DE AZIATISCHE STEPPE EN HARE DIERENWERELD.

Eentonig voorwaar! maar niettemin in den hoogsten graad eigenaardig, is

het onmetelijk gebied, dat zich over geheel Midden-Azië uitstrekt, om

zich tot in het zuiden van Europa voort te zetten: de Steppe. De

oppervlakkige beschouwer moge wanen, dat het gemakkelijk valt eene

voldoende beschrijving van de steppe te geven, hij, die dieper denkt,

weet, dat zulks eene alles behalve gemakkelijke taak is. Want zoo

onveranderlijk eenvormig, zoo gansch en al zonder afwisseling, als men

gewoonlijk aanneemt, is de steppe niet. Verschillend van uitzicht is

ook zij in den tijd van haar bloei en verval, in den zomer en in den

winter; groot verschil is zelfs bij haar op te merken in elk

jaargetijde in hare hoogere en lagere deelen, daar waar gebergten

verrijzen en waar beken, rivieren, meren en poelen hare laagten en

kommen opvullen. Eentonigheid werkt zij slechts uit, omdat een en

hetzelfde beeld duizendmalen wordt herhaald, en datgene zelfs

alledaagsch wordt, wat het oog boeit en streelt als men het voor ’t

eerst ziet.

Steppe is een Russisch woord; de Rus bestempelt met dien naam alle,

onder gemiddelden breedtegraad gelegen boomlooze landschappen met een

nuttig plantendek, onverschillig of het volkomen vlak land is of een

golvend terrein, of het heuvelland is of bergland, of hier en daar een

zwarte grond gelegenheid oplevert voor den akkerbouw, of dat de magere

bodem van nature slechts voedsel verleent aan de kudde des herders.

Deze opvatting komt overeen met den aard der zaak, want hier zoowel als

ginds ontspruiten aan den bodem dezelfde planten; hier zoowel als daar

leven dezelfde dieren; hier zoowel als daar doet zich de wisseling der

jaargetijden op dezelfde wijze gelden.

Als een gebied zonder bosschen moet men de steppe beschouwen, alhoewel

zij niet geheel en al zonder boomen is. Want in de breede en diep

ingesneden rivierdalen vindt men wel degelijk boomen en groote

struiken. Onder bijzonder gunstige omstandigheden groeien wilgen en

witte en zilverpopulieren er op tot hooge boomen, die zich zelfs in

gesloten rijen om den oever scharen; berken vormen hier en elders

boschjes, dennen erlangen op zandige duinen vasten voet en vormen

groepen, die wel is waar niet met echte bosschen vergeleken kunnen

worden, maar die toch even dicht zijn als de zooeven genoemde

rivierzoomen. Zulke plaatsen, ’t zij al dadelijk gezegd, vormen evenwel

uitzonderingen op den regel, en zijn eigenlijk eene vreemde wereld in

de steppe; ze zijn te vergelijken bij de oasen eener woestijn.

Als eene onafzienbare, slechts hier en daar zacht golvende vlakte kan

de steppe er uitzien; elders gelijkt zij een zeer bewogen watervlak en

biedt dan meerdere afwisseling aan, terwijl wederom op andere plaatsen

gebergten uit haar oprijzen. In den regel wordt de gezichteinder overal

begrensd door heuvelketens van meerdere of mindere hoogte; meestal

omgeven deze ketens een komvormig dal, waarin het water geen uitweg

schijnt te kunnen vinden, en ook dikwijls niet vindt. Uit de langere

dwarsdalen der dikwijls zeer vertakte ketens vloeit een klein beekje

naar de diepste plaats van het keteldal en eindigt in een meer, welks

ziltige oevers, van uit de verte gezien, glinsteren, alsof zij nog met

de sneeuw van den winter bedekt waren. De heuvels doen zich, uit de

verte gezien, voor als hooge bergen, want het oog verliest op deze

onmetelijke vlakten elken maatstaf ter richtige beoordeeling, en de

heuvels zelve verbijsteren zelfs den geoefendsten waarnemer, wanneer

hun ontbloote deelen harde rots te voorschijn doen treden, die koepels

en kegels, naalden en pieken vormen. Overigens komen er, de

hooggebergten in de nabijheid der Chineesche grenzen niet medegerekend,

in de steppe der Kirgiezen werkelijke bergen voor, die van nabij niet

minder schoon zijn dan in de verte, hetgeen zij te danken hebben aan de

vele en diepe insnijdingen in hunne kruinen en hellingen. Hoe hooger en

meer vertakt de gebergten zijn, des te rijker wateraders zenden zij

naar beneden en des te grooter worden dan ook de meren in de

laagvlakten, waarin zich de rivieren storten, zonder de laagste kom

ooit geheel te kunnen vullen of de omgrenzende hoogten door te kunnen

breken; en daarmede houdt ook de uitgestrektheid der zoutsteppen

gelijken tred, welke steppen zich legeren om de altijd zoute meren

zonder afvoer. Dit alles daargelaten blijft toch het beeld der steppe

zich altijd vrij wel gelijk, hoe afwisselend het landschap ook moge

zijn.

Men zou de waarheid te kort doen, indien men wilde beweren, dat de

steppe geheel ontbloot is van bevallige, ja zelfs grootsche partijen.

De heidevelden van Noord-Duitschland, zelfs de Mark, zijn eentoniger

dan zij. Reeds in de zacht golvende vlakte rust het oog gaarne op de

meren, die alle diepe kommen innemen; in het heuvelland of tusschen de

hoogere bergen evenwel zijn de waterbekkens steeds een waar sieraad van

het landschap. Ofschoon niet altijd, missen de meren in den regel

vriendelijk groen geboomte, soms zelfs zijn zij ontbloot van alle

struikgewas; niet zelden ligt het geheel naakt en kaal, maar ook in dit

geval nog tooit het de steppe. Want vriendelijk kaatst ons het

watervlak het blauw des hemels terug, en ook hier geniet men van de

weldadige, levendmakende kracht des waters. En wordt het meer aan den

eenen kant door een bergketen geheel begrensd, of vormen, gelijk aan

den Alakoel het geval is, hooge gebergten eene omlijsting, terwijl de

steppe overal schilderachtig afsteekt bij den glinsterenden

waterspiegel, de donkere berghellingen en de besneeuwde bergtoppen;

spreidt zich het zachte waas van den horizon over de vlakte en de

bergen uit, en schijnt zij zelfs daar schoonheden te verbergen, waar

deze niet te vinden zijn, dan is men gaarne gezind om te bekennen, dat

ook de steppe in haar soort schilderachtige landschappen omvat.

