WOUD, WILD EN JACHT IN SIBERIË.

De eentonige indruk, dien wij van Siberië ontvangen, spruit vooral

daaruit voort, dat drie zeer van elkander verschillende, maar zich zelf

min of meer gelijkblijvende breedte-gordels bijna overal het landschap

beheerschen. Elk dezer gordels bewaart steeds zijn eigen karakter, en

brengt dezelfde beelden zoo herhaaldelijk voor oogen, dat we er

eindelijk moede van worden niet alleen, maar dat allengs de vatbaarheid

voor indrukken in dien graad wordt verstompt, dat men ten laatste bijna

ongevoelig wordt voor de werkelijke bekoorlijkheden van het landschap.

Daarom spreekt men zoo zelden met waardeering, nog minder vaak met

warmte voor dat uitgestrekte gebied, ofschoon het beide ten volle waard

is; dientengevolge heeft zich allengs eene opvatting van Siberië van

ons meester gemaakt, die even weinig met de werkelijkheid overeenkomt,

als zij zich hardnekkig verzet tegen elke andere, op de feiten der

ervaring steunende zienswijze.

Siberië is, zegt men, eene ijzingwekkende ijswoestijn, zonder eenig

leven, zonder eenige afwisseling, zonder eenige bekoorlijkheid, een

land, verstijfd onder den vloek des hemels en dien van ongelukkige

bannelingen. Men verliest daarbij uit het oog, dat wij hier te doen

hebben met een derde deel van geheel Azië, met een land, dat bijna

tweemaal zoo groot is als geheel Europa, dat zich uitstrekt van den

Oeral tot de Stille Zuidzee en van de IJszee tot aan den breedtegraad

van Palermo, en dat zulk een groot land onmogelijk in algemeenen zin

gelijkvormig, in al zijn deelen gelijk kan zijn. Men vat gemeenlijk

slechts een enkel deel in het oog en bekijkt ook dit nog in een valsch

licht.

In werkelijkheid biedt Siberië meer afwisseling aan dan iemand zou

denken, en is het daaraan rijker dan zijn beschrijvers het

afschilderen. Ook de Siberische laagvlakte omvat gebergten, of wordt

door bergen omgrensd, ook in Siberië schenken stilstaande en stroomende

wateren leven, ook in Siberië giet de zon haar tooverlicht over bergen

en dalen, ook in Siberië vindt men hoog geboomte en prachtige bloemen,

die het landschap tooien, en ook in Siberië leven gelukkige menschen,

die hun geboorteland liefhebben en er trotsch op zijn.

Aan den anderen kant zijn er ontegenzeggelijk ook nu nog wildernissen

in Siberië, die voor de zoo even genoemde ongunstige opvatting pleiten,

ijswoestijnen, zooals de toendra’s, en de onherbergzame wouden tusschen

de toendra en de steppe, welke wouden den derden gordel uitmaken.

Hierin waagde zich tot nog toe geen mensch, tenzij slechts voor korten

tijd.

Het doen en laten der grensbewoners ging buiten deze wouden om; hoogere

machten regeeren onbeperkt daarbinnen, om te vernietigen, wat zij

hebben opgebouwd. Het vuur des hemels zet hun geboomte in brand, de

loeiende winterstorm rukt het ter aarde. Die wouden werden door geen

menschenhand geplant, geen bijlslag werd er in gehoord; oerwouden zijn

het in de volle beteekenis des woords. Geheimzinnig trekken zij ons

aan, onvriendelijk stooten zij ons af; zij lokken den jager tot een

bezoek, maar stremmen zijn voet: eene rijke winst belooven zij den

begeerlijken koopman, maar met een wissel op de toekomst schepen zij

hem af.

Tusschen de steppe en de toendra ligt deze woudgordel van Siberië.

Hier en ginds grijpt hij daarin, hier en daar buigen steppe of toendra

binnen dien gordel. Op sommige plaatsen der beide boomlooze gebieden

kan wel is waar een dicht bosch den grond betwisten aan eene

plantenwereld, die bijzonder het eigendom is van steppe of toendra,

maar zulke afzonderlijke boschpartijen zijn als eilanden in den Oceaan,

die geen recht van bestaan schijnen te hebben. In de steppe blijven zij

bepaald tot de naar het noorden afvallende berghellingen en tot de

rivierdalen; in de toendra tot de diepste gedeelten, en alzoo doen zij

zich zoowel hier als ginds als onbeteekenend voor tegenover de

eindelooze bosschen van den woudgordel zelf, waarin slechts enkele

malen een stroom, een meer, een poel de overigens onafgebroken

woudwildernis eenige afwisseling schenkt, waarin slechts hier en daar

een brand opene plekken schept, en de mensch, alhoewel slechts aan den

uitersten zoom, eene kleine bres maakt. Geheele koninkrijken zouden

plaats kunnen vinden in een enkel dezer wouden. Hoe zij er van binnen

uitzien, niemand weet zulks; want zelfs de uit deze bosschen

voortkomende en naar den hoofdstroom zich spoedende zijrivieren zijn

niet bevaarbaar en de koenste pelsjager leerde hier weinig meer kennen

dan een grensgordel van ten hoogste honderd kilometer breedte.

De indruk, dien de Siberische bosschen op den Duitschen reiziger

teweegbrengen is verre van gunstig. Een blik op die eeuwige, met

bosschen bedekte streken ontstelt, maar verwarmt niet, althans slechts

zeer zelden. De scheppende, voortbrengende, voltooiende macht van het

noorden schijnt niet in staat te zijn het hoofd te bieden aan de

vernielende elementen. De grijsheid is hier gehuwd aan de vroege jeugd,

zonder dat deze vereeniging een verkwikkelijken invloed uitoefent; een

rijkdom zonder maat vertoont zich hier in ’t gewaad eens bedelaars; het

afgestorven leven zonder krachtige kiemkracht dringt elke vroolijke

gewaarwording terug. Overal neemt men een harden levensstrijd waar,

maar nergens wordt men werkelijk aangetrokken, nergens werkt het bosch

als een aangenaam tehuis, en het inwendige beantwoordt nergens aan de

verwachtingen, die het uitwendige opwekte. De majesteit der oerwouden

in zuidelijker gelegen landen ontbreekt in deze aan zich zelf

overgelaten, onverzorgde bosschen geheel en al, en het hierin opgewekte

leven schijnt reeds van den aanvang af in de boeien des doods gekneld

te zijn.

Werkelijk hoogwoud, levenslustig, aan een regelmatige wisseling

onderworpen geboomte is zeldzaam; verbrande bosschen zijn menigvuldig.

Vroeger of later steekt de bliksem of de strafbare lichtzinnigheid van

den Siberiër het woud in brand. Begunstigd door jaargetijde en weder

kan zulk een brand schrikbarende verhoudingen aannemen. Niet uren of

dagen, maar weken lang woedt hij ongestoord voort. Op den met mos

begroeiden, veenachtigen grond kruipt en kronkelt de vlam steeds

verder; het dorre hout, dat bij massa’s den bodem bedekt, schenkt haar

telkens nieuw voedsel; doode, tot op den grond neêrhangende takken van

nog staande, maar in den top reeds verdorde stammen leiden haar naar de

kronen van nog frissche boomen. Suizend en knetterend vatten de met

hars gedrenkte naalden vlam, en een reusachtige fontein van vuur en

vonken stijgt ten hemel.

De hoogste boomen zijn binnen weinige minuten gedood en der

vernietiging prijsgegeven; uit de vuurfontein vallen millioenen vonken

ter aarde en overal in ’t rond stijgen nieuwe vlammen uit de nieuwe

brandstof opwaarts.

En op deze wijze met elke secunde nieuwen bodem erlangende, zich naar

alle kanten uitbreidende, loopt het verderf steeds verder en verder; en

na verloop van enkele uren staan geheele kwadraatmijlen van het woud in

brand. Walmende rookwolken verduisteren het licht der zon honderden

wersten ver; langzaam, maar steeds in dichter en dikker lagen

neerstortende asch geven over dag, de vurige weêrschijn aan den hemel

des nachts aan de verst afwonenden kondschap van het onheil; door

doodsangst aangegrepen dieren brengen het bericht in steden en dorpen.

Beren verschijnen onmiddellijk na groote boschbranden in streken, waar

men ze in jaren niet zag; de wolven trekken, evenals in den winter, bij

groote troepen door het veld; elanden, herten, reeën en rendieren

zoeken in ver afgelegen wouden een nieuwe schuilplaats op; de eekhorens

trekken soms in ontelbare menigte door de bosschen en boomlooze

streken, over weilanden en akkers, door dorpen en steden. Hoeveel

dieren echter het vuur ten offer vielen, laat zich zelfs niet gissen;

wel heeft de ondervinding geleerd, dat bosschen, waarin een brand had

gewoed, jarenlang onbevolkt bleven en dat kostbare jachtdieren uit

zulke streken geheel en al verdwenen waren. De verwoestingen strekken

zich zeker nog veel verder uit, dan wij vermoeden; in het jaar 1870

werd door een brand, die veertien dagen duurde, een half millioen

hektaren boschgrond in het gouvernement Tobolsk vernield; rookwolken en

asch verspreidden zich daarbij tot op een afstand van 1600 werst.

Jarenlang na den brand is zulk een plaats niets dan een puinhoop, ja

een of twee menschenleeftijden later zijn de sporen nog niet geheel

uitgewischt. De vlammen doodden wel de boomen, maar verteerden slechts

die, welke op het oogenblik van den brand reeds verdord waren; de

oppervlakkig geschroeide stammen der andere bleven echter staan, ja

zelfs de kruinen boetten alleen hun naalden, twijgen en verdorde takken

in. Met het afsterven der boomen begint echter hunne vernietiging.

Vroeger of later worden zij onherroepelijk door den storm geveld. De

een na den ander wordt ter aarde geworpen, de een na den ander van zijn

takken beroofd, ontkruind en ter hoogte van twee derden of drie

vierden, van den grond afgerekend, geknakt. Door en over elkander

liggen eindelijk duizenden boomlijken in massa’s op een grond, die

reeds met talrijke fragmenten was bedekt. Sommige rusten op de wortels

of de kruin vertakkingen, andere leunen tegen nog staande stammen;

weder andere liggen verbrijzeld tusschen de takken en twijgen van

omlaag gestorte kruinen, met gescheiden en ver uiteenliggende kronen en

stammen, terwijl de takken naar alle windstreken verspreid en verwaaid

werden. En die boomen, welke bij den storm gespaard bleven, verwekken

in de ziel van elken minnaar der bosschen nog droefgeestiger

gewaarwordingen dan de reeds gevoelde. Als naakte, kale masten stijgen

zij omhoog. Weinige behouden nog eenige jaren na den brand hunne kronen

of gedeelten daarvan; de van hun takjes beroofde bovenste kruintakken

vermeerderen den treurigen indruk nog meer, dan dat zij dien

verminderen. Allengs vallen ook de laatste kronen op den grond en nu

vermolmen ook de nog staande stammen steeds meer en meer. Spechten

bewerken ze aan alle kanten, hameren er nestholten in, en zoo verkrijgt

het vocht gelegenheid naar binnen te dringen, zoodat het

verrottingsproces een sneller verloop verkrijgt. In den loop der jaren

vermolmt ook de reusachtige stam zoo volledig, dat hij in stof verkeert

en alle weêrstandsvermogen verliest; als een vormlooze massa valt hij

ter aarde, wanneer hij slechts even wordt aangeraakt. Eindelijk

verdwijnt ook dat laatste spoor en eene uitgestrekte, hier en daar door

enkele overblijfsels van boomen afgebroken vlakte spreidt zich uit voor

’s menschen blik.

Maar een nieuw leven is intusschen uit deze puinhoopen ontkiemd. Reeds

weinige jaren na den brand begint de zwarte, door asch en molm bemeste

grond weêr met planten bedekt te worden. Korstmossen en mossen, varens

en heideplanten, inzonderheid verschillende bessoorten spreiden een

kleed van groen, en de overblijfsels der gevallen boomen gedijen hier

weelderiger dan elders, om even spoedig weder verschillende dieren tot

zich te lokken als de brand ze verdreef. Het zaad van berken, door den

wind aangevoerd, kiemt en ontspruit, en allengs is er zulk een dicht,

in ’t eerst hoofdzakelijk uit de laatst genoemde plantensoort gevormd

struikgewas ontstaan, dat het den schijn heeft, alsof dit opzettelijk

door ’s menschen hand was aangeplant. Na eenige jaren heeft de nieuwe

opslag de oude lijken aan ’t gezicht onttrokken; nog eenigen tijd later

en andere woudboomen nemen de plaats in hunner voorvaderen. Elke

boschbrand spaart enkele gedeelten van het woud, soms zelfs blijven

eenige boomen te midden van verbrande plekken ongeschonden staan; en

zoo zijn de voorwaarden vervuld voor eene bezaaiing der verwoeste

streken. Het water en diepe kloven stellen soms perk en paal aan ’t

vernielend element; het kan ook gebeuren, dat de vlammen het geboomte

aan de achterzijde der kloof bereiken en in brand steken, terwijl al

wat in de kloof groeit, gespaard blijft. Alleen staande lariksen,

ofschoon even geblakerd, ontkomen dikwijls aan de vernieling. Wel

lekken de vlammen aan den voet des stams, wel verkolen zij alle

naalden, maar de kroon bot weer uit en de boom blijft, hoezeer

kwijnend, nog geruimen tijd in het leven.

Tegenover de verwoestingen, die het vuur aanricht, zijn die welke de

mensch veroorzaakt van geringe beteekenis, alhoewel zij, op zichzelf

beschouwd, niet zoo geheel onbeduidend mogen genoemd worden. Van

boschbouw heeft de Siberiër geen begrip. Voor hem is het woud het

eigendom van den „lieven God,” en wat deze bezit, behoort ook aan den

boer. Waar zooveel rijkdom heerscht, denkt hij natuurlijk niet aan

spaarzaamheid, en hij vraagt slechts naar het oogenblikkelijk voordeel.

Elke Siberiër velt zooveel en wat hem goeddunkt, en vernielt daarbij

nog veel meer dan wat hij noodig heeft. Om eenige palen te bekomen,

houwt hij geheele naaldboomen om, onverschillig of deze jong of oud

zijn; heeft hij timmerhout noodig, hij velt drie- à viermalen zooveel

als hij behoeft, en wat er te veel is laat hij liggen, zelfs zonder het

als brandhout te benutten. Reeds nu laten zich de gevolgen dezer

onzinnige handelwijze gevoelen. In de nabijheid der steden en dorpen,

zelfs in de nabijheid der wegen, zijn de bosschen zoo ontbloot, dat zij

er weinig beter uitzien dan die, waarin een brand heeft gewoed, en nog

altijd gaat men met verwoesten voort. Eerst sedert het jaar 1875 heeft

men in Siberië houtvesters aangesteld, maar ook deze lieden hebben een

meer geopend oog voor het vellen dan wel voor den aanplant der boomen.

