemen. Maar er is meer. Somtijds
worden de zoogdieren door honger en dorst, armoede en tijdelijke
onbewoonbaarheid van een of ander woongebied, zoo hard geteisterd, dat
zij, schier tot wanhoop gebracht, besluiten moeten in de vlucht hun
behoud te zoeken. Rijkelijk voedsel en gunstig weder bevorderen de
vermenigvuldiging van alle dieren, maar inzonderheid die der
planteneters, zoodat deze daardoor wel eens gedwongen worden hun
verbreidingsgordel uit te zetten. Worden evenwel een of meer vette
jaren, of zelfs enkele gunstige maanden opgevolgd door schrale, dan
klimt de nood plotseling tot het uiterste; de hierdoor overvallen
dieren worden dan niet alleen in de onmogelijkheid gebracht van zich
verder het noodige levensonderhoud te verschaffen, maar de nood doet
hun zelfs alle bezinning verliezen.
Onder zoodanige omstandigheden verlaten bij ons te lande de veldmuizen,
in Siberië de wortelmuizen hare geboorteplaats en trekken, in ontelbare
scharen vereenigd, naar andere streken; zij deinzen op zulke tochten
nergens voor terug, zoomin voor het water als voor de hun vreemde
bergen en bosschen; zij hebben daarbij onophoudelijk te kampen met
honger en ellende, met ongesteldheden en kwaadaardige ziekten, die als
de pest onder hen woeden en de millioentallen tot weinige honderden
doen insmelten. Gelijke omstandigheden dwingen in Siberië de
eekhoorntjes, die in gewone jaren ten hoogste kleine uitstapjes
ondernemen, om zich tot groote legers te vereenigen en troepsgewijs van
boom tot boom, van het eene woud naar het andere te trekken, rivieren
en stroomen over te zwemmen, enz. Zij dringen alsdan de dorpen en
steden binnen, verliezen bij duizenden het leven, maar laten zich zelfs
dan niet terughouden of van den weg afbrengen, wanneer het doodsgevaar
hen tegengrijnst. De voetzolen slijten af en worden ruw, de nagels zijn
stomp geloopen, de haren van den anders zoo gladden pels worden
borstelig en zitten verward dooreen; losschen en sabelmarters volgen
hun spoor in de bosschen, veelvraten, vossen en wolven in het open
veld, arenden, valken, uilen en raven zweven dreigend boven hunne
hoofden, maar grooter verwoestingen nog dan de tanden en klauwen der
roofdieren, of de buksen en stokken der menschen, richten boosaardige
ziekten onder hen aan, en toch—zij trekken altijd verder,
oogenschijnlijk zonder hoop op een mogelijke wederkomst. Volgens de
mondelinge mededeelingen van een met mij bevriend Siberisch jager wierp
zich in het jaar 1869 zulk een leger van eekhoorntjes midden in de
Uralische stad Tapilsk. Deze individuën vormden echter nog maar eene
enkele divisie van het hoofdleger, welks centrum op een afstand van
ongeveer acht kilometer meer noordelijk door het bosch trok. De dieren
volgden of individuëelsgewijs of in troepen van verschillende sterkte,
onafgebroken elkander op; zij trokken even dicht aaneengesloten door de
stad als door het naburige bosch; zij maakten zoowel van de straten als
van de tuinen gebruik, klommen zelfs over de daken der huizen, vulden
alle pleinen en open plaatsen, en veroorzaakten een algemeene
opschudding, niet alleen onder de menschen, maar zoo mogelijk nog meer
onder de honden, die er duizenden doodbeten en ten slotte de meest
teugellooze, meest onverzadelijke moordlust aan den dag legden. Maar de
eekhoorns schenen geen acht te slaan op de tallooze offers, die aan
hunne zijde vielen, zich om niets te bekommeren en zij waren door geen
enkel middel van den eens ingeslagen weg af te brengen. Drie dagen
achtereen duurde deze doortocht, van den vroegen morgen tot den laten
avond, en eerst tegen het aanbreken van den nacht kwam er stilstand in
den stroom. Allen wandelden juist in dezelfde richting, van het noorden
naar het zuiden, en de nakomenden trokken langs denzelfden weg als de
eerst voorbijgekomenen. De bruisende Tschussoweia was hun geen
beletsel; alle dieren, die aan den oever dezer snelstroomende rivier
aankwamen, stortten zich zonder bedenken in het schuimende en draaiende
water, en zwommen, bijna geheel ondergedoken, met over den rug gelegden
staart, zoo snel mogelijk naar den anderen oever. Mijn zegsman, die den
tocht voortdurend met klimmende belangstelling en opmerkzaamheid
volgde, begaf zich in een boot midden onder de den stroom doortrekkende
schare. Vermoeide zwemmers, wien hij eene roeispaan toereikte, maakten
daarvan gebruik om er bij op en in de boot te klauteren; zij bleven,
oogenschijnlijk zeer vermoeid, hier een poos rustig en vertrouwelijk
zitten, klauterden, wanneer de boot naast een grooter vaartuig
aanlegde, op dit laatste over, bleven nu hier weder rustig een poos
zitten om ook dit te verlaten, zoodra het vaartuig aan wal was gekomen;
dan sprongen zij er af en zetten de reis zoo goedsmoeds voort alsof zij
door niets waren gestoord geworden.