Maar ook wanneer men mijlenlange dalen doortrekt, of over die bijna

eindelooze vlakten dwaalt, welke slechts door zacht golvende lijnen aan

den verren gezichteinder begrensd worden, wanneer men steeds een en

hetzelfde beeld, hetzelfde uitzicht naar het noorden en zuiden, het

westen en het oosten voor zich heeft, en te midden der oneindige ruimte

een gevoel van eenzaamheid en verlatenheid ons bekruipt, dan zelfs

geeft de steppe nog meer dan onze heide, daar de plantengroei ginds

ongemeen veel rijker, bonter en afwisselender is dan bij ons. Slechts

daar, en alleen daar, alwaar rondom een meer de zoutsteppe zich

uitbreidt, ligt het landschap troosteloos arm en verlaten voor ons.

Hier verkwijnen alle planten der steppe, en kleine, armoedige

loogkruiden, ineengeschrompelde heideplantjes gelijk, treden in

derzelver plaats, om hier en ginds eenig struikgewas te vormen.

Daartusschen ligt het zout in dikkere of dunnere lagen op den bodem; de

vroeger met water gevuld geweest zijnde poelen tusschen de kuifvormige

hoogten van loogkruidboschjes gelijken op met ijs bedekte vijvertjes.

Een zoutkorst bedekt het gansche land en bewaart het onderliggende

slijk voor uitdrogen; het hecht zich zoo vast aan den bodem, dat het

zich hiervan moeilijk laat scheiden.

Zoo komt het dat voetgangers, en eveneens de over de steppe dravende

paarden, bij elke schrede groote klompen slijk en zand uit den grond

lichten, evenals ware de grond bedekt met eene laag losse, vochtige

sneeuw; wagens laten een diep spoor in deze taaie massa achter, en het

wentelende wiel teekent soms zijn weg in het zout af evenals bij

strenge koude in de sneeuw. Zulke plaatsen zijn ongetwijfeld ontzettend

eenzaam, woest en treurig,—alle andere plekken zijn zulks niet.

De flora der steppe is gewoonlijk veel rijker aan soorten, dan men

gemeenlijk denkt, en veel rijker dan ik als leek op dit gebied vermag

te zeggen. Op den zwarten grond verdringen het Tschi- en Thyrsagras, in

vereeniging met spiraea’s, plaatselijk bijna alle andere planten; in de

door deze opengelaten plaatsen ontkiemen echter, even goed als op

mageren grond, een aantal sierlijke bloemen, terwijl overal waar de

steppe eene komvormige verdieping vormt, de plantenwereld allengs in

een moerasflora overgaat; zeggegras en riet voeren dan den boventoon en

geven, evenals straks genoemde grassen, nu op hun beurt aan weder vele

andere planten genoeg ruimte om tot ontwikkeling te komen. Maar de

bloeitijd duurt in de steppe kort, de tijd van verwelken en sterven

lang.

Misschien zegt men niet te veel, als men beweert, dat het verschil in

jaargetijden nergens ter wereld zich scherper doet gevoelen dan in de

steppe, alwaar een bonte bloemenpracht, de dorheid der woestijn, de

lieflijkheid van den herfst en de barheid des winters met elkander

afwisselen, waarin de verdelgende krachten even sterk optreden als de

scheppende, de gloed der zon even vernietigend werkt als de koude,

waarin het door de hitte gedoode en door hevige stormen weggemaaide

leven weder juichend ontwaakt onder de eerste stralen der lente, waarin

niet eens het verterende vuur in staat is dat leven geheel te

vernietigen, voor zoover het nog gespaard bleef door zonnehitte en

stormen. Met meer kracht moge de lente optreden in de

keerkringsgewesten, maar meer betooverend dan in de steppe kan zij

nergens werken, want hier weêrstaat zij zelfs den zomer, den herfst en

den winter.

Nog groent de steppe, wanneer de zomer er zijn intocht houdt; haar

volle pracht is echter voorbij. Weinige planten erlangen thans eerst

hare ontwikkeling; en ook deze verwelken reeds in de eerste dagen van

de verzengende hitte, en het bonte lentekleed gaat over in grijs en

geel. Het malsche, groene Thyrsagras biedt nog steeds weêrstand aan de

droogte, maar zijn losse, lange, dicht behaarde aren hebben reeds den

vollen wasdom bereikt; zij golven in den ademtocht van het zachtste

windje en werpen een zilveren sluier over het lagere groen. Nog slechts

enkele dagen, èn gras èn aren zijn even verdord als het nu reeds geel

geworden Tschigras, dat er in het voorjaar uitziet als opschietend

graan, maar zich nu als rijp voor de zeis aankondigt. De breede bladen

van de rhabarber liggen verdord ter aarde; de spiraea is verwelkt, de

Garakanstruik ontbladerd, de kamperfoelie heeft evenals de dwergamandel

eene herfstkleur aangenomen; de distels prijken in den tooi hunner

vruchten, en alleen de absinth en bijvoet hebben het grijsachtig groen

harer bladen nog niet verloren. Rein en helder schijnt de zon op het

dorstige land; slechts zeer zelden schuiven de schilderachtige

schapenwolkjes aan den hemel dicht te zamen, en mochten zij zich

somtijds tot een onweêrsbui samenpakken, dan is de regen, dien zij

uitzenden, nauwelijks toereikend om het stof neêr te slaan, dat bij

iederen windstoot opdwarrelt. De dieren hebben hun zomerverblijf nog

niet verlaten; het gezang der vogels is echter reeds verstomd. Slechts

het kruipend gedierte,—ontelbare hagedissen en slangen, meest

adders,—gevoelt zich behagelijk, terwijl de sprinkhanen in ontelbare

scharen, die de lucht verduisteren, door de steppe rondzwermen.

Nog voor de zomer ten einde is, heeft de steppe het herfstkleed

aangetrokken; haar tooi bestaat nu uit een grijsachtig geel in

verschillende schakeeringen, zonder veel afwisseling of sierlijkheid.

Alle teedere planten worden door den eersten storm ter aarde geveld; de

volgende windvlaag doet haar door de steppe dwarrelen. Met de takken en

twijgen dooreengewoeld, vormen zij hoopen en boschjes, die, door den

razenden wind gedragen, half omhuld door het over den grond stuivende

zand, op spookachtige wijze, huppelende en rollende wegsnellen. Daar

boven aan den hemel vangen de donkere, of van sneeuw zwangere wolken

een wedstrijd met haar aan. De zomervogels van het vasteland zijn reeds

sedert geruimen tijd zuidwaarts getrokken; de watervogels verzamelen

zich in groote scharen op de meren en maken zich tot den aftocht

gereed; die zoogdieren, welke mede verhuizen, dwalen in groote troepen

van de eene plek naar de andere om voedsel te zoeken; de winterslapers

stoppen de toegangen tot hunne holen dicht en de reptielen en insecten

betrekken hun winterkwartieren.

