DE STEPPE EN DIERENWERELD VAN CENTRAAL-AFRIKA.

Het noorden van Afrika is eene woestijn, moet zulks zijn en zal het

eeuwig blijven. Vergeleken met de uitgestrekte, door de gloeiende zon

verzengde landmassa’s tusschen de Roode Zee en den Atlantischen Oceaan,

verliezen de wateren, die de aarde omgorden, hunne beteekenis; de Roode

Zee komt in ’t geheel niet in beschouwing, de Middellandsche Zee blijkt

veel te klein en zelfs de invloed van den Atlantischen Oceaan blijft

enkel tot een smallen zoom langs de kust beperkt. Boven zulke groote en

heete vlakten moeten alle wolken zich oplossen zonder de dorstende

aarde te bevochtigen en te bevruchten. Eerst veel verder naar het

zuiden, ongeveer bij den evenaar, daar, waar aan de eene zijde de

Atlantische Oceaan met een diepe bocht het land binnen dringt, aan de

andere zijde de Indische Zee Afrika’s kusten bespoelt, waar, om mij zoo

uit te drukken, beide Oceanen elkander over dit werelddeel heen de hand

reiken, worden de verhoudingen eenigszins anders. Hier stroomen, op

zekere tijden des jaars, vergezeld van storm, bliksem en donder,

geregeld zulke ontzaglijke regenmassa’s neder, dat voor deze de

woestijn moet wijken om voor de meer levende steppe plaats te maken.

Daarom wordt het voorbijsnellend jaar hier in twee, wezenlijk van

elkander verschillende jaargetijden verdeeld: in het levenwekkende en

in het doodende, dat van regen en een ander van droogte, terwijl

daarentegen in de woestijn eenig en alleen door de nu en dan

heerschende winden kondschap wordt gebracht van de elders wisselende

jaargetijden.

Om de steppe te verklaren dunkt mij eene vluchtige schildering harer

jaargetijden noodzakelijk. Want ieder land is eene afspiegeling van het

klimaat, dat daar heerscht, en elk gebied is niets anders dan het

resultaat der strijdende machten zijner jaargetijden, en kan slechts

begrepen worden, wanneer men deze en hun invloed heeft leeren kennen.

Met het ophouden van den regen vangt in Afrika’s binnenlanden de

doodende tijd des jaars aan, de lange en vreeselijke winter, die door

zijn verzengende gloeihitte hetzelfde uitwerkt, wat de noordsche winter

door zijn koû bewerkt. Nog vóór de hemel, die tot nog toe dikwijls

bewolkt is geweest, volkomen helder is geworden, werpen sommige boomen,

die in het voorjaar zich met groen hebben getooid, hun bladerenpracht

af, en met het vallen der bladeren verlaten ook de trekvogels, die er

in de lente broedden, het herfstachtig geworden land om in andere

streken van het ouderlijk werelddeel een toevluchtsoord te zoeken. De

halmen der broodvruchten worden geel, nog vóór de regen heeft

opgehouden; de lage grassen verwelken en verdorren. De periodiek

stroomende wateren drogen op; eveneens de door den regen gevulde

bekkens, zoodat niet alleen de daarin levende reptielen en

kikvorschachtigen, maar zelfs de visschen genoodzaakt worden zich in de

natte leem te begraven om hier den winter te verblijven. Insecten en

planten vertrouwen hun zaden aan de aarde toe.

Hoe meer de zon zich schijnbaar naar het noorden wendt, des te sneller

komt de winter opdagen. De herfst duurt maar weinige dagen. Hij bewerkt

niet, zooals bij ons, een verwelken en afsterven der bladeren, geen

tintelen in geel en rood, maar oefent door gloeiende winden zulk een

vernielenden invloed uit, dat zij verdrogen evenals gemaaid gras in de

stralen der zon; deels nog groen vallen zij ter aarde, deels worden zij

met steel en al afgerukt en weggewaaid, zoodat de boomen, op weinig

uitzonderingen na, binnen een onbegrijpelijk korten tijd een

winterachtig voorkomen hebben erlangd. Boven de vlakten, die nog voor

weinige dagen met hoog, golvend gras begroeid waren, verheffen zich nu

dwarrelende stofwolken; in de beddingen der geheel of gedeeltelijk

blootgelegde stroomloopen en waterbekkens gapen diepe kloven. Al wat

aangenaam was verdwijnt, al wat onaangenaam is treedt dreigend te

voorschijn: bladeren en bloesems, vogels en kapellen verwelkten, vlogen

weg of stierven; doornen daarentegen, stekels en klissen bleven terug,

terwijl slangen, schorpioenen en tarantelspinnen haar hoogtijd vieren.

Eene onuitstaanbare hitte des daags, eene onverdragelijke warmte des

nachts zijn de plagen van dit seizoen, en noch tegen het een, noch

tegen het andere bestaan middelen van tegenweer. Wie zulke dagen niet

bij eigen ervaring kent, als wanneer de thermometer in de schaduw 50°

C. stijgt, terwijl men voortdurend zweet, wat men echter niet eerder

merkt, dan wanneer men op een koele plek is gekomen, omdat de hitte

dadelijk al het zweet doet verdampen, wanneer de eene stofwolk na de

andere omhoog stijgt en een droge nevel loodzwaar drukt op al wat

leeft, zoo iemand heeft geen denkbeeld van dit lijden; hij die zulke

nachten, wanneer men zich slapeloos op zijn leger omkeert, daar de

warmte steeds toeneemt, niet heeft doorleefd, is buiten staat zich in

te denken in het naamloos leed, dat gelijkelijk menschen en dieren

pijnigt. Zelfs de hemel verandert zijn kleur, die tot nog toe rein

blauw is geweest in een vaal grijs, want de zoo even vermelde nevel

omsluiert dikwijls halve dagen lang de zon, zonder deze nochtans van

haar gloed te kunnen berooven; integendeel, juist wanneer de horizon

door zulke nevels verduisterd wordt, schijnt de hitte nog toe te nemen.

Zonder de geringste verkwikking voor geest of lichaam volgt de eene dag

op den anderen. Geen koeltje uit het noorden streelt het voorhoofd,

geen bloesemgeur, geen vogelengezang, geen in heldere kleuren en

donkere schaduwen prijkend landschap, gelijk de in zonnegloed badende

tropen somwijlen te voorschijn tooveren, werkt verfrisschend op de

ziel; alles wat levendig, kleurig en dichterlijk is, vlood henen, zonk

neêr in den doodslaap,—en deze is veel te akelig dan dat hij eenig

dichterlijk gevoel kan opwekken.

Menschen en dieren kwijnen, evenals gras en bladeren verwelkt zijn; en

menschen en dieren zinken neder om nooit weêr op te staan. Tevergeefs

worstelen fierheid en moed tegen den last dier dagen; zuchtend en

klagend bezwijkt zelfs de krachtigste wil. Elke inspanning mat af, elke

beweging; het lichtste dek is te zwaar en de geringste wond verkeert in

eene boosaardige zweer.

Maar ook deze winter moet voor de lente wijken. Maar ook deze brengt

door haar winden schrik en verderf. Dezelfde wind, die in de woestijn

tot samoem wordt, roert als heraut der lente zijn vleugels, woelt in de

spleten van den grond, om zelfs daaruit nog stof te vegen, dat in

dichte massa’s omhoog dwarrelt, bouwt er op muren gelijkende wolken van

en zweept deze huilend en bruisend over het land, werpt ze door de

getraliede vensters van de woningen in de steden en door de lage deuren

van de hutten der inboorlingen om nieuwe kwellingen te voegen bij de

bestaande.

Hij alleen heeft eindelijk de volle heerschappij ontvangen en oefent

deze onbeperkt uit, als wilde hij alles vernietigen, wat nog stand

hield; maar hij ook is het, die in het verre zuiden van regen zwangere

wolken opeenstapelt, om deze naar de verbrande streken te voeren. Reeds

schijnt het alsof bij het toenemen zijner kracht de drukkende zwoelheid

wordt getemperd, alsof zijn adem bij tijd en wijle niet meer zoo

gloeiend is, maar frisch en verkwikkend.

Het is geen misleiding: de lente rust zich uit tot den intocht, en op

de vleugelen van den zuidenwind rukken de wolken ruischend aan. Nog een

korte tijd en zij verdonkeren in het zuiden het gewelf des hemels; nog

weinige dagen en flitsende bliksemstralen verlichten allengs de donkere

wolkenlaag; nog eenige weken en een verwijderde donder kondigt den

leven aanbrengenden regen aan.

Bedrijvigheid begint te heerschen in en aan alle stroomen, die uit het

zuiden komen. Zij zijn wel is waar nog helder als kristal, maar zij

zijn levendiger geworden, want zij wassen van nu aan voortdurend en

zenden door alle spleten en scheuren der slijkerige oevers het

levenwekkend vocht naar het binnenland. Ook de trekvogels zijn bereids

weder teruggekeerd, terwijl hunne aantallen nog dagelijks aangroeien.

In de streken van den boven-Nijl verscheen de ooievaar, om wederom

bezit te nemen van de oude nesten op de kegelvormige stroohutten der

inboorlingen; met hem verscheen de heilige ibis, om ook heden nog zijn

sedert duizenden jaren bekleed ambt waar te nemen: n.l. tot bode,

heraut en waarborg te zijn, dat de oude Nijlgod wederom de bron zijner

genade zal laten vloeien en den hoorn des overvloeds over de hem

onderworpen landen uitstorten.

Eindelijk komt het eerste onweêr opzetten. Een benauwend warme lucht

drukt op het doode, verbrande veld, zoo mogelijk nog erger dan te

voren.

Huiveringwekkende stilte beangstigt mensch en dier. Elk gezang, bijna

elk geluid der vogels is verstomd; zij zelf hebben zich in het dichtste

gebladerte der altijd groene boomen verborgen.

