HET OERWOUD EN DE DIERENWERELD VAN AFRIKA’S BINNENLAND.

Rijk moge Afrika’s steppe zijn, vooral wanneer men haar vergelijkt met

de woestijn, de weelderige vegetatie der tropen wordt evenwel niet in

haar gevonden. Wel oefent de bezielende kracht des waters er haar

gezegenden invloed uit, maar die invloed duurt te kort dan dat hij

ongestoord zou kunnen werken. Met het ophouden van den regen sterft ook

de groeikracht, terwijl de hitte en droogte weder alles vernielen, wat

de regen had voortgebracht.

Daarom kunnen in de steppe slechts die planten tot ontwikkeling komen,

wier leven binnen weinige weken wordt afgespeeld, niet zulke gewassen,

die de eeuwen verduren. Eenig en alleen in de laagten, die rijk zijn

aan nooit verdrogende stroomen en die zoowel door deze als door den

regen gedrenkt worden, alwaar zonnelicht en water, warmte en

vochtigheid gemeenschappelijk werkzaam zijn, ontwikkelt, ontvouwt en

bestendigt zich de feeënrijke volheid der keerkringslanden. Hier

groeiden bosschen op, die wat pracht, majesteit, schoonheid en rijkdom

betreft, in niets onderdoen voor de wouden van de gezegendste landen op

lager breedten, oerwouden in den volsten zin des woords, die zonder

toedoen van den mensch ontstaan en vergaan, vergrijzen en zich weêr

verjongen, op den huidigen dag nog alleen zichzelf toebehooren en in

staat zijn eene rijke fauna te onderhouden.

Uit het zuiden brengen de voorjaarsstormen de van regen zwangere wolken

naar die landen van Afrika, welke ten noorden van den evenaar zijn

gelegen; deswege vallen deze wouden niet terstond den uit het noorden

komenden reiziger in ’t oog, maar eerst dan, wanneer deze van

lieverlede, steeds meer en meer naar het zuiden voorwaarts dringt. Hoe

meer men den aequator nadert, hoe scheller het licht wordt van den

bliksem, hoe luider en meer afgebroken de donder ratelt, hoe heviger de

regen in stroomen naar beneden stort, maar ook, hoe weelderiger alle

planten groeien en hoe vormenrijker de dierenwereld wordt; naarmate de

regentijd spoediger aanvangt en naarmate deze langer duurt, des te

grooter en meer wonderen schept hij. In juiste overeenstemming met de

toenemende vochtigheid, verbreedt, verdicht, verhoogt en dijt het woud.

Van af den zoom der rivieren tot diep in het binnenland strekt zich de

heerschappij der plantenwereld uit; geen plekje is meer ledig, van den

dichtbegroeiden grond tot de toppen der hoogste boomen. Boomen, die

elders slechts dwergen schenen, groeien hier op tot reuzen; bekende

soorten worden tot een voedingsbodem voor nog onbekende woekerplanten;

daar tusschen streeft eene nog nooit geziene vegetatie naar omhoog in

het licht. Maar ook hier, althans in den noordelijken zoom van dezen

gordel, werken de hitte en droogte van den winter nog altijd sterk

genoeg om de bladerenpracht der boomen voor een tijd haar glans te doen

verliezen en althans de meesten ettelijke weken tot rust te doemen. Te

hoorbaarder klinkt dan ook de wekstem der lente door het sluimerend

woud, en met te meer kracht ontwaakt na de winterrust het leven, dat de

eerste regens van het bevruchtende jaargetijde oproepen.

Om de oerwouden dezer landen zoo getrouw mogelijk te malen, neem ik de

lente tot uitgangspunt. De heraut en drager der regenwolken, de

zuidenwind, moet nog den strijd bestaan met den koelen luchtstroom uit

het noorden, wanneer het woud alle heerlijkheid, waarin het kan

optreden, zal openbaren, en op een zijner hartaders, op een zijner

stroomen moet men dat woud binnendringen, wanneer men het volle, rijke

leven, dat daar heerscht, wil leeren kennen.

De „blauwe Nijl”, de Asrakh, wiens bronnen in Habesch liggen, zal onze

heerbaan zijn; want aan dezen stroom hechten zich de schoonste beelden,

die op mijn vele en lange reizen mijn eigendom werden, en op deze

rivier ben ik wellicht beter gids dan op elke andere. Of ik daarbij

tevens een goede tolk van het woud zal kunnen wezen, ziet, zulks

betwijfel ik zeer. Want het oerwoud is een wereld vol glans en licht,

vol tooverachtige schoonheid, een rijk vol wonderen, welks tresoren

geen sterfelijk oog nog alle heeft aanschouwd, die veel minder reeds

alle werden ontgraven; een schatkamer, oneindig meer opleverende dan

men in staat is te verzamelen; een paradijs, alwaar de schepping elken

dag zich verjongt; een toovercirkel, die voor een ieder, die er

binnendringt, grootsche en liefelijke, ernstige en vroolijke,

schitterend heldere en nachtelijk donkere beelden ontrolt; een geheel,

dat uit duizend gelijksoortige deelen bestaat, daarbij oneindig veel

vormen vertoont, en toch een ondeelbaar geheel, dat den spot drijft met

elke poging om het te ontleden en naar waarde te schetsen.

Een klein, licht, opzettelijk tot reisboot ingericht vaartuig, zooals

men dit in Kartoem, de hoofdstad van Oost-Soedan, aan de samenvloeiing

der beide Nijlarmen gelegen, kan vinden, draagt ons naar den

hooggezwollen Asrakh. Wij hebben de tuinen van de laatste huizen der

hoofdstad achter den rug; de steppe nadert de rivieroevers. Hier en

daar ziet men nog een dorp, of enkele, allerliefst onder mimosa’s

wegschuilende, somtijds onder het groen der klimplanten, die van

genoemde boomen afdalen, begraven hutten; overigens echter overal in ’t

rond ziet men niets dan het golvende graswoud en de weinig talrijke,

daaruit te voorschijn stekende boomen en struiken der steppe. Reeds na

eene korte vaart maakt het woud zich van den oever meester en breidt

hier en daar zijn doornige of met stekels bezette takken over den

waterspiegel uit. Van nu aan vorderen wij langzaam. De tegenwind belet

het zeilen, het woud het trekken. Met de bootshaken trekt de bemanning

het vaartuig, voet voor voet, meter voor meter, stroomopwaarts. Echter,

wanneer een hunner in den dichten doornenmuur van den oever eene

opening ontwaart, waar men te voet verder kan gaan, stort hij zich in

den stroom, het trektouw met de tanden vasthoudende, zijn sterfelijk ik

onder bescherming stellende van Moehsa, den patroon der schippers, die

de krokodillen van hem moge weren, zwemt tegen den stroom in naar de

zooeven geziene plaats, werpt het touw om een boomstam en nu trekken

zijn makkers het vaartuig naar bedoeld punt. Zoo arbeiden deze lieden

van den vroegen morgen tot den laten avond, en wanneer de dag eindelijk

voorbij is, hebben zij den reiziger dikwijls niet meer dan een of twee

geographische mijlen verder gebracht. En toch, de dagen vliegen om

zonder dat althans hij, die geleerd heeft te zien en te hooren, door

verveling gekweld wordt. Den natuurkundige, ja eigenlijk iederen

weetgierigen waarnemer, biedt elke dag iets anders, den verzamelaar

rijk en veelsoortig materiaal.

Nog een enkelen keer ontmoet men sporen van den mensch. Wie deze van

den oever af vervolgt, komt langs smalle, door dicht geboomte

weêrszijds nauw begrensde paden, bij de woningen van een zeer

merkwaardig volkje. Het zijn de Hassanie, die hier huizen. Daar, waar

de boomen des wouds minder dicht opeen staan, en geen drie- en

viervoudig kroondak boven de hoofden opbouwen, maar slechts de

hooggetopte, schaduwrijke mimosa’s, tamarinden en baobabs groeien, daar

sloegen onze luidjes hunne bevallige, tent- of kraamvormige hutten op,

die in niets gelijken op de woningen der overige Soedaneezen.

„Hassanie” beduidt zooveel als: nakomelingen van Hassan; „Hassan” wil

zeggen: „de schoone,” en inderdaad, deze stam voert dien naam niet ten

onrechte. Want de Hassanie zijn ontegenzeggelijk de schoonste menschen,

die in het beneden- en middelgedeelte van dit stroomgebied wonen,

terwijl inzonderheid de vrouwen alle overige Soedaneezen in

welgemaaktheid van lichaam, in regelmaat van aangezicht en mindere

donkerheid van huidkleur overtreffen; mannen en vrouwen beiden houden

tevens streng vast aan zekere, zeer vreemde oudvaderlijke zeden—die men

misschien evengoed wanzeden zou kunnen noemen. De Hassanie zijn daarom

dan ook evenzeer beroemd als berucht, worden even sterk vermeden als

gezocht, zoowel geprezen als bespot, verheerlijkt als gelaakt. Voor den

onbevooroordeelden vreemdeling, die er prijs op stelt de zeden en

gebruiken van andere volken te leeren kennen, zijn zij in elk geval een

voorwerp van de grootste belangstelling, zoo niet om de schoonheid, dan

toch om de behaagzucht, die de vrouwen aan den dag leggen. Die

behaagzucht is van dien aard, dat men er onwillekeurig door in eene

vroolijke luim wordt gebracht. Die vrouwen willen en moeten behagen.

Het behoud harer schoonheid is het eenigste en hoogste doelwit, dat zij

nastreven; zij stellen dit boven elk ander, zelfs geldelijk voordeel.