Een enkele nachtvorst is voldoende om alle wateren met eene ijskorst te

bedekken; ettelijke koude dagen slaan meren en poelen in de

winterboeien, en alleen de rivieren en beken, die langer weêrstand

bieden aan den vorst, verleenen voor een korten tijd nog een geschikt

verblijf aan die trekvogels, welke tot nog toe de afreize hebben

uitgesteld. Zwakke noordwestenwinden drijven donkere wolken over het

land en de sneeuw valt in kleine vlokjes ritselend neder. De gebergten

hebben zich den sneeuwmantel bereids over de schouders geworpen; ook de

laagsteppe trekt nu haar winterkleed aan. Guur weder duchtend, verlaat

de wolf de rietlanden en spiraeaboschjes, die hem tot dusverre tot

veilige schuilplaats verstrekten, en begeerig sluipt hij om de dorpen

en winterlegers der trekkende herders, die nu de meest beschutte en nog

niet afgeweide deelen der laagsteppe opzoeken, om hunne kudden zoo goed

mogelijk tegen de nooden en ellenden des winters te beschermen. Evenals

de daar gevestigde Kozak of boer, zint ook de herder op middelen om den

hongerigen wolf buiten te houden, of hij rijdt de steppe in en vervolgt

het verraderlijk spoor des roovers tot diens leger en drijft hem op. Op

zijn paard gezeten, dat hij door luid geschreeuw tot sneller spoed

aanspoort, een stevigen boomstam als knods in de rechterhand zwaaiende,

rent hij den laffen worger zijner kudde na. De omhoog stuivende sneeuw

omhult wolf, ros en ruiter, de snijdende vorst kleurt het aangezicht

van dezen bloedrood, maar wat nood!

Na een jacht van een enkel uur, van ten hoogste twee uren kan de wolf,

die van twintig tot dertig kilometer heeft afgelegd, niet verder

loopen; hij keert zich om en stelt zich in tegenweer. De tong hangt het

ondier uit den muil, de met ijs omkorste uiteinden van de haren, zijner

dampende huid rijzen te berge, de rollende oogen drukken doodsangst

uit. Een enkel oogenblik draalt het edele ros, dan stormt het, gedreven

door het geroep en de knods zijns berijders voor ’t laatst op den

gehaten vijand los. Hoog zwaait de jager zijn verpletterend wapen,

suizend stort het neer, en trillende en rochelende ligt de gevelde wolf

ter aarde. Door den honger gedreven, gelijk deze, verwisselen tegen

denzelfden tijd wilde paarden en antilopen van woonplaats om het

bedreigde leven te redden; zelfs het wilde schaap, dat aan het gebergte

is gebonden, zwerft van den eenen bergkant naar den anderen; slechts de

hazen en de huisvaste steppenhoenders verlaten hun woonplaats niet, de

eersten zich met grashalmen en boombast, de laatsten met zoden en

knoppen zoo goed mogelijk voedende. Dagen achtereen duurt de sneeuwbui;

eindelijk gaat de wind liggen, maar donker als te voren blijft de

lucht. De wind draait en waait scherper en steeds scherper uit het

oosten, zuidoosten, zuiden of zuidwesten. Een lichte wolk, gevormd door

opwaaiende sneeuw, rolt over het witte dek; de wind groeit aan tot een

orkaan; de wolk stijgt omhoog, en woedend raast de „boeran” of

sneeuwstorm over de steppe; zelfs de meest tegen het weder geharde man

verliest zijn denkvermogen en wordt schier zinneloos; zoodanig is de

uitwerking van dezen gevaarlijken wind, dien men vreest als den taifoen

en den vergiftigen sammoem.

Twee, drie dagen achtereen woedt hij onverpoosd door, mensch en dier

bijeen dringende naar dezelfde plek. Hij, die in de onafzienbare steppe

door zulk een storm overvallen wordt, is reddeloos verloren, indien

niet een bijzonder toeval hem uitkomst schenkt; wie zich, tijdens het

woeden van den „boeran”, buitenshuis waagt, kan zelfs in het dorp, of

in de steppenstad omkomen, gelijk de ervaring dikwijls leert. Eerst

tegen het einde van Februari zijn menschen en dieren vrij wel buiten

gevaar, en kunnen zij weder vrij ademhalen, al drukt ook nu nog de

winter zwaar op de steppe.

De zon rijst; haar stralen koesteren weder de zuidelijke berghellingen;

donkere plekken, die elken dag in grootte toenemen, al worden zij ook

tijdelijk weder bedekt met versch gevallen sneeuw, komen overal te

voorschijn; het eerste lentewindje begint te waaien. Maar niet dan

schoorvoetend houdt het voorjaar zijn intocht in het land, dat nog

steeds door den winter in boeien blijft geslagen. Eerst dan, als de

levenwekkende zon zwoele zuidenwinden in haar gevolg medevoert, op zijn

vroegst in het begin, meest echter eerst tegen het midden der maand

April, smelt de sneeuw schielijk op de benedengedeelten der

berghellingen en in de diepe, met zwarte aarde gevulde dalen; slechts

in de kloven en steile insnijdingen, achter de steil afvallende heuvels

en in het struikgewas blijft de sneeuw nog eene maand lang hangen.

Op alle andere plaatsen ontkiemt snel een jeugdig leven. Gretig zwelgt

de aarde het vocht in, haar door de smeltende sneeuw geschonken, en de

twee, nu voorgoed vereenigde toovenaars, de zon en het water, openbaren

hunne alles overweldigende kracht. Nog vóórdat de straks vermelde

sneeuwhoopen, nog vóór de snel wegdooiende ijsschollen op de meren zijn

gesmolten, zenden alle bolgewassen, alle planten in ’t algemeen, die

den winter overleefden, bladeren en bloemstengels naar de zon omhoog.

Tusschen de gele grashalmen en de dorre stengels van alle niet door de

herfststormen geknakte kruiden schittert het eerste groen. Nu steken

kolonisten en zwervende herders het dichte struikgewas aan, en het

vratige vuur vernietigt, wat de herfststorm nog spaarde. Zoodra

hierdoor de grond plaatselijk is gereinigd, ontluikt het plantenleven

met nog grooter kracht. Blad- en knolgewassen ontspruiten aan de

schijnbaar dorre aarde; de knoppen botten uit, bloemen ontluiken en de

steppe prijkt in weêrgaloozen tooi. Mijlen ver in ’t rond schitteren

gele, donkerroode, witte, wit en rood gestreepte tulpen den wandelaar

in de oogen. Hoogstens twee of drie bijeen, stijgen zij omhoog, maar

zij staan over de geheele steppe verspreid en bloeien op hetzelfde

oogenblik in zoo grooten getale, dat zij overal het oog treffen, naar

welken kant dit zich richten moge. Spoedig daarop ontwikkelen zich ook

de lelies, en nieuwe, nog bekoorlijker kleuren schitteren ons tegen,

vooral waar deze beminnelijke kinderen der steppe maar de voorwaarden

vervuld vinden voor hun leven, aan de hellingen en in de diepe dalen;

langs den oever der rivieren en in de moerassen. Gezelliger en meer

verscheidenheid aanbiedende dan de tulpen, treden zij in veel grooter

aantal op dan deze; zij nemen geheele streken in beslag en staan zoo

dicht opeen, dat men ze kan vergelijken bij de koornbloemen op de

roggeakkers, of bij een in bloei staand veld met koolzaad. Gewoonlijk

vindt men planten van dezelfde soort bijeen, doch ook komt het voor,

dat blauwe en gele leliën in bonte schakeeringen door elkander groeien,

en deze twee complémentaire kleuren hebben dan eene uitwerking, die

inderdaad betooverend is.