De Siberische wouden, ook die waarin noch het vuur noch de bijl heeft

gewoed, zien er geheel anders uit dan onze bosschen; zij dragen den

stempel eener door niets beperkte natuurlijke groeikracht. Slechts bij

uitzondering werkt deze aantrekkelijk op ons.

Het is waar, aanvankelijk wordt men getroffen door die mengeling van

worden en vergaan, maar het doode overheerscht allengs het levende en

deze indruk bezwaart in plaats van te bezielen.

In zulke oerwouden wisselen dichte gedeelten af met ontbloote plekken,

hoog woud met struikgewas, oude grijsaards, die den tijd trotseerden,

met een krachtig jong gewas. Ook hier staan en leunen en hangen en

liggen overal vermolmde boomen. Uit de tronken van gevallen stammen

ontspruiten jonge loten; reusachtige lijken van boomen versperren den

weg.

Wilgen en populieren, met den berk de meest gewone loofboomen der

bosschen van westelijk Siberië, komen hier tot vollen wasdom; dikwijls

zien zij er uit alsof zij voortdurend belemmering ondervinden om tot

volledigen groei te raken. Meer dan mansdikke stammen dragen verdraaide

kronen van weinig omvang, waaruit jaar op jaar nieuwe twijgen

ontspruiten, zonder dat deze het tot ware takken brengen; andere,

oogenschijnlijk overoude boomen, treden slechts in den heestervorm op;

wederom andere zijn middendoor gebroken, versplinterd en gescheurd, en

bij den top verdraaid, terwijl het benedengedeelte slechts door een

dunne schil met het boveneind verbonden is. Slechts bij uitzondering

verkrijgt men den indruk van een geheel; bijna alles ziet er uit, alsof

het kwijnt en meer en meer zijn ondergang te gemoet gaat.

Deze schilderij is evenwel niet van toepassing op alle deelen van het

uitgestrekte gebied; integendeel, somtijds, vooral in het zuiden van

den woudgordel vallen ons bosschen in ’t oog, waar de blik met

welgevallen op rust. Ligging, plaatselijke gesteldheid, de hoedanigheid

van den grond en andere omstandigheden werken somtijds samen tot eene

heerlijke uitkomst. De boomen groeien dan vroolijk op, de samenstelling

van het houtgewas verandert, en het bijna overal weelderige onderhout

biedt de rijkste verscheidenheid aan. Elke nieuwe boomsoort, die de

armoede des wouds, wat de soorten betreft, vermindert, begroeten wij

telkens met nieuw gejuich; maar toch missen wij, zelfs in de rijkste

partijen, nog een aantal boomen, die op gelijke breedte in Europa zeer

gewoon zijn. Eenvormig en eentonig, evenals de steppe en de toendra

zijn en blijven ook de wouden van dit land.

In de rivierdalen van den boomgordel valt die armoede het meest op.

Hier heerscht de wilg, die aan de stroomen en op de eilandjes dikwijls

uitgestrekte bosschen schept, zoo onbeperkt, dat bijna geen andere boom

tot wasdom kan geraken. Mijlen ver maken zij het uitsluitend

bestanddeel der bosschen in deze dalen uit; hier en daar schieten zij

tot eene goede hoogte op, maar ook dan ontbreekt het nog al te dikwijls

aan uitdrukking en bekoorlijkheid.

Want de op zich zelf staande boom is niets schilderachtiger, eerder

minder schilderachtig dan het struikachtige wilgenbosch; de kroon

blijft steeds dun en onregelmatig van vorm, wordt niet dicht, maar

blijft armoedig, zoodat dit gezicht een gevoel van verveling bij ons

verwekt.

Staan, zooals meestal, de boomen dicht opeen, zoodat er een bosch

ontstaat, dan boeten zij nog meer van hun persoonlijkheid in, daar

onder deze omstandigheden alle stammen als palen nevens elkander omhoog

rijzen en de van boven recht afgesneden kronen, een geschoren heg

gelijk, tot eene enkele bladmassa ineensmelten, zoodat elke

afzonderlijke boom verloren gaat. Eene vriendelijke afwisseling geven

de daartusschen staande populieren, in het zuiden de zilverpeppel, in

het noorden de ratelpopulier; deze brengen in het eentonige landschap

wat leven.

In het rivierdal zelf, ofschoon altijd slechts op plaatsen, die niet

blootgesteld zijn aan de periodiek terugkeerende overstroomingen,

treedt, behalve de genoemde boomen der vlakte, de berk op; groepen van

dezen boom vormen vrij geregeld een verbindingslid tusschen de wouden

der dalen en de naaldhoutbosschen. Slechts in het zuidelijk gedeelte

van onzen gordel verkrijgt de berk zijn volle grootte en schoonheid;

hij wordt echter evengoed als de harsbevattende naaldboomen een prooi

der vlammen en is daarom weinig in staat om het uitzicht van de

bosschen der vlakte in gunstigen zin te veranderen. Zuivere, min of

meer onvermengde berkenwouden vormen de grens van den boomgordel in het

zuiden en grijpen dikwijls diep in de steppe; maar niet dan bij

uitzondering vindt men ook van deze boomsoort echte, dichte wouden,

zoodat men steeds gevaar loopt ontnuchterd te worden, wanneer men

daarin doordringt.

Alleen de dennenwouden, die alle plaatsen tusschen de stroomloopen

innemen, kunnen het oog van den westerling boeien en bevredigen. In

zooverre de toendra niet reeds tot ontwikkeling kwam, worden deze

wouden gevormd uit dennen en sparren, Altaï-dennen en cederdennen,

zeldzamer uit lariksen, populieren en wilgen, hier en daar vermengd met

lijsterbessen en vogelkers, alsmede uit berken, welke laatste boomsoort

zoo talrijk kan voorkomen, dat het bosch bijna geheel uit deze schijnt

te bestaan.

Altaï- en cederdennen zijn de karakterboomen van alle West-Siberische

naaldhoutbosschen, beide meestal gelijk gekenmerkt door schoonheid en

frisschen groei. Vooral de Altaï-den is een heerlijke boom. Na verwant

aan onzen zilverden en de plaatsvervanger van dezen in alle wouden van

oostelijk Rusland en westelijk Siberië, valt hij reeds van verre in ’t

oog, daar hij boven alle andere naaldboomen uitsteekt. Van den

zilverden en de spar onderscheidt hij zich door den trotschen bouw

zijner slanke, kegelvormige kroon en zijn weligen, malschen, frisschen,

heldergroenen naaldentooi. Hij overtreft alle andere woudboomen meestal

in hoogte, en zijn kruin steekt voor een derde boven alle andere toppen

uit, waardoor het eentonige van het glad afgeschoren kruinvlak der

bosschen verdwijnt, en het geheel een meer eigenaardigen stempel

verkrijgt. Maar ook de cederden, die bovenal in het zuiden van den

boomgordel gedijt, evenwel ook nog hoog in het noorden dier streek

voorkomt, beurt zijn ronde, mollige, meestentijds dichte kruin

schilderachtig tusschen de dennen en sparren omhoog en geeft daardoor

aan het woud, vooral aan den buitenrand, een aantrekkelijk voorkomen,

zoodat het sierlijker schijnt dan het inderdaad is. Dennen en sparren

ontbreken op geene plaats, ofschoon zij nergens zoo welig tieren als in

de Duitsche middelgebergten, terwijl zij in het noorden alras

ineenschrompelen tot oude dwergen.

Ook de lariks, als wiens eigenlijk vaderland Siberië beschouwd kan

worden, groeit slechts in het zuiden van den boomgordel, vooral in het

gebergte, tot een even statigen boom op als bij ons.

Met de opgenoemde soorten is het aantal der gewoonlijk in Siberië

voorkomende boomen nagenoeg uitgeput. Eiken en beuken, olmen en

esschen, linden en eschdoorns, zilverdennen en taxusboomen schijnen

geheel te ontbreken. Kreupelhout en struiken daarentegen zijn overal en

overvloedig. Zelfs in het noorden is de bodem in de wouden buitengewoon

vruchtbaar en welig.

Roode bessen en frambozen gedijen nog onder den 58sten, eene

kamperfoeliesoort nog onder den 67sten breedtegraad; jeneverbessen,

witte elzen, wolwilgen, rijsbessen, blauwe en roode boschbessen en

veenbessen nemen naar het noorden eerder toe dan af, en zelfs aan de

grens der toendra, die haar dwergberken en rozemarijnheide, hare mossen

en veenbessen tot in het binnenste der bosschen vooruitschuift, ziet

men nog den grond overal dicht bedekt, daar de mossen des te

weelderiger groeien, naarmate de wouden armoediger worden. Maar ook de

steppe draagt er het hare toe bij om de wouden te verrijken, daar zij

in het zuiden van den boomgordel niet alleen het grootste deel der haar

eigendommelijke struiken en gewassen, maar ook verschillende heesters

en bloemen aan de wouden afstaat of deze daarmede omgeeft. En zoo

worden hier sommige bosschen tot natuurlijke parken, die in de lente en

in den voorzomer eene verrukkelijke bloemenpracht kunnen ontwikkelen.

Als voorbeeld van zulk een met alle genoemde bekoorlijkheden prijkend

woud, mag dat gelden, hetwelk zich tusschen de steden Slangenberg en

Salain in het Kroondomein Altaï bevindt, de „Taiga.” In het

uitgestrekte gebied, waaruit zich dit heerlijk woud verheft, brengen

ketens en bergen, allerlei soorten van dalen en kommen eene bekoorlijke

afwisseling. De eene heuvel bouwt zich naast en boven den anderen op,

en de kamlijn van het bosch is overal duidelijk zichtbaar. Altaï- en

andere dennen, populieren en wilgen, lijsterbessen en vogelkers zijn

tot hooge boomen opgegroeid. Zij staan op bonte wijze dooreen en

verdeelen licht en schaduw; de zachte lijnen der bladkruinen worden

door de uitstekende toppen der Altaï-dennen aangenaam afgebroken.

Erwtenboomen en erwtenstruiken, sneeuwbal en kamperfoelie, het

smalbladige zonnekruid en bessenstruiken vereenigen zich tot een

bloemrijk onderhout; maar hooge umbellifeeren, vooral scheerling en

spiraea’s, varens en vrouwenhaargrassen, ridderspoor en

vingerhoedskruid, klokjes en nieskruid, die alle ongemeen welig

opschieten, weven een bont tapijt, dat over den bodem ligt uitgespreid;

de wilde hop klimt van daar uit in de boomen op en omvat deze met haar

ranken. Het heeft allen schijn of hier een bekwaam tuinier volgens de

regelen der kunst aan ’t werk is geweest en de schepper was van dit

veld- en woudtooneel.

In het zuiden ontwikkelen de boomen hun grootsten tooi in ’t

voorjaar—in de noordelijke deelen daarentegen in den herfst. Reeds in

de eerste dagen van September worden de bladeren hier geel en tegen het

midden dier maand is het noord-Siberische woud bonter dan een onzer

vaderlandsche bosschen. Van het donkerste groen tot het levendigste

rood, door groen en lichtgroen, licht en donkergeel, bleek- en lakrood

zijn alle kleurschakeeringen hier vertegenwoordigd. Op de sombere

Altaï- en andere dennen volgen de cederdennen en lariksen; aan deze

sluiten zich de weinige nog niet geel geworden berken aan. Alle

mogelijke nuancen van donker- en lichtgroen en groenachtig geel geven

de witte elzen te aanschouwen; helder scharlakenroode bladeren dragen

de populieren, lakroode de lijsterbessen en vogelkersen. Het bonte

mengelmoes van al die kleuren is zoo sterk en toch zoo zacht, dat

verstand en hart beide volkomen bevredigd worden.

Deze zijn de beelden, welke de wouden van westelijk Siberië voor ’t oog

des reizigers ontrollen. Wat wij poogden te schilderen had echter

slechts betrekking op een zoom van geringe breedte. De gesteldheid

dezer oerwouden is van dien aard, dat het den westerling onmogelijk

dunkt, althans in den zomer, dieper daarin door te dringen. Aan de

hellingen der bergen wordt men tegengehouden door steilten en

kreupelhout, in het heuvelland en de vlakte door omgevallen boomen en

ineengegroeid struikgewas, in de ketels en rivierdalen door stilstaande

en stroomende wateren, vooral door beken en moerassen. Overal in het

gebergte ontmoet men steile hoogten, gevormd uit door en over en op

elkander gerolde en gestapelde rotsbrokken en steenen; deze

steenmassa’s zijn omgeven en begroeid met korstmossen en mossen, die op

verraderlijke wijze alle spleten en kuilen aan ’t oog onttrekken;

jeugdig groen is opgeslagen tusschen en op de oude boomen en struiken,

die ook hier aanwezig zijn, en dat vlechtwerk van oud en jong werpt een

dam op tegen elke poging om zulke plaatsen over te trekken. In de

vlakte zijn de bezwaren, die de wouden aanbieden, niet verdwenen.

Letterlijk ondoordringbaar hout, zooals in de oerwouden der

Keerkringsgewesten, vindt men hier wel is waar niet, maar hindernissen

in menigte, daaraan is geen gebrek. De omgevallen boomen zijn te

lastiger, dewijl de meeste niet vlak op den ongebaanden weg liggen,

maar iets daarboven, zoodat zij tot ware slagboomen zijn geworden, en

zulks in een zeer onaangename beteekenis. Menigmaal is het mogelijk er

over heen te klauteren, of er onder door te kruipen; maar ook even vaak

kan noch het een noch het ander geschieden en dan is men genoodzaakt

een omweg te maken. Dit laatste is echter alles behalve aangenaam, daar

men hier niet zonder kompas kan reizen zonder gevaar te loopen,

voorgoed te verdwalen. Geheel kale plekken ontmoet men zelden, en

tracht men deze door te trekken, dan zeggen ons diepe, met modder

gevulde kuilen en poelen, dat groote behoedzaamheid hier geraden is.