Ten einde den invloed der brandende zonnestralen te ontgaan, die hare

lichtbruine huidkleur in eene donkere zou kunnen veranderen, houden zij

verblijf in de schaduw der boomen en stellen zich tevreden met een

klein getal geiten, die behalve den hond haar eenige huisdieren zijn;

in dat schemerlicht zouden zij er trouwens ook geen andere kunnen

houden. Gaarne geven zij daarvoor den rijkdom in ruil, dien hare

stamgenooten, de trekkende herders der steppe, vinden in talrijke

kudden runderen en kameelen. In ’t belang harer schoonheid zijn zij er

steeds op bedacht in ’t bezit te komen van een groot aantal slavinnen,

die den zwaren arbeid voor haar kunnen verrichten; ter versiering van

aangezicht en wangen verduren zij reeds als meisjes heldhaftig de pijn,

die hare moeder haar aandoet, door met een mes drie diepe, parallelle,

loodrechte kerven in de wangen aan te brengen, ten gevolge waarvan op

die plaatsen even zooveel gezwollen litteekens te voorschijn komen, of

ook wel door met eene naald de huid der slapen, van voorhoofd en kin te

doorboren, om in de wonden indigopoeder te strooien, waardoor er

blauwe, spiraalvormige versiersels ontstaan; ten einde hare schitterend

witte tandjes te conserveeren, gebruiken zij alle spijzen en dranken

lauw; om lang verzekerd te blijven van den haartooi, die uit honderden

fijne, zeer kunstig ineengedraaide bundeltjes bestaat, die zij

insmeeren met arabische gom en vet, begeeren zij des nachts geen ander

hoofdsteunsel dan een smal, halvemaanvormig houten kussen; om haar

aesthetisch gevoel te bevredigen, misschien ook om door elken bewoner

of bezoeker der kolonie opgemerkt en bewonderd te worden, verzonnen zij

den eigenaardigen bouwtrant harer woningen. Men kan deze misschien het

best vergelijken met de kramen op onze markten. De vloer, die uit

dichtaaneengesloten, met elkaar verbonden, een duim dikke staven

bestaat, ligt op een paalwerk, dat zich ongeveer een meter boven den

beganen grond verheft en het binnendringen van alle kruipend ongedierte

zeer bemoeilijkt, alsmede de vochtigheid afweert; de muren bestaan uit

matten, het dak, dat aan de opengelaten noordzij overhangt, uit eene

waterdichte, van geitenwol geweven stof. Sierlijke, uit palmbladen

gevlochten matten bekleeden den vloer; kunstig bewerkte, gevlochten

voorwerpen, guirlandes van schelpen, waterdichte mandjes, aardewerk en

drinkschalen, die uit de helft eener pompoen bestaan, bonte, eveneens

gevlochten eetnappen met deksels, en dergelijke meer versieren de

wanden. Elk afzonderlijk voorwerp ziet er niet minder fijn bewerkt dan

zindelijk uit; orde en reinheid in de geheele hut bekoren ons hier te

meer, omdat beide in dit land zoo zeldzaam zijn.

In zulk eene hut brengt de Hassanie den dag droomend door. In het beste

gewaad gestoken, haar en huid met welriekende zalf ingewreven, het

bovenlijf in een lang, dun, doorschijnend weefsel gehuld, terwijl om

het benedenlijf een soort van rok is geslingerd, de voeten bekleed met

net bewerkte sandalen, hals en borst versierd met kettingen en

amuletten, de armen met snoeren, samengesteld uit stukjes barnsteen,

den eenen neusvleugel zoo mogelijk met een zilveren, soms wel met een

gouden ring getooid, zoo zit zij in de schaduw neder en verkreukelt

zich in haar schoonheid. De kleine hand houdt zich onledig met eenig

vlechtwerk, het vervaardigen van eenig kleedingstuk of het een of ander

huisraad, hanteert wellicht op dit oogenblik den tandenschuier, een aan

beide einden uitgerafelde, voor het doel uitnemend geschikte

plantenwortel. Het werk, dat de huishouding vereischt, neemt eene

slavin op zich; met de oppassing en verzorging der kleine kudde, voor

zooverre die arbeid eenige moeite vergt, is de dienstvaardige, meer dan

gewoon vriendelijke echtgenoot belast. Weldoordachte, zeer ongewone

huwelijkskontrakten, zooals deze onder haar stam gebruikelijk zijn en

trots alle voorschriften en bevelen van de beheerschers des lands

steeds in stand blijven, waarborgen der vrouw ongehoorde rechten. Zij

is meesteres in de onbeperkste beteekenis des woords, meesteres zelfs

over haar echtgenoot, althans tot zoolang haar schoonheid bloeit; maar

is eenmaal de ouderdom gekomen en met dezen de schoonheid verwelkt, dan

ook leert zij de vergankelijkheid van alle aardsche heerlijkheid

kennen. Tot zoolang doet zij, enkel beperkt door de grenzen van

vrijheid, die zij zich zelve stelt, alles wat haar goeddunkt. Zoolang

de kronen der boomen om hare hut geen schaduw genoeg werpen, verlaat

zij hare woning niet, maar heet daarentegen iedereen, vooral den

vreemdeling, die bij haar binnentreedt, hartelijk welkom, om alleen, of

met behulp van haar echtgenoot de eer van den stam op te houden, die in

eene bijna grenzenlooze gastvrijheid bestaat. Maar wanneer de avond is

gedaald, begint eerst haar eigenlijk leven. Nog voor de zon is

ondergegaan, komt er beweging in de kolonie. De eene vriendin bezoekt

de andere; andere vrouwen voegen er zich bij; trommel en cither lokken

nog meerderen; slanke, bewegelijke, buigzame gedaanten reien zich ten

vroolijken dans. Poezele handjes dompelen de drinkschalen in buikige,

met merisa of doerrabier gevulde urnen, om ook de harten van mannen

gelukkig te maken. Oud en jong stroomt samen en viert met te meer

vreugde het avondfeest, wanneer de tegenwoordigheid van vreemde

bezoekers dit opluistert. Ongewoon groot is de gastvrijheid van alle

Soedaneezen, maar zoo groot als de gastvrijheid der Hassanie is die van

geen enkelen stam.

Bij de voortzetting onzer reis stooten wij nog een enkele maal op de

nederzettingen dezer boschherders, ook soms op de dorpen van andere

Soedaneezen; eindelijk, na eene maandenlange vaart bereiken wij het

gebied, waarheen het doel was gericht. Aan beide oevers der rivier

belet een onafgebroken woud het uitzicht naar binnen.

In deze streken vindt men geen nederzettingen van menschen meer, geen

dorpen, geen akkers, geen tijdelijke legerplaatsen; in deze wouden

weêrklonk nog nimmer de bijlslag, daar de mensch er zich nog niet

meester van maakte; hier huizen enkel, door niets en niemand gestoord,

de dieren der wildernis. Ondoordringbare heggen sluiten den toegang van

de rivierzijde af en weerstreven elke poging om tot bet binnenste dezer

bosschen door te dringen. Uit alle schakeeringen van groen is het

betooverend beeld dezer wouden gemaald; een beeld, dat ons nu eens

bekend, dan weder geheel vreemd voorkomt. Lichtgroene mimosa’s vormen

den achtergrond, als zilver, glinsterende palmbladeren, de donkergroene

kronen der tamarinden, heldergroene struiken van Christusdoorns steken

tegen dien achtergrond af; veelsoortig gevormde bladeren sidderen en

wiegelen, door den wind bewogen, glinsteren en schitteren, nu de eene,

dan de andere zijde ons toekeerende, voor het oververzadigde en

verblinde oog, dat zich vergeefs vermoeit om dat gewarrel der bladeren

te ontsluiten en de afzonderlijke deelen vaneen te scheiden. Mijlen ver

dragen de beide oevers ditzelfde karakter, zijn zij even dicht

begroeid, even grootsch omzoomd, even ondoordringbaar.

Daar vertoont zich eindelijk een pad, wellicht zelfs een breede weg,

die naar het binnenste van het woud schijnt te leiden. Tevergeefs

echter speurt het oog naar de indrukselen van menschelijke voeten. Door

menschen werd dit pad niet gebaand, de dieren des wouds hebben het

aangelegd. Eene kudde olifanten trok door het dicht ineengeweven woud

om van de waterlooze hoogten, die den oever begrenzen, naar den stroom

af te dalen. In eene lange rij achter elkaar marcheerende, braken de

zware dieren ongehinderd door het duizendvoudig ineengevlochten

onderhout en lieten zich slechts door de zwaarste, hooggestamde boomen

van den rechten weg afleiden. Hinderlijke takken, alsmede stammen ter

dikte van een mansbeen werden afgebroken, onttwijgd, ontbladerd, tot op

de onbruikbare deelen verteerd en dan op zij geworpen; de struiken, die

den grond bedekken, werden met de wortels uitgetrokken en op dezelfde

wijze gebruikt en weggeworpen, gras en kruiden vertrapt en vertreden.

Wat de voorsten lieten staan, viel den achtersten ten offer, en zoo

ontstond er een betreden, meestal diep tot in het binnenste van het

woud voerend pad. Andere dieren droegen er zorg voor dien weg nog meer

te effenen en het weder dichtgroeien te verhinderen. Op zulk een weg

waagt zich het nijlpaard, dat in het nachtelijk uur uit de wateren van

den stroom opstijgt, om in het bosch te grazen; op zulk een pad wandelt

het neushoorndier om van uit het bosch naar den stroom te gaan drinken;

op dit pad trekt de onbesuisde wilde buffel naar beneden en stijgt hij

wederom naar de hoogte terug; hierop wandelt de leeuw door zijn gebied;

en op ditzelfde pad kan men hem of den panther, de hyena en andere

roofdieren des wouds ontmoeten.

Op dit pad dringen ook wij voorwaarts.

Wij hebben nog maar weinige schreden gedaan en reeds omgeeft ons het

majestueuse woud aan allen kant. Maar tevergeefs blijkt het ook hier de

stammen-, takken-, twijgen-, ranken- en bladerenmassa’s te willen

ontwarren. Als een muur sluit het woud zich aan beide zijden van den

weg af. Onafgebroken staren ons dicht in elkaar gegroeide,

ineengewevene, zelfs voor het oog ontoegankelijke, den grond overal

woekerend bedekkende bosschen en struiken aan; alleen door deze op zij

gedrongen, ontspruiten daartusschen allerlei grassen, die een nieuw

onderhout in het bestaande onderhout vormen; onmiddellijk daarboven

strekken hoogere struiken en lage boomen de twijgen hunner kronen naar

alle zijden uit; en boven deze laatsten eindelijk verheffen zich de

reuzen des wouds.

Verreweg de meeste struiken van het onderhout zijn dicht met doornen,

de daarboven uitstekende mimosa’s met lange, harde en puntige stekels

gewapend, en zelfs de grassen dragen klisachtige, overal met fijne

stekeltjes bezette zaaddoozen, of met haken gewapende aren, zoodat elke

poging om van den weg uit naar binnen te dringen, op duizend

hindernissen stuit.

De gedoode vogel, die bij het neêrvallen op een der naaste struiken is

blijven hangen, is voor den schutter verloren; zonder bijna

bovenmenschelijke inspanning zou men niet in staat zijn dat boschje te

bereiken; het wild, dat zich voor het oog des jagers in zulk een

struikgewas verbergt, heeft zich gered, want het is onzichtbaar

geworden; een krokodil, meer dan 3 meter lang, dien wij in het bosch

deden opschrikken, ontging ons, daar het dier zich wist te verschuilen

in het struikgewas, dat hem zoo geheel aan onze oogen onttrok, dat wij

ook zelfs geen schub meer konden ontwaren, dus ook geen schot behoefden

te doen.