Versieren thans, onmiddellijk na den winter, deze eerste kinderen der

lente de steppe, ook de hemel verleent hun geen geringen tooi. Geheel

vrij van wolken is de lucht in de lente wel bijna nimmer, meestal zelfs

is zij bedekt met wolken van elken vorm, bij het fraaiste weder althans

met laag- en schapenwolken, die meer of minder dicht opeengedrongen,

zich over het geheele hemelgewelf verbreiden en langs den geheelen

horizon op de aarde schijnen te rusten. Indien evenwel deze wolken

zwaarder worden, als de hemel verduistert, en de zon slechts hier en

daar een enkelen lichtbundel werpt op de door den eersten lenteadem

verwarmde steppe, dan komen er tinten en kleuren te voorschijn, die men

voor onmogelijk zou houden.

Iedere dag evenwel voegt nieuwe kleuren tot de aanwezige toe. Meer en

meer verdwijnt de geelachtige tint, die ook nog in het voorjaar door de

herfsthalmen over de steppe wordt gespreid, en steeds frisscher en

levendiger komt de eigenlijke lentedos van het reeds zoo schoon

getooide landschap te voorschijn. Binnen weinige weken is de steppe als

een bont tapijt, waarop alle schakeeringen stralen van ’t donkerste

groen tot het tintelendst groenachtig geel; het sterk sprekend

grijsachtig groen der artemisia’s verkrijgt thans door bijzonder in ’t

oog loopende kruiden en dwergachtige boschjes donkere en lichte tinten.

De dwergamandel, die alleen of in gezelschap van erwtgewassen en

kamperfoelie groote deelen der steppenlaagten inneemt, staat thans,

evenals de twee andere lage struiken, in vollen bloei, en de

perzikroode met bloesems bedekte twijgen steken levendig af tegen het

groen der grassen en kruiden, en tegen de bloesems van den Garak, zelfs

tegen het teedere rozenrood en roodachtig wit van de kamperfoelie, dat

op daarvoor geschikte plaatsen dikke boschjes vormt en in vollen bloei

staand, alle overige kleuren in het rond tot den grond maakt, waarop

hare blaadjes zich scherp afteekenen. Vele, mij als leek onbekende

kruiden en planten roepen donkere schaduwen en helder verlichte

partijen in ’t leven, en de even spoedig verwelkte als uitgebotte

bladeren van andere gewassen zijn als zoovele geelachtig groene en

goudgele punten en vlekjes op dat tapijt.

Uit de verte gezien, smelten alle kleuren eenigszins ineen tot een

gelijkmatig grauwachtig groen; van nabij echter treedt elke kleur

afzonderlijk te voorschijn; zelfs is dit het geval met de vele bloemen,

die zich thans geopend hebben, overal ten minste verspreid, op

bijzonder gunstige plaatsen groepsgewijs bijeen staan en in de schaduw

van het struikgewas tot volle pracht zijn gekomen.

Behalve de oneindige verscheidenheid van bolgewassen treffen vooral

heerlijke wikke-soorten, benevens oude bekenden van vreemdsoortig

voorkomen uit onze bloementuinen het oog, en steeds grooter en grooter

wordt de betoovering, zoodat men eindelijk, schier begoocheld door dit

tooneel, waant in een eindeloozen, niet onderhouden bloementuin te

wandelen.

Met het plantenleven is ook het dierlijk leven ontwaakt. Nog voordat de

laatste sporen van den winter geheel verdwenen zijn, komen de

trekvogels weder in de steppe terug; en heeft de lente voorgoed en

werkelijk haar intocht gedaan, dan ontsluiten ook de winterslapers

hunne onderaardsche kwartieren, alwaar zij het booze jaargetijde in

bewusteloozen, schijndooden toestand hebben doorgebracht; evenals de

trekvogels nu zich vereenigen met de standvogels, zoo ook voegen zich

deze zoogdieren bij die natuurgenooten hunner klasse, welke geen vrees

voor den winter hebben gekoesterd, althans dien glansrijk het hoofd

hebben geboden. Gelijktijdig vieren de insecten hun opstandingsfeest;

zij verlaten hunne schuilhoeken of leggen de pophuid af; amphibieën en

reptielen,—kikvorschen, hagedissen en slangen—verlaten almede hunne

winterverblijven, om reeds van de eerste zonnestralen te genieten, ten

einde de warmte deelachtig te worden, die hen voorgoed tot het volle

leven kan doen terugkeeren. Droomend wachten zij op den zomer; voor hen

alleen een tijd van ongestoord geluk.

Het wordt levendig in de steppe. Nog niet veelsoortig, maar reeds in

groot aantal en overal verbreid, treden de haar toebehoorende dieren

op. Nergens is nu meer een plekje ledig. In zulke groote kudden, als de

antilopen in de steppen van Centraal-Afrika, of de zebra’s en quagga’s

in de Karoe van Zuid-Afrika, en de ontelbare buffels in de prairiën van

Noord-Amerika ronddolen, trekken wel is waar de zoogdieren niet door

onze steppen; en in zulke groote scharen als aan het zeestrand en op

sommige eilanden, in Afrika’s steppen of in de oerwouden der

keerkringslanden ziet men de vogels hier niet verschijnen; maar in

sommige streken bepalen toch ook zij het landschapsbeeld en schenken

zij hieraan een geheel eigenaardig karakter. Ook de steppe bezit of

herbergt eene bijzondere dierenwereld.

De voornaamste verzamelplaatsen van het dierlijk leven zijn al weder de

wateren, zooals de groote meren en de kleine vijverachtige

waterbekkens, alsmede de rivieren en beken. Eerder nog dan aan de

tijdelijk of bestendig onder water staande rietlanden, die de oevers

der meren omzoomen, herkent men deze aan de honderden en duizenden van

moeras- en zwemvogels, ook al ziet men in de verte nog geen water. In

veelvuldig afwisselende vlucht zweven en glijden de vischmeeuwen,

stormmeeuwen en lachmeeuwen over den waterspiegel; sneller en

ongestadiger dan deze vliegen de zeezwaluwen over de rietvelden en

meren, en hoog in de lucht beschrijven de schreeuwarenden hun sierlijke

kringen; eenden, ganzen en zwanen vliegen van het eene meer naar het

andere; rietwouwen schommelen over het riet en zelfs zeearenden en

pelikanen laten zich bij tijd en wijle zien. Een goed denkbeeld van de

soorten en het aantal, het leven en bedrijf van al deze watervogels

krijgt men eerst, wanneer men aan den oever staat of in de rietbosschen

dringt. Zooals men denken kan is de zoutsteppe arm aan dierlijk leven.