Verlaat men zich op een der vele runderpaden, die in het zuiden van den

woudgordel van elk dorp in het bosch voeren en hierin meer of minder

diep indringen, dan ziet men zich vroeg of laat toch weêr

teleurgesteld, omdat men in de onmogelijkheid verkeert uit te vorschen

of te raden werwaarts zulk een weg ons brengt; zij kruisen en

doorsnijden honderd andere wegen, loopen door kreupelhout en hoog gras,

waaronder omgevallen boomen en takken verraderlijk verborgen liggen,

door moerassen en poelen enz.; in ’t kort, het zijn geen voor menschen

bruikbare wegen. Het is waar, die hindernissen zijn niet altijd

onvoorkomelijk, maar toch zij zijn zoovele en zij komen zoo overal

voor, dat men veel eerder dan men dacht, zelfs wanneer de muggen er

niet reeds toe dringen, de terugreis aanvaardt. Eerst in den winter,

wanneer de vorst alles met een draagbare ijskorst heeft bedekt,

rivieren, moerassen en poelen, wanneer een dikke sneeuwlaag alle

oneffenheden heeft aangevuld en daarbij genoegzaam verhard is, dan

worden de wouden voor de met sneeuwschoenen gewapende jagers en hunne

tegen het weder geharde honden toegankelijk; eerst dan kan de

inboorling zelf er aan denken strooptochten in het binnenste der wouden

te ondernemen.

De bosschen van Siberië zijn stom en dood, „tot verhongerens toe dood”

gelijk Middendorf het karakteristiek uitdrukt. De stilte, die daar

heerscht, wordt eene wezenlijke kwelling. Zoodra de tijd van balderen

voor het korhoen voorbij is, verneemt men nog alleen het gezang van den

grooten lijster en den merel, het lied van de grasmusch, van het

kneutje en den haakvink, de melodie van den fitis en het geroep van den

koekoek, maar bijna nergens alle stemmen te gelijk. Het bevend geroep

van den tureluur, en van den groenpootigen ruiter wordt hier een

gezang; het gesnater van den ekster verkrijgt eenige bekoorlijkheid,

zelfs het gekras der bonte kraai of van den raaf werkt opwekkend, de

loktoon van een specht of mees zelfs streelt. De stilte is in harmonie

met de eenzaamheid van het woud. Wie de verwachting mocht koesteren

zich hier aan een vroolijk jagersleven te zullen wijden, komt bedrogen

uit. Ongetwijfeld zijn er veel meer dieren, inzonderheid zoogdieren en

vogels, in het woud dan wij vermoeden, maar al die dieren verdeelen

zich zoo gelijkmatig over dit eindeloos gebied, en zij ondernemen

wellicht zulke verre tochten, dat wij elken maatstaf missen ter

beoordeeling van hun aantal. Uren gaans, mijlen ver is of schijnt

alles, tijdelijk zoo uitgestorven, zoo verlaten, dat de

natuuronderzoeker zoowel als de jager wanhopig wordt, daar telkens weer

zijne hoop geene bevrediging vindt. De grondigste lokaalkennis laat

zelfs den meest ervaren waarnemer in den steek. Oorden, die alle

voorwaarden schijnen te vervullen voor een weelderig en behagelijk

dierlijk leven, herbergen, voor zoover men kan nagaan, geen enkele

diersoort, zelfs geen enkel rondzwervend mannetje. De verwachting van

in afgelegen, ver van menschelijke woningen verwijderde, zelfs zoo goed

als buiten het menschelijk verkeer liggende wouddistricten, toch een

enkel dierlijk wezen te zullen aantreffen, blijkt ijdel, evenals de

hoop, dat men er in de diepten des wouds eerder zal ontmoeten dan in de

randgedeelten. Ja, de door menschen bewoonde, of althans bebouwde

deelen zijn dikwijls nog rijker in dit opzicht dan het centrum der

boschwoestijn. Dat overal daar, alwaar de mensch zich voor goed

vestigde, het woud uitroeide, weiden en akkers aanlegde, allengs eene

grootere verscheidenheid van diersoorten opbloeit dan in de

uitgestrekte, door hem nog niet veranderde, in hunne oorspronkelijke

eentonigheid volhardende streken, is duidelijk; immers, bebouwing van

den grond heeft ten gevolge, dat er geschikte verblijfplaatsen voor

sommige soorten ontstaan; dat andere diersoorten in de nabijheid van

den gezeten mensch veelvuldiger optreden dan in het ontoegankelijk

woud, in weêrwil dat de mensch hen vervolgt en zij ginds aan weinig

gevaren zijn blootgesteld, wordt slechts dan begrijpelijk, wanneer men

aanneemt, dat zij voortdurend nieuwen toevloed van elders ontvangen. Er

moeten dus, op bepaalde tijden althans, verhuizingen op min of meer

groote schaal plaats vinden en de meeste West-Siberische dieren moeten

daar dan wel aan deelnemen. De ervaring schijnt deze veronderstelling

te bevestigen.

Standdieren, in de gewone beteekenis des woords, zijn alleen de

holbewonende winterslapers en enkele bergdieren, terwijl alle andere

soorten min of meer een nomadenleven leiden. Dieren, die in

West-Siberië gedurende den bronsttijd niet gezellig leven, wonen in den

tijd, dat zij jongen werpen of broeden, evenmin bijeen. Later

vereenigen zich de ouders en kinderen met alle soortgenooten tot

troepen of koppels, die nu voortaan, hoofdzakelijk zeker om zich te

beter van voedsel te kunnen voorzien, misschien ook door de

vliegenplaag daartoe genoodzaakt, gemeenschappelijke strooptochten

ondernemen. Plaatsen, welke overvloedig voedsel opleveren, lokken in de

eerste plaats de planteneters; deze houden ook de natrekkers vast en

worden door de hun vijandige dieren op den voet gevolgd. Op deze wijze

worden bepaalde wouddistricten ontvolkt, en andere bevolkt; zoo

ontstaan er opstuwingen van den zoo bewegelijken stroom van

landverhuizers, die te meer in het oog moeten vallen, naarmate zij

sterker contrast vormen met de gewone verlatenheid en ledigheid van het

woud. Verzamelplaatsen van dierlijk leven zijn inzonderheid die oorden,

waar het vuur heeft gewoed, op welker bevruchten bodem weder

bessenstruiken van verschillende soort ontkiemden en tot weligen wasdom

geraakten.

Hier bekomen in den herfst niet alleen de Siberische wildsoorten goeden

oogst, maar daar smullen ook almede van de bessen, wolven en vossen,

marters en veelvraten, sabels en beren, die meerendeels het eerst door

de planteneters waren aangelokt. Dieren, die op deze wijze vereenigd

geworden zijn, blijven klaarblijkelijk geruimen tijd in zeker verband.

De planteneters volgen, zooals ervaren jagers opmerken, met stage

volharding de bessen, en de roofdieren hechten zich aan de hielen der

planteneters.

Die verhuizingen maken begrijpelijk, hoe in sommige jaren deze bosschen

van allerlei jachtdieren wemelen, gene geheel verlaten schijnen. Met

verbazing ziet de westerling, die in den naherfst of in het vroege

voorjaar West-Siberië bereist, drie- tot vijfhonderd korhoenders, tot

een koppel vereenigd, van den grooten, door de bosschen leidenden weg

opvliegen, en met niet geringer verbazing doet hij iets later de

waarneming, dat dezelfde, of gelijke, niet minder gunstige bosschen

slechts spaarzaam met het korhoen bevolkt zijn; moedeloos, omdat hij

telkens wordt teleurgesteld, speurt hij in den zomer op de gunstigste

plekken het hazelhoen na, en aangenaam verrast, ontwaart hij in den

herfst op dezelfde plaatsen dit wild overal.

Met deze zoo eigenaardige, door de eentonige eenvormigheid van

Siberië’s uitgestrekte velden bepaalde verhoudingen moet de jager, die

met eenige zekerheid zich buit wil verschaffen, geheel vertrouwd zijn,

en toch is zelfs de meest ervaren jachtliefhebber in de eindelooze

wouden een slaaf van het noodlot. Welk wild hij ook wil opjagen, nimmer

kan hij vooruit bepalen waar dit te vinden is. Gisteren overlaadde de

jachtgodin hem met weldaden, heden onthoudt zij hem de geringste hulde.

Aan wild is geen gebrek; de jager evenwel, die van de opbrengst der

jacht zou willen leven, moet verhongeren. Een jagersleven, zooals het

in andere landen mogelijk is, is in Siberië ondenkbaar; zelfs geen

noemenswaarde winst werpt de jacht in de bosschen af. Enkele dieren,

zooals de bever, schijnt men reeds uitgeroeid te hebben; andere, zooals

de kostbare sabelmarter, zijn, althans uit de meer bevolkte streken,

verdwenen, en naar het binnenste der bosschen teruggedrongen. Ook in

Siberië hoort men overal klagen, dat het wild van jaar tot jaar

schaarsch wordt, en zooveel staat vast, dat de jacht steeds minder en

minder opbrengt. De mensch is niet de eenige oorzaak van dit

verschijnsel; boschbranden en nu en dan optredende epidemieën doen het

hunne misschien nog meer. En geen Siberiër denkt er om, dat tijdelijke

sparing van het wild eene eerste voorwaarde is voor deszelfs behoud.

Eene verstandige jacht gaat boven het begrip der Siberische jagers; zij

dooden zooveel en langs zooveel wegen en op zoovele wijzen als maar

mogelijk is. Buksen en geweren spelen daarbij niet de hoofdrol, vallen

en netten, automatische schietwerktuigen en vergift worden door

vreemdeling en inboorling het meest gebruikt.

Wild is in de oogen van den Siberiër elk dier, van hetwelk hij na diens

dood maar eenige partij kan trekken, het eland zoowel als de vliegende

eekhoren, de tijger zoowel als de wezel, het auerhoen zoowel als de

ekster. Wat het bijgeloof van den eenen stam spaart, strekt een anderen

stam tot buit; diersoorten, welker vleesch de Russen versmaden, zijn in

de oogen der Mongolen lekkernijen. Ostjaken en Samojeden voeden vossen,

marters, beren, uilen, zwanen, ganzen en andere uit het nest geroofde

dieren op, behandelen ze met ware teederheid, zoolang zij jong zijn,

verplegen ze zorgvuldig tot het haar- of vederkleed goed ontwikkeld is,

en slachten ze dan om het vleesch te eten en de huid te verkoopen. Het

aantal huiden, dat uit Siberië op de inlandsche en Europeesche markten

wordt gebracht, beloopt millioenen; het aantal dat in het land zelf

blijft is wel is waar niet zoo groot, maar nog verre van onaanzienlijk.

De hoeveelheid haar- en pluimwild, dat men in bevrozen staat naar

heinde en verre verzendt, bedraagt honderdduizenden.

Behalve de huiden van zoogdieren voert men tegenwoordig ook vogelhuiden

uit, zooals van zwanen, ganzen, meeuwen, futen en eksters, die tot

moffen, kragen en hoedversierselen verwerkt worden. Zeker koopman in de

onbeduidende stad Tjukalinsk verhandelt jaarlijks voor zich alleen

30000 futenhuiden, 10000 zwanevellen en 100000 stuks ekstervellen; in

vroeger jaren verkocht de man nog meer. Dat deze huidenhandel het

aantal dieren van jaar tot jaar moet doen verminderen, is duidelijk;

dat eenig en alleen de ontoegankelijkheid der bosch- en waterwoestijnen

tegen de volledige uitroeiing der dieren een slagboom opwerpt, wordt

een ieder begrijpelijk, die de roekeloosheid der Siberische pelsjagers

heeft leeren kennen.

Ofschoon uit het gezegde genoegzaam blijkt, dat het begrip wild in de

oogen van zulke jagers eene bijna onbeperkte beteekenis heeft, verstaat

men toch meer bepaald onder jachtdieren zulke soorten, die ook bij ons

te lande als pels- en pluimwild beschouwd worden.

Voor zoover als zulks betrekking heeft op de dieren van den woudgordel

zijn het: het maralhert en het reuzenree, de eland en het rendier; de

wolf, vos, poolvos, losch, beer, poolhaas, eekhoren, de gestreepte en

vliegende eekhoren, en bovenal de martersoorten, dus het sabeldier, de

edel- en steenmarter, de bunzing, kolonok, het hermelijn, de wezel, de

veelvraat en vischotter. Bovendien het auerhoen, korhoen en hazelhoen,

en eindelijk nog de tijger, die nu en dan uit het zuiden naar het

noorden afdwaalt, de irbis, welk dier de bosschen op de bergen bewoont,

het insgelijks daar voorkomende muskusdier; het wilde zwijn en het aan

de zoomen der noordelijke bosschen voorkomende moerashoen.

Ieder maakt op al deze dieren jacht; de meer beschaafde op wat

fatsoenlijker wijs, ofschoon volstrekt niet volgens de regelen der

jacht; meestal worden zij gevangen in even vernuftige als doeltreffende

vallen.

Onder de laatstgenoemde staat de wijd verbreide slagval bovenaan. De

inrichting van dit werktuig is als volgt: op een open plaats van het

bosch, liefst zulk een, waar het uitzicht vrij is, wordt een lage, zoo

weinig mogelijk in ’t oog vallende omheining geplaatst, die in ’t

midden een doorloop heeft, of als zij lang is twee of drie gaten. Elke

doorloop is van ter zijden door twee in den grond gedreven palen

begrensd, die van boven een dwarsbalk dragen; zij dienen om de beweging

te regelen van daartusschen loopende valblokken, twee naast elkaar

liggende, met elkaar verbonden, lange, vrij dikke boomstammen. Een

lange hefboom wordt op het dwarshout gelegd en houdt de valblokken, die

aan den kortsten arm bevestigd zijn, zwevende; een van den langsten arm

uitgaand touw is vastgemaakt aan den piketpaal. Deze bestaat uit een

korten, aan het eene eind gevorkten, aan ’t ander eind toegespitsten

tak en wordt met de vork tegen den eenen van eene kerf voorzienen paal,

met de punt tegen een ander iets langer paalstuk geklemd, welk laatste

zijnerzijds met het tegenovergestelde uiteinde in den anderen paal een

los steunpunt vindt. Beide palen houden elkander in evenwicht, maar

vallen onder de geringste drukking van boven of van beneden uiteen.

Wanneer de val gesteld is, belegt men de stelpalen met dorre twijgen en

takjes, minder met het doel ze aan ’t gezicht te onttrekken, dan wel om

de oppervlakte te vergrooten. Trapt eenig dier, al is het een kleine

vogel, op een dezer takjes, dan vallen beide stelpaaltjes uit elkaar,

de val slaat neêr en het dier wordt verpletterd. Wil men roofdieren

vangen, dan legt men aas onder de stelpalen; al het andere wild leidt

men door middel van de omheining in de richting van de val. Daar men in

vele streken van het woud alle wildpaden, wegen en open plekken door

slagvallen verspert en er honderden en duizenden opgesteld zijn, wordt

de jager dikwijls rijkelijk beloond voor de geringe moeite, die hem het

oprichten dezer voortreffelijke vangwerktuigen heeft veroorzaakt.