Dezelfde oorzaken moeten het zijn, die de lemmingen aanzetten tot
hunne, reeds eeuwen lang bekende verhuizingen. Jaren achtereen
verleenen de gebergten der Skandinaafsche, Noord-Russische en
Noord-Siberische toendra’s hun een geschikt verblijf en daarbij
overvloedig voedsel, want de breede ruggen der fjielden evenals de hier
tusschen gelegen uitgestrekte vlakten, het heuvelland en de laagten
bezitten plaats en voedsel genoeg voor millioenen dezer dieren; maar
niet elk jaar verheugen zij zich den geheelen zomer in overvloed. Volgt
op een aan sneeuw rijken, dus op een voor hen, die onder het witte
sneeuwkleed een veilige schuilplaats vinden, gunstigen winter een te
rechter tijd aanvangend, warm, lang aanhoudend voorjaar, dan worden er
aan hun ongemeene vruchtbaarheid geenerlei perken gesteld, en weldra
wemelt de toendra letterlijk van lemmingen. Een hierop volgende,
schoone en warme zomer doet het aantal nog meer toenemen,—maar verhaast
tevens den levensloop van alle voedingsplanten, en nog vóór het einde
van den zomer daar is, zijn die planten òf verdord, òf reeds gevallen
onder de vraatzuchtige tanden dezer onverzadelijke woelmuizen. Het
gebrek houdt zijn intocht en het lui, lekker leventje wordt vervangen
door ellende. De vroolijke, brutale aard van den lemming is verdwenen,
onrust bevangt hem en deze onrust stijgt eerlang tot radeloozen angst.
Het hongerspook grijnst hen tegen. Nu scholen de lemmingen bijeen en
vangen de reize aan. Dezelfde trek maakt zich tegelijkertijd van velen
meester en de een sleept den ander mede. De troepen worden scharen, de
scharen legers. Deze stellen zich in slagorde en als een bruisende
stroom storten de lemmingen zich van de hoogten naar beneden in de
dalen. Allen snellen in een bepaalde, naar plaats en gelegenheid
verschillende richting vooruit. Allengs vormen zich lange rijen, in
welke de eene lemming zoo dicht op den ander volgt, dat hij met zijn
kop schijnt te rusten op den rug van zijn voorman. Hoe licht de tred
dezer kleine diertjes ook zij, hun aantal snijdt in het moskleed der
toendra diepe voren, die reeds van verre in ’t oog vallen. Hoe langer
de tocht duurt des te onrustiger en koortsachtiger wordt de troep.
Gretig vallen zij op alle planten aan, die zij op hun weg ontmoeten,
alles verslindende wat maar eenigszins genietbaar is; en hebben de
voorsten werkelijk nog eenig voedsel gevonden, zij, die volgen, vinden
ook dit niet meer. De honger stijgt van minuut tot minuut en doet den
tocht steeds meer verhaasten; geen gevaar wordt meer geacht, geen
hinderpaal ontzien, en millioenen vallen dientengevolge als een offer
des doods. Menschen, die hun in den weg treden, loopen zij tusschen de
beenen door; tegen raven en andere roofvogels, die hen in kracht verre
overtreffen, stellen zij zich onverschrokken te weêr; zij banen zich
knagend een weg door de hooischelven, zij klimmen over bergen en
rotsen, zij zwemmen over rivieren en zeeëngten, zelfs over wijde meren
en groote golven en fjorden. Hetzelfde gevolg, dat achter de
verhuizende eekhoorntjes natrekt, loopt en vliegt ook de lemmingen na:
wolven en vossen, veelvraten, marters en wezels, de honden der Lappen
en Samojeden, arenden, buizerden en sneeuwuilen, raven en bonte
kraaien, deze allen gaan te gast aan de ontelbare offers, die zij aan
het golvende leger, meeuwen en visschen aan die, welke zij aan de
zwemmenden ontrooven, terwijl ziekten van allerlei aard wellicht nog de
grootste slachting aanrichten, meer dan alle bovengenoemde vijanden te
zamen. Duizenden lijken blijven ten prooi der verrotting langs de wegen
liggen, duizenden anderen worden door de stroomen medegevoerd. Of er
nog enkele individuën van deze massa’s ontkomen, en of deze vroeger of
later weder naar de verlaten haardsteden terug keeren, of dat ten
slotte allen, die de reize aanvingen te gronde gaan, niemand vermag
zulks te zeggen. Wel kan ik persoonlijk verzekeren, dat ik uitgestrekte
landen der Laplandsche toendra ben doorgetrokken, die ik overal
doorkruist zag door de gangpaden der lemmingen, maar ik heb op dien
tocht geen enkelen lemming zelf ontmoet. Zulke streken behouden, gelijk
men mij mededeelde, dikwijls jaren achtereen hetzelfde uiterlijk en
eerst na een lang tijdsverloop worden zij langzamerhand weder met deze
kleine, nijvere knaagdieren bevolkt.