Maar ook het leven in het leger der trekherders, in het dorp, in de

stad, schijnt uitgestorven. Vreesachtig kruipen de anders zoo

levenslustige honden naar een stil, verborgen hoekje; alle overige

huisdieren hebben een angstig en schuw voorkomen; men maakt de paarden

vast en drijft de runderen binnen de omheining.

In de stad sluit de koopman zijn kraam, de ambachtsman zijn werkplaats,

de regeeringspersoon zijn diwan, want een ieder zoekt een schuilplaats

in zijn woning. En toch laat zich nog geen windje hooren, en verneemt

men zelfs niet het minste geritsel aan de weinige nog bladdragende

boomen. Maar toch kan men bespeuren hoe het onweder zich vormt en

nadert.

In het zuiden pakt zich eene donkere en als vlammende wolkenlaag samen,

die doet denken aan de vuur- en rookwolken boven eene brandende stad,

of aan een ver afgelegen boschbrand. Vuurrood, purper, donkerrood en

bruin, vaalgeel, grijs, donkerblauw en zwart schijnen in die wolkenlaag

een kleurendans uit te voeren; die kleuren mengen zich dooreen,

scheiden zich van elkaar af, verliezen zich in het donker en flikkeren

plotseling weder met schrille tinten op. De bank rust op den horizon en

klimt naar den hemel omhoog; zij schijnt nu eens stil te staan, maar

ijlt straks met de snelheid van den storm verder, omsluit den

gezichteinder hoe langs hoe meer en hult alles in een ondoordringbaren

sluier. Een fluitend en suizend geluid schijnt uit haar voort te komen;

waar de waarnemer staat is alles evenwel nog doodstil.

Daar breekt plotseling een windstoot los. De sterkste boomen buigen

onder den geweldigen storm als zwakke rijsjes; de slanke palmen neigen

haar kronen diep ter aarde. Een tweede stoot volgt op den eersten, een

derde op den tweeden; de wind groeit aan tot een storm, de storm wordt

orkaan en deze woedt met ongehoorde kracht. Het loeien des orkaans is

zoo vreeselijk, dat het eigen woord de ooren des sprekers niet meer

bereikt, en elk geluid wordt overstemd en gesmoord. Het ruischt en

beruist, loeit en suist, fluit en huilt, dreunt en ratelt in de lucht,

op den grond, in de kruinen der boomen, alsof alle elementen met elkaar

in strijd zijn, de hemel zou willen invallen, de grondvesten der aarde

wankelen.

Onweêrstaanbaar treft de geweldige storm de kronen der boomen, sleurt

de helft der bladeren, die er nog aan hangen, mede, breekt stammen van

eene mansdikte als glas, maakt zich zelfs van de kronen meester, om ze

als een speelbal over de vlakten te rollen, te draaien en omhoog te

doen dwarrelen, en ze eindelijk met de takken, als breedste basis, naar

beneden, met de weemoedig omhoog starende brokstukken van den stam naar

boven, diep in de aarde of het zand te begraven; de termieten zullen

het werk der vernieling verder aan hen voltooien. Gulzig woelt de wind

in alle spleten en barsten der aarde, veegt er het stof, zand en grind

uit, voert deze omhoog naar de wolken of sleept ze met zulk een kracht

voort, dat zij, tegen harde voorwerpen stootende, met een hoorbaar

geratel en geknetter terugspringen; hemel en aarde worden er door aan

’t gezicht onttrokken, de dag wordt tot nacht en de sidderende mensch

ontsteekt de lamp in zijne met stof gevulde woning, om bij ’t schijnsel

van dat licht te herademen en tot rust te komen.

Maar het geloei van den wind wordt overstemd door andere geluiden.

Ratelende donderslagen laten zich dreunend hooren en smooren het gehuil

en gebruis van den storm. Nog altijd zijn de stofwolken zoo dicht, dat

men den bliksem niet kan zien; spoedig evenwel mengt zich een tot nog

toe niet vernomen geratel onder de verwarde mengeling van tonen en

geluiden, en daarmede begint de onnatuurlijke nacht te wijken voor een

dagend licht. Het is alsof zware hagelbuien de aarde treffen, en toch

zijn het slechts regendroppels, die neêrvallen, om onder het vallen

zand en stof meê te voeren. Nu ook kan men het bliksemen zien. De eene

straal volgt zoo onmiddellijk op de andere, dat men de oogen voor dit

verblindend licht sluit en het onweder slechts kan volgen door den

onafgebroken rollenden donder. De regen verandert in een wolkbreuk, het

water ruischt van de bergen neder, de beken nemen het op en zenden het

naar de laagten, alwaar de meren het verzwelgen; in stroomen golft het

door de dalen. Uren lang houdt de regen aan, maar de storm heeft zijn

kracht verloren en eene verkwikkende koelte laaft weder mensch en dier

en plant. Ook de bliksemslagen verminderen in aantal, de donder

verzwakt, de wolkbreuk wordt weder regen, de regen verandert in

druppelen; de hemel wordt helder, de wolken scheuren en het stralend

aangezicht der zon breekt door. Jubelend verlaat de bruine jeugd, naakt

gelijk zij ter wereld kwam, huizen en hutten, om zich in het lentewater

te baden; niet minder gelukkig ontworstelen zich de reptielen,

kikvorschachtigen en visschen aan den slijkerigen bodem, en reeds in

den eersten nacht na den regen klinken uit duizend kelen de heldere

stemmen der kleine vorschen, van welke dieren men vroeger niets

bespeurde, omdat zij, gelijk sommige krokodillen, vele schildpadden en

alle visschen der periodiek uitdrogende meren in de diepte der aarde

een winterkwartier hadden opgezocht; de eerste voorjaarsregen doet hen

tot een nieuw leven ontwaken.

Overal ontwikkelt zich datzelfde verjongde, krachtige leven. Gretig

zwelgt de aarde het haar geboden vocht in; maar de hemel opent na

weinige dagen nogmaals zijn sluizen om, wat nog bleef sluimeren, te

wekken. Een tweede onweder doet de knoppen open springen van alle

boomen met wisselend blad en het gras ontluiken; een derde regenbui

roept bloesems en bloemen op en bekleedt het geheele landschap met

malsch groen. Even tooverachtig als de lente kwam is haar werking. Wat

bij ons te lande een maand tijd vereischt, wordt hier afgespeeld binnen

’t verloop eener week; wat in gematigde landen zich zoo langzaam

ontwikkelt, ontplooit zich hier binnen weinige dagen en uren.

Slechts een gering aantal weken duurt deze lente en de weinig van haar

verschillende zomer heeft thans zijn intocht gehouden; en even snel

wordt deze weder opgevolgd door den korten herfst, zoodat men eigenlijk

slechts van een eenig jaargetijde kan spreken, dat èn lente, èn zomer

èn herfst in zich bevat. En nogmaals staat de moordende winter voor de

deur en belet een ongestoord ontkiemen, groeien en gedijen, zooals in

andere aequatoriale landen, die eenen grooteren watervoorraad rijk

zijn, mogelijk is. Toch is de hoeveelheid regen hier nog voldoende om

dit land tot geen barre woestijn te maken, en overal daar, alwaar zij

zich anders zou doen gelden, een meerder of minder weelderig

plantentapijt over de aarde te spreiden, of, m.a.w. in plaats van eene

woestijn eene steppe te scheppen.

Ik gebruik het woord steppe om daarmede aan te duiden die eigenaardige

streken van Centraal-Afrika, welke de Arabier „Chala” d.w.z. „frissche,

groene planten voortbrengende landen” noemt. De Chala is wel is waar

niet hetzelfde als de steppe van Zuid-Rusland en Middel-Azië; evenmin

komt zij geheel overeen met de prairiën van Noord-Amerika of de pampas

en llanos van Zuid-Amerika, maar zij heeft toch zooveel punten van

overeenkomst met de eerste, dat ik mij genoegzaam verontschuldig reken

wanneer ik de voorkeur geef aan een bekend woord. De steppe strekt zich

uit over geheel Centraal-Afrika, van de woestijn tot aan de Karroe [1],

van de oostkust tot de westkust; zij omgeeft alle hooggebergten des

lands, en sluit alle oerwouden in, die zich zoowel op deze als in de

komvormige, meer waterrijke laagvlakten bevinden; zij omvat alle landen

in het hart van Afrika, begint weinige honderden schreden aan gene

zijde van de huizen der dorpen, neemt de velden der ingezetenen in zich

op, en voedt en onderhoudt de kudden der trekherders. Waar in het

zuiden de woestijn eindigt, waar het woud ophoudt, waar een gebergte

daalt, daar begint haar heerschappij; waar een brand het bosch

vernielde, daar maakt zich de Chala van de uitgebrande plek meester;

waar de mensch het dorp verlaat, daar dringt zij in diens jurisdictie

binnen, om dit in weinig jaren tijds gansch en al onkenbaar te maken;

waar de landman zijn akkers prijsgaf, daar drukt zij binnen het

tijdsverloop van een jaar weder hare beeltenis af.