Boschhoenders, hazen, eekhorentjes, hermelijnen zijn de meest gewone,

bunzings, edelmarters en sabels de meer zeldzame slachtoffers.

Veelvraten en wolven verliezen insgelijks in deze slagvallen hun leven,

maar deze dieren leeren ze kennen, evengoed als de honden, en vermijden

ze dan angstig, zoolang zij ter vangst zijn opgesteld, maar schuwen

daarentegen niet den jager het daarin gevangen wild te ontrooven of aan

te vreten en zoo te bederven.

Samojeden en Ostjaken zijn, behalve dat zij gebruik maken van

slagvallen, ook groote liefhebbers van automatische werktuigen, die uit

boog en pijl, of een zelfwerkenden armborstboog bestaan. De boog, die

den pijl voortdrijft, is krachtig, de pijl voortreffelijk, en het

moordwerktuig in zijn geheel zeer gevaarlijk, ook voor onoplettende

menschen. Zinrijke inrichtingen houden den boog gespannen, pijl en boog

beide in de goede richting; een houten veêr doet den pijl wegsnellen,

zoodra een dwars over den weg gespannen koord wordt aangeraakt. Om den

pijl zoo te richten, dat hij het hart van het slachtoffer kan treffen,

bedient men zich van een met de grootte van het dier overeenkomend,

zuilvormig of doorboord mikhout, dat op den weg van het wild gelegd,

door een van boven aangebracht gat precies de hoogte aangeeft van het

hart des diers, en van een maat, die den loodrechten afstand aanwijst

van het hart tot het sleutelbeen, en dus den jager den juisten afstand

van het mikpunt tot het aftrektouw leert kennen. Daar alle bewoners des

lands de verschillende sporen van het wild nauwkeurig kennen, stellen

zij het zelfwerkend apparaat alleen dan tevergeefs op, wanneer een

ander, in grootte van het dier, dat getroffen moet worden, aanmerkelijk

afwijkend wild die plaats betreedt. Gewoonlijk heeft men het gemunt op

vossen, ook dikwijls op wolven, zelfs op elanden en rendieren, terwijl

daarentegen de automatische armborst voor kleiner wild, zooals

hermelijnen en eekhoorntjes, wordt bestemd. Voor beide legt men lokaas,

dat slechts bemachtigd kan worden wanneer het betreffende dier met den

kop door eene nauwe, aan het voorste, bij gespannen armborsten aan het

onderste deel van het werktuig aangebrachte opening kruipt. Op dit

oogenblik valt een stelplankje neêr en het dier wordt door een breeden,

beitelvormigen, in eene bepaalde richting gehouden pijl, die door de

armborst met kracht wordt weggeslingerd, gedood.

In den jongsten tijd is behalve dit oorspronkelijk jachtgereedschap ook

nog het vuurwapen bij de inboorlingen van West-Siberië in gebruik

gekomen, zonder evenwel het eerste geheel verdrongen te hebben. Om het

dure kruit en lood te besparen, bedient men zich van kleinmondige,

verbazend slechte lont-, steen- en slaghoedbuksen, maar men weet van

deze gebrekkige wapenen een meesterlijk gebruik te maken. Aan geen

geweer van den West-Siberiër ontbreekt een aan den langen kolf

bevestigde vork, die tot opleggen dient; ook de meer beschaafde jagers

bedienen zich hiervan, en men moet zeggen dat het voor een lontgeweer

onmisbaar is. Hagelroeren bezitten de ambtenaren en de meer welvarende

stedelingen, niet evenwel de inboorlingen, die van de jacht een bedrijf

maken en het kruit om zoo te zeggen bij korrels aftellen. Zij vullen

een kleinen horen met het dure kruit, slaan een looden touw ter dikte

van het geweer drie of meermalen als een gordel om het lijf en gaan,

aldus uitgerust, ter jacht. Het looden touw dient voor het maken van

kogels, die niet gegoten worden, maar stuk voor stuk afgeknipt, of nog

eenvoudiger, afgebeten; dit stuk lood wordt zonder prop op het kruit

gelegd en de buks is geladen. Men begrijpt, dat de inboorlingen slechts

in geval van nood op verren afstand mikken; meestal schieten zij op

geen grooter afstand dan van eene gemiddelde boomshoogte, maar dan ook

zoo zeker, dat zij het oog van den sabelmarter of van het eekhoorntje

tot mikpunt kiezen—en in den regel treffen.

Boschhoenders worden veelvuldiger gejaagd dan ander wild; bij

honderdduizenden worden deze vogels gevangen en gedood. In den tijd van

het balderen laat men de auer- en korhoenders bijna overal met rust.

Van jagersgenot, zooals wij hebben wanneer wij den balderenden auerhaan

verrassen, is wegens de ontoegankelijkheid der bosschen hier zelden of

nooit sprake; men verlaat zelfs in de Meimaand ter wille van het

balderende korhoen zijn warm bed niet, en hoogstens het hazelhoen poogt

men door het nabootsen van zijn liefdekreten te verschalken. Wie zou

zich ook zooveel moeite en last op den hals halen, in ’t vooruitzicht

van misschien toch niet te slagen! In den herfst en in den winter eerst

loont de jacht, gelijk de Siberiër dit opvat; wanneer de jonge hanen

ruien, wanneer de koppels zich vereenigen in groote troepen, wanneer

deze laatste om bessen te zoeken door de wouden trekken, dan is de tijd

voor de boschhoenderjacht aangebroken. Wie bezwaren van allerlei aard

niet schuwt, jaagt met zijn honden—meest erbarmelijke keffers—het

trekkende pluimwild na, en keert in den regel rijk met buit beladen

terug; wie heeft geleerd op sneeuwschoenen te loopen, zoekt ook in den

winter het auer- en korhoen op. Zoodra de eerste dikke sneeuwlaag is

gevallen, breekt er eene periode van rust voor het trekkende wild aan,

en elke troep kiest zich eene woonplaats uit, die althans voor de

eerste dagen voedsel genoeg oplevert. In ’t begin van den winter

voorzien de roode boschbessen, later de vlierbessen daarin overvloedig;

zijn deze opgegeten, dan nemen de hoenders lariksnaalden en eindelijk

ook denne- en sparrenaalden voor lief. Ook de onrijpe kegels van al

deze naaldboomsoorten worden gebruikt. Zoolang zulks mogelijk is zet

het wild zijn tochten te voet voort, legt in den loop van eenen dag

dikwijls 10 tot 12 werst af, komt nu en dan de bewoonde plaatsen nabij

en laat in de versch gevallen sneeuw duidelijke sporen achter, zoodat

de vervolgende jager het eindelijk inhaalt. Wordt het gedwongen tot het

eten van naalden over te gaan, dan verraden de drekstoffen aan den

jager deszelfs spoor; ook de slaapplaatsen geven goede aanwijzingen.

Afwijkend van de gewoonte zijner in Duitschland levende soortgenooten,

graaft het Siberische auer- en korhoen meer of minder lange, meest tot

den grond reikende gangen en kuilen in de sneeuw. Het verlaat deze

slaapsteden tegen den morgen of bij dreigend gevaar, door zich met

behulp van eenige vleugelslagen omhoog te werken en het sneeuwdek door

te breken; deze logementen vallen dus gemakkelijk in het oog, en tevens

doen zij weten in welken nacht de hoenders daar zijn geweest, zoodat de

jager ook hierin belangrijke vingerwijzingen heeft. Bij aanhoudenden

sneeuwval verwijlt het wild dikwijls tot den middag in genoemde

slaapsteden.

Het valt den jager dikwijls vrij gemakkelijk het wild tot op korten

afstand te naderen, wanneer dit op de boomen is gevlogen of terwijl het

met den maaltijd bezig is. Het laat zich door hondengeblaf niet

verontrusten en het lokaas onder de boomen trekt zoo zijn aandacht, dat

het den bijsluipenden jager niet opmerkt. Zal zulk een jacht goede

resultaten opleveren, dan moet een dikke, harde sneeuwlaag den grond

bedekken, alle spleten en oneffenheden hebben opgevuld en den jager op

zijn sneeuwschoenen kunnen dragen.

Gemakkelijker en ook winstgevender is de jacht met den boelban, een

houten pop, die den vorm van het te vangen dier nabootst. Men begeeft

zich in den herfst, vóór het aanbreken van den dag naar het bosch,

verbergt zich in eene hut van rijswerk, die men in allerijl opslaat,

of, wat beter is, die men van te voren reeds heeft gebouwd. Anderen

richten nu den boelban op, een opgestopte of uit hout en werk

vervaardigde, met zwarte witte en roode lappen overtrokken, en een

levenden vogel zoo goed mogelijk nabootsenden pophaan. De boelban wordt

zoodanig in een der hoogste boomen bevestigd, dat hij met den kop tegen

den wind in is geplaatst. Nu wordt het omliggende boschterrein met

behulp van honden afgedreven; alle jonge of nog niet door vroegere

ervaring wijs gemaakte korhoenders, die opgeschrikt zijn geworden en

den boelban in ’t oog krijgen, vliegen naar den valschen, hun

veiligheid belovenden kameraad en zetten zich naast hem neder. De jager

in de rijshut, behalve met zijn kleinmondig, weinig knalgevend geweer,

ook nog met een hagelroer gewapend, heeft onder de dozijnen dezer

vogels de ruimste keus.

In die bosschen, welke gedurende den zomer nog niet verontrust zijn

geworden, let het korhoen zoo weinig op den zwakken knal dezer soort

van geweren, dat het zelfs niet wegvliegt wanneer een naast hem

zittende makker getroffen van den boom stort; met uitgerekten hals

staart hij den vallenden kameraad na en blijft rustig zitten, zoodat de

schutter nog eens en nog eens kan laden en vuren. Daar de korhoenders

zeer talrijk zijn, kan een jager soms in een enkelen morgen uit

dezelfde hut twintig en meer dezer dieren neêrschieten.

Niet minder winstgevend en den jager in hooge mate bevredigend is de

jacht op hazelhoenders, gelijk deze in Siberië kan plaats hebben.

Toebereidselen, van welken aard ook, zijn hierbij onnoodig; zelfs zijn

gedresseerde honden, ofschoon men van deze goede diensten kan hebben,

niet volstrekt onontbeerlijk. Het hazelhoen is in alle daarvoor

geschikte bosschen van West-Siberië zeer menigvuldig, nog menigvuldiger

misschien dan het auer- en korhoen, maar het leeft zoo stil, dat men

het zelfs dan nog over ’t hoofd kan zien, wanneer het in groote ketens

de wouden bevolkt. Tot zulke groote gezelschappen als zijn verwanten,

vereenigt het zich nooit; ook trekt het niet zoo ver en is juist daarom

meer gelijkmatig over de woudwoestijnen verspreid, weshalve het dan ook

eerder in het bereik van den jager komt dan alle andere boschhoenders.

In den zomer is het voor goed aan het oog van den onervaren jager

onttrokken en het schijnt dezen toe alsof het wild verdwenen is; in den

herfst ontwaart men het overal, zelfs op die plaatsen, waar men het

eenige maanden geleden tevergeefs zocht. Het hazelhoen is niet minder

verzot op bessen dan zijn bloedverwanten, en ten einde die lekkernij

machtig te worden, houdt het zich ook op meer uitgestrekte, ontbloote

deelen op, die het in het voorjaar en in den zomer zorgvuldig vermeed.

Maar zelfs hier weet het zich aan den blik te onttrekken. Het ligt veel

vaster dan het auer- en korhoen, en duikt zoolang mogelijk neêr als er

iemand nadert, zonder zich daarbij echter angstig te verbergen, om

eerst dan op te staan als de vijand zeer nabij is. Als het opvliegt

maakt het zoo weinig geraas, dat men het ook nu nog niet ziet of hoort;

elke patrijs, ja elke snip maakt meer geraas dan dit lieve dier, van

hetwelk men alleen bij het opstaan een zacht geritsel hoort.

Opgeschrikt zijnde vliegt het gewoonlijk, ofschoon niet altijd, in een

der naastbij staande denneboomen en laat zich hier op den eersten den

besten tak neêr, maar blijft verder zoo rustig zitten dat men het ook

hier weder even weinig opmerkt als te voren. Dikwijls spant men zich

langen tijd tevergeefs in om het in ’t oog te krijgen; men denkt dat

het reeds heimelijk weggevlogen is en wordt eerst door zijn afvliegen,

of doordat het eenig licht gedruisch laat hooren er tot zijn

verwondering opmerkzaam op gemaakt, dat het geheel ongedekt op

denzelfden tak zat, waar men het herhaaldelijk had gezocht. De aan alle

hoenders zoo eigen geschiktheid om zich voor het oog van anderen te

verbergen, heeft bij het hazelhoen haar toppunt bereikt. Voor zijn

verblijf kiest het hoen het liefst moerassige of met mos begroeide, aan

blauwe en roode boschbessen rijke deelen van het woud, die door oude

afgestorven en jonge boomen omgeven zijn. Hier weet het van elke

bedekking zulk een geschikt gebruik te maken, dat men het gewoonlijk

eerst dan waarneemt, wanneer het voor zijn veiligheid naar een der

afgestorven groote boomen vliegt. Verroert het zich niet, dan meent men

een boomknoest te zien, want hierop gelijkt het sprekend; het schijnt

zich zelf bewust te zijn, dat het zich gerust verlaten kan op de

overeenstemming zijner eigene kleur met die der omgeving. Niettemin

kijkt het dier, zoolang het vrij zit, nu en dan bezorgd in ’t rond, en

dreigt er gevaar, dan verlaat het zoo spoedig mogelijk en even stil

zijn hoogen zetel, als het er op gevlogen was. Voor den jager is het

een lust op dezen vogel te jagen. Men kan hem overal in het woud

ontmoeten en weet niet, hoe men hem zal aantreffen; elk hulpmiddel laat

ons hier in den steek, maar men loopt nu ook geen gevaar door minder

geoefende jachtgezellen gehinderd te worden, terwijl de voortdurende

spanning, waarin men verkeert, te meer wordt beloond en de vroolijke

opgewondenheid, die deze soort van jacht te weeg brengt, nog meer genot

verschaft dan het wildbraad zelf, ofschoon het moet erkend worden, dat

dit allerkostlijkst is.