In snelle vlucht trekken de watervogels over den onherbergzamen, met

zout bezwangerden oeverzoom en vliegen van den eenen poel naar den

anderen; alleen de lach- en vischmeeuwen rusten gaarne een enkele maal

bij de nog niet uitgedroogde, vlakke, met zout water gevulde bekkens

uit; en eenig en alleen de kasarka vischt in het water zelf,

gemeenschappelijk met de sierlijke kluit, die juist deze plekken bij

voorkeur opzoekt, om bij paren of in troepen vereenigd, vlijtig het

zilte water te doorzoeken, den kleinen kop met den fijnen, gekromden,

naar boven gekeerden snavel heen en weêr schuddende. Andere vogels heb

ik hier nimmer veel gezien, een enkele gele kwikstaart, een gewone

kwikstaart, een kievit en een plevier uitgezonderd; alle anderen

vermijden dit ongastvrije oord, en zulks te meer, naardien er in de

onmiddellijke nabijheid veel beter en rijker vischwateren te vinden

zijn. Overvloedig voedsel zelfs is in de naaste omgeving der meren te

vinden. Daarom verzamelen zich hier niet alleen om en op den

waterspiegel duizenden moeras- en zwemvogels, maar daarenboven alle

kleine zangvogels, wien de droge steppe het noodige levensonderhoud

niet vermag te geven; en zoo vinden niet alleen de vischdieven, maar

ook vele andere soorten van roovers hier hun dagelijksch brood. Met de

strandmeren van Noord-Afrika, alwaar in den winter de gevederde

bewoners van drie werelddeelen tot een reusachtig rendez-vous

bijeenkomen, met de stilstaande wateren der keerkringslanden, in en om

welke te allen tijde honderdduizenden van vogels zich verzamelen, zelfs

met de moerassige laagvlakten van den Donau, alwaar elken zomer

eindelooze scharen van de kinderen der lucht zich vereenigen, laten de

steppenmeren zich wel is waar volstrekt niet vergelijken; in verhouding

tot hun aantal ginds is het getal gevederde kolonisten hier zelfs

gering te noemen, maar niettemin is en blijft het op zichzelf nog zeer

aanzienlijk, en de meren der steppen ontleenen ontegenzeggelijk almede

hunne eigenaardigheid hieraan, dat zij de verblijfplaatsen zijn van

vogels.

Alles leeft hier in het riet; de wolf zoowel als het wilde zwijn, de

arend zoowel als de wilde zwaan, de raaf zoowel als de wilde eend,

krakeend en wintertaling, de lijster zoowel als de grasmusch, de

baardmees zoowel als de musch, de rietgors zoowel als de ortolaan, de

fitis en tjiftjaf zoowel als het blauwborstje, de torenvalk en

roodvoetvalk zoowel als de kraanvogel en de kievit, de klauwier zoowel

als het bokje, de spreeuw zoowel als de gewone en gele kwikstaart, de

kwartel zoowel als de ijsvogel, de zilverreiger en de lepelaar zoowel

als de schollevaar en de pelikaan. De dichte rietbosschen zijn de ware

en eigenlijke verblijf- en schuilplaatsen voor deze dierenwereld; zij

treden in de plaats van het woud, zij beveiligen en verbergen en

strekken tot toevluchtsoord voor de liefde en het familiegeluk; zij

zijn de getuigen van de luidruchtigste vreugde en de teederste zorgen,

de broedplaatsen der jongen en tevens de oorden, waar deze worden

grootgebracht.

Van de hier huizende zoogdieren neemt men slechts de sporen waar,

tenzij men tot maatregelen van geweld zijn toevlucht neemt en met

behulp van honden de rietbosschen doorsnuffelt; de licht bewegelijke

vogelwereld daarentegen ontgaat hier het geoefend oog des onderzoekers

nergens.

Wanneer men uit de droge steppe komt en een dezer meren nadert,

verdwijnen ten laatste ook de overal voorkomende leeuweriken, terwijl

de een of andere plevier zijn opwachting maakt, ‘tzij dat hij door zijn

klankrijk geroep de opmerkzaamheid wekt, ‘tzij dat hij zich persoonlijk

laat zien; met de haast, aan alle soorten van zijn geslacht eigen,

loopt hij hortend en stootend over den grond voort, hier en daar een

beestje oppikkende, dan een oogenblik stilhoudende, om dadelijk daarop

met gelijke haast weer voort te snellen. Nog voor men bij het riet is

aangeland, wordt de lach- of kokmeeuw, misschien ook wel de kleine

zeemeeuw, in een gunstig geval tevens een mantelmeeuw of een

burgemeester zichtbaar; de eerste vliegt zelfs zeer ver de steppe in,

voegt zich bij grazende kudden en verleent aan deze geen geringen tooi,

wanneer dichte drommen dier meeuwen de kudden omzweven en de afgeslagen

en afgeschudde insecten opvangen, of wanneer zij achter de kudde

loopen, als waren zij duiven, die op het veld voedsel zoeken. Dan

bemerkt men ook wel eens een wilde gans, het mannetje van een op het

nest broedend wijfje, dat zijn gade voor enkele oogenblikken verliet,

ten einde op grasrijke plaatsen in de nabijheid van het riet te weiden,

zoolang zulks althans nog mogelijk is, en ouderplichten, waarvan ook de

woerden hun aandeel op zich nemen, het niet noodzaken zich schuil te

houden in de onmiddellijke omgeving des meers, op plaatsen, die

daarvoor de meest geschikte gelegenheid aanbieden, en werwaarts de

voorzichtige ouders hunne grijsachtig groen-gele kiekens aanvankelijk

voeren. Op alle ondiepe, met water bedekte plaatsen langs den oever

gaat het levendiger toe. Aan de randen van zulke plassen en vijvers

ziet men op daarvoor geschikte strijdplaatsen kleine strandvogels, de

kemphanen, prijkende in hun riddertooi, elkander bevechten; zij rennen

met gebogen kop op elkander los, richten den snavel als een

vooruitgestoken lans op den wijd uitgespreiden tot schild dienenden

halskraag der nimmer ontbrekende tegenpartij, nemen eene uitdagende,

maar onbeschrijfelijk fiere en schoone houding aan, zien elkander nog

eens scherp in de oogen en stormen op elkander los, van weêrszijden op

hetzelfde oogenblik stootende en den stoot met het veêrkrachtige

borstschild opvangende. Niemand bekomt eenig leed, niemand wordt door

dezen tweekamp ook maar eenigszins verhinderd in andere veel minder

edele bezigheden; want aan dezen kemphaan ontging in de hitte van den

strijd de vlieg niet, die zich juist op een grashalm neêrzette, en aan

dien anderen den zwemkever niet, die op den waterspiegel van een klein

plasje ronddartelde: fluks loopen beiden naar de juiste plek om den

buit te snappen en zich daarmede te versterken, ten einde voor een

nieuw gevecht gereed te zijn. Inmiddels verschijnen er nieuwe strijders

op de kampplaats en nimmer schijnt het gevecht een einde te nemen. Daar

komt een rietwouw schommelend nader; ijlings verlaten onze helden de

strijdplaats, verheffen zich in dichte drommen in de lucht en vliegen

naar elders, naar een anderen plas, om hier hetzelfde spel van voren

aan te beginnen. De gevreesde wouw schrikt alle andere vogels in het

moeras op. Onder een vervaarlijk geruisch vliegen de zwakkere eenden

op, en, echter meer door dat geraas dan wel door den roofvogel

vervaard, volgen een oogenblik later de meer krachtige familieleden;