Onvriendelijk, eentonig, zonder afwisseling doet zich de steppe voor

aan hem, die haar voor het eerst betreedt. Eene uitgestrekte, dikwijls

onafzienbre vlakte ligt voor ons; slechts bij uitzondering rijzen

enkele kegelvormige bergen uit haar op; noch zeldzamer scharen deze

zich aaneen tot ketens. Vaker ziet men lage heuvelklingen de vlak

komvormige dalen afbreken; soms vereenigen die heuvelrijen zich tot

netvormig door elkaar gevlochten ruggen, die diepe keteldalen insluiten

of omgeven, waarin gedurende den regentijd poelen, vijvers en meren

worden gevormd, terwijl de leemachtige grond in den winter veelvuldig

gebarsten en gekloven is. In de diepste en langste dalen bevindt zich

in plaats van zulk een stilstaand water een „chòr” of regenstroom, d.i.

een waterbed, dat eveneens slechts in het voorjaar gedeeltelijk, onder

bijzonder gunstige omstandigheden ook wel eens en dan binnen weinige

uren tot aan den rand gevuld wordt, en nu niet meer stroomt, maar als

een bewegelijke muur bruisend en donderend naar de laagte stort, zonder

evenwel in eene eigenlijke rivier uit te monden. Zulke verzamelplaatsen

van water uitgezonderd, dekt overal een betrekkelijke rijke vegetatie

den grond. Grassen van allerlei soort, van lage, langs den grond

kruipende plantjes tot meer dan manshooge korenachtige halmen vormen

het hoofdbestanddeel dezer steppen-flora; boomen en struiken, vooral

vele soorten van mimosa’s, adansonia’s, dompalmen, Christusdoorns en

andere, vormen hier en elders, vooral aan de oevers der genoemde

wateren, dichte heggen en boschjes; overigens zijn zij zoo spaarzaam

over de uitgestrekte, met een dicht graskleed overtogen vlakten

verspreid, dat zij slechts op weinige plaatsen tot een werkelijk en dan

nog ijl bosch worden. Nergens groeien deze boomen zoo weelderig als in

de ware stroomdalen, die de zegeningen van de lente in zich sluiten;

zij zijn daarentegen dikwijls dwergachtig, althans laag; hun kronen

zijn ijl, en niet dan hoogst zelden ziet men eene klimplant tot aan hun

top opstijgen. Zij allen lijden te veel onder den invloed van den

langen, gloeienden winter, die hun ternauwernood veroorlooft, hun eigen

leven te behouden en die alle woekerplanten uit hun nabijheid weert. De

grassen daarentegen schieten in de wel is waar korte, maar toch aan

water rijke lente welig omhoog, bloeien er doorheen, en doen hun zaden

rijpen, zoodat hier alle voorwaarden voor een gunstig gedijen rijkelijk

vervuld zijn. Maar ook door de grassen voornamelijk erlangt de steppe

haar eentonig uitzicht; want, hoe klein zij ook zijn, zij wisschen vele

tegenstellingen uit en brengen, inzonderheid door hun gelijke kleur,

een afmattende uitwerking teweeg. Zelfs de mensch is niet in staat

eenige afwisseling in dit eeuwig eenerlei te brengen, daar ook zijn

akkers, die hij midden in het graswoud aanlegt, uit de verte beschouwd

er evenals deze uitzien, zoodat men koren en gras niet van elkander kan

onderscheiden; de ronde, met een koepelvormig dak voorziene hutten, die

hij met dunne palen stut en met steppengras bekleedt, steken althans in

het droge jaargetijde zoo weinig tegen de omgeving af, dat men ze eerst

in de onmiddellijke nabijheid gewaar wordt. Het is alleen de wisseling

der jaargetijden, die verandering brengt in dit eentonig tooneel, en

ook deze verandering is nog van weinig beteekenis.

Onvriendelijk is ook de begroeting, waarmede de reiziger door de steppe

wordt ontvangen. Op hooge kameelen gezeten, rijdt men door het

landschap. Het een of ander wild wekt den jachtlust op en men wordt

verleid tot het binnendringen van het graswoud. Daar wordt men

plotseling gewaar, dat er tusschen de oogenschijnlijk zoo gladde

grashalmen planten groeien, die nog meer te vreezen zijn dan de doornen

der mimosa’s.

Op den grond woekert de „tarba,” wier zaadhulsels zoo scherp zijn, dat

zij de zolen van niet al te dikke ruiterslaarzen doorsnijden, daar

boven groeit de „essek,” wier klitten zich hechten aan alle mogelijke

kleedingstukken, en dat zoo vast, dat men ze er niet meer uit kan

krijgen; nog iets hooger verheft zich de „askaniet,” de verfoeilijkste

plant van alle drie, omdat haar stekels bij de lichtste aanraking los

laten, door alle kleedingstukken heen boren, in de huid dringen en daar

etterbuilen doen ontstaan, die wel is waar elk op zich zelf klein zijn,

maar wegens de ontelbare menigte tot een ware plaag worden.

De drie genoemde planten maken een lang oponthoud en een verder

doordringen in het grasland onmogelijk; zij zijn eene kwelling voor

mensch en dier, en wij kunnen nu begrijpen waarom de inboorlingen

steeds een kleine nijptang als onmisbaar wapen bij zich dragen, en dat

de grootste liefdedienst, welken men elkander kan bewijzen, evenals bij

de apen, daarin bestaat, dat men elkander de fijne, ternauwernood

zichtbare, maar naaldscherpe dorens uit de huid trekt. Dat ook meest

alle andere planten der steppe, inzonderheid bijna alle boomen en

struiken, met meer of minder lastige dorens bezet zijn, is begrijpelijk

voor een ieder, die ooit in Afrika een bosch trachtte door te dringen,

of ook maar een boom naderde.

Nog onaangenamer is de steppe des nachts. Daar men dagen lang door de

steppe kan trekken zonder een dorp te ontmoeten, is men dikwijls

verplicht onder den blooten hemel te overnachten.

Men spoort dan eene plek op, die van genoemde lastige planten vrij is;

het rijdier wordt van zijn last ontheven en vastgebonden; eene

eenvoudige legerplaats wordt ingericht, n.l. men spreidt een tapijt op

den grond en ontsteekt een groot vuur om de roofdieren verre te houden.

De zon gaat onder, en weinige minuten later heeft de nacht haar donker

kleed over de aarde geworpen; het vuur verlicht de legerplaats en hare

omgeving. Plotseling wordt het van verre en nabij zeer levendig.

Aangelokt door het stralend vuur loopt en kruipt alles daarnaar toe,

een voor een, bij tweeën, bij tienen, bij honderden. Eerst laten zich

reusachtige spinnen zien, die met haar acht uitgespreide pooten

evenveel plaats innemen als een man met zijn hand kan beslaan;

onmiddellijk daarop, soms op hetzelfde oogenblik als de spinnen, komen

de schorpioenen aanloopen. Driftig rennen beide diersoorten op het vuur

af, over tapijt en dek heen, tusschen de schotels van den eenvoudigen

avondmaaltijd door, keeren, door het heete vuur genoodzaakt, weer

terug, laten zich nogmaals door de vlam verleiden, en vermeerderen

daardoor het akelig gewemel; want deze spinnen zijn wegens haar zoo

niet gevaarlijken dan toch zeer pijnlijken beet weinig minder te

vreezen dan de schorpioenen, en de laatsten zijn elk oogenblik gereed

met hun giftangel verwondingen toe te brengen. Verstoord neemt men zijn

toevlucht tot een tweede, niet minder nuttig werktuig, dat op raad van

den kundigen gids werd meêgenomen, n.l. eene langpootige vuurtang, pakt

daarmede zooveel dezer ongenoode gasten als men maar machtig kan

worden, en werpt ze boosaardig in het knetterende vuur. Dank zij de

vereenigde pogingen van alle reisgenooten, zeer spoedig heeft het

meerendeel van het helsche gebroed zijn dood in de vlammen gevonden; de

aankomelingen worden minder talrijk en ook deze worden even

onbarmhartig als de vorigen in ’t vuur geworpen; men herleeft—maar te

vroeg!

Nogmaals naderen nieuwe en nog guurder gasten het vuur: vergiftige

slangen, die evenals de spinnen en schorpioenen door het vuur gelokt

worden. De natuuronderzoeker herkent in hen, althans in de soort, die

het talrijkst is, hoogst belangrijke dieren, die ten zeerste zijn

aandacht trekken; want het is de zandkleurige hoornadder, de beroemde,

liever misschien, de beruchte „Cerastes” der ouden, de op vele

Egyptische monumenten afgebeelde „Fi,” dezelfde giftslang, door wier

beet Cleopatra zich doodde; de vermoeide reiziger wenscht dit dier

evenwel in den diepsten afgrond der hel.

Het gansche leger staat op zoodra de naam dier slang door den een of

anderen reiziger wordt uitgesproken; ieder grijpt, en nu veel spoediger

en angstiger dan straks, zijne tang, sluipt, zoodra hij het ondier in

’t gezicht krijgt, voorzichtig er op af, pakt het van achter in den

nek, knijpt de tang stevig dicht, zoodat de slang niet kan ontsnappen,

werpt haar midden in ’t flikkerende vuur en bespiedt met boosaardige

vreugde haar dood.

Er zijn plaatsen in de steppe, waar de slangen iemand in stille wanhoop

brengen. Daar de kleur dezer wezens volkomen gelijk is aan die van het

zand, en zij tevens de gewoonte hebben zich des daags, of wanneer zij

slapen, geheel onder het zand te begraven, terwijl alleen de beide

kleine, boven op den kop staande voelhoorns daaruit steken, zoo valt

het moeilijk deze dieren op te sporen; de nacht is evenwel

ternauwernood aangebroken, of de slangen komen weêr te voorschijn; zij

trekken op het schijnsel des vuurs af en kronkelen en sissen om den

armen reiziger heen. Soms dagen zij in massa’s op, om hem tot

middernacht uit den slaap te houden; alle individuen, die zich in de

nabijheid der legerplaats ophielden, of op hunne nachtelijke excursies

deze nabij kwamen, schijnen op het vuur af te gaan. En wanneer men

eindelijk, afgemat en slaapdronken de tang uit de hand en zichzelf ter

ruste heeft gelegd, dan is men er nog niet van verzekerd, dat er in den

nanacht nog niet enkelen over ons heen zullen kruipen; en dat zulks wel

eens gebeurt blijkt o.a. daaruit, dat men des morgens bij het oprollen

van het tapijt dikwijls een of meer dier gedrochten in de plooien vindt

gewikkeld; ijlings nemen zij dan evenwel de vlucht en begraven zich in

het zand. Hier, in deze steppe, heb ik de ervaring opgedaan, dat op

weinig uitzonderingen na, de vergiftige slangen nachtdieren zijn; zulks

is ten minste het geval met alle adders en groefadders.