De boschhoenders zijn, zoowel wat het jachtvermaak als hunne beteekenis

voor de volkswelvaart betreft, van zoo groot belang, dat het edelste

haaswild van West-Siberië hierbij haast in ’t niet verzinkt. De vier

soorten van herten, die men hier aantreft, worden om vele, echter alle

even onvoldoende redenen, veel minder geacht dan zij verdienen, en, zoo

niet op bepaald ruwe, toch weinig aantrekkelijke, zelfs walgelijke

wijze uitgeroeid. Zulks geldt inzonderheid van het maralhert. Dit

trotsche, fiere dier, volgens de opvatting van sommigen een reusachtig

edelhert, volgens anderen eene afzonderlijke aan ’t genoemde sterk

verwante, maar door meerdere lichaamsgrootte en krachtiger gewei

daarvan afwijkende soort der hertenfamilie, bewoont alle bosschen van

het zuiden, bij voorkeur de bergwouden, en komt hier waarschijnlijk

minder zeldzaam voor dan men met het oog op de rustelooze jaagzucht van

inboorlingen en vreemdelingen wel denken zou. Die jaagzucht bedreigt

het maralhert juist in een tijd, dat het gespaard moest blijven, en

zulks om eene zeer eigenaardige reden.

Allen Noord-Aziatischen jagers is het bij dit hert niet om het vleesch,

niet om den pels, maar enkel en alleen om het nog groeiende, nog niet

volkomen vertakte en nog met de huid bedekte gewei te doen. Hieruit

bereiden de Chineesche geneesheeren of kwakzalvers eene tegen goud

opgewogen artsenij, die zeer gezocht wordt door alle rijke vergrijsde

zonen van het Hemelsche Rijk en klaarblijkelijk doorgaat voor een

opwekkend middel, dat zijn equivalent niet bezit. Het meest gewild zijn

de half vertakte, nog rijkelijk met bloed gevulde zesenders; men

betaalt er van 120 tot 180 gulden voor, terwijl men volkomen

uitgegroeide geweien met 12 en 14 takken voor niet meer dan vijf of

tien gulden kan verkoopen. Niet alleen de Mongolen van Noord- en

Middel-Azië, maar ook de Siberiërs van Russische afkomst beijveren zich

om deze kostbare geweien te bemachtigen en zoo spoedig mogelijk met de

post naar Kiachta te verzenden, vanwaar vaste kooplieden ze jaarlijks

bij duizenden naar China voeren, en altijd nog overtreft de vraag het

aanbod. De Siberische boeren houden maralherten in gevangenschap, enkel

met het doel om op het geschikte tijdstip de met bloed gevulde geweien

af te zagen en te verkoopen. Daar nu, gelijk men weet, alle herten in

den tijd, dat zij van gewei verwisselen, dicht begroeide plaatsen

mijden en ook minder omzichtig zijn, en daar spiesherten en

gaffelherten evenmin verschoond worden als kroonherten, is het

duidelijk, dat de hoeveelheid van dit wild aanzienlijk moet

verminderen, en ook de vermenigvuldiging verbazend wordt tegengegaan.

Wildbraad en pels komen bij deze slachterij niet of weinig in

aanmerking; en mocht het eenige moeite kosten het gedoode dier naar

huis te dragen, dan laat men het eenvoudig liggen, ten prooi van wolven

en vossen.

Evenals het maralhert is ook de Siberische ree of reuzenree van de bij

ons te lande voorkomende soort onderscheiden door haar meerdere

lichaamsgrootte en haar hoog, bij den rozenstok zwak ontwikkeld gewei.

Of de Siberische ree als eene afzonderlijke soort moet beschouwd

worden, zulks maakt bij de natuurkundigen nog steeds een punt van nader

onderzoek uit. Dit hert bewoont in Siberië bij voorkeur zulke gedeelten

van het woud, die zich van een vroegeren brand beginnen te herstellen,

daar waar veel Altaï-dennen groeien, de zoomen der bosschen en klein

struikgewas; het stijgt in het gebergte tot aanzienlijke hoogten op,

niet zelden tot boven de grens van den boomgroei en ook waagt het zich

naar buiten, in de steppe, in gezelschap van steenbokken, wilde schapen

en antilopen. Overeenkomstig de bijzondere gesteldheid des lands,

onderneemt het nu en dan wandeltochten, ook zonder dat boschbranden

daartoe aanleiding geven, legt daarbij groote wegen af en zwemt zonder

schroom breede rivieren over.

Soms verschijnt het in oorden, waar men het in jaren niet had gezien,

vestigt zich hier en onderneemt van daar uit nu en dan strooptochten;

gewoonlijk blijft het op deze rondzwervingen op bepaalde wegen, doch

wordt nu en dan ook wel eens gedwongen zeer nauwe paden in te slaan.

Rotsachtige, steil afvallende oevers van groote stroomen noodzaken het

dwarsdalen en kloven in te slaan, alwaar het zijn verderf te gemoet

gaat, daar men zulke passen met heggen verspert, waarachter valkuilen

zijn aangebracht. Op alle tijden des jaars ziet het zich bedreigd door

wolven en losschen, Russen en inboorlingen. Men jaagt het, gelijk alle

wild, zonder verschooning, trekt van alle omstandigheden partij en

beproeft elke list om het dier machtig te worden. Als de sneeuw begint

te smelten, maar koude nachten de bovenste sneeuwlaag in eene dunne

ijskorst veranderen, trekt men ter jacht op het maralhert. De jagers

zitten te paard en worden door honden vergezeld; ook zetten zij het

hert wel op sneeuwschoenen na, drijven het onder getier en geschreeuw

voor zich uit, en vermoeien het te eerder, naarmate de ijskorst harder

is en de gebroken stukken het dier de pooten verwonden. In het voorjaar

lokt men de hinden door de stem der jongen na te bootsen; in den

bronsttijd den bok door het geluid te laten hooren van de antwoordende

hinde, in het tijdperk daar tusschen gelegen beide geslachten door het

aanleggen van kunstmatige zoutvlakten. In den herfst richt men

drijfjachten aan, of vervolgt het trekkende hert, als het de rivieren

overzwemt, in booten, om het in het water den doodsteek te geven; in

den voorwinter achtervolgt men het met sleden en zendt het van deze uit

het moordend lood achterna. Het eenige middel wat men niet gebruikt is

het stellen van strikken, een geliefkoosd middel bij de Duitsche

stroopers; misschien, omdat de spanboog betere resultaten belooft.

De eland voert onder veel gunstiger voorwaarden den strijd om het

bestaan. Woonplaats, levenswijs, kracht en weerbaarheid beveiligen dit

wild tegen vele, zoo niet de meeste vervolgingen. In den vollen zin des

woords een dier des wouds, in poelen en moerassen even goed te huis als

in het kreupelhout en onder hoog geboomte, alle hinderpalen van woud en

moeras gelijkelijk het hoofd biedende, door zijn voedsel ook

gevrijwaard voor wintergebrek, ontkomt het gemakkelijker dan alle ander

wild zoo wel aan de vervolgingen van den mensch als aan andere

vijanden.

Onder deze laatsten behooren wolf en losch, beer en veelvraat; toch is

het twijfelachtig of al deze roovers veel vermindering brengen in het

aantal elanden. Want deze dieren bezitten in hunne scherp snijdende

hoeven bijna nog beter weermiddelen dan in hun gewei en zij weten van

de eerste een even goed gebruik te maken als van het laatste. De eland

delft wel is waar het onderspit wanneer een beer hem toevallig ontmoet

en bespringt, maar een enkelen wolf werpt hij onmiddellijk ter aarde.

Zelfs bestaat hij soms zegevierend den strijd tegen eene bende dezer

altijd hongerige roovers, en wat den losch en den veelvraat betreft,

het verhaal, dat deze hem op den rug zouden springen en den

halsslagader doorbijten, vereischt nog bevestiging. Tegenover den

mensch alleen is de eland weêrloos. Toch is de jacht op dit dier in de

Siberische bosschen een ellendig bedrijf, waarmede zich dan ook

uitsluitend de inboorlingen bezighouden. In den zomer kan men het water

beminnend wild moeilijk nabij komen; het huist alsdan meerendeels in

poelen en moerassen, overdag tusschen hooge moerasplanten in een voor

hem alleen toegankelijk leger rustende, ’s nachts voedsel zoekende. De

sappige stengels en wortels der waterplanten vindt hij lekkerder dan de

scherpe carexsoorten. Om deze reden begeeft hij zich, als hij wil

grazen naar de diepere gedeelten van het moeras, haalt de planten zelfs

uit het water, steekt zijn plompen kop tot aan de wortels der ooren,

die veel op ezelsooren gelijken, in het slijkige water, zoodat de

neusgaten hiermede onwillekeurig worden opgevuld, en slingert, telkens

als hij den kop omhoogheft, onder een luid, ver klinkend gesnuif, het

ingedrongen vocht uit mond en neus. Ervaringrijke jagers hebben, naar

aanleiding van deze wijze van voeden, een bijzondere manier van jagen

uitgedacht. Men bespiedt eenige achtereenvolgende nachten het wild,

brengt dan gedurende den dag in alle stilte lichte, ondiep gaande

booten in gereedheid en roeit in den nacht, op het snuivend geluid

afgaande, zoo stil mogelijk naar de grazende elanden, wier reuk- en

speurvermogen, ten gevolge van het herhaalde onderduiken, zeer

verminderd werd, om ze vervolgens met schietgeweer te dooden. De

helderheid der Noordsche zomernachten maakt het ontkomen even

gemakkelijk als het de nadering bemoeilijkt; de jacht is echter juist

hierom zoo opwekkend, zoodat vurige jagers er zich met hartstocht en

soms ook met goed gevolg aan wijden. Valt de vorst in dan verlaat de

eland de moerassen, omdat het gescheurde en gespleten ijsdek het loopen

bemoeilijkt; het dier zoekt nu de meer droge gedeelten van het woud op,

totdat de dik gevallen sneeuw hem dwingt ook deze te verlaten, en òf

een betere woonplaats uit te vinden, òf rond te dolen. In dezen tijd

geeft men de voorkeur aan de jacht met goed gedresseerde en bovenal

rustige honden. Op zijn strooptochten waagt de eland zich zelfs in de

dorpen, maar verraadt zich alras door zijn kenbaar spoor; spoedig zit

hem dan ook de jager op de hielen. Nu laat men de honden los, die het

wild moeten vermoeien, echter niet verjagen. Daarom mogen zij het niet

van achteren aangrijpen, ook niet te nabij komen, maar blaffend moeten

zij er om heen springen, om zijn geheele opmerkzaamheid te trekken.

Ziet de eland zich op deze wijze van voren bedreigd, dan blijft hij na

een poosje vooruit te zijn gesukkeld, eindelijk staan, bekijkt onrustig

de honden, schijnt ze aan te willen vallen, doet dit echter hoogst

zelden, en deze besluiteloosheid schenkt den jager den tijd om te

naderen en een zeker schot te lossen. Wordt een kleine kudde elanden

plotseling door de honden verrast en in de engte gedreven, dan kunnen

zij dermate de bezinning verliezen, dat een vlug en goed uitgerust

schutter er meerdere na elkander velt. Worden oude, ervaren elanden in

den winter, wanneer er dik sneeuw ligt, langen tijd vervolgd, dan slaan

zij den eersten den besten gebaanden weg in, dien zij ontmoeten,

sukkelen daarop voort, onbedacht of zij den weg naar het bosch of naar

een dorp inslaan. Zoo geraken zij niet zelden in de onmiddellijke

omgeving der bewoonde plaatsen om nu eerst de richting naar het woud te

kiezen. Harde, bevroren sneeuwkorsten zijn voor de elanden even

noodlottig als voor de reeën; want onverschrokken en bekwame jagers

vallen hen onder zulke omstandigheden zelfs met de zwijnsspriet aan; op

hunne sneeuwschoenen halen zij het dier spoedig in, matten het af en

gebruiken nu het primitieve jachtwapen. Het vleesch der elanden maakt

bij de inboorlingen en kolonisten een geliefkoosd wildbraad uit; het is

evenwel zeer goedkoop. De huid echter vindt tegen 6 à 8 roebels grage

koopers en levert den broodjager genoeg belooning op voor zijn moeite

en inspanning.

Het wilde rendier is wel is waar eigenlijk een bewoner der toendra,

doch het wordt ook langs den geheelen woudgordel aangetroffen. Men

vindt dit dier geregeld op de oostelijke hellingen van den Oeral,

alsmede in de dichte bosschen en op de hooge gedeelten van het

gebergte; de jagers spreken daarom van bosch- en bergdieren en

schrijven aan beiden verschillende eigenschappen toe—zonder deze

evenwel op te noemen. Het rendier toont minder vrees voor bewoonde

oorden dan andere hertensoorten, hetgeen misschien te verklaren is uit

de omstandigheid, dat er onder de gedoode dieren, behalve wilde, ook

verwilderde voorkomen, die men herkent aan de brandmerken of aan de

sneden in de ooren. Deze hebben waarschijnlijk in den bronsttijd de

kudden der Samojeden en Ostjaken verlaten en zijn al verder zuidwaarts

getrokken, totdat zij wilde bloedverwanten ontmoetten en nu met deze

bleven samenleven. Eens het slavenjuk ontloopen nemen zij verbazend

snel alle wilde gewoonten weder aan. Als jachtdieren vervullen zij

onder de woudbewoners evenmin eene belangrijke rol als het wilde

rendier. Men doodt het rendier wanneer en op welke wijze men maar kan;

enkele vurige jagers van Russische afkomst uitgezonderd, wordt er

echter alleen door inboorlingen met volharding en lust op gejaagd.

Tot het eetbare wild rekenen alle verstandige menschen ook den haas;

slechts Semieten en Russen denken er anders over. Dientengevolge wordt

de jacht op deze dieren in West-Siberië eenig en alleen gedreven door

beschaafde en onbevooroordeelde Siberiërs van Russische afkomst, en

door de boven alle spijswetten verheven inboorlingen van het noorden

van ons gebied. Want ook het vel van den poolhaas heeft, omdat het zoo

wreed wordt, weinig waarde in de oogen der jagers. Misschien wordt het

wel om die reden door de heidensche bewoners des lands aan hun goden

geofferd. Niettegenstaande de onverschilligheid, waarmede de

woudbewoners het door ons zoo hoog gewaardeerde knaagdier beschouwen,

zoodat zij het niet zelden laten loopen, is de haas nergens in grooten

getale aanwezig. Velen laten in slagvallen hun leven, anderen strekken

ten prooi aan wolven, vossen en losschen, terwijl ook de strenge

winter, die hen tot verre tochten dwingt, hun noodlottig wordt.

Belangrijk kan men dit wild dus in geen opzicht noemen.