zij stormen onder fluitende vleugelslagen omhoog, vliegen eenige malen

om den waterplas heen en vallen er bij troepjes weder op neer; met een

trillend geschreeuw stijgt ook de tureluur en met een toonloos, maar

ver hoorbaar geschrei ook de watersnip—de roover streek ook zoo dicht

over hen heen—naar boven; beiden evenwel vergeten het gevaar, zoodra

zij de veilige hoogte hebben bereikt en schijnen nu om niets anders

meer te denken dan om den gulden lentetijd en de zalige liefde, die hun

borst in vuur zet. Want de tureluur daalt plotseling tot op den

waterspiegel neder, fladdert en zweeft met afhangende vleugels naar

voren en naar beneden, verheft zich onder aanhoudend geroep opnieuw om

wederom te dalen, totdat de loktoon der reeds weer zittende gade hem

uitnoodigt met het haar geldende liefdespel op te houden en zich tot

haar te spoeden. De watersnip volgde het voorbeeld der anderen; na in

eene zigzaglijn tot dubbele torenhoogte omhoog te zijn gestegen, laat

zij zich bliksemsnel vallen, terwijl zij den staart waaiervormig

uitspreidt, en de buigzame, smalle en spitse buitenste stuurpennen aan

de weêrstandbiedende lucht prijsgeeft, waardoor het blatende geluid

ontstaat, dat haar den naam van hemelgeit deed verwerven. Alleen een

paartje van de langpootige steltkluit, dat in schijnbaar voorname

afzondering ver van het strandgewoel zijn eigen zaakjes verricht, liet

zich door den wouw geen vrees aanjagen; misschien zag het wel hoe de

moedige kokmeeuwen ijlings toevlogen om den onruststoker te verdrijven,

ja hoe zelfs een grauwe kuikendief en een steppenwouw zich samen

opmaakten, om den hun zoo nauw verwanten, maar bitter gehaten

roofkameraad te bevechten. En deze,—zonder te dralen, kiest hij de

vlucht; onmiddellijk daarop fluit en trilt en schatert het weêr als te

voren op de wateren; want nieuwe gasten zijn op het tooneel verschenen,

aangelokt door de nieuwsgierigheid, die allen vogels eigen is—maar niet

minder door den welbereiden disch, dien deze poelen hun aanbieden.

Bereikt men eindelijk het riet, dan valt ons ook het kleine gevleugelde

goedje in de oogen, en zelfs nog eerder dan het groote, dat zich in den

regel meer zorgvuldig verbergt. De kraanvogel, die op de

ontoegankelijkste plaatsen broedt, de groote zilverreiger, die aan den

binnenkant van het rietbosch staat te visschen, de lepelaar, die op de

meer open plaatsen tusschen het riet zijn voedsel zoekt; deze allen

verschuilen zich zeer zorgvuldig, terwijl ook de roerdomp, die de

dichtst begroeide plaatsen opzoekt, zijn aanwezen slechts door een dof

geluid verraadt.

De kleine wereld, waarover ik sprak, stelt zich daarentegen, zonder

eenige bezorgdheid te laten blijken, bloot aan ieders blik, en zingt en

jubelt op hoogen toon. Vertrouwelijk loopen de gele kwikstaarten op de

met gras begroeide plaatsen rond, die het riet aan den buitenkant

begrenzen; onbevreesd klautert het sierlijke baardmeesje bij de

rietstengels op en neêr, op welker toppen hier een keelvogeltje, ginds

een klauwier troont; luide weêrklinkt het vroolijke, ofschoon weinig

klankrijke lied der rietzangers ons van alle zijden in het oor, en met

welbehagen luisteren wij naar den slag van den merel, naar het

liefelijk gekweel van blauwborstje, fitis en spotvogel, en naar het

geroep van den koekoek. Op de vrije watervlakte zwemmen echter

ongetwijfeld een paar koeten, mannetje en wijfje, met hun kroost, en,

wanneer de poel dieper is, tusschen een aantal eenden ook wel een

geoorde fuut. En wanneer de avond is gevallen, komen hier bovendien nog

roodvoetvalken, kleine torenvalken, spreeuwen en rozé-spreeuwen, om in

het riet te overnachten, en nu komt er aan het geschreeuw, het gepiep

en gekweel geen eind. Zelfs de schreeuwarend, raaf en bonte kraai

verschijnen hier als logeergasten, terwijl de schollevaar en pelikaan

althans aan den binnenkant van de vermoeienissen der vischvangst

uitrusten.

Over en boven het watervlak eindelijk vliegen en zweven de meeuwen,

staan de zeezwaluwen, jagen de zee- en vischarenden, en op plaatsen,

waar de diepte van het meer niet al te groot is, visschen om strijd

pelikanen en zwanen, in gezelschap van vraatzuchtige schollevaars en

futen.

Weinig minder rijk dan de wateren zijn ook de met boomen en kreupelhout

omzoomde rivierdalen. De boomen torsen de nesten van grootere en

kleinere roofvogels, dienen dezen tevens tot rustplaats; van de toppen

schalt het heerlijk gezang van den wielewaal, de slag van den lijster,

het lachen der specht, het kirren der ringduif en kleine boschduif; uit

het dichte onderhout klinkt het verrukkelijk lied van den poolschen

nachtegaal zoo rein, zoo vol, dat zelfs het verwende oor des kenners

zich vermeit in deze zeldzaam schoone klanken.

Evenals op de meren ginds drijven ook hier op het watervlak de meest

verschillende watervogels, terwijl wij in het riet en het kreupelhout

van den oever hetzelfde bonte gezelschap ontwaren van straks in de

rietvelden; het molenaartje kleppert, gewone grasmusschen en

sperwer-grasmusschen laten hunne welbekende liederen weêrklinken.