Nog altijd doet men vergeefsche pogingen om meester te worden van de

veelheid der indrukken, om het eene beeld van het andere te scheiden,

om zelfs maar éénen boom van den grond af tot aan zijn top afzonderlijk

te beschouwen, de bladeren van den een af te zonderen van die des

anderen. Van uit de rivier was het nog mogelijk enkele frischgroene

tamarinden te scheiden van de hun omgevende veelsoortige mimosa’s, de

prachtige, aan onzen olm herinnerende Kigelia’s in ’t oog te vatten,

zich te vermeien in den bladerenkroon eens palmbooms, die hoog boven de

andere woudboomen uitstak; hier, in het binnenste van het woud

versmelten alle afzonderlijke deelen tot een enkel, ondeelbaar geheel.

Alle zinnen worden te gelijk in beslag genomen. Uit hetzelfde loofdak,

dat het oog tracht te openen, stroomen de zoete geuren ons tegen van

enkele, nu bloeiende mimosa’s, klinkt een mengelmoes der

vreemdsoortigste geluiden en tonen, het gegorgel der meerkatten, het

gekrijsch der papegaaien, het gearticuleerde geluid der zangers, het

gegons der de bloeiende boomen omzwermende insekten, ons in de ooren;

het lichamelijk gevoel wordt niet minder, alhoewel op weinig aangename

wijze, aangedaan door de ontelbare doorns, terwijl zelfs de smaak

voldoening kan vinden in enkele bereikbare, ofschoon niet erg

smakelijke vruchten.

Eindelijk evenwel, als men verder doordringt, treedt een zelfstandig en

bepaald beeld voor ons op. Gigantisch in zijn geheelen bouw, reusachtig

zelfs nog in zijn takken, verheft zich een boom boven de ontelbare

planten, die zijn voet met groen omlijsten; als een titan stijgt hij

omhoog, baant hij zich ruimte voor stam en kruin. Het is de olifant

onder de boomen, de Adansonia of Tabaldie der inboorlingen, de baobab

of apenbroodboom. Versteld blijft men staan; het oog moet zich eerst

gewennen aan dit gezicht, alvorens de afzonderlijke deelen in ’t oog te

kunnen vatten.

Men denke zich een boom, welks stam, ter hoogte eener manslengte boven

den grond, een omvang heeft van twintig vademen, welks onderste takken

de zwaarste stammen onzer boomen nog in dikte overtreffen, welks

twijgen zelfs dikke takken zijn en welks jongste spruiten vele

centimeters doorsnede hebben; men denke zich daarbij eene hoogte van

veertig meter, terwijl de onderste takken zich tot op de helft dezer

hoogte uitbreiden, en men zal zich eene flauwe voorstelling kunnen

vormen van den indruk, dien deze boom op den beschouwer maakt. Van alle

boomen in dit oerwoud verliest de baobab het eerst zijn bladeren, en

volhardt tevens het langst in zijn winterrust; al dien tijd teekenen

zich niets dan dorre takken en twijgen tegen de lucht af, beladen met

aan lange, buigzame stelen hangende vruchten, die in grootte op

suikermeloenen gelijken en tusschen de zaden een meelachtig, zuur

smakend merg bevatten; het is een gezicht, dat men niet gemakkelijk

vergeet. Wanneer evenwel na den eersten voorjaarsregen de groote,

vijfspletige bladeren te voorschijn komen en zich ontwikkelen, om dan

eerst de eigenlijke wonderpracht dezer boomen tot aanschouwing te

brengen; wanneer zich de langgesteelde knoppen der witte bloemen, die

de grootte eener roos bereiken, tusschen de bladeren laten zien, dan

verkeert de onvergelijkelijke reuzenboom als door tooverij in een

gigantischen rozenstruik van ongemeene pracht, en zelfs de ziel der

meest prozaïsche menschen wordt tot in het binnenste van haar binnenste

ontroerd.

Geen enkele boom van het oerwoud kan zich meten met de Adansonia; zelfs

de Delebpalm, die gewoonlijk zijn kruin boven alle omgevende toppen

verheft, verliest tegenover den eerste iets van zijn bekoorlijkheid en

aantrekkelijkheid, en toch is deze palmboom een der heerlijkste boomen

van Afrika’s binnenlanden, ja een der schoonste palmen der geheele

aarde. Zijn stam is een zuil, zooals geen kunstenaar haar schooner zich

kan denken, zijn kroon een kapiteel, gelijk bij zulk een zuil past. De

loodrecht opstijgende, boven den grond verdikte stam verjongt zich op

eene in ’t oog vallende wijze tot op ’t midden der lengte, om van dit

punt af dikker, dan nogmaals dunner te worden en onmiddellijk onder de

kroon nogmaals op te zwellen; de kruin zelf bestaat uit breede, bijna

een vierkanten meter groote, waaiervormige bladeren, wier stelen naar

alle kanten in rechte lijnen van het middelpunt afstaan, wat aan de

kroon een indrukwekkend voorkomen geeft. Tusschen deze bladeren prijken

de trosvormige vruchten, die de grootte van een kinderhoofd bereiken en

niet weinig bijdragen om de schoonheid te verhoogen, welke deze

heerlijke kroon niet enkel aan den stam, maar ook aan het geheele woud

verleent.

Aan het reusachtige hecht zich steeds het sprookje, dat daardoor leven,

vorm en beteekenis erlangt. Deze gedachte dringt zich onwillekeurig bij

ons op, wanneer wij, zooals dikwijls het geval is, eene Adansonia

omslingerd en omsponnen zien door een dier klimplanten, welke in rijken

overvloed ook deze oerwouden sieren en tooien. Mij doen zij steeds

denken aan de Arabische tooververtellingen. Want even als de klimplant

geen voedenden grondslag schijnt noodig te hebben, ofschoon zij

werkelijk daaruit ontkiemde, maar haar voornaamste voedsel put uit den

aether; evenals zij haar ranken van boom tot boom slingert om ze

telkens vast te hechten en toch steeds hooger te klimmen, totdat zij

zich eindelijk over den eenen of anderen kruin uitbreidt en er de

schitterendste en geurigste bloemen over uitstrooit—eveneens schijnt

ook het sprookje, hoe vast het inderdaad in het feitelijke moge

wortelen, niet aan de werkelijkheid ontleend te zijn, en klimt het, om

meerdere sterkte te ontvangen, tot de hemelen omhoog en zendt het zijn

verdichtselen door de wereld, tot het een hart vindt, vatbaar om

geroerd en verwarmd te worden. Wanneer ik van de klimplant spreek,

bedoel ik niet eene bepaalde soort, maar begrijp onder dit woord alle

gewassen, die hier in saamgedrongen schroeflijnen een stam omgeven,

ginds zich slingeren om een kale kruin, elders vele boomen

aaneensnoeren, wederom op eene andere plaats een enkelen boom met groen

bedekken, in dit gedeelte des wouds als naakte ranken een brug slaan

van tak tot tak, in een ander gedeelte den weg versperren, en nog op

velerlei andere wijzen, maar altijd klimmende, altijd rankende, zich

voordoen.

Hare schoonheid en de betooverende indruk, dien zij op den bewoner der

noordelijke landen uitoefenen, laat zich gevoelen, maar niet in woorden

teruggeven; want evenals men aan eene klimplant dikwijls begin nog

einde kan aanwijzen, evenmin is er een uitdrukking te vinden, die als

begin of slot eener juiste beschrijving zou kunnen dienen.

De slingerplant is tastbaar aanwezig en toch voor de waarneming niet

toegankelijk; men vervolge vol bewondering het pad, dat haar ranken

hebben ingeslagen, maar het blijft onmogelijk uit te vorschen, waar

deze vandaan zijn gekomen en werwaarts zij zich begeven; men geniet van

de aanschouwing harer bloemen, zonder te vermogen deze machtig te

worden; dikwijls kan men slechts vermoeden, dat die bloemen door haar

werden voortgebracht. De klimplant eerst drukt een stempel op het

oerwoud.

En niet alleen ontplooit zij haar eigen bloemen, zij tooit zich nog

daarenboven met vreemde. Op hare ranken rusten bij voorkeur zekere

prachtvogels des wouds, die tot levende bloemen worden, en de

natuurlijke in pracht en schoonheid zelfs overtreffen. Nu en dan wordt

het oog getroffen door een flikkerend licht, evenals dat, hetwelk een

door de zonnestralen getroffen spiegelvlak uitzendt. Dit licht is

inderdaad niets anders dan teruggekaatst zonnelicht, opgevangen door

het atlasgroene gevederte eener glansspreeuw, en dat bij elke beweging

van dezen vogel eene andere richting inslaat, nu naar boven, dan naar

beneden, nu naar rechts, dan naar links. Betooverd door de ongemeene

schoonheid van dezen enkelen vogel, zou men hem nauwlettend willen

gadeslaan, zou men elke zijner levensuitingen willen bespieden, maar

men wordt voortdurend door nieuwe indrukken afgeleid.

Want ook hier verdringt het eene beeld onophoudelijk het andere. Ter

plaatse, waar zooeven de glansspreeuw zich liet zien, verschijnt in het

naast volgende oogenblik een niet minder schitterende en glinsterende

goudkoekoek, een honigzuiger, die in veêrenpracht met de kolibri’s kan

wedijveren, een paar aanvallige bijeneters, een met levendige kleuren

prijkende scharrelaar, een niet minder schoone liestvogel, een

paradijsvliegenvanger, wiens lange, hangende middelste stuurpennen den

kleinen vogel tot geen gering tooisel verstrekken; een helmvogel, die

bij elken vleugelslag de donker purperroode slagpennen ontplooit, een

klauwier, wiens helderroode borst genoemde slagpennen nog in de schaduw

stelt, een zeer vreemd gevormde neushoornvogel, een goudwevervogel, een

whidah, een boomhop met metaalglans, een sierlijke specht, een

bladgroene duif, eene vlucht eveneens gekleurde papegaaien en vele

andere gevederde boschbewoners meer. Het oerwoud is de meest geschikte

verblijfplaats voor vogels; het biedt honderden en duizenden soorten

herberg en voedsel, en daarom ziet de waarnemer ze spoediger en meer

dan alle overige daarin schuilende dieren. De vogels bewonen en

verlevendigen alle deelen des wouds, elke boomkruin, den grond, de

hoogste toppen, de ondoordringbaarste struiken en zelfs de bladerlooze

takken der Adansonia’s. Tusschen de grassen en andere planten, die den

grond woekerend bedekken, banen frankolijnen en misschien ook

parelhoenders dooreengeslingerde, allengs plat getreden paden. In het

loof, boven de wortels van het kreupelhout hebben zich kleine duiven,

in de uiteengespreide kruinen verschillende prachtvogels, vooral

honigzuigers en prachtvinken genesteld; naar de dicht als vilt

ineengeweven en schier ondoordringbare toppen der heesters snorren

geheele familiën muisvogels als afgeschoten pijlen los, om al kruipende

en schuivende, elk gaatje benuttende, door elke opening zich wringende,

zich tot het inwendige een weg te banen; boomhoppen, meezen en spechten

hangen en klauteren op en tegen de stammen, die boven genoemde struiken

en heesters uitsteken, om elke spleet in schors en bast te onderzoeken;

op de onderste twijgen der tweede kroonlaag zitten, loerende op

gevleugelde insecten, de aanvallige bijenvreters of scharrelaars, de

paradijsvliegenvangers en drongo’s; op de sterkere takken der derde

laag huppelen de helmvogels, stappen deftig kleine reigers heen en

weêr, slapen, tegen den stam gedrukt, oehoe’s en andere uilen; in het

dichte loof der hoogste boomen spelen papegaaien en baardvogels;

terwijl eindelijk, op de allerhoogste takken, arenden, valken en gieren

zich hebben neêrgelaten. Werwaarts het oog schouwt rust het op een

vogel.