Wat de honger in het noorden bewerkt, doet in het weelderige zuiden de
dorst. Wanneer de brakke poelen, die tot op dit oogenblik
tijgerpaarden, antilopen, buffels, struisvogels en andere aan den grond
gekluisterde steppendieren lafenis schonken, onder den verzengenden
adem van den Zuid-Afrikaanschen winter allengs uitdrogen, dan
verzamelen zich om die weinigen, welke nog eenig water bevatten, alle
dieren, in wier levensonderhoud de steppe tot dusverre voldoende
voorzag, en een druk, levendig tooneel ontvouwt zich aan deze plaatsen.
Maar zijn ook deze verdroogd, dan zien alle wezens, die zich op deze
plek bijeenvonden, zich genoodzaakt weg te trekken, en nu kan het
voorkomen, dat zij door een soortgelijken wanhoop worden aangegrepen
als de zooeven besproken knaagdieren; evenals de wilde paarden en
kropantilopen der Middel-Aziatische steppe of de bisons der
Noord-Amerikaansche prairiën scharen zij zich bijeen en leggen in
rechte lijn honderden van mijlen af, om de ellende van den strengen
winter te ontvlieden.
De eerste dieren, welke het ongastvrije oord ook hier den rug
toekeeren, zijn de wilde paarden. Zorgeloos en ongedwongen zwierven de
sierlijk geteekende, krachtige, vlugge, wilde en zich zelf bewuste
kinderen der karroe, de zebra, quagga en dauw, tot aan het invallen van
het tijdperk van gebrek door hun uitgestrekt gebied, verdeeld in
kudden, die onder de hoede en leiding staan van een ouden, ervaren en
in den strijd geoefenden hengst. Het tijdperk van kommer, de winter is
aangebroken, de eene watervijver voor, de andere na, droogt op en
steeds talrijker en talrijker worden de troepen, die zich om den
laatsten watervoorraad verzamelen. De gemeenschappelijke nood dooft in
den kampvaardigsten hengst den lust tot gevecht en strijd. De taboenen
worden tot troepen van eenige honderden stuks, die van nu aan
gemeenschappelijk zullen handelen, en gezamenlijk het winterachtig
verblijf verlaten nog voor het gebrek is gekomen, dat de krachten zal
verzwakken en den trotschen wil breken. Vol geestdrift wordt het
grootsche tooneel, dat deze verhuizende tijgerpaarden opleveren, door
alle reizigers geschetst. Zoo ver het oog reikt, strekt zich het
zandveld uit, welks roode hoofdkleur slechts hier en daar wordt
afgebroken door enkele zwarte plekken, alwaar de zon het gras heeft
verbrand; hier en daar werpen spaarzaam verspreide mimosa’s een weinig
schaduw en geheel in de verte is de vlakte begrensd door de scherpe
omtrekken der met een blauw waas omtogen bergen. Te midden van zulk een
landschap ziet men eene stofwolk opdwarrelen; loodrecht stijgt deze,
door geen windje bewogen, naar den blauwen hemel omhoog. De wolk rukt
nader en nader; binnen in haar wordt een gewemel van wezens zichtbaar.