Onder de niet eetbare pelsdieren van den boomgordel komt aan den wolf

de eereplaats toe, in zooverre als hij het meest gehaat en het meest

vervolgd wordt. Wel beweert men dat de schade, die hij den mensch

onmiddellijk berokkent, niet van zoo groote beteekenis is, althans niet

onoverkomelijk, maar nooit verzuimt men de gelegenheid om dit dier

machtig te worden. Het staat vast, dat de wolf in West-Siberië slechts

bij uitzondering in groote troepen optreedt, en nog zeldzamer den

mensch aanvalt; maar even zeker is het ook, dat hij aan het

huisgedierte veel schade toebrengt, terwijl die schade dan alleen in de

oogen valt, wanneer men de aanzienlijke verliezen, die de kudden der

trekkende herders, zoowel van steppe als toendra door den wolf lijden,

mede in rekening brengt. De talrijkheid, waarmede dit dier in den

boomgordel optreedt, is zelfs bij benadering niet te schatten. De wolf

is overal en nergens; vandaag vallen zij in de kudde van een of ander

dorp, waar men ze sinds jaren niet bespeurde, en morgen doen zij zulks

elders; zij verlaten plotseling sommige streken en keeren er

onverwachts weêr in terug, hier met elke vervolging spottend, ginds op

geen tegenweer zelfs bedacht. Groote, veel bereisde wegen en aan weiden

rijke oorden trekken hen bijzonder aan, omdat zij daar in de lijken der

paarden, hier in de zonder opzicht rondloopende, zelfs diep in het woud

doorgedrongen huisdieren een gemakkelijke prooi vinden; toch ontbreken

de wolven ook niet in boschrijke streken, die buiten alle menschelijk

verkeer liggen. Soms ziet men hen, afzonderlijk of in kleine troepen

vereenigd, op vollen dag in de onmiddellijke nabijheid der woningen

dwalen; niet zelden trekken zij des nachts door de dorpen, ja zelfs

door de steden. Zij rooven in een enkelen nacht dozijnen schapen,

overvallen paarden en runderen, niet dikwijls evenwel honden, die

elders een begeerige buit voor hen zijn. Zij ontzien eenig en alleen de

dappere zwijnen, die terstond den strijd met hen wagen en gewoonlijk

als overwinnaars uit het perk treden.

Evenals onder de Russen heerscht ook bij de Siberiërs het bijgeloof,

dat de zogende wolvin zich wel wacht in de nabijheid van haar jongen te

gaan jagen, maar zich op eene vreeselijke wijze wreekt, wanneer men

haar welpen aantast; dat zij den roover tot in het dorp, alwaar hij

woont, vervolgt en in toomlooze woede verdelgend in diens kudde valt,

enz. Ieder Siberiër laat uit vrees voor deze wraakzucht een door hem

gevonden nest met jonge wolven onaangeroerd, en slechts enkelen wagen

het de jonge wolfjes een Achillespees door te snijden, ten einde ze te

verlammen, zoodat zij genoodzaakt zijn tot aan den herfst op de plaats

hunner geboorte te blijven. Want, naarmate de jongen in grootte

toenemen, vermindert, gelijk men meent, de liefde der moeder, en tevens

haar wraakzucht, terwijl de slimme boeren nog daarenboven in de

herfstpels eene extra-vergoeding vinden voor dit uitstel van executie.

De middelen, die men gebruikt om de wolven machtig te worden,

verschillen zeer naar gelang van plaats en gelegenheid. Kuilen,

klemmen, strychnine, stelbogen, enz. doen goede diensten; drijfjachten

daarentegen hebben zelden een gunstig gevolg. Liever tracht men den

wolf met de slede na te rijden, en hem van hier uit neêr te schieten.

Men heeft hem dan eerst op de volgende slimme manier gelokt.

Voor een wijde slede wordt een oud, zeer mak of halfdood paard

gespannen, terwijl daarin vier jachtgezellen plaats nemen, t.w. de

koetsier, twee schutters en een matig groot varken. De koetsier, die

enkel op zijn paard heeft te letten, neemt plaats op den bok; de beide

schutters zitten met den rug naar den voorkant der slede en houden het

varken, in een zak gebonden, tusschen zich in. Tegen het vallen van den

avond rijdt het gezelschap op een harden weg uit en slaat de richting

in naar het bosch, alwaar men daags te voren versche wolfssporen heeft

gezien. Een der schutters werpt nu, zoodra men deze sporen heeft

weêrgevonden, een aan een lang touw bevestigden, los met hooi

opgevulden zak uit de slede en laat dien naslepen, terwijl

ondertusschen de ander het varken op allerlei wijzen plaagt en tergt om

het tot schreeuwen te dwingen. Isegrim hoort dit geluid, denkt

waarschijnlijk, dat dit geschrei afkomstig is van een afgedwaald

biggetje en nadert stil en voorzichtig, d.w.z. zooveel mogelijk

ongezien, den weg, krijgt het naslepend pakje in ’t oog, meent daarin

het schreeuwend varken te herkennen, en besluit na lang nadenken en

dralen het arme dier uit zijn lijden te verlossen. Met een flinken

sprong verschijnt hij op den weg en draaft begeerig achter de slede

aan. Wat geeft hij om de dreigende gedaanten daar in het voertuig?!

Heeft hij zulke wezens niet dikwijls genoeg van nabij gezien en onder

hun oogen geroofd? Nader en nader komt hij de slede, die intusschen met

versnelde vaart haar tocht voortzet; nog erger mishandelingen doen het

varken nog meer schreeuwen; steeds luider en klagender worden de

jammerkreten; zinsverbijsterend werken deze op den roover—nog een

sprong, daar knallen twee schoten en rochelend ligt het ondier ter

aarde.

Even boosaardig als deze soort van jacht is een andere, die almede zeer

gebruikelijk is in dit land. Op geringen afstand van het dorp omheint

men een cirkelvormige plek van ongeveer twee meter in middellijn met

sterke, dicht naast elkaar, diep in den grond gedreven palen; deze

kring wordt omgeven van een tweeden, die overal op gelijken afstand,

b.v. veertig, hoogstens vijftig centimeter, van den eersten verwijderd

is. Twee zeer dikke palen dienen tot posten voor een deur, die uit een

sterke plank is vervaardigd, in stevige scharnieren draait en van

automatische sluitboomen is voorzien. Die palen zijn zoo gesteld, dat

de deur zich slechts naar binnen kan openen, doch als men er van binnen

tegen aandrukt zich vanzelf sluit door de neêrvallende boomen. Beide

cirkelvormige, omheinde plaatsen zijn wel is waar van boven niet dicht,

maar wel stevig overdekt. Door middel van een valdeur verkrijgt men

toegang tot de binnenste ruimte. Zoodra men nu ontdekt, dat de wolven

nachtelijke bezoeken in het dorp brengen, maakt men de val in

gereedheid. Men brengt een levende geit in de binnenste ruimte en opent

de deur, welke in de buitenste ruimte leidt. Het jammerlijk blaten der

geit lokt Isegrim. Hij is wel is waar niet ten volle gerust bij ’t

aanschouwen van dien ongewonen stal, maar weldra zet hij alle vrees op

zij; het arme geitje, nu het den gevreesden vijand in zijn nabijheid

ziet, jammert steeds meer en dit prikkelt de vraatzucht van den wolf.

Herhaalde malen rent deze met steeds klimmende bloedgierigheid en drift

om het staketsel, snuffelt, ruikt, nadert, gaat terug en kijkt

aandachtig naar de eenige opening, die hem de gelegenheid schijnt aan

te bieden om de geit te lijf te gaan.

Eindelijk krijgt de hartstocht de overhand op zijn aangeboren sluwheid.

Nog dralend, maar steeds naderbijkomend, dringt hij eindelijk kop en

lichaam door de nauwe opening.

Vol wanhoop drukt zich de geit aan den tegenovergestelden kant der

binnenste omheining. Zonder nader overleg volgt de roover haar. De geit

loopt den kring rond, de roover doet hetzelfde, slechts met dit

verschil, dat de laatste zich tusschen twee rijen palen moet bewegen.

Daar belemmert de deur zijn schreden. Maar het offer is thans zoo nabij

en zoo zeker te pakken! Onstuimig jaagt hij voorwaarts, de grendel valt

voor de weggedrongen en tegen het palissadenwerk gedrukte deur in de

passende keep, en ... gevangen is de wantrouwende, voorzichtige

lomperd; gevangen, zonder in staat te zijn den begeerden buit te

naderen. Zich niet kunnende wenden, in het diepst zijns harten

vertoornd, loopt, draaft, jaagt hij rusteloos voorwaarts, altijd in ’t

rond, een eindeloozen weg hierbij afleggend. De verstandige geit

begrijpt alras den toestand, en blijft eindelijk, ofschoon nog steeds

jammerende, in ’t midden der ruimte staan; de wolf ziet eveneens

eindelijk het vruchtelooze van zijn rondloopen in, tracht zijn vrijheid

te herkrijgen, scheurt met zijn tanden spaanders van een voet lengte

uit het hout, huilt met half gesmoorde stem van woede en

angst—tevergeefs! Na een nacht vol leed en kwelling begint het te

schemeren; de morgen breekt aan—zijn laatsten morgen. In het dorp komt

beweging; menschenstemmen mengen zich in het geblaf der honden.

Donkere, door bassende honden vergezelde mannen naderen het

treurtooneel. Onbewegelijk, een lijk gelijk, ligt de wolf op den grond;

nauwelijks verraadt een blikken zijner oogen, dat er nog leven in hem

is. Met woest geblaf omringen de honden het buitenstaketsel; hij

beweegt zich niet. Met hoonend gelach begroeten de mannen hun

gevangene; deze blijft roerloos liggen. Maar noch de honden, noch de

menschen laten zich bedotten. Door de palen zich heen willende wringen,

trachten de eersten den schijndoode te pakken, de laatsten pogen hem

den aartsvaderlijken paardenstrik, den arkan over den kop te werpen.

Nog eenmaal springt het roofdier op, nog eenmaal raast het door den

martelaarsweg, huilend tracht het schrik in te boezemen, bijtend zich

te weer te stellen, tevergeefs—de vreeselijke strik mist zijn

uitwerking niet; nog eenige minuten en hij is geworgd.

De vos leeft overal met den wolf in vijandschap en wordt door dezen

belaagd, gejaagd, gedood en opgegeten. Dientengevolge is de vos in

Siberië niet menigvuldig; hem uit te roeien vermocht tot dusverre noch

zijn vijandelijk gezinde bloedverwant, noch de mensch. In het oostelijk

deel van den woudgordel onderneemt hij bij tijd en wijle uitgestrekte

wandeltochten, terwijl hij of hazen of boschhoenders nazit; in het

westen schijnt men tot dusverre deze opmerking nog niet gemaakt te

hebben. Over schade, die hij zou aanrichten, klaagt men in Siberië

niet; toch wordt er ijverig jacht op hem gemaakt, daar zijn vel zoowel

bij de Russen als bij de inboorlingen hoog in aanzien staat; dit wordt

zelfs zeer duur betaald, indien het bijzonder schoon van kleur is. Als

jachtdier wordt de sabelmarter alleen hooger gesteld. Jagers van beroep

ondernemen ’s winters enkel om den vos jachten, die bijna even diep in

de bosschen leiden als de sabeljager hierin doordringt; Ostjaken en

Samojeden stellen hunne automatische schietbogen voornamelijk voor den

vos, en vinden geen moeite te groot om een nest uitvindig te maken, dat

jongen bevat. Deze worden uitgegraven, echter niet om ze te dooden,

maar om ze zorgvuldig op te kweeken en te verplegen, totdat ze groot en

krachtig zijn geworden en met den eersten of tweeden winter een pels

hebben erlangd, die den braven dierenverzorger meer waard is dan het

leven zijner lieve pleegkinderen en deze zonder genade doet overleveren

aan den worgenden strik.

Onder zekere voorwaarden mag ook de poolvos tot de dieren van den

woudgordel gerekend worden; in de bosschen zelf dringt dit dier evenwel

niet, maar hij volgt in den winter hoogstens den loop der groote

rivieren om nu en dan in het zuiden der toendra, zijn eigenlijke

woonplaats, op trekkende hazen en moerashoenders te jagen.

Een boschbewoner daarentegen in den volsten zin des woords is de losch.

Deze leeft ook in Siberië eenzaam en wordt maar zelden gevangen.

Waarschijnlijk verlaat hij zijn eigenlijke verblijfplaats, de dichtste

deelen van het binnenste der bosschen, alleen dan, wanneer gebrek aan

voedsel of het gevoel der liefde hem drijft; alsdan nadert hij den zoom

des wouds. Ervaren jagers van den oostelijken Oeral beweren, dat hij

met den beer niet alleen dezelfde woonplaats deelt, maar ook in de

nabijheid van diens winterkwartier blijft toeven, nadat deze reeds den

winterslaap heeft aangevangen. Dezelfde jagers verzekeren, dat de

voorliefde van den losch voor de winterslaapstede des beers dezen in

den val brengt, daar men eenvoudig op die plaatsen, alwaar de meeste

sporen van den losch elkaar kruisen, een nader onderzoek in ’t werk

heeft te stellen, terwijl men te meer zeker is van een goeden uitslag,

indien men een kringvormig spoor aantreft, dewijl dit steeds om het

winterkwartier van den beer heenloopt. De gewoonte van den losch om met

bijkans angstvallige zorgvuldigheid altijd weer in het oude spoor te

treden, zou het opsporen van den beer zeer in de hand werken. Ter

nadere verklaring voegt men aan deze verhalen nog toe, dat de losch in

Siberië zeer belust is op versch aas, en dus waarschijnlijk de

nabuurschap van een beer opzoekt om, als de gelegenheid zich voordoet,

te smullen van de overblijfsels van het berenmaal. Wel is waar weet men

ook van den losch te vertellen, dat hij zeer goed in staat is om ook

zonder de hulp van een zoo twijfelachtigen vriend grof wild te

bemachtigen, en dat hij in het bijzonder rendieren en reeën naarstig

vervolgt en spoedig vermeestert, maar men verzekert er geregeld bij,

dat de jacht van den losch hoofdzakelijk bepaald blijft tot klein wild;

als zoodanig noemt men hazen, aard- en boomeekhoorntjes, auerhoenders,

korhoenders en hazelhoenders, muizen, jonge vogels van allerlei soort

en meer andere dieren.

Wij hebben geen reden om deze opgaaf te wantrouwen; daardoor toch wordt

ook het zeldzaam voorkomen van dit roofdier in alle voor den mensch

toegankelijke grenswouden of boschzoomen verklaard. Zoolang er

eekhoorntjes en zwart vogelwild in het binnenste der bosschen huizen,

heeft de losch geen aanleiding om de door den mensch niet bezochte

wildernis te verlaten; als die dieren beginnen te trekken moet ook hij

echter wel volgen. Hoeveel vrees het zwarte vogelwild voor hem koestert

merkt men daaraan, dat elk balderend auer- of korhoen oogenblikkelijk

zwijgt, wanneer een losch zich laat hooren.