Met deze algemeene verbreiding en alomtegenwoordigheid in

overeenstemming, treffen dan ook onafgebroken de meest verschillende

vogelstemmen het oor. Het is een lokken en roepen, piepen en fluiten,

kweelen, trillen en snateren, kirren, kwaken, schreeuwen, kraaien,

krijten, gillen, zingen en slaan, links en rechts, vóór ons en achter

ons, omhoog en omlaag, en zulks zoowel te noen als in den morgen of op

den laten avond.

Honderdvoud verschillende stemmen weêrklinken gelijktijdig en door

elkander, vereenigen zich soms tot een op zich zelf staand groot

concert, dan weder tot een betooverend mengelmoes van tonen, dat men

tevergeefs poogt te ontwarren en eerst na langen tijd in zijn enkele

bestanddeelen vermag te ontleden. Met uitzondering van de lijsters,

bulbuls en boschzangers, basterdnachtegalen en drongo’s bevinden zich

hier geen echte zangers, wel bekoorlijke praters en gemoedelijke

babbelaars, maar inzonderheid oneindig veel schreeuwers, krassers,

schetteraars en andere meer of minder luid gillende vogels.

Het oerwoud kan zich dus, wat liefelijkheid en welluidendheid van

gezang aangaat, in de verste verte niet meten met onze bosschen op een

lentemorgen, maar wint het aan den anderen kant door de

vreemdsoortigheid en het karakteristieke der afzonderlijke stemmen.

Wilde duiven koeren, kirren, huilen, lachen, en roepen uit de toppen

der boomen en de dichte struiken; frankolijnen en parelhoenders

schetteren luid daartusschen; papegaaien mengen er zich schreeuwend,

raven krassend in; alarmvogels trachten het vreemde keelgeluid eener

meerkattenfamilie na te bootsen, terwijl de helmvogels tonen

voortbrengen, die aan een buikspreker doen denken; baardvogels fluiten

luid op slependen toon, of dragen gemeenschappelijk een schel verward,

maar toch gevoelvol lied voor, dat men kan kenmerken als een der

eigenaardigste natuurgeluiden des wouds; de schitterende glansspreeuwen

rijgen, verbinden en versmelten de weinige, ruwe, nu eens krassende,

dan weder gillende, ratelende, of krijschende geluiden, over welke zij

beschikken kunnen, in eindelooze herhaling aan en met elkander tot een

zeker geheel; de prachtige schreeuwzeearend, die zijn woonplaats

opslaat aan alle waterbekkens en waterstroomen des lands, doet zijn

naam geen oneer aan.

Hoog op den top eens booms zit de „Aboe Tok” (voortbrenger van het

geluid „tok”) der inboorlingen, een kleine neushoornvogel, die luid

zijn „tok” door de wildernis laat weêrklinken en elken roep doet

vergezeld gaan van eene diepe buiging met zijn door een bovenmatig

grooten snavel bezwaarden kop.

Enkel dit ééne geluid heeft hij in zijn plompen keel en hiermede moet

hij evengoed aan het wijfje zijn liefde verklaren als de nachtegaal

zulks doet met zijn betooverend gezang. Het verheven gevoel, dat zijn

borst doet zwellen zoekt uiting; steeds sneller volgen de tonen

elkander op, steeds sneller ook de buigingen, die daarmede vergezeld

gaan. Eindelijk raakt de logge kop vermoeid. Het minnelied is tevens

uit, maar spoedig daarna vangt het opnieuw en op gelijke wijze aan. Uit

het ongenaakbaar dikke struikgewas, klinkt de stem van den hagedasch of

bosch-ibis; huivering bevangt den waarnemer als hij dit hoort. Het is

een jammerend klaaglied, wat deze vogel ons aanbiedt; het klinkt alsof

er een kind pijnlijk gemarteld wordt, b.v. langzaam over een zwak vuur

zal geroosterd worden, terwijl het onder deze marteling luide kreten

slaakt; langgerekte, klagende tonen wisselen af met een gillend

geschreeuw, snelle kreten met een wegstervend gejammer. Uit de hooger

gelegen deelen van het woud, van af daar, waar zich kleine open plekjes

bevinden, schetteren de ver hoorbare, metaalachtige trompetgeluiden van

den kroon-kraanvogel, die daarmede zijn sierlijke, vlugge, ter eere van

het wijfje uitgevoerde dansen schijnt te willen aanvuren, en zoowel in

het bosch als in de kelen van andere eveneens gillende vogels echo’s

opwekt; een groot aantal krijschende stemmen mengen zich tot een

veelvoudig koor. Dit concert is weer aanleiding, dat elke geluidgevende

vogel zijn keel begint te roeren, en in een stroom van de meest

verschillende geluiden gaan alle afzonderlijke stemmen nu verloren.

Het zijn echter niet enkel de verschillende soorten van gewiekte

bewoners des wouds, die deel nemen aan zulk een algemeen concert, maar

zelfs de diverse geslachten eener soort vereenigen zich om de een of

andere partij in het lied op zich te nemen. Evenals de vermelde

baardvogels vangen ook de basterd-lijsters, de alarmvogels, de

frankolijnen en parelhoenders steeds op hetzelfde oogenblik hun

geschreeuw aan, en zoo hoort men te midden van het algemeene mengelmoes

van geluiden tevens nog afzonderlijke, duidelijk waarneembare strophen.

Sommige vogelsoorten, vooral de struikklauwieren, gaan op andere wijze

te werk, daar mannetje en wijfje elk eene bijzondere strophe zingen.

Het mannetje der eene soort, die ik leerde kennen, nl. van den

scharlaken-klauwier, zingt eene korte strophe, die doet denken aan het

ingewikkeld gefluit van den wielewaal; het gezang van den fluitklauwier

bestaat uit drie zeer zuivere fluitgeluiden, die samen terts, grondtoon

en octaaf vormen. Onmiddellijk daarna volgt het antwoord van het

wijfje, in beide gevallen een onaangenaam, moeilijk te beschrijven

gekras, maar zoo maatrijk en zeker, als waren de vogels bij een

toonkunstenaar in de leer geweest. Somtijds begint het wijfje het

eerst; het laat vier of vijf malen een geschreeuw hooren alvorens

antwoord te bekomen; dan valt echter het mannetje weêr in en van nu af

wisselt beider gezang of gesprek met de gewone regelmatigheid af. Ik

heb mij door proefneming van dit samenwerken der beide geslachten

overtuigd, door nu eens een mannetje, dan weder een wijfje te schieten,

en altijd bevonden, dat alsdan nog slechts het overblijvende geslacht

zich hooren liet.

Jammer genoeg mist men ook in deze aanvankelijk boeiende tonen dien

rijkdom en die afwisseling, die harmonie en zoetheid, eigen aan het

gezang der vogels in onze vaderlandsche bosschen. Toch is het eene

grootsche en kernachtige melodie, welke het oerwoud te hooren geeft,

wanneer in het vroege voorjaar al die honderden en duizenden

veelsoortige stemmen door elkander klinken, als millioenen van insecten

de bloeiende boomen omzwermen en ook haar luid gegons daarin mengen,

wanneer tallooze hagedissen en slangen het dorre loof doen ratelen en

het gillende, maar van uit de hoogte toch nog welluidend geroep van den

adelaar, of het trompetgeschetter van den kroonkraanvogel en de

parelhoenders bij tusschenpoozen alle andere geluiden overstemmen,

terwijl een oogenblik later in de onmiddellijke nabijheid van het

luisterend oor een boschzanger zijn bekoorlijk lied voordraagt, en

daarna weder een der toongevende schreeuwers zich opnieuw laat hooren

om in duizend kelen echo’s op te roepen.

Wordt men meer vertrouwd met het woud, meer zelfs dan men aanvankelijk

dorst hopen, dan schenkt het ons steeds ruimer gelegenheid om kennis te

maken met het huishoudelijk leven der dieren, en waarlijk

aantrekkelijke beelden ontvouwen zich voor ons oog. De vogels treden

hierbij al weêr op den voorgrond. Nog voert de lente haar heerschappij

en met haar heerscht ook nog de liefde in elke vogelborst. Men zingt en

koost, bouwt en broedt. Reeds van uit de boot ontwaart men de

nestkolonies van sommige soorten.

Op voegzame hoogte boven het hoogste waterpeil der rivier, aan eenen

steil afvallenden oeverkant, groeven de bijenvreters hunne nauwe, maar

diepe, aan ’t eind bakovenvormig uitgeholde broedplaatsen.

Op eene oppervlakte van weinige vierkante meters is de geheele kolonie

opeengehoopt, ofschoon gewoonlijk tachtig tot honderd paren zich

vereenigen; de cirkelvormige, drie, vier tot vijf centimeters breede

ingangen der nestholten zijn ten hoogste vijftien centimeter van

elkander verwijderd. Het schijnt onbegrijpelijk hoe elke vogel zijn

eigen nest weet te onderscheiden van dat der anderen, en toch vliegen

deze lichtgewiekte, schrandere vogels, zelfs wanneer zij van verre

komen aanijlen, zonder dralen, zonder zich te bedenken elk in zijn

eigen hol; hun uitnemend gezicht, dat reeds op een afstand van honderd

schreden een voorbijsnorrende vlieg ontwaart, bedriegt hen nimmer. Het

is een bekoorlijk schouwspel het levendig bedrijf dezer vogels gade te

slaan. Alle boomen en struikjes der omgeving zijn ten minste met een

enkel paar dezer gezellige, fraaie vogels getooid; op iederen tak, waar

het uitzicht eenigszins vrij is zit een paartje, en elk der

echtgenooten neemt vol belangstelling deel in alles wat den ander

wedervaart of wat deze doet. Voor den ingang der nestholten gaat het

even levendig toe als voor een bijenkorf; hier kruipen de vogels naar

binnen, daar kruipen andere naar buiten; deze komen, gene gaan; een

aantal zweeft weder voor de ingangen of vliegt naar de broedruimten.