De opgenoemde dieren zijn niet de eenige steppenbewoners, die den

mensch overlast veroorzaken. Zoo is er b.v. een klein diertje, dat wel

is waar volstrekt niet levensgevaarlijk is, maar dat toch onnoemelijk

veel schade kan toebrengen aan de bezittingen der menschen, die de

steppe bewonen of deze doortrekken; ik bedoel de termiet. Dit insect

gelijkt zeer veel op eene mier; in weerwil van zijn geringe

lichaamsgrootte richt het meer schade aan dan de sprinkhaan, ofschoon

ook de verschijning van dit vraatzuchtig beest nog heden ten dage een

ware plaag kan genoemd worden. Eene kudde olifanten is zelfs nog minder

te duchten.

De termieten zijn alomtegenwoordig; zij vernielen alles. Wat het

plantenrijk oplevert verdwijnt onder haar scherpe kaken, wat de

kunstvlijt der menschen opbouwt, wordt onmeêdoogenloos vernield. Hoog

boven het gras der steppe verheft zich de kegelvormige, uit aarde

gebouwde woning; overal in het rond, op den grond en op de boomen ziet

men hun gangen, loopgraven en verbindingswegen. Het is in den nacht of

als het duister is, dat zij hun verwoestenden arbeid aanvangen en

voltooien.

Het eerste werk der termiet bestaat daarin, dat zij de voorwerpen

omgeeft met een laag aarde, die elken lichtstraal afsluit en nu gaat

zij aan den arbeid, welks einddoel door dit ééne woord „vernietiging”

kan worden weêrgegeven. Op den grond liggende of tegen aardwallen

hangende voorwerpen zijn het meest aan gevaar blootgesteld. Een

onnadenkend reiziger, door de hitte gekweld, legt een of ander

kleedingstuk naast zich op den grond, die hem tot rustplaats strekt;

den volgenden morgen vindt hij dit terug als een met tallooze gaatjes

doorboorde zeef,—onbruikbaar gemaakt, vernield; een nog niet met de

omstandigheden vertrouwd natuuronderzoeker sluit zijne zoo moeilijk

verkregen schatten in eene kist, maar verzuimt deze op steenen of

andere voorwerpen te plaatsen, die den bodem der kist van den grond

verwijderd houden; hij ziet zich binnen weinige dagen van zijn

verzameling beroofd; een jager hangt zijn geweer aan een leemen muur;

hij bemerkt tot zijn verdriet, dat de vernielzieke insecten in korten

tijd in kolf en loop loopgraven hebben aangelegd; in den kolf zelf zijn

ze reeds tot diepe groeven geworden. Elke boom, dien de termieten tot

doelwit kozen, is onherroepelijk verloren; de daken der woningen zijn

aan vernietiging prijsgegeven, zoodra de termieten zich daarin hebben

genesteld. Van den grond tot de hoogste takken bouwen zij hare gangen;

stam, twijgen, alles wordt doorboord, zoodat de eerste de beste storm

den boom velt en het losse als een bijenraat er uitziende houtweefsel

als kaf in den wind verstrooit; langs de leemen wanden of het paalwerk

der hutten klimt de termiet omhoog, doorboort het houtwerk en alras

valt het geheele gebouw ineen; onder den vastgestampten of geplaveiden

vloer der meer aanzienlijke woningen graaft zij duizendvoudig vertakte

gangen en kruipt nu en dan bij millioentallen hieruit te voorschijn om

van stonden aan boven den grond het werk der vernieling aan te vangen.

Op deze en nog veel andere wijzen wordt de termiet tot een der

vreeselijkste plagen van Centraal-Afrika, inzonderheid van de steppe.

Ware deze niet de schouwplaats ook nog van andere tooneelen, ware zij

niet een der rijkste gebieden, een der dichtst bevolkte en meest

bezochte woonplaatsen van Afrika’s dierenwereld, de natuurkundige zou

haar even graag mijden als de handelsreiziger, welke laatste slechts

hare afstootende, niet hare aantrekkelijke zijde leert kennen.

Wie langer in haar verwijlt en haar werkelijk doorzoekt, wordt met de

steppe verzoend. Zij is rijk en vol leven, oneindig rijk, en niet arm

gelijk de woestijn; men kan haar veeleer vergelijken bij een oerwoud,

daar ook in haar eene veelsoortige en talrijke dierenwereld huist, ja

zij bij voorkeur die dieren herbergt, welke wij als meer in ’t

bijzonder aan Afrika eigen plegen te beschouwen. Wij willen enkelen

vluchtig de revue laten passeeren.

Tot de merkwaardigste steppendieren behooren ongetwijfeld de visschen,

welke zich in de periodiek uitdrogende rivier- en meerbekkens ophouden.

Reeds Aristoteles verhaalt van visschen, die zich, als het water is

verdampt, in het slijk begraven; Seneca drijft hiermede evenwel den

spot en vraagt of men nu voortaan maar niet met houweel en spade op de

vischvangst zal gaan, in plaats van met het net. Aristoteles echter

vermeldt feiten, die boven elke spotternij verheven zijn.

De in de steppenwateren van Centraal-Afrika levende salamandervisch is

een aalvormig dier, ter lengte van ongeveer een meter, met een lange,

in de staartvin overgaande rugvin, twee smalle ver naar voren

ingeplante borstvinnen en twee lange, ver naar achteren staande

buikvinnen; de belangrijkste bijzonderheid, die bij dezen visch valt op

te merken, bestaat daarin, dat hij behalve de gewone kieuwen ook nog

longzakken bezit, die voor de ademhaling zijn ingericht. Dit

merkwaardige dubbelwezen tusschen amphibie en visch houdt zich ook bij

hoogen waterstand meer op in het slijk dan in het vrije water en

verbergt zich gaarne in holen, die hij waarschijnlijk zelf uitgraaft.

Daalt de waterspiegel aanmerkelijk, dan woelt hij zich diep in het

slijk, rolt zich zoo dicht mogelijk samen en vormt nu, door zich

telkens om te draaien, eene van alle kanten gesloten en van binnen met

slijm bekleede, luchtdichte woning, waarin hij den winter roerloos

doorbrengt. Graaft men zulk een omhulsel voorzichtig uit, en pakt men

dit zorgvuldig in, dan kan men den visch verzenden zonder zijn leven in

gevaar te brengen, ook naar willekeur in het leven terugroepen door hem

met zijn woning in lauw water te leggen. Eerst houdt het dier zich eene

poos rustig, evenals ware hij nog slaapdronken; maar reeds na verloop

van een uur is het geheel wakker geworden en eenige dagen later geeft

het blijken van eene ontembare roofzucht. Maanden lang bespeurt men nu

geen verandering in het gedrag van dezen visch, maar is de tijd

genaderd, dat hij in Afrika zijn winterslaap aanvangt, dan maakt hij

zich hiertoe eveneens gereed in het water, waarin hij zich nu bevindt;

hij wordt tenminste onrustig en scheidt opvallend veel slijm af. Geeft

men hem daartoe gelegenheid, dan graaft hij zich werkelijk in, en zoo

hij dit niet kan, dan herstelt hij zich allengs van zijn onrust en

blijft verder vroolijk in het water leven.

Evenals de salamandervisch verduren ook de meervallen den winter der

steppe, en evenals deze beide dieren graven alle daar levende

amphibieën, ja zelfs sommige reptielen, vooral waterschildpadden en

krokodillen, zich in het slijk in, om slapend het eind van den winter

af te wachten, en zoo het ongunstige jaargetijde het hoofd te bieden.

Alle op het land levende reptielen daarentegen zijn gedurende den

gloeienden winter het dartelst en dragen er alzoo niet weinig toe bij

om de dorre steppe te verlevendigen; zij bewonen deze toch in

ontzagwekkende aantallen. Behalve de adders, waarover ik reeds sprak,

treedt nog eene andere vergiftige slang in de steppe op, n.l. de

Aspis-, spuw- of Ureusslang, een der meest gevaarlijke kruipende

dieren.

Deze slang, die nog meer beroemd, liever berucht is dan de hoornadder,

is dezelfde, van welke Mozes zich bediende om zijn goocheltoeren voor

Farao te verrichten, dezelfde, die de hedendaagsche slangenbezweerders

nog gebruiken; dezelfde, wier gouden beeld de oude Egyptische koningen,

als zinnebeeld des alvermogens, als diadeem op het hoofd droegen;

dezelfde, waarvan zij zich als straf en wraakmiddel bedienden voor

misdadigers en vijanden; dezelfde, van welke de oude geschiedschrijvers

ons gruwelijke, maar soms zeer ware geschiedenissen opdisschen. In

tegenstelling met andere slangen is zij over dag zeer lustig, en als

zij niet getergd wordt zeer onschuldig; bewegelijk, toornig en moedig,

vereenigt de aspis alle eigenschappen in zich, die eene giftslang

gevaarlijk maken. Haar kleur, die van zand en verwelkt gras, maakt haar

onzichtbaar en zoo schuifelt zij dikwijls akelig schielijk door het

graswoud; zich bewust van haar vreeselijk wapen, stelt zij zich in

aanvallende houding, zoodra zij zich bedreigd waant. Het voorste vijfde

of zesde deel des lichaams richt zich op, de halsribben worden

uitgebreid en zoo wordt er een schild gevormd, boven hetwelk de kleine

kop met de levendige, bijna fonkelende oogen te voorschijn treedt; zij

richt de laatste strak op haar vijand en maakt zich gereed tot den

bliksemsnel uitgevoerden en bijna altijd doodelijken beet;—het is een

schoon, maar ijzingwekkend schoon tafereel, dat mensch en dier met

bewondering, maar tevens met ontzetting vervult.