De losschenjacht geldt bij vreemdelingen en Siberiërs voor een zeer

edel jachtvermaak. De zeldzaamheid, voorzichtigheid, vlugheid en

weerbaarheid van den trotschen lynx bezielt iederen jager en zoowel de

huid als het vleesch van het gedoode roofdier schenkt een niet

onaanzienlijk gewin. De huid wordt van uit West-Siberië vooral naar

China verzonden en daar goed betaald; het vleesch wordt niet enkel

gegeten door de Mongoolsche bevolking, maar ook door de meeste

Russische kolonisten, en allen vinden het een kostelijk gebraad. In

slagvallen laat de losch zich niet dikwijls vangen; hij werpt ze vaak

omver wanneer zijn weg hem langs de slagboomen voert en hij bij toeval

op de stelplank trapt; ook de automatische schietboog mist bij hem

meestal het doel, terwijl hij over de op zijn spoor gelegde klem

meestal heenspringt; den jager rest alzoo slechts het geweer.

Natuurlijk jaagt men den losch enkel in den winter, wanneer er sneeuw

ligt en dus zijn spoor zichtbaar is, en men gebruik kan maken van

sneeuwschoenen. Dappere honden drijven het eindelijk opgespoorde

roofdier op een boom of op den grond, waarbij zij zelf niet zelden

erbarmelijk worden toegetakeld, zoo niet gedood. Zelfs de jager loopt

gevaar door den in het nauw gebrachten en woedend zich verdedigenden

losch aangevallen te worden.

Terwijl de wilde kat, die door den losch even onverbiddelijk wordt

vervolgd als de vos door den wolf, niet in den boomgordel van

West-Siberië voorkomt, maakt de grootste en vreeselijkste aller katten,

de tijger hier somwijlen zijne verschijning. Twee in de jaren 1838 en

1848 bij Bäsk en Slangenberg gevelde tijgers prijken opgezet in het

museum van Barnaul; een derde, die tusschen 1870 en 1880 werd gedood,

bevindt zich in het schoolmuseum van Omsk; een vierde bracht omstreeks

1870 de bewoners van de kreits Tschelaba, dicht bij den Europeeschen

Oeral gelegen, in rep en roer; dit beest greep, zonder getergd te zijn,

eenige boeren aan, maar liep verschrikt weg, enkel en alleen door het

zien van een roode muts, die men hem toewierp. In de steppengebergten

van Turkestan en in het geheele zuiden van Oost-Siberië komt de

„beheerscher” gelijk de Dauren den tijger noemen, geregeld op bepaalde

plaatsen voor en van beide zijden dwaalt hij waarschijnlijk, vaker dan

men constateeren kan, naar den westelijken woudgordel af; wellicht

houdt hij zich hier, zonder opgemerkt te worden, langen tijd op om even

ongemerkt weder terug te trekken. Hij verschijnt evenwel toch zeer

zelden en ongeregeld, zoodat men hem niet wel eene plaats kan aanwijzen

onder het wild van ons gebied.

Ongetwijfeld is dit wel het geval met de kostbaarste aller pelsdieren,

de verschillende martersoorten. Men klaagt wel is waar meer over de

vermindering dezer dieren dan van alle ander wild, toch vangt men er

nog genoeg, althans in sommige streken. Alleen de sabel is in de

laatste tientallen van jaren werkelijk zeldzaam geworden. Oude jagers

uit den Midden-Oeral herinneren zich in de nabijheid der stad Tagilsk

elken winter sabels gevangen te hebben; tegenwoordig ontmoet men op

gemelde breedte van het gebergte slechts sporadisch, en dan nog hoogst

zelden een afgedwaalden marter dezer soort. Naar men zegt heeft een

groote brand in de bosschen van het middelgedeelte des oostelijken

Oerals deze zoo algemeen begeerde en gejaagde pelsdieren verdreven.

Hetzelfde wordt beweerd in de boschdorpen aan den benedenloop der Ob,

waar de sabeljacht nu nog wordt gedreven, zoodat b.v. van daar op de

markt van Jelisaroff elken winter ongeveer twintig pelzen worden

gebracht. Veel talrijker is in alle wouden van West-Siberië de

edelmarter.

In het ontegenzeggelijk vrij uitgestrekte jachtgebied der zooeven

genoemde stad Tagilsk maakt men elken winter nog altijd van dertig tot

tachtig vellen dezer dieren buit. Dat de edelmarter veel meer dan de

sabelmarter in gezelschap van het eekhoorntje voorkomt, met dit beestje

verschijnt en verdwijnt, is het gevoelen van alle ervaren jagers. De

roofzuchtige makker vergenoegt zich echter geenszins met zijn

lievelingswild, maar vermoordt nog daarenboven elk dier, dat hij maar

kan machtig worden en is vooral gevaarlijk voor auer- en korhoenders.

Gelukt hem reeds in den zomer menige sprong op dezen of genen dier

waakzame vogels, in den winter komt hem de gewoonte van dit wild om in

sneeuwholten te slapen uitnemend bij zijn streken en treken te stade.

Bijna onhoorbaar van tak tot tak sluipend, nadert hij de ingegraven

vogels tot op sprongsafstand en valt hen van boven aan, door met

krachtigen stoot op den bovenwand der slaapruimte te springen, waardoor

deze breekt, terwijl hij een der slapers bij den nek heeft gepakt, vóór

deze de vlucht kon nemen.

De steenmarter komt eveneens nog overal in hoogwouden voor, is echter

veel zeldzamer dan zijn bloedverwant; bunzing, hermelijn en wezel zijn

overal verbreid en hier en daar zelfs vrij talrijk; de mink daarentegen

wordt wel op de westelijke, maar niet op de oostelijke helling van den

Oeral aangetroffen en ontbreekt reeds in de hier ontspringende

nevenstroomen van Irtisch en Ob, die, evenals genoemde rivieren zelf,

den vischotter in groote menigte herbergen; de das wordt in

West-Siberië bijna niet genoemd, terwijl de wijd en zijd verbreide

veelvraat het minst van alle marters in aanzien staat en meer een

voorwerp van jacht uitmaakt wegens zijn dieverijen in de slagvallen dan

om zijn huid.

Ofschoon het westen van Siberië doorgaat voor een afgejaagd gebied,

rusten zich toch ook hier elk jaar de woudbewoners uit voor de jacht op

sabels en andere martersoorten. Sommige jagers ondernemen, ten einde de

pelsdieren machtig te worden, zwerftochten en reizen, die in niets

onder doen voor die der Amerikaansche pelsjagers.

De jacht geldt natuurlijk niet enkel marters, maar alle mogelijk wild;

marters en eekhoorns maken evenwel het hoofddoel uit. Al naar deze

laatste dieren vroeger of later van kleur verwisselen, regelt men ook

het vertrek uit de dorpen, waar men woont; men ziet n.l. in die

verkleuring het bewijs, dat de winter nadert, terwijl almede diens

meerdere of mindere strengheid met dien tijd in verband wordt gebracht.

Gewapend en uitgerust, gelijk wij reeds vermeld hebben, vangen de

sabeljagers, zoodra de eerste sneeuw is gevallen, in troepjes van drie

tot vijf personen hun boschreizen aan. Ieder dezer mannen draagt

behalve zijn geweer en verder schiettuig, een zak op den rug,

sneeuwschoenen en een bijl over den schouder, een zweep in den gordel.

In den zak bergt men de noodzakelijkste levensmiddelen, als brood,

meel, spek, zout en tegelthee, en verder eenig gereedschap zooals een

pan, een theepot, beker, lepel, enz. in sommige gevallen ook een flesch

brandewijn; de zweep dient om de eekhoorns op te jagen en in ’t gezicht

te krijgen. Vier à zes honden, die het oog van elken fatsoenlijken

jager geweld aandoen, begeleiden de jachtgenooten.

Terwijl men zich richt naar den stand der bekende sterrenbeelden en

naar dien der helaas zich dagen achtereen soms verschuilende zon,

zwerven de geharde jagers dagen en weken lang door de gure wildernis,

overnachten er in en leven met hunne honden hoofdzakelijk van het

geschoten wild, ten einde den medegenomen voorraad zoolang mogelijk te

sparen. De leelijke, maar verstandige en omzichtige honden slaan niet

alleen acht op elk spoor, maar bespieden ook met geoefend oog de op de

boomen verscholen marters en eekhoorntjes, geven met blaffen kennis van

hun aanwezigheid, en houden u zoolang vast tot de jager nabij gekomen

is. Deze schrijdt langzaam voort met de onverstoorbare koelbloedigheid,

die allen woudjagers eigen is, legt zijn lang roer bedachtzaam op een

tak, of zoo noodig, op de vork, die aan ’t uiteinde van den loop is

aangebracht, mikt geruimen tijd en geeft eindelijk vuur.

In het begin van den jachttijd laten de eekhoorntjes, en zelfs de

edelmarters, terwijl zij zich uitsluitend met de honden bezighouden,

den jager tijd om tot op weinige meters afstands te naderen; spoedig

evenwel worden zij slimmer en bemoeilijken den schutter het rustig en

zeker mikken. Gelukt het dezen toch om den kogel door een der oogen van

het dier te jagen, dan is hij zeer tevreden, dewijl hij niet alleen een

ongeschonden huid krijgt, maar ook het lood nog eenmaal kan gebruiken.

Onmiddellijk nadat hij het gevallen wild in handen heeft gekregen,

stroopt hij het af,—bij marters en eekhoorns perst hij de ingewanden

door de mondspleet—slaat de hersenpan stuk om den kogel terug te

krijgen, en bergt daarna vel en vleesch, van elkaar gescheiden, in zijn

rugzak.

In geval de eekhoorntjes overvloedig zijn is deze jacht even voordeelig

als amusant. Ieder jager gebruikt den korten dag zooveel zijn krachten

hem dit veroorlooven; het eene schot volgt ras op het andere en een

nieuwe buit rust naast den eersten. Neemt het laden der geweren veel

tijd in beslag, het afstroopen der buitgemaakte dieren gaat des te

sneller; ieder jager doet zijn best. Zonder te rusten, zonder te eten

of zelfs te rooken, trekt het jachtgezelschap voorwaarts. De speurende

honden dwalen nu eens van het gezelschap af, straks zijn zij weer in de

nabijheid; de scherpe knal der buksen en het vroolijke geblaf der

honden schenkt afwisseling.

De een telt de schoten, een ander benijdt het geluk van zijn makker of

heet er hem geluk mee. Is daarentegen de winter arm aan wild, brengt

zelfs het onophoudelijk klappen der zweep geen eekhoorntje te

voorschijn, laat zich sabel noch edelmarter zien, bespeurt men eland

noch rendier; dan trekken jagers en honden zwijgend door het woud, en

schraalhans-keukenmeester brengt verder alles in eene nog slechter

luim.

Met het aanbreken van den nacht beginnen onze jagers er aan te denken

hun nachtverblijf gereed te maken. Ieder hunner graaft onder een ouden,

dikken, omgevallen boomstam een kuil in de sneeuw uit, waarin juist een

man kan liggen en ontsteekt daarin een groot vuur. Daarop reinigt een

ander, zoo mogelijk in ’t midden van alle kuilen en onder bescherming

van dichtkronige dennen of sparren, een cirkelvormige ruimte van de

sneeuw; een derde sleept brandhout aan; een vierde ontsteekt op die

plek een nog grooter vuur; een vijfde maakt het avondeten gereed.

Genoeg eekhoorns werden toch geveld om eene krachtige vleeschsoep te

maken en er de meelbrij of de snede brood mede te kruiden. Men eet,

geeft de honden hun fatsoenlijk aandeel, verkwikt zich aan de thee,

steekt het korte pijpje aan en onderhoudt elkander naar jagerswijs over

de lotgevallen van den dag. Intusschen heeft het vuur in de kuilen de

sneeuw doen smelten, daar boven den boom in brand gestoken en zoo de

slaapstede door en door verwarmd. Zorgvuldig schuift iedere jager de in

den kuil nog glimmende kolen naar het uiteinde, kruipt er in, terwijl

hij zorg draagt zooveel mogelijk de zijdelingsche sneeuwmuren niet te

doen instorten, roept zijn honden om met deze het warme leger te

deelen, en legt zich te slapen. Wel is waar valt van den steeds

voortglimmenden boom gedurende den nacht nu en dan een stuk kool op

jager en hond, maar een Siberische jagerspels verdraagt evenveel als

een Siberische hondenpels, zulk een brandend blok hout verwarmt beter

dan een veel grooter, vrij brandend vuur, warmt den kuil door en door,

evenals een Siberische kachel de kamer en maakt in ’t algemeen het

overnachten in een bosch mogelijk.

Uitgerust en versterkt staan de jagers bij ’t krieken van den dag op,

ontbijten en trekken verder. Bereikt men gunstige jachtvelden, die

elken winter bezocht worden, dan toeft men aldaar langer of korter

tijd, al naar omstandigheden. Op sommige plaatsen kan men eene uit

boomstammen vervaardigde jachthut betrekken, die aldaar in vroegere

jaren werd opgericht. Tevens vindt men op zulk een terrein oude en

nieuwe slagvallen, die nu weder op vang gesteld worden, en die men

elken morgen onderzoekt. Een en ander vordert veel tijd, daar die

vallen zeer ver uiteen liggen; ons jachtgezelschap verwijlt dan ook

menigmaal eene week en nog langer op zulk eene plaats in het bosch en

jaagt haar volledig af, alvorens de reis voort te zetten.

Op deze wijze jagende brengen vele Siberiërs het grootste deel van den

winter in het bosch door. Voor het begin dier tochten wordt gewoonlijk

met den een of anderen koopman een verdrag aangegaan. De jager verbindt

zich, tegen een vooraf bepaalden, gemiddelden prijs, alle huiden aan

den koopman af te staan, en de handelaar neemt op zich alle hem

geleverde artikelen, zonder uitzondering, in ontvangst te nemen. Is de

jager gelukkig, dan brengt de jacht hem nog heden ten dage genoeg op om

er van te leven, althans er de behoeften des winters mede te

bestrijden; in ’t algemeen echter loont ook dit jachtbedrijf de

daarmede verbonden moeite en ontberingen niet, en slechts een zoo

weinig eischend mensch als de Siberische jager pleegt te zijn, is in

staat daarin nog een bestaan te vinden.