Eerst met het aanbreken van den nacht, dien allen in het nest

doorbrengen, wordt het rustig en stil.

Op andere plaatsen van den oever, waar hooge boomen hunne takken over

het water uitbreiden, of die bij hoogen rivierstand geheel in het water

komen te staan, hebben de goudwevervogels zich verzameld. Ook deze

broeden gezellig, bouwen echter vrij hangende, aan de uiterste

twijgeinden bevestigde, zeer kunstig uit grashalmen en vezels

samengestelde nesten. Geen gulzige meerkat, geen ander eierroovende

vijand, zelfs geen slang, kan zonder gevaar te loopen van naar beneden

te tuimelen en in het water te vallen, deze nesten nabij komen.

Minstens drie, in den regel echter veertig tot zestig wevertjes broeden

op een en denzelfden boom, en hunne nesten verleenen aan dezen een zeer

eigenaardig voorkomen, ja zelfs het geheele landschap verkrijgt er een

bijzonder uitzicht door.

In tegenstelling met andere vogels zijn het niet de wijfjes, maar de

mannetjes, die de nesten bouwen, en deze gaan daarbij met zulk een

ijver te werk, dat zij nog nesten maken ook dan, wanneer er geen

behoefte meer aan bestaat. Met een zooeven afgebeten halm of

uitgerafelden vezel in den bek komen zij aanvliegen, hangen zich met de

pooten aan een tak of aan het nest zelf vast, houden zich door snelle

vleugelslagen in evenwicht, om onder aanhoudend gezang het meêgebrachte

materiaal te verbouwen. Is het nest op het inwendige na gereed, dan

beginnen zij terstond met een tweede en derde; ook worden reeds gereed

zijnde nesten wel eens weer vernietigd en zoo gaat het voort, totdat

het inmiddels broedende wijfje de hulp van haar echtgenoot bij het

opvoeden der jongen inroept. Deze bedrijvigheid zet aan de geheele

kolonie eene ongewone levendigheid bij; terwijl de goudgele,

bewegelijke, in de meest verschillende houdingen hangende of zittende

vogels nog bovendien een ongemeenen luister verleenen aan de reeds door

de nesten zoo bevallig versierde boomen.

Ossenpikkers bouwen op de nu bladerlooze mimosa’s hunne nesten, die, de

grootte dezer vogels in aanmerking genomen—de ossenpikkers zijn

nauwelijks zoo groot als een spreeuw—waarlijk reusachtig mogen genoemd

worden. In het dichtste vlechtwerk van takken der vermelde doornige

boomen worden zij opgesteld; uitwendig bestaande uit doorns, die er het

uiterlijk aan geven van een grooten roskam, zijn zij dikwijls meer dan

een meter lang, half zoo hoog en breed, terwijl met de grootte onzer

vogels overeenkomende, dikwijls gedraaide, voor alle andere dieren

ontoegankelijke buizen tot in de inwendige, vrij ruime nestholte

geleiden. Ook op deze boomen heerscht drukte en levendig vertier.

In het binnenste des wouds stoot men, bij aandachtig toekijken overal

op nesten, hoe moeilijk het ook dikwijls moge vallen deze in ’t oog te

krijgen. Kleine vinken b.v. bouwen er van een vorm, die gelijkt op een

door den wind bijeengewaaid hoopje dor gras; inwendig zijn deze nesten

evenwel zacht en warm, gevoerd met dons; andere vogels bezigen

materialen, die in kleur de omgeving nabootsen; nog anderen bouwen in

’t geheel geen nesten, maar leggen eenvoudig de evenals de grond

gekleurde eieren op den bodem neêr. Alle holten in de boomen zijn thans

bezet, terwijl spechten, baardvogels en papegaaien ijverig in de weer

zijn om voortdurend nieuwe uit te hameren of dieper te maken en in

broedplaatsen te veranderen; de neushoornvogels daarentegen metselen

ze, op eene wijde spleet na, geheel dicht. Vooral de laatstgenoemde

vogels trekken door hun broedwijze bijzonder de aandacht en verdienen

daarom het eerst vermeld.

Nadat de neushoornvogel zich met veel moeite van ’t bezit van een

wijfje verzekerd heeft, spoort hij in vereeniging met zijne

soortgenooten een geschikte broedholte op. Is er een gevonden, dan

verwijdt het mannetje die niet zijn plompen snavel,—een zeer lastig

werk—zooveel zulks noodig is. Daarna kruipt het wijfje er in, en

terwijl nu de eieren gelegd worden, arbeiden de beide echtgenooten

samen, de een van binnen, de ander van buiten, om den ingang op eene

spleet na dicht te metselen, welke opening juist wijd genoeg is om er

de punt van den snavel nog doorheen te kunnen wringen. Afgesloten van

de buitenwereld, brengt nu het wijfje den geheelen broedtijd in deze

kraamkamer door en het mannetje is verplicht, niet alleen de

ingemetselde gade, maar daarenboven ook nog later de uit het ei gekomen

jongen van voedsel te voorzien; daar deze zeer snel groeien en alzoo

veel voedsel behoeven, heeft hij druk werk. Zijn de jongen zoo ver

gevorderd, dat zij vliegvaardig zijn geworden, dan opent de moeder den

ingang van binnen en de geheele familie fladdert, vet, en goed

bevederd, de wijde wereld in, om van stonden aan den echtgenoot en

vader, die intusschen door het harde werken zoo mager als een geraamte

is geworden, van alle verdere zorg en moeite te ontslaan.

Gelijke mannen- en vaderliefde legt ook de ombervogel aan den dag; dit

is een ooievaarachtige, stil levende nachtvogel des wouds, ter grootte

van een raaf, wiens reusachtige nesten zeer de opmerkzaamheid trekken.

Deze nesten staan gewoonlijk op geringe hoogte boven den grond in de

gaffelvormige verdeeling van twee stammen, of op een der dikste takken

van de onderste kroon, wanneer deze althans sterk genoeg zijn om een

nest te dragen, dat in omvang en gewicht de grootste roofvogelnesten

verre overtreft; de doorsnede bedraagt soms van anderhalve tot twee

meter, terwijl de hoogte niet veel minder is; het bouwmateriaal bestaat

uit dikke takken en twijgen, die met leem tot een stevig metselwerk

verbonden zijn. Wanneer men niet toevallig heeft gezien, dat de

ombervogel deze nesten in- en uitkruipt, zal men niet licht op het

denkbeeld komen, dat die gevaarten hol zijn: veeleer zou men meenen dat

het de nesten zijn van groote roofvogels, vooral doordien niet zelden

arenden en oehoe’s er boven op gaan bouwen. Helpt evenwel de werkelijke

bouwmeester ons uit deze dwaling, en onderzoekt men die nesten wat

nauwkeuriger, dan bevindt men, dat zij inwendig drie volkomen van

elkaar gescheiden, slechts door gaanderijen of poorten verbonden

ruimten bevatten, die bij scherper toezien zich doen kennen als

voorkamer, gezelschapszaal of eetzaal en kraamkamer. De laatste of

achterste ruimte ligt iets hooger dan de beide andere afdeelingen,

zoodat toevallig binnengedrongen water steeds hierdoor weg kan vloeien;

het geheele gebouw is zoo voortreffelijk samengesteld, dat zelfs de

hoogste en langdurigste regens er weinig of geen schade aan kunnen

toebrengen. De drie, vier of vijf witte eieren liggen in de broedruimte

op een zacht bed van biezen en andere plantenstoffen; zij worden door

het wijfje bebroed. Het mannetje verzamelt in de middelste ruimte

allerlei voedsel, zooals: visschen, kikkers, hagedissen en dergelijke

lekkerbeetjes, en zulks in zulk een overvloed, dat het wijfje te kust

en te keur kan gaan in hoeveelheid en soort van spijs; in de voorste

kamer zit of staat het mannetje, wanneer hij althans niet op voedsel

uit is, om het wijfje gezelschap te houden en middelerwijl over haar en

de later uitgekomen jongen te waken. Zijn deze iets opgegroeid, dan

voorzien de beide echtgenooten samen in de behoeften des gezins.

De ombervogel en arend of oehoe leveren niet het eenige voorbeeld op

van vriendschappelijk samenwonen van in zeden en gewoonten overigens

ongelijke vogels. Op de breede, van den stam zich horizontaal

uitbreidende waaiervormige bladen van den Delebpalm staan de nesten van

den vluggen en roofgierigen dwerg-slechtvalk en van de Guineaduif,

dikwijls zoo dicht bij elkaar, dat de valk slechts den poot heeft uit

te strekken om een buurkindje te pakken. Zulks gebeurt evenwel niet,

omdat de valk niet anders dan op vliegende vogels stoot, en zoo groeien

de jongen der duif ongestoord op in de buurschap van de telgen van den

valk, en beide geburen zitten vredig en rustig naast elkander, ieder

paar bij zijn eigen nest.

Nog eene andere palmboom bood mij eene goede gelegenheid aan om vogels

waar te nemen, die bij het broeden eigenaardigheden vertoonden, welke

mij ten hoogste verrasten en boeiden. Onder levendig geschreeuw vloog

een troep dwergachtige gierzwaluwen, verwant aan onze gierzwaluwen, om

eenen Tompalm, waardoor mijne opmerkzaamheid op dien boom werd

gevestigd. Nader onderzoek leerde mij, dat de vogels zich dikwijls

tusschen de bladen van den palmboom begaven en ik ontdekte nu in de

gleuven der bladstelen witte stippen, die ik herkende als zwaluwnesten.

Ik beklom den boom, boog een der bladen naar mij toe en bevond, dat elk

nest, dat hoofdzakelijk uit boomwol bestond, in den hoek tusschen den

steel en de bladhelft op de bij gierzwaluwen gebruikelijke wijze met

behulp van speeksel was vastgelijmd. Maar de nestkom kwam mij zoo vlak

voor, dat ik het onmogelijk oordeelde, dat de beide eieren daarin

konden blijven liggen, wanneer de bladeren door den wind heen en weer

bewogen werden. En de minste ademtocht brengt zulke bladeren in

beweging; hoe moesten ze niet geslingerd worden bij stormweder!