Men beweert algemeen, dat zij ook dan nog gevaarlijk kan worden,

wanneer zij niet bijt, maar enkel haar vergif op den aanvaller

uitspuwt, en inderdaad haar sterk ontwikkelde giftklieren scheiden het

helsche sap in zulk eene ontzettende hoeveelheid af, dat het in groote

druppels aan het eind van het kanaal harer doorboorde gifthaken te

voorschijn treedt. Geen wonder, dat inboorlingen en westerlingen haar

veel meer schuwen en vreezen dan de trage hoornadder, die ons des

nachts in ons leger opzoekt; verklaarbaar, dat de steppenbewoners

onnadenkend op iedere, zelfs de onschuldigste slang het geweer afvuren,

die hun onder de oogen komt; begrijpelijk, dat eindelijk elk geritsel

in het gras of in het loof een plotselingen schrik, althans

vermeerderde oplettendheid, opwekt. Zulk een geritsel hoort men echter

elk oogenblik in de steppe, daar andere slangen, van de

hiëroglyphen-slang af, een zes meter lange reuzenslang, tot kleine

onschuldige ringslangetjes toe, er niet minder talrijk zijn dan de

aspis, terwijl nog bovendien een talloos heer van hagedissen van

allerlei soort overal te vinden is. Wie de slangen vreest, kan door de

hagedissen met de klasse der reptielen verzoend worden; want

aantrekkelijker verschijningen dan deze vlugge en schitterend gekleurde

schepsels weet de steppe niet aan te wijzen. Over den grond snellen zij

daarheen, tegen de takken van struiken en boomen klauteren zij omhoog,

van de termietenheuvels zoowel als van de woningen kijken zij omlaag,

en zelfs onder het zand banen zij zich een weg. Sommige soorten

wedijveren in kleurenpracht en glans met de kolibries; anderen streelen

het oog door de vlugheid en sierlijkheid hunner bewegingen; weer

anderen boeien door haar zonderlinge gedaante. Zelfs nadat de zon, in

wier stralen zij zich zoo gaarne koesteren, is ondergegaan en het

meerendeel dezer bewegelijke diertjes de rust heeft gezocht, wordt de

waarnemer nog door hen beziggehouden; want met het begin van den nacht

komen de gekko’s opdagen, die des daags stil en rustig tegen de

boomstammen en staken zaten gekleefd; zij laten luid en welklinkend hun

geroep hooren, waaraan de naam is ontleend, om, zonder daarbij de

minste vrees voor de menschen aan den dag te leggen, van nu af zich aan

de jacht te wijden. Het volksgeloof stelde de gekko’s oudtijds voor als

zeer vergiftige dieren, en ook nu nog spookt dit vooroordeel in de

hersens van vele onverstandige lieden. Het zijn nachtdieren en als

zoodanig zijn zij anders gevormd dan die, welke over dag bedrijvig

zijn; inzonderheid zijn zij gekenmerkt door de verbreede,

kussenvormige, aan den onderkant met dicht aaneengeschaarde blaadjes

voorziene voetzolen, die als zuignapjes werken en bij het klimmen de

uitstekendste diensten bewijzen. Hierin meende men giftklieren te zien,

hoe ongerijmd deze opvatting ook al dadelijk mocht schijnen. Neen, de

gekko’s zijn zoowel aantrekkelijke als geheel ongevaarlijke wezentjes,

die binnen korten tijd zich de liefde verwerven van iederen onbevangen

waarnemer. Huisdieren in den besten zin des woords, dewijl zij vlijtig

en met goed gevolg de vervolging op zich nemen van allerlei lastig

ongedierte, verlevendigen zij in den nacht elken hoek der uit leem of

stroo gebouwde woning; zij klouteren met nimmer falende zekerheid,

geholpen door hunne bladvormige voetplaatjes, overal zich

vasthechtende, zoowel met den kop naar beneden als met den kop naar

boven, langs horizontale en loodrechte muren; zij schijnen er vermaak

in te vinden elkander te plagen en na te zetten, en verlustigen den

mensch nog bovendien door hunne melodieuze stem. Kortom, zij doen nut

en schenken genot—welk verstandig mensch zou dus niet van hen houden?

Toch—ook de gekko’s zijn en blijven kruipende dieren, en deelen als

zoodanig in den vloek en afkeer van den mensch, en voorzeker! met de

licht zwevende vogels zijn zij niet te vergelijken. En daarom mag men

zeggen, dat eigenlijk de laatstgenoemden alleen den mensch, die in de

steppe toeft, vroolijk tegemoet snellen en hem met de zooeven

beschouwde dieren verzoent.

De vogelenwereld der steppe is even rijk aan soorten als aan

individuen. Waar men zich ook moge bevinden, vogels ontbreken nergens.

Uit het dichtste halmenbosch laat zich het luid geroep van enkele

trapganzen hooren; uit het struikgewas aan de oevers der waterbekkens

het trompetgeluid van parelhoen of frankolijn; uit de boomen klinkt het

gekir en gelach der duiven, het hameren der spechten, de volle loktonen

van den baardvogel, het eenvoudig gezang der wevervogels en van sommige

lijstersoorten; op uitstekende boomtakken of dergelijke voor uitkijk

geschikte voorwerpen, zitten, loerende op eene prooi,

slangen-buizerden, zingsperwers, Duitsche papegaaien, drongo’s en

bijeneters; de secretarisvogel—door de inboorlingen noodlotsvogel

genoemd—loopt in het halmenwoud of zweeft daarboven; in het luchtruim

spelen de zwaluwen en andere vliegenjagers, nog hooger zweven arenden

en gieren. Geen plaatsje is onbewoond, geen plekje onbezet, en wanneer

in Europa de winter zijn intocht houdt, zendt hij nog een aantal onzer

vogels, zooals torenvalken en wouwen, worgers en Duitsche papegaaien,

kwartels en ooievaars en vele anderen naar de steppe, die hun gedurende

het bange en arme jaargetijde een gastvrije schuilplaats verleent.

Karakteristiek voor de steppe zijn weinige daar levende vogels, en haar

stempel is op bijna geen enkele zoo scherp en beteekenisvol afgedrukt,

dat men er een als steppenvogel in den waren zin zou mogen beschouwen,

gelijk zulks bij alle woestijnvogels wel het geval is. Desniettemin

merkt de aandachtige waarnemer op, dat toch ook de steppenvogels tot in

zekere mate het gelaat hunner woonplaats weêrspiegelen. Den secretaris,

een grooten roofvogel van het voorkomen eens kraanvogels, den

slangensperwer, een in een rijk, mollig, grootvederig gewaad gehulden,

langzaam en traag vliegenden havik, een stroogelen geitenmelker,

alsmede een wiens vleugels in pronkveêren zijn veranderd, een parel- of

frankolijnhoen, een trap, of eindelijk den struisvogel is het wel aan

te zien, dat zij in de steppe thuis behooren, en daarin hun waar

verblijf vinden. De steppe is, wel is waar, geenszins kleurenrijker dan

de woestijn, maar geeft toch oneindig meer bedekking en kan dus ook

vrijer teekenen. Nochtans bevindt men, dat ook hier voornamelijk twee

kleuren domineeren, een lichter of donkerder stroogeel en een moeilijk

te omschrijven staalgrijs, welke beide kleuren zoowel de veêren van de

roofvogels als die der hoenders versieren, zonder dat daarom alle

andere, donkere, of meer levendige en zelfs heldere kleuren

buitengesloten zijn. De meerdere vrijheid in kleur en teekening valt m.

i. opmerkelijk genoeg ook bij zulke vogels in ’t oog, wier geslacht of

familieleden uitsluitend in de steppe thuis behooren.

Wil men, met het doel daardoor het gebied zelf te kenschetsen, enkele

steppenvogels meer uitvoerig beschrijven, dan wordt de keuze moeilijk,

omdat bijna iedere vogel eene meer bijzondere vermelding waard is. De

mij toegestane ruimte legt mij beperking op, weshalve het voldoende

zij, wanneer ik als voorbeelden neem een bewoner der hoogere

luchtlagen, een grondbewoner en een nachtvogel; deze zullen den lezer

in staat stellen het beeld, dat hij zich reeds van de steppe heeft

gevormd, nog iets vollediger te maken.

Wie langen tijd in de steppe heeft verwijld, moet meermalen een grooten

roofvogel hebben opgemerkt, die in zijn vlucht ten zeerste afwijkt van

iederen anderen gewiekten roover, vooral door den prachtig golvenden

buitenrand der lange en spitse vleugels, den ongemeen korten staart en

de alles overtreffende snelheid. Hoog in de lucht vliegt, zweeft,

zwemt, tuimelt, goochelt, danst en buitelt deze vogel, die de grootte

bereikt van een adelaar; nu eens breidt hij zijne vleugels wijd uit, om

ze minuten achtereen roerloos in dezelfde houding te laten, dan weder

slaat hij ze met kracht tegen elkaar, om ze straks te draaien en te

wenden, of ze zoo aan te trekken, dat hij naar de laagte dreigt te

storten; maar hij heeft ze reeds weêr even krachtig gebogen, en weinige

minuten later hebben de hoogste luchtlagen hem wederom opgenomen.