Wandelt men door de waterlooze gedeelten der steppe, dan vertoonen zich

weder andere dieren aan ons oog. Ook hier zijn het nogmaals de vogels,

die men het eerst waarneemt en waarnemen moet. Minstens zes, zoo niet

acht soorten van leeuweriken bewonen de steppe en zetten aan het

eenzaamste plekje nog levendigheid bij. Onafgebroken klinkt hier den

reiziger hun gezang in de ooren; van den grond en van de toppen der

lage struiken ruischt het ons tegen; hoog uit de lucht stroomen, zoowel

des avonds als des morgens, de rijkste melodieën. Het is slechts één

lied, dat men zich verbeeldt te hooren; want de veelstemmige

kalanderleeuwerik neemt evengoed wat over van onzen akkerleeuwerik als

van den Siberischen leeuwerik, en smelt zijn eigen strofen samen met

die der anderen; hij minacht zelfs enkele tonen van den zwarten

kalander, den rooden en kortteenigen leeuwerik niet, alle liederen in

het zijne vereenigende zonder daarom het gezang der anderen geheel te

overstemmen, hoe luid hij ook zijn eigen en geleende melodieën moge

voordragen. Wanneer wij op een schoonen voorjaarsdag op onze

vaderlandsche velden in verrukking naar het gezang van den

akkerleeuwerik luisteren, wanneer wij zien, hoe onophoudelijk de eene

lieve zanger na den anderen omhoog steigert, om in bezielde en

bezielingwekkende tonen de komst der lente aan te kondigen, dan kunnen

wij ons moeilijk voorstellen, dat zulks onbeteekenend is in

vergelijking van hetgeen de steppe te zien en te hooren geeft, en toch,

zoo is het in waarheid. Want de steppe is de eigenlijke woonplaats des

leeuweriks; het eene paartje leeft naast het andere, de eene soort

tusschen en te midden van andere soorten en de uitgestrekte steppe

schijnt nauwelijks ruimte genoeg voor allen te bevatten. Toch zijn de

leeuweriken niet de eenige bewoners dezer plaatsen. Betrekkelijk even

talrijk zijn ook hun grootste vijanden, de wouwen, die ’t vooral gemunt

hebben op het liefste, wat de leeuwerik bezit, zijn kinderen. In welk

gedeelte der steppe men ook moge komen, men kan er zeker van zijn, dat

men een dezer roofvogels ontmoet; in het noorden de grauwe kuikendief,

in ’t zuiden de steppenwouw, terwijl zij zwevende en zwenkende, dicht

langs den grond strijkende, de steppe doorsnellen; niet zelden ziet men

op de ruime vlakte troepen van vier tot acht stuks te gelijk jagen. Nog

vaker dan deze, ofschoon niet zoo algemeen verbreid, laten zich twee

andere steppenkinderen zien, de Italiaansche torenvalk en roodpootvalk,

twee soorten, die in doen en laten weinig verschil aanbieden, in

schoonheid, sierlijkheid van gedaante en aantrekkelijkheid van beweging

met elkander wedijveren. Overal, waar slechts een rustplaats voor deze

bekoorlijke wezens te vinden is, waar een telegraafdraad over de steppe

gespannen is, een rotsachtig heuveltje zich boven de vlakte verheft,

een Kirgiezengraf daarboven uitsteekt, zoekt men ze niet tevergeefs.

Even verdraagzaam als gezellig, vrij van jaloerschheid,

niettegenstaande zij denzelfden buit najagen, maken zij vlijtig jacht

op allerlei insecten, op den vraatzuchtigen treksprinkhaan en op kleine

kevers; zij zetten zich om uit te rusten en ter betere vertering van

hun voedsel, zorgvuldig daarbij rondziende, op hunne wachtposten neêr,

vliegen op, zoodra zij buit bespeuren, spoeden zich derwaarts, en staan

met trillende vleugels, wier beweging echter nauwelijks waargenomen

wordt, in de lucht, om van hier uit hunne prooi gemakkelijker gade te

slaan. Als een steen laten zij zich nu naar beneden vallen, grijpen het

insect, verslinden het in de vlucht, stijgen weder omhoog en beginnen

opnieuw hetzelfde spel. Niet zelden ziet men tien tot twaalf dezer

vogels boven dezelfde plek jagen; onwillekeurig trekken zij de

opmerkzaamheid, zooveel afwisseling biedt hun bedrijf. Elken dag kan

men ze ontmoeten, uren lang naar hen kijken, en telkens opnieuw wordt

men door dit jachtspel geboeid. Zij behooren in het steppenbeeld

evenals het zoutmeer, evenals de tulp en de lelie, evenals het

kreupelhout en het tschigras en als de witte schaapjeswolken aan het

hemelgewelf. Niet te vergeten is nog de rozé-spreeuw, eene weinig

minder belangrijke verschijning, de kleurenrijke plaatsvervanger van

onzen lieven huis- en tuinvriend, de ijverige verdelger van de

vraatzieke sprinkhanen, de trouwste vriend der weidende kudde, de

hooggeschatte helper van den mensch, wiens veldvruchten hij beschermt;

daarom is hij ook in de oogen der steppenbewoners bijna een heilige

vogel. Belangrijk is bovendien het vuist- of steppenhoen, een

verbindingslid tusschen hoen en duif, welks geslacht zoo geheel thuis

behoort in de steppe, alsmede de groote trap met zijn aanminnige

familieleden, de kraag- en dwergtrap, welke laatste reeds daarom de

aandacht waard is, wijl hij voor eenige jaren in Duitschland, en wel in

Thüringen is aangekomen, alwaar hij evenals in de steppe niet weinig

bijdraagt tot versiering van het landschap, wanneer hij in golvende

vlucht zijn volle schoonheid ontplooit. En nog andere, fraai, ja

prachtig gekleurde vogels kunnen wij onder de bewoners der steppe

opnoemen, zooals de aanvallige bijeneter en de Duitsche papegaai, die

in vereeniging met valken en duiven de steil afvallende oeverbanken

bewonen; de karmijnkleurige goudvink en de geelgors, die in het

tschigras en kreupelhout zich ophouden, en vele meer. Zelfs de zwaluwen

ontbreken niet in een gebied, alwaar de menschelijke woningen zoo

zeldzaam zijn. Dat de oeverzwaluw ook hier aan alle steile meeroevers

hare nestholen graaft, schijnt den zaakkundige niet vreemd, maar dat de

huiszwaluwen nog heden ten dage van in ’t wild levende tot halfgetemde

vogels worden, dat zij nog tegenwoordig hunne nesten aan de rotsen

vasthechten, om de rotsen te verlaten zoodra er een grafteeken voor een

of anderen Kirgies wordt opgericht, en daarin overgaan, dat de

huiszwaluw zelfs in de Joerte gastvrijheid zoekt en ook vindt, wanneer

de Kirgies slechts weet zoolang op dezelfde plaats te zullen vertoeven,

totdat de eieren in het aan den koppelring der Joerte gehechte nest

uitgekomen en de jongen volwassen zijn,—ziet! dat verdient vermeld te

worden.