Behoedzaam naderde ik met de eene hand de eieren, om ze uit het nest te

nemen; daar ontdekte ik tot mijne verbazing, dat zij door de moeder

waren vastgelijmd! En toen ik de pas uitgekomen, nog gansch en al

onbeholpen jongen nader onderzocht, ontdekte ik, dat ook deze op

gelijke wijze waren vastgekleefd, om ook hen voor uitvallen te

vrijwaren.

Daar de vogels door hunne alomtegenwoordigheid, schoonheid,

levendigheid en bewegelijkheid, alsmede door hun gezang—of

geschreeuw—voortdurend de opmerkzaamheid van den aandachtigen waarnemer

trekken, bemerkt men, de ook hier zeer talrijke hagedissen en slangen

en insecten niet medegerekend, weinig van de overige bewoners van het

oerwoud, althans niet van de daarin verblijfhoudende zoogdieren. Wat

ons evenwel niet ontgaan is, is eene troep meerkatten; de levendigheid

en ongedurigheid toch, die deze soorten even gelijk alle Afrikaansche

apen eigen is, doet ze zelfs in ’t oog vallen van iemand, die niet aan

zien gewend is. En schouwt het oog deze dieren niet, dan hoort men ze

in elk geval; het geluid, dat zij uiten, is een voortdurend gegorgel.

Meest alle andere zoogdieren evenwel kan men tot op weinig meters

afstand voorbijgaan zonder ze gewaar te worden. Verreweg het meerendeel

wordt eerst bedrijvig na den ondergang der zon en zoekt voor het

aanbreken van den dag zijn legerplaats weder op, maar ook die, welke in

de morgen- en avonduren, als de zon schijnt, in de weer zijn, laten

zich niet zoo gemakkelijk waarnemen als men wel zou denken; het dichte

woud onttrekt hen te veel aan het oog. „Hebt gij,” zoo luidde de vraag

van een Europeaan, met wien ik eens in het oerwoud was gaan jagen,

„hebt gij dien panter niet gezien, die voor een paar minuten mij

voorbij vloog en naar u toeliep? Ik kon niet schieten, omdat ik mijn

geweer niet gereed had; gij moet hem toch gezien hebben.” Het was zoo

niet; ik had wegens de dichtheid van het struikgewas het groote dier

zelfs niet eens bemerkt. Waar het dichte geboomte zulks niet doet

onttrekt de gelijkheid van kleur met de omgeving de dieren aan het

gezicht. De grijsachtige halfaap, die op een met korstmossen bedekten

hoogen boomtak ineengehurkt zit te slapen, gelijkt zoo sprekend op een

uitwas des booms, dat eerst dan de dierlijke gedaante duidelijk wordt,

wanneer de jager zijn kijker uit den zak haalt en dien uitwas

nauwkeuriger in ’t oog vat. De vleêrmuis, die daar boven aan een

kruintak hangt, gelijkt sprekend op een verdord blad en zelfs het bonte

vel van den panter kan in het bosch door dorre bladeren en bloeiende

Euphorbia’s zoo getrouw worden weêrgegeven, dat het mij persoonlijk

eens is gebeurd, dat ik met aangelegd geweer tot vijftien schreden

afstands een boschje moest naderen, waarin zich een panter had

verscholen, alvorens ik dier en omgeving van elkander vermocht te

onderscheiden. Geheel hetzelfde geldt voor de in het woud levende

antilopen en verder voor alle zoogdieren in ’t algemeen—en zij zelf

zijn zich des bewust. Niet overal in het oerwoud huizen de antilopen;

slechts hier en daar en dan steeds talrijk leeft b.v. een kleine soort,

nl. het struikbokje of de windhond-antilope. Dit is een der bevalligste

herkauwende dieren, sierlijk gebouwd, niet grooter dan een reekalf van

weinige dagen, vosachtig grijsblauw van kleur; het bewoont paarsgewijs

het dichtste kreupelhout, kiest voor leger of verblijfplaats een goed

bebladerden tot op den grond vertakten struik en trapt van hier uit

smalle paden plat, die in de meest verschillende richtingen het dichte

gewas doorkruisen. Ik heb vele dezer dieren gedood; aanvankelijk ging

het mij echter evenals alle andere reizigers en jagers, die dit dier

leerden kennen; ik kon het maar niet in ’t gezicht krijgen, al was het

ook opgejaagd en als een pijl uit den boog mij voorbijgesneld. „Zie

Heer! daar in het naaste boschje staat een bokje; ginds in de opening

tusschen de beide dik bebladerde takken staat het; ziet gij het niet?”

zoo fluisterden mijn inlandsche gidsen mij in ’t oor. Ik deed mijn

uiterste best, boorde mijn oogen in het aangeduide boschje,—ik zag

niets anders dan takken en bladeren; want tot takken werden de

sierlijke pooten, tot een dik bebladerden tak kop en lijf. Maar het oog

eens jagers vindt ook eindelijk in het oerwoud den weg. Wanneer men

eenigermate met de zeden en gebruiken der lieve antilopen vertrouwd is

geworden, leert men deze dieren even zeker opsporen als de scherpst

ziende inlander. Door haar fijn gehoor wordt de antilope den naderenden

mensch veel vroeger gewaar dan deze haar spoor ontdekt. Door het

geruisch der zware voetstappen opgeschrikt, is zij van haar leger

opgesprongen, en doet eenige schreden vooruit om eene opening te

bereiken, van waar zij een vrijer uitzicht heeft. Als een gegoten

metalen beeld, stijf en roerloos, zonder zelfs de lang van te voren

reeds opgerichte ooren te bewegen, zonder een harer loopers te draaien,

staat zij daar, en luistert en kijkt; de poot, die tot vooruitgaan

opgeheven werd, volhardt in de aangenomen houding, geen leven verraadt

zij. Thans is het des jagers tijd; fluks heft hij de buks omhoog, trekt

en schiet: een oogenblik later en het sluwe wild is met een enkelen

grooten sprong in het naburig kreupelhout gesprongen en hierdoor gedekt

geworden, of het dook langzaam naar beneden en kroop in deze houding

weg, en zulks zoo onmerkbaar, dat geen blad zich bewoog, geen halm zich

verroerde.

Op deze wijze voert het oerwoud de meest afwisselende beelden voor het

oog des waarnemers. Wie zien kan en weet te zoeken, ziet en vindt

overal in het bosch meer dan hij kan verwerken. Maar elke plaats en elk

tijdstip van den dag of van het jaar geeft wat anders. Hier, waar de

lente tot weken, de zomer of de herfst tot dagen inkrimpt en de winter,

evenals in de steppe, bijna onmiddellijk na het ophouden van den regen

zijn heerschappij aanvaardt, is ook het volle, rijke, alzijdig

overvloeiende planten- en dierenleven binnen een kort tijdsbestek

bepaald. Zoodra de vogels met broeden hebben opgehouden, beginnen zij

te trekken en te strijken; zoodra de zoogdieren denken een gedeelte van

het woud afgeweid te hebben, zoeken zij een ander gedeelte op. En

daarom kan men dan ook op dezelfde plaats op verschillende tijden ook

verschillende dieren ontmoeten, althans wezenlijk verschillende beelden

van het dierlijk leven opvangen. Zoo neemt, om een voorbeeld te noemen,

het leven in de rivieren toe, naarmate het bosch ontvolkt wordt.

Bij hoogen rivierstand bespeurt men weinig van de dieren, welke in en

bij het water leven. Alle eilanden liggen dan diep onder het water

bedolven, de oevers zijn eveneens overstroomd en de vogels, die hier

gewoonlijk huizen, zijn verdwenen. En als werkelijk eens een krokodil

zijn kop en een paar rugschilden boven de oppervlakte verheft, wordt

men zulks dan eerst gewaar, wanneer men met de boot tot op korten

afstand genaderd is. Er blijven dus eigenlijk alleen nijlpaarden, die

op sommige plaatsen zeer talrijk zijn, eenige boven het water vliegende

vogels en misschien enkele duikers over om het zichtbare bewijs te

leven, dat er in en bij de rivier ook hoogere gewervelde dieren leven.

Wanneer nochtans na het eindigen van den regentijd de waterspiegel

daalt en alle eilanden, zandplaten en oevers droog zijn geloopen, dan

verandert het stroombeeld eveneens ten opzichte van de dierenwereld. De

nijlpaarden trekken zich naar de diepste plaatsen van het water terug,

om hier gezellig bijeen te leven en troepen te vormen van soms

aanzienlijke sterkte; daar zij voor iedere ademhaling boven het water

moeten komen en dan telkens met veel geraas de ingeademde lucht

uitblazen, ziet en hoort men deze dieren zeer gemakkelijk. Ook komen

zij ’s daags wel eens buiten het water om zich op de eilanden of

zandbanken te legeren en van de warmte der zonnestralen te genieten; op

een afstand van een kilometer en nog meer vallen zij daar den reiziger

reeds in het oog; nu halen ook de krokodillen de schade in, die zij

tijdens den hoogen waterstand hebben geleden, en koesteren zich op ’t

heetste van den dag in de zon. Daartoe kruipen zij reeds in de

voormiddaguren op de vlakke, zandige eilanden, vallen onder luid geplof

op den grond neer, sperren den met vreeselijke tanden gewapenden muil

wijd open en slapen, ten getale van tien, twintig en dertig bijeen, in

de meest verschillende houdingen, naast en zelfs boven op elkander

liggende, tot aan den avond door; groote zwermen vogels bedekken thans

de eilanden, zandbanken en beide stroomoevers, en brengen door hun

aantal een machtigen indruk te weeg. Tegen dezen tijd toch hebben de

meeste inheemsche strand- en zwemvogels het broeden geëindigd en zijn

zij met hun jongen het water gaan opzoeken, om hier, onder ’t genot van

rijkelijk en gemakkelijk te verwerven voedsel, te ruien; tezelfder tijd

hebben de trekvogels uit het noorden, die hier overwinteren, zich bij

hen gevoegd. Laatstgenoemde vogels bevolken nu ook alle deelen van het

oerwoud, doch vallen hier niet zoo sterk in ’t oog als aan het water,

waar de geheele oever en alle eilanden met groote en dus duidelijk

zichtbare trekvogels bedekt zijn. Soms is hier zelfs geen plaats genoeg

en het voedsel, hoe overvloedig overigens ook voorhanden, wordt dan

voor de menigte schaarsch. Een gevolg hiervan is, dat elke plaats bezet

wordt, ja overladen; dat ieder voedselbeloovend plekje door duizend

mededingers bezocht, ja om elke eetplaats gevochten wordt.