Nadert hij den grond, dan vallen de scherp tegen elkander afstekende

kleuren van den fluweelzwarten kop, van hals, borst en buik, de

zilverwitte onderzijde der vleugels en van den licht kastanjebruinen

staart duidelijk in het oog; buitelt hij, dan ziet men de heldere, met

die van den staart overeenkomende kleur van den rug, alsmede een lichte

streep over de vleugels; nadert hij nog meer, dan blinken ons de

koraalroode snavel en de eveneens gekleurde teugels en pooten tegen.

Vraagt men een trekkenden herder, die gewoon is de dierlijke bevolking

der steppe opmerkzaam gade te slaan, naar dezen zoo merkwaardigen,

meestal eenzaam rondzwervenden roofvogel, dan hoort men uit zijn mond

het volgende zinrijke, beteekenisvolle sprookje:

„De genade des Albarmhartigen verleende aan dezen vogel de rijkste

gaven, bovenal hooge wijsheid. Want hij is een heelmeester onder de

vogelen des hemels, der ziekten kundig, door welke de schepselen van

den Alformeerder gekweld worden, en een kenner van kruiden en wortels,

die genezing brengen. Uit ver afgelegen landen ziet gij hem de wortels

aandragen, maar tevergeefs poogt gij te doorgronden werwaarts hij

geroepen werd om met die kruiden de zieken te genezen. De uitwerking

zijner middelen is onfeilbaar; hun gebruik schenkt het leven, en wie ze

versmaadt is eene prooi des doods. Zij zijn als de hebjab, door de hand

van Gods gezant geschreven, een gebod Mohammeds, wiens naam geprezen

zij. Het is den arme voor ’t aangezicht des Heeren, den zone Adams niet

verboden zich van die geneeskrachtige kruiden te bedienen. Ziet toe

waar de arts-adelaar zijn huis bouwt, neem u in acht zijn eieren aan te

raken, wacht totdat uit de veêren zijner kinderen geen bloed meer

vloeit; ga dan heen en bezoek de woning des adelaars en wond een zijner

kinderen. Dan zult gij zien, dat de vader naar het oosten vliegt,

daarhenen, waar gij uw aangezicht naar toe keert in het gebed. Wacht

zonder morren en geduldig tot hij terugkeert. Hij zal verschijnen met

een wortel in zijn handen; verschrik hem, opdat hij dien u late en maak

er u zonder vrees meester van, want hij komt van den Heer, in wiens

handen het leven is, en geen tooverij rust er op. Ga dan heen en genees

uwe zieken; zij zullen allen genezen, indien het de wil is van den

Albarmhartigen.”

De vogel, die deze dichterlijke bloesems opwekte, is de goochelaar,

gelijk wij, de „hemelaap” gelijk de Abessyniërs hem noemen; het is een

slangenarend; de wortels, die het sprookje hem laat aandragen, zijn de

slangen, die hij vangt. Zeer zelden ziet men hem rusten; gewoonlijk

vliegt hij op de geschilderde wijze rond tot eene door hem gespeurde

slang hem drijft bruisend omlaag te schieten en den strijd met deze aan

te vangen. Evenals alle slangendoodende roofvogels door de dikke

hoornbekleeding zijner pooten en zijn dicht gevederte tegen de

gifttanden genoegzaam beschut, deinst hij zelfs voor de gevaarlijkste

soorten niet terug en wordt zoo tot een weldoener der steppe. Evenwel,

niet zijn werkzaamheid in dit opzicht, maar alleen zijn meesterlijke

vlucht, vestigde zijn roem onder alle volken zijner woonplaats.

De scherpste tegenstelling met den goochelaar vormt de aan den grond

geketende struisvogel. Ook deze is de held geworden van een Arabisch

sprookje, ofschoon niet om hem te verheerlijken, integendeel, om hem

tot in het stof te verlagen. Dat sprookje bericht van den struis, dat

deze eens uit hoogmoed naar de zon wilde vliegen en toen jammerlijk

verbrand werd, zoodat hij in zijn tegenwoordigen toestand naar beneden

viel.

Voor ons biedt het leven van dezen vogel veel wat de aandacht waard is,

en te meer dewijl nog steeds zooveel onjuiste voorstellingen omtrent

den struis worden gekoesterd.

Ofschoon hij niet geheel ontbreekt in de begroeide laagvlakten van de

Afrikaansche en West-Aziatische woestijnen, komt echter de struisvogel

meer bepaald en in grooter getale voor in de aan voedsel rijke steppe.

Bijna elken dag kruist men hier zijn duidelijke, karakteristieke

voetstappen; den vogel zelven aanschouwt men evenwel zelden. Hij is

hoog genoeg om over het graswoud heen te zien; scherp van gezicht en

schuw, onttrekt hij zich dientengevolge aan het oog der menschen.

Gelukt het, hem uit de verte gade te slaan, dan merkt men dat hij,

althans buiten den broedtijd, van een gemakkelijk leven houdt. In den

vroegen morgen en in de schemering weiden de struisvogels bij troepen;

tegen den middag liggen allen rustig op den grond, om zich te wijden

aan het werk der spijsvertering, of zij gaan drinken, of nemen een bad,

soms zelfs in de zee; later op den dag amuseeren zij zich met

vreemdsoortige dansen, springen als zinneloos in een kring rond en

klapwieken daarbij met de vleugelveêren, alsof zij zich in ’t vliegen

wilden oefenen; tegen zonsondergang begeven zij zich ter ruste, zonder

evenwel ook nu nog hunne veiligheid uit het oog te verliezen. Worden

zij door een gevaarlijken vijand bedreigd, dan rennen ze in woeste

vaart weg en laten dezen spoedig verre achter zich; sluipt een zwakker

roofdier hen na, dan vellen zij dit met hun krachtige pooten ter aarde.

Zoo vliedt hun leven bijna wolkenloos daarheen—althans, indien het hun

niet aan voedsel ontbreekt. Voedsel toch hebben zij in groote

hoeveelheid noodig. Men staat versteld over hunne vraatzucht en niet

minder over de verduwingskracht der struisenmaag, die de veelsoortigste

dingen in massa’s opneemt en, òf deze verteert, òf er in elk geval geen

nadeel van ondervindt. Al wat eene plant oplevert, van den wortel tot

de vrucht slokt deze spreekwoordelijk geworden maag in; al wat van

kleinere dieren, zoowel gewervelden als ongewervelden bemachtigd kan

worden, niet minder. Nog is hem dit niet genoeg. De struis verzwelgt

al, wat verzwelgbaar is, steenen van een half kilo zwaarte, in

gevangenschap stukken tichelsteen, werk, lompen, messen, sleutels en

sleutelringen, spijkers, glasscherven en glassplinters, looden kogels,

bellen en vele zaken meer; het is wel gebeurd, dat hij zich te goed

deed aan ongebluschte kalk en daardoor zijn eigen moordenaar werd. Men

vond eens in de maag van een in gevangenschap gestorven struisvogel de

veelsoortigste voorwerpen tot een totaal gewicht van vier en een kwart

kilogram. De vratige vogel eet in den hoenderhof jonge eenden en kippen

op, net of het oesters waren, krabt de kalk van de muren om met die

stukken zijn maag te vullen; in één woord, hij spaart en verschoont

niets, wat maar verzwelgbaar en niet nagel- en muurvast is. In

overeenstemming met de door hem verbruikte hoeveelheid voedsel, die

overigens in geen wanverhouding staat tot zijn lichaamsgrootte en

bewegelijkheid, is ook zijn dorst, en dientengevolge zijn verblijf

gebonden, niet alleen aan plaatsen alwaar voedingsplanten voor hem

aanwezig zijn, maar ook aan wateren of althans bronnen. Drogen deze

uit, dan is de struisvogel genoodzaakt weg te trekken en in zoodanige

gevallen kan hij soms groote afstanden afleggen.

Is het voorjaar gekomen, dan ontwaakt de liefde in het hart van den

struisvogel, en nu ondergaat zijn levenswijze groote veranderingen. De

kudden lossen zich op in kleinere troepen en de volwassen mannetjes

beginnen langdurige gevechten om het bezit der wijfjes. In hoogen graad

opgewekt, wat uitwendig zichtbaar is aan den levendig rood gekleurden

hals en aan de eveneens roode pooten, plaatsen twee mededingers zich

tegenover elkaar, klepperen met de vleugels, zoodat de volle pracht der

uitgerafelde, witte slagpennen zichtbaar wordt; zij bewegen daarbij den

hals op een moeilijk te beschrijven wijze, daar zij dit lichaamsdeel nu

eens naar voren, dan naar de zijden wenden, draaien of buigen; zij

stooten diepe en schorre tonen uit, die nu eens aan het dof gerommel

van den donder, dan weder aan het gebrul van den leeuw doen denken,

kijken elkaar strak aan, laten zich op den voetwortel neêr en bewegen

in deze houding hals en vleugels nog schielijker en aanhoudender dan

straks, springen weder op, rennen nogmaals op elkander los; eindelijk,

terwijl zij elkaar voorbijsnellen, tracht ieder zijn mededinger door

een forschen slag met den poot te kwetsen, om als de aanval gelukte,

met den scherpkantigen nagel van den eenen teen diepe en lange wonden

in lijf en pooten te slaan. De overwinnaar handelt met het in den

strijd verkregen wijfje of met de wijfjes niet veel beter; hij

mishandelt deze gewoonlijk op het erbarmelijkst, zoowel door zijn

tyrannie als door lichamelijke tuchtiging. Of het mannetje één of meer

wijfjes houdt is nog niet uitgemaakt; wel mag men voor waar aannemen,

dat vele wijfjes vaak haar eieren in een en hetzelfde nest leggen, en

men heeft ook opgemerkt, dat niet het wijfje, maar voornamelijk het

mannetje de eieren bebroedt, alsmede de verzorging en opvoeding op zich

neemt van de na 8 weken uitgekomen jongen. Zoowel in ’t een als ’t

ander wordt het daarbij gewis door het wijfje geholpen, maar de

hoofdarbeid valt den man ten deel, en bij de verzorging der jongen legt

deze dan ook de meeste vlijt en angst aan den dag. De

struisvogelkuikens, die bij het uitkomen reeds zoo groot zijn als een

matige kip, verschijnen in een bijzonder gewaad op deze wereld, een

gewaad, dat eer doet denken aan de stijve haren van een zoogdier dan

aan het donskleed van de vogels. Daar zij reeds den eersten levensdag

de vraatzucht, aan hun geslacht eigen, openbaren, groeien zij zeer

snel, wisselen na 2 à 3 maanden van veêren, om nu een gewaad aan te

trekken, dat het meest gelijkt op dat der wijfjes; maar er moeten nog

ten minste drie jaren verloopen alvorens zij volwassen zijn en geschikt

geworden ter voortplanting.