De berenjacht is in de oogen van den West-Siberiër het roemvolste en

moeilijkste bedrijf. Vriend Petz is in ons gebied volstrekt niet dat

gemoedelijke wezen, gelijk hier en daar nog in Oost-Siberië; veeleer,

zooals bijna overal, een lomp, ongemanierd beest, dat wel is waar in

den regel voor den mensch de vlucht neemt, maar dat, als hij gewond is

of in de engte gedreven wordt, moedig den strijd bestaat en alsdan zeer

gevaarlijk kan worden. In weêrwil van de sterke vervolging, waaraan hij

bloot staat is de beer nog nergens uitgeroeid; integendeel hij komt nog

altijd veel voor. Hij bewandelt steeds zijn eigen weg en vertoont zich

weinig op de door menschen bezochte plaatsen. Daarmede wil niet gezegd

worden dat bruintje in ’t geheel niet bij menschelijke woningen komt,

of dat hij ze zelfs vermijdt; want hij houdt zich niet zelden in de

onmiddellijke nabijheid der dorpen op, en overvalt soms de huisdieren

voor de oogen der bewoners; maar hij vertoont zich zoo ongeregeld, dat

vele Siberiërs er nog nooit een gezien, nog nooit een in het bosch

ontmoet hebben. Het schijnt dat hij den ganschen zomer door heen en

weêr trekkende is. Hij zwerft door de bosschen, zonder zich hier aan

bepaalde wegen te binden; klimt, al naar den vorm der bergen, hierbij

meer of minder regelmatig betreden paden volgende, in den nazomer de

hoogten op, en keert tegen het begin van den winter naar de laagte

terug; houdt ten tijde van het rijpen van het koren zich op aan den

buitenkant van het woud, om op zijn gemak in de naburige velden te

plunderen, verlaat ook soms geheel en al het bosch om de aangrenzende

steppe op te zoeken, ook wel die berghellingen, welke het karakter van

steppen dragen, houdt zich langen tijd op bepaalde plaatsen op, of

trekt, zonder op ééne plaats te toeven, naar eene andere, immer en

overal van de oogenblikkelijke gelegenheid gebruik makende om eene

lievelingsspijs machtig te worden.

In de meeste streken is hij bepaald een planteneter; hier en daar wordt

hij tot een gevreesd roofdier, op weer andere plaatsen maakt hij jacht

op aas. In het voorjaar vreet hij van alles wat hij maar vinden kan,

beloert van uit eene hinderlaag listig het vee, dat al grazende de

bosschen intrekt, om bliksemsnel op een der dieren aan te vallen, of

met ongemeene vlugheid na te rennen; hij grijpt het, werpt het ter

aarde, vermoordt het, vreet zich zat en begraaft, ofschoon vrij

onhandig, de rest, om later nog een maal te hebben. Tijdens veeziekte

spoort hij de mestvaalten op ten einde van de lijken der gestorven

huisdieren te smullen; ja, men heeft hem zelfs wel eens op kerkhoven

den lijkendief zien spelen. In den zomer plundert hij de korenvelden,

berooft de nesten der wilde bijen en de bijenkorven, graaft de wespen-

en hommelnesten uit, verwoest de mierenhoopen om de poppen te

vermeesteren, wentelt oude, gevallen boomen om, ten einde de daaronder

liggende kevers, maden en larven buit te maken, doet zelfs vermolmde

boomen omstorten, om zich de daarin levende insectenlarven toe te

eigenen. In den herfst voedt hij zich bijna uitsluitend met allerlei

bessen, ook die, welke hij eerst van de boomen moet halen, zooals b.v.

de vruchten van de vogelkers; wanneer de piniolen rijp zijn, spoort hij

deze op; daartoe beklimt hij hooge boomen, wier takken en kruinen hij

afbreekt. Uren lang snuffelt hij om de voorraadschuren, waarin de

piniolen voorloopig worden bewaard, en blijft niet in gebreke zich met

geweld een weg tot derzelver binnenste te banen als hij slechts

eenigszins daartoe de kans schoon ziet. Nu en dan gaat hij bij

afwisseling visschen, en dit somtijds met gunstigen uitslag. Voor den

mensch slaat hij geregeld op de vlucht; toch besluit hij ook eene

enkele maal, en dan zonder zich lang te bedenken, tot den aanval, in

dit geval zelfs geen overmacht ontziende. Al naar de weêrsgesteldheid

betrekt hij nu eens vroeger dan weer iets later zijn winterkwartier om

te slapen. Voor leger kiest hij bij voorkeur eene geschikte plaats

onder een ouden, reusachtigen, omgevallen boom, graaft hier allereerst

een ondiepen kuil uit, welks bodem hij met dennennaalden en eene laag

mos ter dikte van 50 centimeter bedekt, bekleedt met dit laatste ook de

zijwanden, bedekt alles van buiten met boomtakken, en laat zich

insneeuwen. Wordt hij in het gebergte door de eerste sneeuwbui

overvallen, dan daalt hij niet altijd naar de laagte, maar bergt zich

in eene rotskloof, die zoo goed mogelijk bekleed wordt, of hij verwijdt

het nest van de een of andere marmottensoort zooveel als noodig is en

brengt daarin dan den winter door. Eenmaal ingeslapen ligt hij zoo

vast, dat men hem slechts met groote moeite kan opjagen; hij bijt dan

zeer boosaardig in de ijzeren staven, waarmede men hem port, knort en

brult en gehoorzaamt dan eerst wanneer men tot vuurpijlen of vuur de

toevlucht neemt. Eindelijk stormt hij, zoo hij niet verwond is

geworden, als een opgeschrikte ever naar buiten, doet zijn behoefte, en

zoekt zijn heil in eene overhaaste vlucht. De berin brengt, volgens de

eenstemmige berichten van alle ervaren jagers, slechts om den anderen

winter jongen ter wereld, en wel gedurende den diepsten slaap; zij

ontwaakt, gelijk men veronderstelt, slechts kort voor de baring, lekt

de kleinen schoon en droog, legt ze aan de tepels en slaapt dan met

tusschenpoozen weêr voort. Op het einde van Mei of in de maand Juni

zoekt zij hare vroeger geboren, dus twee- en zelfs de vierjarige

kinderen weer op, en dwingt deze als pestoen of kindermeiden dienst te

doen.

Ofschoon men in West-Siberië het anders volstrekt niet onsmakelijk

vleesch van den beer weinig op prijs stelt, en berenhammen meer om de

aardigheid toebereidt en opdischt dan om zich werkelijk een lekker maal

te verschaffen, levert de berenjacht toch goede winsten op.

De pels dient voornamelijk tot het vervaardigen van dekens voor de

sleden, is zeer gezocht en wordt duur betaald; de tanden en nagels zijn

in de oogen van Ostjaken en Samojeden, zelfs in die van de

West-Siberische boeren krachtige talismans; ook de beenderen worden

soms gebruikt. De scheurtand van een in eerlijken strijd gevelden beer

schenkt den Ostjak, gelijk hij meent, bovennatuurlijke gaven, in ’t

bijzonder moed, kracht en sterkte, ook wel eens onkwetsbaarheid; een

klauw, vooral de vierde van den rechter voorpoot, die met den

ringvinger overeenkomt, dwingt—volgens het geloof van alle minnende

jonge meisjes in den Oeral, iederen jongeling, die heimelijk door haar

daarmede werd gekrabd, tot vurige liefde; tand en klauw staan dus hoog

in prijs en vuren menigen jager nog meer dan geleden schade aan, om dit

vreeselijkste aller roofdieren des avonds op te sporen en te

bestrijden. Deze jacht is echter alles behalve gemakkelijk of zonder

gevaar. Vallen, die een goed resultaat opleveren, kent men niet; men

moet dus altijd den beer opzoeken, en met het wapen in de hand, met de

hulp van goed gedresseerde honden, den strijd met hem bestaan. In den

zomer wordt de jacht bemoeilijkt door de ongedurigheid van den beer; in

den winter is het eerder mogelijk een leger op te sporen en daarin of

daarvoor den slaper te dooden. De arme boer, die dit leger ontdekt,

verkoopt zijn beer aan den een of ander welgestelden jager; deze trekt

met den boer en eenige metgezellen op een gunstigen dag ter jacht,

omringt het winterverblijf des roofdiers met geoefende schutters, laat

door drijvers den beer wekken en onder schot brengen, en schiet op den

kortst mogelijken afstand het geweer af. Op deze wijze worden de meeste

beren gedood; voor geoefende schutters is deze soort van jacht dan ook

het minst gevaarlijk. In den zomer en in den herfst zoekt men den beer,

wiens spoor men heeft ontdekt, of dien men zelf heeft gezien, met

behulp van kleine honden op, laat hem door deze dieren op eene

geschikte plaats voeren en vuurt dan op het juiste oogenblik den kogel

af; of wel, men maakt op de wijs der moedige Ostjaken, gebruik van de

berenspies en laat het dier daarin rennen; of men omwikkelt den

linkerarm goed met berkenbast, houdt dit pantser den aansnellenden beer

voor en stoot hem op het oogenblik dat hij in den berkenbast bijt, een

breed en lang mes in het hart. Beide wijzen van jagen gaan dikwijls

gepaard met ongelukken. Sommige jagers echter krijgen mettertijd

zooveel onverschrokkenheid en behendigheid, dat zij boven elk ander

wapen aan spies of mes de voorkeur geven. Een boerenmeisje uit het dorp

Morschowa in den Oeral, wier roem zich over geheel West-Siberië heeft

verbreid, zou met het mes reeds meer dan dertig beren gedood hebben.

Allerlei verhalen zijn in omloop van ongewenschte ontmoetingen met

beren. Een, enkel met zijn erwtenbuks gewapend jager ziet in het bosch

een grooten beer; hij waagt echter geen schot, omdat hij weet, dat zijn

lood voor zulk wild niet zwaar genoeg is. Hij blijft dus rustig staan

ten einde den beer niet te vertoornen. De laatste komt naar hem toe,

gaat voor hem op de achterpooten staan, beruikt hem het gelaat en geeft

hem eindelijk een slag, die den jager bewusteloos ter aarde doet

vallen. Hierop verwijdert bruintje zich ijlings, even alsof hij zich

bewust is, dat hij een dommen streek heeft uitgevoerd.

Twee Zweden, Aberg en Erland jagen in den Oeral op hazelhoenders; de

eerste nadert een braamstruik, waaruit tot zijn niet geringe verbazing

een groote beer, in plaats van een hazelhoen opspringt, die hem zonder

bedenken gaat aanvallen. Aberg ziet in dat vluchten niet baat en legt

onverwijld zijn schrootgeweer aan de wang, mikt op het oog van den

beer, geeft vuur, en is zoo gelukkig het ondier een oog uit te

schieten. Woedend van pijn dekt de beer het bloedende oog met den poot,

brult luid en gaat nogmaals op den onverschrokken jager los. Deze vat

koelbloedig het andere oog in ’t vizier en schiet met even goed gevolg

als de eerste maal. Nu roept hij zijn makker en beiden vuren

afwisselend op den blinden beer, tot zij hem gedood hebben.

De vermakelijkste geschiedenis viel voor op een veld bij het dorp

Tomski Sawod in de buurt van Salair. Een boer uit die streek rijdt met

een lading piniolen door het woud, zonder te merken dat er zaden uit

een der zakken vallen. Een beer, die achter den wagen door het woud

wandelt, en dwars over den weg komt, waarop de boer rijdt, vindt eenige

dier zaden, zoekt de andere op, en volgt, zonder door den boer gezien

te worden, den wagen. De boer verlaat eenigen tijd later paard en

wagen, terwijl hij het paard gebiedt stil te blijven staan, en slaat

een zijweg in om nog een zak met piniolen te halen, die daar is blijven

staan. Voor hij met zijn last terug is gekeerd, heeft de beer den wagen

ingehaald, en dien beklommen om zich nu naar hartelust te goed te doen

aan zijn lievelingsgerecht. Verschrikt ziet de teruggekeerde voerman

dat zulk een passagier zich bij hem heeft opgedrongen; hij waagt echter

tegenover dien ongenooden gast niets en laat paard en wagen in den

steek. Het paard, dat reeds angstig is geworden, kijkt eindelijk om,

herkent den beer en rent met den wagen weg zoo snel het draven kan; de

ongewenschte beweging echter verschrikt op zijne beurt den beer

zoodanig, dat deze niet van den wagen af durft springen; hij houdt zich

zoo goed mogelijk vast en geeft middelerwijl zijn vrees door een luid

gebrul te kennen. Natuurlijk lokt dit gebrul een nog snelleren draf van

het paard uit, en hoe meer de beer woedt en hoe bevreesder hij wordt

des te sneller loopt het paard in de richting naar het dorp. Hier staat

men echter reeds verscheidene uren op den bisschop te wachten en heeft

in feestgewaad voor de deuren post gevat om het hooge personage

terstond bij zijn komst te kunnen begroeten; men heeft zelfs

scherpziende jongens boven op den toren geplaatst en hun opgedragen,

wanneer zij den gevierden man in ’t oog krijgen, terstond aan alle

klokken te trekken.

Daar dwarrelt in de verte een stofwolk op; de knapen trekken aan de

klokketouwen, mannen en vrouwen scharen zich in rijen, de pope treedt

met het wierookvat voor de kerkdeur, en iedereen maakt zich gereed om

den kerkvorst naar waarde te ontvangen. En nader ratelt de wagen;

midden door de feestelijk gestemde dorpelingen jagen ros en koetsier,

het eerste proestende en met stof en zweet bedekt, de ander brullend en

snuivend, en eerst op het erf van den eigenaar eindigt de dolle rit. In

plaats van het zoo schoone Russische kerkgezang klinken schrille kreten

van schrik uit den mond van half bewustelooze vrouwen door de lucht, in

plaats van deemoedig buigende gestalten, ziet men onthutste

mannengezichten; alleen de klokken luiden zooals gewoonlijk. Voordat

die tonen zijn weggestorven, heeft men de bezinning teruggekregen; men

verzamelt en wapent zich, trekt paard en beer na en doodt den laatste,

die geheel verbijsterd scheen, op den door hem zelf gekozen troon.

Wie met den berenaard bekend is, moet toestemmen, dat zoo iets

wezenlijk gebeuren kan, alhoewel wij eerder geneigd zijn het zoo even

geschilderd verhaal eene plaats aan te wijzen onder de verdichte

jachtgeschiedenissen. Ook in den mond der ernstige en eerlijke

boschbewoners worden waarheid en verdichting wel eens dooreengemengd,

wanneer zij verhalen van het woud, het wild en de jacht in Siberië.

Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping · 第 12 / 88 题