Drie achtereenvolgende dagen zeilde ik bij goeden wind en in eene

voortreffelijke boot op den Witten Nijl, en gedurende deze lange en

verre vaart waren beide oevers van den stroom onafgebroken met een

bonte en levendige, uit de meest verschillende strand- en zwemvogels

samengestelde schare getooid. In de oerwouden van den Blauwen Nijl kan

men een dergelijk schouwspel genieten. De uitgestrekte zandbanken

worden door gewone en jufferkraanvogels volledig in bezit genomen; zij

dienen echter den hier in winterkwartier verblijvende vreemdelingen

slechts tot rust-, rui- en slaapplaatsen, van waaruit zij elken morgen

naar de steppe vliegen om voedsel te halen, en werwaarts zij reeds vóór

het middaguur teruggekeerd zijn om er te drinken en te baden, hun

gevederte te poetsen, en eindelijk, bestendig door de krokodillen

bedreigd, te slapen. ’s Middags mengen zich geregeld eenige gekuifde

kranen in dat gezelschap, hetgeen eene groote opschudding te weeg

brengt; de gekuifde zijn n.l. zoo niet beter dan toch ijveriger dansers

en beginnen dadelijk na hunne aankomst hunne kunst uit te oefenen,

waardoor de gewone kraanvogels insgelijks tot dansen worden aangezet.

Op dezelfde banken verschijnt ook de nimmerzat of tantalus, eene

ooievaarachtige, in een wit, met rozengloed overgoten, op de vleugels

helder rozerood gekleurd vederkleed prijkende vogel, die de buitenste

zoomen van het eiland of de aanliggende ondiepe plaatsen in beslag

neemt; valt het licht voordeelig op deze vogels, dan prijken zij met

een gloeiend rood, zoodat zij heerlijk afsteken bij de grijze

kraanvogels en aan het landschap een ongemeenen tooi verleenen. Op den

oever stappen prachtige reuzen-ooievaars of jabiroe’s rond, wandelen de

leelijke, wonderlijk gevormde maraboe’s vol statie op en neêr, staan

schitterende lepelaars, waden reuzen- en zilverreigers in het water om

visschen te vangen, staan en zitten, zwemmen en duiken, weiden en

snateren en kweelen duizenden spoor-, nijl- en lapganzen, nonnetjes,

pijlstaarten, slangenhalsvogels, ibissen, wulpen, oever-, strand- en

waterloopers en andere meer, die te zamen een bonten zoom van vogels

vormen, wellicht nog sierlijker dan de tantalussen. Boven den

waterspiegel echter zweven, behalve de opgenoemde vogels, die

afwisselend aan- en afvliegen, ook nog zeezwaluwen en meeuwen,

oeverzwaluwen en bijenvreters, terwijl hoog in de lucht een prachtige

zeeadelaar zijn kringen beschrijft.

Enkele soorten dezer in alle opzichten zoo belangrijke, gevederde

rivierbevolking moeten den laagsten waterstand afwachten om te kunnen

broeden, omdat het haar tijdens den hoogen waterstand aan goede

nestplaatsen ontbreekt. Tot dezen behoort een even bevallige als fraai

geteekende, een even verstandige als wakkere moerasvogel, nl. de reeds

bij de ouden bekende krokodillenwachter, de trochilus van Herodotus,

van welken vogel deze schrijver en na hem ook Plinius ons verhaalt, dat

hij in vriendschap met den krokodil leeft. Deze vertelling der ouden is

geen fabel, zooals men geneigd zou zijn te denken, en ik kan

persoonlijk voor de waarheid er van instaan. De krokodillenwachter,

wiens afbeelding men zoo dikwijls op de Egyptische gedenkteekenen

terugvindt, en die in hiëroglyphenschrift de oe voorstelt, leeft ook in

Egypte en Nubië, oefent echter heden ten dage eerst in Soedan zijn ambt

uit als wachter en beschermer van den krokodil; aan dat ambt was hij

bij de volken der oudheid zijn roem verschuldigd. Hij bewijst evenwel

niet alleen diensten aan genoemd gedrocht, maar in ’t algemeen aan alle

dieren, die van de waakzaamheid van dezen vogel partij weten te

trekken. Opmerkzaam en nieuwsgierig, prikkelbaar en schreeuwlustig,

daarbij met een opvallend geluid begaafd, is hij een voortreffelijk

waarschuwer voor andere, minder voorzichtige schepselen. Evenmin het

naderende roofdier als een menschelijk wezen van verdacht voorkomen

ontgaat zijn opmerkzaamheid; reeds elke zeil- of roeiboot trekt zijn

aandacht en nooit laat hij na door een luid geschreeuw zijn waarneming

aan anderen bekend te maken. Zoo worden alle met hem tezelfder plaatse

toevende dieren aangespoord om een nader onderzoek in ’t werk te

stellen en zich te overtuigen of er werkelijk gevaar aanwezig is of

niet. In ’t eerste geval hebben zij tijd en gelegenheid om te vluchten.

Daarin bestaat zijn ambt als wachter. Zijn vriendschappelijke

verhouding tot den krokodil kan men moeilijk wederkeerig noemen; want

van een krokodil vriendschap te eischen is wel wat veel van zulk een

dier gevergd. Niet omdat het reptiel eenig welwillend gevoel jegens den

vogel koestert, maar omdat hij hem nauwkeurig kent en volkomen juist

beoordeelt, behandelt hij hem als een lief, onschuldig schepsel. De

vogel van zijn kant, van zijn jeugd af met het monster vertrouwd, een

bewoner der zandbanken, waarop het eerste zich te slapen legt, altijd

in deszelfs nabijheid, gaat met het dier om, alsof hij zelf de heer en

meester, het andere de knecht ware. Onbevreesd klimt hij op den rug van

het slapend ondier, onbezorgd nadert hij den opengesperden muil om te

onderzoeken of misschien ook een bloedzuiger zich daar vasthechtte, of

tusschen de tanden een brok bleef hangen, om het een zoowel als het

ander weg te nemen. De krokodil laat zich dit alles welgevallen, zeker

omdat hij bij ondervinding weet, dat hij den altijd opmerkzamen,

behendigen, slimmen, kleinen schelm toch niet snappen kan. Ik zag eens

een krokodillenwachter gelijktijdig met een schreeuw-zeearend van

denzelfden visch eten, dien de arend gevangen en naar een zandbank

gebracht had. Terwijl de laatste, die met beide pooten den buit

vasthield of er op stond, een en andermaal naar den schuimlooper hapte,

hield deze zich op eerbiedigen afstand van de tafel des grooten heers;

telkens echter als deze den kop oplichtte om de spijs door te slikken,

liep de ander snel toe, kaapte schielijk een door den arend reeds

losgemaakt stuk visch en ijlde zoo snel mogelijk naar de eerste plaats

terug, om daar het geroofde te verteren. Even bewonderenswaardig als

dit driest bestaan is ook de slimme wijze, waarop de krokodillenwachter

zijn eieren voor onbescheiden oogen verbergt. Ik had reeds langen tijd

tevergeefs naar het nest van dezen vogel gezocht. De ontleding van een

geschoten vogel had mij den legtijd van den krokodillenwachter leeren

kennen. Dat hij slechts op zandbanken kan broeden volgt onvermijdelijk

uit de levenswijs. Tevergeefs echter onderzocht ik op het zorgvuldigste

al zijn lievelingsplekjes—ik kon geen nest uitvindig maken. Eindelijk

zag ik een paartje, van hetwelk een der echtgenooten op den grond zat,

terwijl de andere om de eerste heen scharrelde. Ik nam mijn kijker en

liep, den vogel steeds in het oog houdende, recht op hem af. Toen ik in

zijn nabijheid was gekomen, richtte hij zich op, schraapte ijlings wat

zand op een bepaalde plaats bijeen en liep nu, wel is waar onder het

gewone geschreeuw, maar toch zonder eenig ander bewijs van onrust met

den ander weg. Ik liet mij niet foppen, hield de plek goed in het oog

en kwam er bij. Maar ook nu kon ik nog geen spoor van het nest

ontdekken, en eerst, toen ik eene weinig in ’t oog vallende oneffenheid

in het zand waarnam en hier aan ’t graven ging, vielen mij twee, als

zand gekleurde eieren in de hand. Had de moeder meer tijd gehad, dan ik

haar gunde, zeker had zij deze kleine oneffenheid ook nog glad gemaakt,

zoodat zij in ’t geheel niet meer in ’t oog kon vallen.

Een zoo mogelijk nog rijker, in elk geval veelsoortiger dierlijk leven

als te dezer tijd aan den stroom heerscht, kan men gadeslaan aan de

oevers en op het watervlak der meren en groote plassen in ’t midden des

wouds, welke bekkens gevoed worden deels door het bijeenstroomende

water der voorjaarsregens, deels door den buiten zijn oevers getreden

stroom. Overal door het bosch ingesloten, dikwijls zoo dicht, dat men

in ’t geheel niet of althans niet dan onder veel bezwaren deze meren

kan nabijkomen, binnen de oevers bijna even sterk begroeid als daar

buiten, uitgestrekte riet- en biesbosschen insluitende, terwijl ook

thans nog papyrus en lotus daarin groeien, vormen deze regen-meren of

„foelat”, gelijk de inboorlingen ze noemen, even zooveel goede

verblijfplaatsen als broedplaatsen voor de meest verschillende vogels,

en zelfs ook voor andere dieren. De veiligheid, die deze afgelegen

oorden aanbieden, schijnt zelfs het nijlpaard aan te trekken, dat ze

tegen den tijd, dat het jongen zal werpen, opzoekt; hier dreigt geen

schaarschte van voedsel, hier houden zich geen gevaarlijke vijanden op,

en zoo kan het in deze oorden ongehinderd zijn kroost zoogen, verzorgen

en de eerste opvoeding geven. De dicht begroeide oevers, de moerassige

inhammen lokken zwijnen en buffels aan; het stille water wordt met

voorliefde opgezocht door de dorstige antilopen. Op den spiegel zelf

verzamelen zich duizenden pelikanen, om, alvorens op de naburige boomen

hunne legersteden op te zoeken, nog eens duchtig ter vischvangst te

gaan; ook de slangenhalsvogel brengt hier een goed deel van den dag

duikende door; tevens zwemmen er alle mogelijke ganzen- en

eendensoorten en strijken er de uit het noorden gekomen trekvogels

neêr, om hier een gastvrije winterherberg te vinden; in de bochten en

op de ondiepe oevers vinden de reuzenreigers en sierlijke woudaapjes

zonder veel moeite het rijkelijkste voedsel; de welige, groene oevers

herbergen tallooze kleinere vogels, de boomen van ’t omgevende woud

verschillende, op boomen rustende en nestelende strand- en watervogels.