Dit is, zeer beknopt weêrgegeven, het voornaamste uit de

levensgeschiedenis van den reuzenvogel der steppe; alle daarmede in

strijd zijnde verhalen noem ik fabelen.

De nachtvogel eindelijk, over wien ik enkele woorden wensch in ’t

midden te brengen, is de nachtzwaluw of geitenmelker, wiens geslacht

ook bij ons te lande door ééne soort wordt vertegenwoordigd, maar die

juist in de steppe in verschillende en deels zeer verschillend

geteekende soorten optreedt. Met het verschijnen der eerste ster aan

den nachtelijken hemel beginnen deze gemoedelijkste en lieftalligste

aller nachtvogels hun bedrijvig leven. Over dag is het zeer toevallig

als men er een ontdekt, en dan zou men moeilijk gissen, dat deze vogel

in zulk een hooge mate het vermogen bezit om werkelijk leven aan de

steppe bij te zetten; wanneer evenwel de nacht aanbreekt, dan is

zekerlijk althans één hunner in de nabijheid. Evenals de schorpioenen

en adders door het legervuur gelokt, verschijnt ook de vlugge vlieger

in de nabijheid der rustenden, beschrijft een aantal kringen om vuur en

legerplaats, gaat bij tijd en wijle dicht daarbij zitten en draagt dan

eenige strophen voor uit zijne nocturne, welk gezang aan het spinnen

der kat doet denken, verdwijnt in het schemerdonker om ettelijke

minuten later opnieuw zijn opwachting te maken, en zoo gaat het voort

tot de morgen is aangebroken. Vooral ééne soort dezer familie is

aantrekkelijk: de vlaggennachtzwaluw, de „viervleugelvogel” der

steppenbewoners. Zijn tooisel bestaat in een paar tusschen de groote en

kleine slagpennen uitstekende, bijna een halven meter lange, tot dicht

bij de spits naakte, maar hier met eene vlag voorziene veêren, die alle

andere pennen in lengte ver overtreffen. Wanneer deze vogel zijne

kringen in de lucht beschrijft, dan waant men eene spookgestalte te

zien. Het heeft er veel van alsof hij door een tweeden, kleineren vogel

achtervolgd wordt, of alsof hij zich in twee of drie vogels kon

verdeelen, of eindelijk, alsof hij inderdaad vier vleugels bezat. Maar

ook deze nachtzwaluw verloochent de lieftalligheid van zijn geslacht

niet en wordt eene vriendelijke verschijning, evengoed als de andere

leden zijner familie, die menige, anders vrij ongezellige steppennacht

op vertrouwelijke wijze weten te verkorten.

Rijk in soorten en vormen is ook de klasse der zoogdieren, die de

steppen bewonen. Haar plantenrijkdom onderhoudt niet alleen talrijke

kudden antilopen, die meer in ’t bijzonder als karakterdieren der

steppe mogen beschouwd worden, maar tevens bevinden zich hier wilde

buffels, wilde zwijnen, zebra’s, wilde ezels, olifanten,

neushoorndieren, alsmede de serafe, door ons „giraffe” genoemd; verder

een talrijk heer van knaagdieren, die wij nog maar in grove omtrekken

kennen.

Deze talrijke plantenetende bevolking wordt in evenwicht gehouden door

verschillende in de steppe levende roofdieren; laatstgenoemden strekken

der steppe zelf tot voordeel, want zonder dit tegenwicht zouden de

herkauwers en knaagdieren zich zoo schrikbarend vermenigvuldigen, dat

de geheele plantenvoorraad van dit gebied niet toereikend zou blijken

om allen te voeden. De eenvormigheid der Noord-Afrikaansche steppe, en

haar, ofschoon niet overvloedige, toch betrekkelijk vrij groote rijkdom

aan staande en stroomende wateren is oorzaak, dat men er niet zulke

scholen antilopen ziet als in de karroe van Zuid-Afrika; in vergoeding

hiervoor ontmoet men den slanken herkauwer met zijn fraaie oogen

overal, òf alleen, òf in kleine troepjes, òf in grootere kudden; men

ziet ze des winters nagenoeg op dezelfde plaatsen als in den zomer.

Wilde paarden en wilde ezels daarentegen houden zich slechts op de kale

hoogten op; de serafe bewoont uitsluitend de ijle, de neushoorn wederom

bijna alleen de dichtste wouden; de olifant vermijdt enkele

uitgestrekte gebieden gansch en al, terwijl de kwaadaardige buffels aan

de moerassige laagvlakten schijnen gebonden te zijn. De leeuw is niet

minder een metgezel der laatstgenoemde dieren als van de tamme leden

dier familie, terwijl daarentegen de listige panter en de vlugge en

onvermoeide jachttijger meer het spoor der kleinere antilopen volgen;

jakhalzen en steppenwolven jagen voornamelijk op hazen, de vossen,

civetten en stinkdieren het liefst op kleine knaagdieren en zulke

vogels, die op den grond verblijf houden.

Wanneer ik er toe overga uit den rijken voorraad der zoogdieren, die de

steppe bewonen, enkele uit te kiezen, om deze eenigszins nader te

bespreken, dan moet ik aan de verleiding weêrstand bieden, die mij zou

kunnen verlokken den leeuw of den jachttijger, den hyena of den

honigdas, den zebra of het wilde paard, den serafe of den buffel, den

olifant of het neushoorndier daarvoor te nemen, omdat er andere dieren

zijn, die mij, als meer karakteristiek voor het steppengebied,

belangrijker voorkomen. Tot dezen reken ik in de eerste plaats het

aard- en het schubdier—de plaatsvervangers in de oude wereld van de in

Amerika talrijker vertegenwoordigde orde der Tandeloozen, zoogdieren,

wier eigenlijke bloeitijd reeds vele eeuwen achter ons ligt. Beide

dieren zijn, althans in Noord-Afrika, aan de steppe gebonden; want

slechts daar vinden zij overvloed van termieten en hun gewone voedsel.

Evenals alle miereneters brengen zij den dag als een bal ineengerold,

slapende door en wel in holen, die zij zelf graven en wier uitmondingen

men zoowel midden op de groote boomlooze grasvlakten als elders

tusschen de spaarzaam daar voorkomende boomen en struiken aantreft.

Eerst nadat de nacht zijn heerschappij begint uit te oefenen, worden

deze dieren levendig; met loggen tred, hompelend en springend,

hoofdzakelijk met behulp van de krachtige achterste ledematen vooruit

komende, terwijl zij steunen op de kolossale graafnagels der voorste

ledematen en den zwaren staart, gaan zij nu op voedsel uit. Dit laatste

bestaat uitsluitend uit allerlei klein gedierte, voornamelijk uit

mierenpoppen, termietenlarven en wormen. Met den neus op den grond, dit

lichaamsdeel voortdurend heen en weêr bewegende, steeds snuffelende,

draven zij voort; een toevallig ontdekte mieren- of termietengang leidt

hen naar het hoofdgebouw, waarin zij zonder moeite een gat voor den

langen snuit graven, dien zij daarin steken, om met behulp hunner tong

de hierin uitmondende kanalen der insekten op te sporen; zij steken de

lange, kleverige, wormvormige tong zoo diep mogelijk in een der

hoofdgangen, tot genoemd lichaamsdeel vol termieten of mieren hangt en

brengen het daarmede beladen in den nauwen bek terug, om zich aan de

gevangen insekten te vergasten. Deze manier van eten maakt een

jammerlijken indruk, en toch is die tong hier een uitnemend werktuig,

evenals ook de groote graafnagels zulks zijn; beide organen stellen hen

in staat zich een weg door het leven te banen. Oogenschijnlijk zeer

hulpbehoevend, zijn zij dit in werkelijkheid toch niet. Het zwakke

schubdier wordt door zijn harnas voldoende beschermd; zelfs een

sabelhouw stuit daarop af. Minder goed verdragen de pooten zulke

beleedigingen. Het aardvarken bezit daarentegen een uitstekend

weêrmiddel in zijn nagels en bovendien kan het met zijn staart zulke

harde slagen uitdeelen, dat een niet al te overmachtig vijand voor hem

het veld ruimt. Komt er evenwel eene tegenpartij op hem af, wiens

kracht hij te duchten heeft, en bemerkt hij zulks in tijds, dan graaft

hij zich ijlings een hol; hij werpt al gravende zand en stof in zulk

een groote hoeveelheid en met zooveel kracht achter zich op, dat hij

geheel onzichtbaar wordt en in de veilige diepte is aangeland, alvorens

de gevaarlijke vijand tot den aanval gereed was. Slechts tegenover den

mensch en diens alvermogende wapenen is hij niet opgewassen; terwijl

hij slaapt, boort men hem een lange lans door ’t lijf en zoo wordt hij

onfeilbaar in zijn eigen hol gedood, indien slechts het

uitmondingskanaal recht en niet al te lang is. Ook dit voorwereldlijke:

dier is bestemd vroeger of later uit de rij der levenden gedelgd te

worden.