Eindelijk maken deze zich los uit den donkeren nevel en schitterend
gekleurde dieren treffen het oog van den waarnemer; in dichte rijen,
met uitgerekten hals en uitgespreiden staart, rennen zij voorbij,
terwijl struisvogels en eigenaardig gevormde gnoes, die zich in de
gelederen hebben gemengd, den stoet helpen vergrooten. Deze dieren zijn
op weg naar een ander, misschien ver verwijderd grasland, en vóór nog
de toeschouwer van zijne verbazing is bekomen, is het wilde leger reeds
uit het gezicht verdwenen om de onafzienbare steppe verder in te
trekken.
Niet altijd op dezelfde wegen, maar toch meest in dezelfde richting,
trekken ook de door den winter verjaagde antilopen door het grenzenloos
gebied. Onder dezen is de springbok het menigvuldigst; dit is
ongetwijfeld een der sierlijkste gazellensoorten, die wij kennen. De
ongemeene schoonheid en bekoorlijke bewegelijkheid van dit dier
betoovert een ieder, die het in de natuur gadeslaat; met lichten,
elastischen tred schrijdt het nu eens voort, staat dan weder een
oogenblik stil om te grazen, en springt daarna tuimelend verder, zijn
grootste sieraad, een sneeuwwitten, maanachtigen haarbosch ten toon
spreidende, die bij langzamen tred in eene overlangs loopende plooi van
den achterrug wordt weggeborgen. Geen andere antilope vereenigt zich,
wanneer de nood tot verhuizen dwingt, in zulke talrijke kudden.
Geene pen is bij machte eene juiste voorstelling van dit schouwspel
voor den geest te roepen van hem, die het met eigen oogen aanschouwde.
Reeds sedert weken schaarden de antilopen zich bijeen, misschien nog
altijd wachtende op de eerste regenbui alvorens zij konden besluiten
tot de afreis. Honderden individuën voegen zich bij andere
honderdtallen, duizenden scharen zich bij andere duizenden en naarmate
het gebrek meer dreigt en de dorst meer begint te kwellen, wordt de
bereids afgelegde weg verlengd, terwijl de kudden aangroeien tot
troepen, de troepen tot legers. Als zwermen treksprinkhanen, die de zon
verduisteren, trekken zij daar heen.
In de vlakten bedekken zij kwadraat-mijlen; in de passen tusschen de
gebergten dringt zich de hoop tot eene massa opeen, waarvoor alle
andere schepselen terugdeinzen; door de laagvlakten stroomen zij voort
als de wateren eener buiten haar oevers getreden, alles medesleurende
rivier. Zelfs de meest nuchtere mensch verliest bij dit schouwspel
zijne bezinning, en uren, soms dagen achtereen duurt zulks voort. Als
vraatzuchtige sprinkhanen vallen de versmachtende dieren op gras en
bladeren, op koorn en andere veldvruchten aan, en waar zij
voorbijtrokken bleef geen halm overeind. Waagt zich een mensch in den
weg dezer troepen, hij wordt in een oogwenk ter aarde geworpen en door
de wel lichte, maar elkaar opvolgende hoefslagen der dieren zwaar
verwond, soms zoo zeer dat hij blij mag zijn, indien hij er het leven
afbrengt; komen de antilopen eene kudde schapen tegen, dan wordt deze
omsingeld en medegesleurd; niemand ziet ze ooit weder. De leeuw, die
dacht hier eene gemakkelijke prooi te vinden, ziet zich genoodzaakt het
reeds gegrepen offer los te laten en met den stroom mede te ijlen.
Onophoudelijk dringen de achtersten naar voren en moeten de voorsten
voor dien drang uitwijken; bestendig trachten de in het midden
gedrongen scharen de vleugels te bereiken en voortdurend ondervinden
zij den taaisten tegenstand. Gieren beschrijven hun kringen om de
stofwolken, die de vluchtende scharen opwerpen; aan de vleugels en de
achterhoede sluit zich een talrijke, uit de meest verschillende
roofdieren bestaande lijkstoet aan; jagers en schutters loeren in de
passen om van hier uit ontelbare kogels in het gedrang te zenden. Zoo
doorvliegen de gekwelde dieren mijlen lange landstreken tot het
voorjaar aanbreekt en de troepen weder ontbindt.
Moet ik hier nog de tochten aan toevoegen, die de poolvossen en
ijsberen soms gedwongen worden te ondernemen, wanneer zij op een
ijsschol, hun tijdelijk jachtveld, door de zeestroomen worden
weggevoerd, om òf nooit weder te landen òf in het gunstigste geval
ergens op een eiland aan wal gezet te worden? Ik geloof van neen, want
zulke reizen zijn geen verhuizingen meer, maar een drijven op de
golven.