Geen wonder, dat het bij tijden in en om deze meren wemelt van vogels,

maar even verklaarbaar is het tevens, dat zulk een rijkdom ook allerlei

vijanden lokt. Valken en uilen vervolgen de kleinere vogels, de adelaar

en de oehoe maken jacht op meer groote, de vos en jakhals, leeuw en

panter vervolgen de zoogdieren. Somtijds valt een uit de steppe getogen

heirleger van vraatzuchtige treksprinkhanen in den frisschen woudzoom

dezer streken, om in een oogwenk alles kaal te vreten en ’t geboomte

geheel te ontbladeren. Maar nu ook vermenigvuldigt zich het vogelenheir

tot in het oneindige. Van verre en van nabij verschijnen valken en

uilen, raven en Duitsche papegaaien, frankolijnen en parelhoenders,

ooievaars en ibissen, waterhennetjes en eenden, om zich aan de

sprinkhanen te goed te doen. Iedere vogel, die bij tijd en wijle

insecten nuttigt, voedt zich thans uitsluitend met deze reizigers.

Honderden gewone en kleine torenvalken, die zich op dit tijdstip

toevallig in hun winterkwartier bevinden, verzamelen zich bij scharen

boven het bezochte bosch, stooten op elken opvliegenden zwerm

sprinkhanen, grijpen ze en verslinden ze al vliegende; raven, Duitsche

papegaaien, neushoornvogels, ibissen en ooievaars nemen ze van de

takken weg en schudden ze er bij honderden af; deze vallen de onder de

boomen loerende makkers, parelhoenders en eenden als buit ten deel;

wouwen en zingsperwers vliegen in vele wendingen om de boomen, op welke

de ontbladerende insecten alras de plaats der bladeren zelf innemen;

zelfs de deftige maraboe’s en jabiroe’s versmaden het wel is waar

kleine, maar daarentegen zoo rijkelijk voorhanden voedsel niet. Een en

ander schenkt nog meerder leven aan het reeds zoo drukke water, dat op

zulke tijden nog meer dan gewoonlijk de verzamelplaats wordt van de

meest verschillende dieren.

Aan zulk een meer, een ware schatkamer voor den verzamelaar, hadden wij

een aantal dagen gejaagd, waargenomen, verzameld, genoten van de

weelderige planten- en dierenwereld, gevochten met nijlpaarden, onzen

haat gekoeld aan de krokodillen, in één woord, wij hadden in volle mate

de genoegens gesmaakt, aan ’t leven van den jager en natuuronderzoeker

verbonden, en daarbij al het overige, zelfs den tijd des jaars,

vergeten. Maar toen op zekeren dag de zon lager daalde en gouden draden

vlocht tusschen het groen des wouds; toen het geschreeuw der papegaaien

was uitgestorven en alleen het droomend gezang van een lijster nog tot

onze ooren doordrong; toen de zeearend aan gindschen oever, nog vóór

weinige oogenblikken bloeiende te midden van het omringende groen,

slaapdronken zijn witten kop tusschen de schouderveêren verborg; toen

zelfs het gegorgel van een troep meerkatten, die in de hooge kruin van

een nabijstaande mimosa haar nachtleger had opgezocht, was verstomd;

toen de nacht aanbrak, schemerhelder en vriendelijk, koel en zacht,

klankrijk en geurig, gelijk steeds omstreeks dezen tijd des jaars; toen

was het alsof alle kleurenpracht, alle glans en heerlijkheid van de

heden en gisteren in onze ziel opgenomen beelden eensklaps verbleekten.

Onze gedachten vlogen naar het lieve vaderland en door een smartelijk

heimwee voelden wij ons aangegrepen—want daar ginds vierde men op dit

oogenblik het Kerstfeest. Wij hadden punch gemaakt en onze pijpen

gevuld met de heerlijkste tabak der aarde; onze Albanezer reisgenoot

zong een roerend lied; de nacht omgaf als met een tooverwaas hart en

zinnen; maar de glazen werden niet geledigd, de rookwolken namen de

wolken der droefgeestigheid niet weg, het lied vond geen weêrklank in

onze ziel en de nacht tooverde tevergeefs. Wij smeekten om een

Kerstgeschenk—en wij ontvingen het!

De nacht in het oerwoud is altijd majestueus en verheven; dan, wanneer

de hemel in vuur wordt gezet door den bliksem, terwijl rollende

donderslagen daarbij weêrklinken van het eene einde naar het andere;

dan, wanneer de stormwind er giert, en ook dan, wanneer aan het

eindeloos gewelf ver verwijderde zonnen stralen en blad noch halm zich

beweegt. Weinige minuten reeds na zonsondergang hult de nacht het woud

in zijn grijzen mantel. Wat in het daglicht duidelijk zichtbaar was

wordt nu omfloersd; wat in het zonnelicht nog te omvatten omtrekken

aannam, wordt thans tot een reuzengestalte. Bekende boomen worden tot

spookgedaanten; de heggen van struikgewas tot zwarte muren. Het

duizendstemmige alarm verstomt, diepe stilte vervangt het geraas. Maar

een nieuw leven vangt aan, in het woud en op het water. Honderden

cikaden doen een geluid hooren, dat eenigszins te vergelijken is met

het verwijderd geklingel van kleine, onzuiver gestemde klokjes;

duizenden, thans uit den slaap ontwaakte kevers, waaronder zeer groote

soorten, snorren om de bloeiende boomen en laten een luid gegons

hooren, dat eigenaardig past bij genoemd klokgelui. Kikvorschen, die

slechts een enkelen, maar, de geringe grootte dezer dieren in

aanmerking genomen, vrij luiden kreet voortbrengen, mengen zich daarin,

en al deze stemmen, die doen denken aan den klank van een langzaam

geslagen Chineeschen gong, weêrklinken ver door het woud.

Een groote uil begroet den nacht met dof gehuil; een kleinere soort

antwoordt met een honend gelach; een geitenmelker herhaalt telkens

opnieuw een enkele strophe van zijn snorrend, rochelend gezang. Van de

zijde der rivier klinkt het weeklagend geroep van den nachtvogel, van

de meeuwenfamilie, of van een schaarbek, die, dicht over de oppervlakte

des waters strijkende, de golven half doorploegt; van de zandige

eilanden en banken weêrklinkt het luide, ietwat krijschend geschreeuw

van den griel, alsmede de toonrijke, klankvolle, gevoelige trillers van

een waterlooper of plevier; boven het riet van het nabijgelegen meer

krast een nachtreiger. In het dichte struikgewas of rondom de kruinen

der boomen flonkeren duizenden glimwormen; een reusachtige krokodil,

die reeds vóór zonsondergang de tegenoverliggende zandbank verlaten en

het door de zon gegloeide pantser in de lauwe golven afgekoeld heeft,

zwemt, half onder, half boven den waterspiegel drijvend, door den

stroom, een spoor nalatende, dat in den maneschijn als zilver, in het

sterrelicht als een snoer glimmende paarlen schittert. Boven de hoogste

boomkruinen zweven met onhoorbaren vleugelslag oehoe’s en andere uilen;

langs den oever vliegen in bevallige kronkellijnen langstaartige

geitenmelkers; tusschen de kronen der boomen beschrijven vledermuizen

hunne zigzagbanen; van den eenen kant der rivier naar den anderen

trekken, soms bij scharen, vliegende honden of kalongs. En nu is ook de

tijd gekomen, dat de overige zoogdieren des wouds zich laten zien of

hooren. De een of andere jakhals vangt aan, beurtelings, nu eens

treurige, dan meer vroolijke melodieën aan te heffen, die met evenveel

gevoel als volharding worden voorgedragen; een dozijn soortgenooten

valt terstond in en opent een zangwedstrijd, in welken ieder dingt en

kampt om den eereprijs; enkele hyena’s schijnen slechts op deze

voorzangers gewacht te hebben, om nu een koor aan te heffen van

huilende, lachende, klagende en juichende stemmen; de panter bromt; de

leeuw brult, en zelfs het nijlpaard, dat nog den stroom niet heeft

verlaten, verheft knorrend zijn armzalige stem.

Zoo spreekt en openbaart zich de nacht in het oerwoud; zoo boeide hij

op dien voor mij onvergetelijken dag mijn oogen en ooren. De kevers,

cikaden, uilen en geitenmelkers hadden aangevangen; daar schetterden

schrille, krachtige, dreunende tonen door het bosch, als

trompetgeluiden uit ongeoefende monden. Oogenblikkelijk verstomden de

liederen van onzen Albanees, verstomde het gesprek onzer bedienden en

matrozen, en allen luisterden evenals wij. Nogmaals schetterde en

dreunde het aan den overkant. „El fioel, el fioel!” riepen de

inboorlingen: „olifanten, olifanten!” jubelden ook wij. Het was voor

het eerst, dat wij de reusachtige dikhuiders, op wier paden wij tot nog

toe bijna altijd hadden gewandeld, wier sporen wij zoo dikwijls hadden

achtervolgd, vernamen, beluisterden. Aan den tegenoverliggenden oever

daalden op gemakkelijke en zekere wijze, reusachtige, in ’t

schemerlicht van den nacht met genoegzame duidelijkheid waarneembare

gedaanten naar het water af, om uit de rivier te drinken en zich daarin

te baden. De een na den ander stak zijn lenigen tromp in het water, om

dien te vullen en daarna den inhoud òf in den wijden bek, òf over hals

en schouders en rug uit te storten; de een na den ander daalde in de

rivier af om hier een verkoelend bad te nemen. En even alsof het straks

gehoorde trompetgeschal een krijgsroep was geweest, zoo rumoerig werd

het nu in het woud. Vroeger dan gewoonlijk verhief de koning der

wildernis zijn donderende stem; een tweede en derde leeuw beantwoordde

dien koninklijken groet. Verschrikt vliegen de van slaap dronken apen

op en laten een luid geschreeuw hooren; van angst jammeren de antilopen

mede. Daar rekt in de onmiddellijke nabijheid onzer boot een nijlpaard

zijn monsterkop boven het water uit en begint te brullen, evenals

meende hij een wedstrijd aan te vangen met de donderende stem van den

leeuw; ook de panter waagt het zich te doen hooren; jakhalzen vangen

het afwisselend lied aan, dat wij reeds kennen, de gestreepte hyena’s

huilen, de gevlekte doen hun helsch, merg en been doordringend gelach

hooren; alleen de kikvorschen en cikaden, onverschillig omtrent de

roepstem van den koning en die van de grootwaardigheidsbekleeders van

het woud, gaan voort, de eersten met hun eentonig geschreeuw, de

laatsten met hun klokgelui.

Dit was het „Eere zij God in den hooge” dat het oerwoud ons toezong.

Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping · 第 16 / 88 题