Onder de roofdieren der steppe heeft een daarin thuis behoorende hond

steeds de grootste aandacht getrokken. Een verbindingslid vormende

tusschen hyena en hond, in zooverre de gedaante en ook tot op zekere

hoogte de teekening betreft, is dit dier, de hyenahond, ook uiterlijk

eene zeer belangrijke verschijning, en wat zijn doen en wezen betreft,

het meest aantrekkelijke aller roofdieren, die de steppe herbergt.

Afgezien van enkele apen, ken ik geen zoogdier, dat zooveel

zelfvertrouwen bezit, of althans schijnt te bezitten, dat zoo

overmoedig is of schijnt, zoo stoutmoedig als deze hond. Voor geen doel

schrikt hij terug, voor zijn aanvallen is geen ander zoogdier ten volle

veilig. In talrijke koppels vereenigd, trekt hij, op buit belust, door

de steppe. Vernielend valt hij in de schaapskudden der kolonisten en

trekherders; vast kleeft hij aan de verzenen der snelvoetigste

antilopen; onbeschaamd dringt hij op de menschen in; onbevreesd

verdrijft hij, wellicht grootendeels door zijn onstuimig gedrag, zelfs

de roofdieren uit het gebied waar hij buit zoekt. Blaffend, jankend,

kermend, achtervolgt een troep dezer honden de sterkste en krachtigste

antilope, terwijl nu en dan dat geluid wordt afgewisseld door heldere,

bijna vroolijke tonen. De antilope vlucht, zoo snel haar krachten dit

toelaten; de op moord beluste honden vervolgen evenwel haar spoor,

snijden alle bochten, alle zijwegen af, die de vervolgde tracht in te

slaan, naderen haar steeds meer en meer en nopen haar eindelijk zich in

tegenweer te stellen. Zich bewust van haar kracht en weêrvermogen maakt

de antilope een uitnemend gebruik van haar spits gewei; menige hond

stort doodelijk getroffen ter aarde, maar wie overblijven hangen haar

aan hals en lijf en doen een luid gehuil hooren, wanneer het dier

rochelend den adem uitblaast. Zonder zich aan den mensch te storen

overvallen deze honden alle mogelijke huisdieren, verscheuren de

kleineren met de bloedgierigheid eens marters, en verminken de

grooteren, die zij niet kunnen bemachtigen; op hen afgezonden

huishonden wachten zij onbevreesd af, wagen er den strijd mede op leven

en dood en werpen hen ten slotte ontzield ter aarde. Getemd, den mensch

geheel onderworpen, eenige generaties na elkander afgericht en

opgevoed, zouden zij de uitnemendste speurhonden kunnen worden, die er

bestaan, maar heel gemakkelijk zullen zij zich wel niet onder het juk

laten brengen. Zij gewennen zich aan hun verzorger, leggen zekere

genegenheid, soms zelfs wel liefde voor hem aan den dag, maar op hunne

eigenaardige wijze. Worden zij geroepen, dan staan zij van hun leger

op, springen vroolijk op en neêr, vechten lustig tegen elkander,

stormen op hun meester los, springen bij hem op, trachten hunne

uitbundige vreugde door de meest uitgelaten hondengebaren uit te

drukken en weten eindelijk zich niet anders te uiten dan door hun

beminden meester te bijten. Onstuimigheid en een onbedwingbare bijtlust

zijn de in ’t oog loopende karaktertrekken dezer honden. Prikkelbaar

zonder voorbeeld, bewegen zij elk lid, trekken met elken spiervezel,

zoodra een of ander voorval hun opmerkzaamheid trekt; de licht

ontvlambare levendigheid van geest, die hun eigen is, neemt het

karakter aan van overdreven dartelheid en ontaardt een oogenblik later

in woestheid en roofzucht. Dan bijten zij in alles, wat hun in den weg

komt, zonder oorzaak, maar enkel uit lust tot bijten, denkelijk ook

zonder kwaadaardigheid. Deze honden zijn werkelijk de vreemdsoortigste

schepselen, die de steppe herbergt.

In die deelen der steppe, welke ik in ’t bijzonder op ’t oog heb, n.l.

Kordofan, Sennaar en Taka, is het leven der genoemde en nog andere

steppendieren, afgezien van den invloed der beide jaargetijden, bij

lange na niet aan zulke stoornissen onderhevig als in het zuiden van

Afrika of in de Middel-Aziatische steppen. Voor zulke soorten, die niet

trekken, of die maandenlang in een toestand van schijndood verkeeren,

breekt met den winter ook wel een tijd van ontbering aan, soms wel van

groot gebrek, maar hongersnood of watersnood kennen zij niet.

Dientengevolge ontstaat er ook geen behoefte, om door vertwijfeling

gedreven, het armoedige geboorteland te verlaten en heil te zoeken in

eene overhaaste vlucht naar gelukkiger oorden. Ook de dieren der

Noord-Afrikaansche steppe trekken en reizen; maar zij vluchten niet

ongeregeld gelijk die soorten, welke andere steppen bewonen en die hun

gebied bij honderdduizendtallen verlaten, wanneer er gevaar dreigt. Van

zulke enorme kudden antilopen, zooals men in het zuiden van Afrika

ziet, weet men hier niet te verhalen. Een en ander werd reeds door mij

opgemerkt. Alle gezellig levende vogels scharen zich bij het naderen

van den winter bijeen, en verdeelen zich weder in troepjes, wanneer de

lente haar intocht viert; alle trekvogels gaan en komen ongeveer

terzelfder tijd; zulks geschiedt evenwel regelmatig en altijd op

dezelfde wijze, niet ongeregeld en zonder bepaald doel.

Eéne mogendheid evenwel blijft er nog over, die ook hier het leven der

dieren in gevaar brengt; het is de macht van het vuur.

Telken jare, wanneer de donkere wolken in het zuiden en de hieruit

schietende bliksemstralen de komst der lente aankondigen, en op die

dagen, wanneer de zuidenwind over de steppe giert, werpt de trekherder

in die streken waar hij huist, den brand in het grasbosch. Snel en

ongestuit grijpen de vlammen om zich heen. Over geheele velden breiden

zij zich uit; rook en walm vormen de voorhoede. Een donkerroode wolk

verkondigt des nachts haar vernielende en toch zegenrijke werking. Niet

zelden bereikt de brand het oerwoud; de vlammen lekken aan de verdorde

slingerplanten van den bodem tot aan de toppen der boomen; zij

verschroeien de enkele nog overgebleven bladeren en verkolen den

buitenbast der stammen. Soms, ofschoon minder dikwijls, omslingeren de

vlammen geheele dorpen en werpen haar brandende fakkels in de

stroohutten, die in één oogwenk der vernieling zijn prijs gegeven.

Alhoewel een steppenbrand, in weerwil van de menigte en gemakkelijk

ontvlambare brandstof, nimmer verderfelijk kan worden voor een man te

paard evenmin voor snelloopende zoogdieren, terwijl hij zelfs met goed

gevolg bestreden kan worden en zulks door het vuur zelf, toch geraakt

de geheele dierenwereld door zulk eene gebeurtenis in groote

opgewondenheid. Al wat ademt in het graswoud verlaat zijn schuilplaats

en slaat op de vlucht. Die vlucht wordt een wilde vlucht, daar de

schrik tot nog meer spoed aanzet dan de vlammen zelf. Antilopen, wilde

paarden, struisvogels vliegen sneller dan de stormwind over de vlakte;

jachttijger en luipaard volgen, en mengen zich in de kudden der eersten

zonder er aan te denken eenig dier aan te vallen; de hyenahond vergeet

zijn moordlust; de leeuw wordt door gelijken schrik bevangen als alle

andere zoogdieren; slechts de holbewoners verbergen zich in hun veilig

verblijf en laten de vuurzee boven hun hoofd woeden, zonder er eenig

letsel van te ondervinden. Alle kruipende en aan den grond gekluisterde

dieren daarentegen hebben het zwaar te verantwoorden. Weinige slangen,

zelfs de vlugge hagedissen niet, kunnen aan het vuur ontkomen;

schorpioenen, tarantula’s en duizendpooten worden er zeker door

bereikt, of zij vallen ten buit aan vijanden, die door den brand

herwaarts werden gelokt en de vlammen weten te trotseeren.

Zoodra er in de steppe een rookwolk ten hemel stijgt, die zich meer en

meer uitbreidt, snellen van alle kanten kruipende roofdieren en

roofinsekten, vooral echter slangenarenden, zangsperwers, wouwen,

torenvalken, ooievaars, bijeneters en zwaluwen aan, om jacht te maken

op de hagedissen, slangen, schorpioenen, spinnen, kevers en

sprinkhanen, die door het vuur werden opgeschrikt en voor hetzelve

vluchten. Onbevreesd loopen de secretarisvogels en ooievaars dwars voor

de vuurlijn; snelwiekige valken, bijeneters en zwaluwen zweven boven de

vlammen en door de rookwolken; een rijke buit valt allen ten deel. De

jacht duurt zoolang als de brand woedt en de brand vindt voedsel

zoolang de storm hem verder draagt; eerst met het sterven van den wind

dooven ook de vlammen uit.

Zoo zuivert de trekherder zijn weiland van onkruid en ongedierte; op

deze wijze maakt hij het gereed voor een nieuwen plantengroei. Een

vruchtbare asch blijft op den bodem achter; de levenwekkende regen

vermengt die asch met de teelaarde, en een nieuw, jeugdig en krachtig

groen ontspruit na het eerste onweder. Dan keeren ook alle gevluchte

dieren weder terug naar de oude woonplaats, om, na den last en de

kwellingen van den nu geëindigden winter en den schrik der jongste

dagen, weder volop te genieten van de weelde en de genoegens des

levens.

Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping · 第 14 / 88 题