Op dezelfde plaatsen, welker vogelbevolking ik zooeven opnoemde, hebben

zich nog andere dieren verzameld. Afgezien van de lastige muggen,

vliegen, horzels en wespen of bijen, bemerkt men slechts weinige

insectensoorten, ofschoon de genoemde zeer talrijk en over alle deelen

van zulke streken verbreid zijn. Hetzelfde geldt van de reptielen, van

welke wij in de door ons doorkruiste gedeelten der steppe eenige

hagedissen en verschillende slangen aantroffen; zoo, wat de laatsten

betreft, twee vergiftige soorten, n.l. de gewone adder en de

halysadder. Deze twee slangen zijn wel is waar niet zoo talrijk als de

hagedissen, maar toch vrij menigvuldig. Op onze tochten door de steppe

zagen wij bijna elken dag dan den eenen dan den anderen Kirgies zijn

mes uithalen en zich voorover op zijn paard buigen, om met welgetroffen

slag den kop van een dezer giftslangen van den romp te scheiden. En

toen wij in Slangenberg, een bergstadje in den Altaï, wilden

onderzoeken of die plaats wel op eene rechte wijze aan haar naam was

gekomen, keerden de door ons uitgezonden lieden na weinige uren met

zulk een rijken buit terug, dat wij niet weinig door dit zakelijk

antwoord verrast waren en de waarheid niet meer in twijfel konden

trekken van de geschiedenis, aangaande den oorsprong van dien naam,

welke hierop neêrkomt, dat men vóór de grondvesting der stad duizenden

van giftslangen had verzameld, opgehoopt en verbrand. Kikvorschachtige

dieren en kleine zoogdieren zijn veel zeldzamer dan reptielen; van de

eersten bemerkten wij slechts ééne paddesoort, van de laatsten enkele

muizen, een ziesel, twee blindmollen en de bevallige springmuis, die

onder den naam van paardespringer bekend is.

De ziesel en de springmuis zijn allerliefste verschijningen, en vooral

de eerste verlevendigt de steppe dikwijls niet weinig, daar dit dier

gezellig leeft en op daarvoor geschikte plaatsen, evenals vele andere

marmotten in koloniën leeft. Hier ziet men namelijk des avonds de

bewoners voor de schuins in den grond dalende pijp van hun hol zitten,

of, bij de nadering van een wagen of eene ruiterschaar ijlings er naar

toe vlieden, snel nog even zich nieuwsgierig op de achterpooten zetten,

op het rechte oogenblik eensklaps in de veilige diepte verdwijnen, om

evenwel weinige minuten later weder te voorschijn te komen,

klaarblijkelijk met het doel om zich te overtuigen of het dreigend

gevaar weder voorbij is. Het geheele gedrag van den ziesel geeft te

kennen, dat hij aanhoudend geslingerd wordt door vrees en

nieuwsgierigheid. Voor vrees bestaat er aanleiding genoeg, want is het

niet de mensch dan zijn het wolven en vossen, koningsarenden en

schreeuwarenden, die hem voortdurend op de hielen zitten, en men kan er

zeker van zijn, daar vooral ziesels aan te treffen, waar men een

koningsarend op een paal aan den weg of op de boomen in de dorpen ziet

zitten. Niet zoo dikwijls ontwaart men de springmuis,—voorzeker het

sierlijkste zoogdier der steppe—niet zoozeer omdat deze knaagdieren

minder talrijk zijn, maar omdat zij, als nachtdieren, eerst na

zonsondergang te voorschijn komen; om dezen tijd, en als de maan

schijnt nog later, kan men zien, hoe deze bekoorlijke wezens hunne

holen verlaten, zich uitrekken en met de korte voorpootjes tegen de

borst gedrukt, op de lange kangeroe-achtige achterpooten als op stelten

vooruithuppelen, terwijl zij onder het springen het slanke, recht

opgerichte lichaam met behulp van den langen, aan twee kanten behaarden

staart, in evenwicht houden.

Rusteloos, maar niet te schielijk snelt de paardespringer voort, nu en

dan een oogenblik ophoudende, om met zijne lange knevelharen rond te

tasten en rond te snuffelen naar voor hem bruikbaar voedsel. Hier pikt

hij een zaadkorrel op, ginds graaft hij een bolgewas uit; men zegt

zelfs dat hij ook op dieren aast, vogelnesten plundert, eieren en

nestjongen rooft, ja zelfs op kleine knaagdieren jaagt, en ik waag het

niet hem van deze zonden vrij te spreken. Eene nauwkeurige waarneming

evenwel van de levenswijze van dit dier is zeer moeilijk; want zijne

zintuigen zijn scherp en zijne geestelijke talenten niet vele, zoodat

vrees en schuwheid twee voorname karaktertrekken van de springmuis

uitmaken. Zoodra het beestje in eene hem bedenkelijk schijnende

nabijheid een mensch ziet naderen, slaat het in eens op de vlucht, en

tevergeefs zou men pogen het daarbij te volgen, want zelfs geen ruiter

te paard haalt den springer in. Met krachtige sprongen, de lange

achterpooten zoover mogelijk uitstrekkende, zich van den in volle

lengte uitgestrekten staart als van een balanceerstok bedienende,

vliegt de springmuis heen. De eene sprong volgt op den andere, en voor

men het weet is zij in het nachtelijk duister verdwenen.

In het steppengebergte treden weer andere diersoorten op, inzonderheid

wanneer het gebergte, in plaats van enkel zacht glooiende hellingen,

steil in de diepte afvallende rotswanden, uit steengruis samengestelde

hoogten, diep ingesneden, woeste kloven, en spitse, onbegroeide toppen

en kammen bezit. In de nauwe, groene dalen, door welke een beekje

vliet, weidt de vosgans, een ongemeen sierlijke, levendige vogel, ter

groote eener goede eend, de gans van het Middel-Aziatische

hooggebergte; in de rotsspleten nestelt de rotsduif, de stamsoort onzer

tamme duiven; van de rotsblokken, waarop tapuiten, steengorzen en

steengoudvinken huizen, dalen de weeke liederen van den steenlijster;

de lustige alpenkraai omzweeft de toppen en boven deze trekt des daags

de steenarend zijn kringen en glijdt des nachts stil en onhoorbaar de

oehoe, beiden er op uit om een der talrijke steenpatrijzen of wel eene

onvoorzichtige marmot te pakken. Meer nog evenwel verdient de aandacht

de archar der Kirgiezen, een dier reusachtige wilde schapen, die

Middel-Azië herbergt, hetzelfde dier, dat ik zoo gelukkig was in het

gebergte van Arkat te vellen.

Volgens de nauwkeurige berichten, die de Kirgiezen mij verstrekten,

leeft dit trotsche dier niet alleen hier, maar ook op andere minder

hooge gebergten der West-Siberische steppen; tot den bronsttijd leven

zij in troepjes van vijf tot vijftien stuks, rammen en ooien, in van

elkander gescheiden gezelschappen. Iedere afzonderlijke troep blijft op

de eenmaal uitgekozen plek zoolang zij niet gestoord of verontrust

wordt; gebeurt dit, dan verwisselt zij den eenen bergtop voor een

anderen, nooit echter naar verre trekkende. Tegen zonsondergang klimt

zulk een troep, aangevoerd door een mannetje, naar de hoogste toppen om

aldaar op plaatsen, die voor andere dieren, of moeilijk, of in ’t

geheel niet te bereiken zijn, te slapen; met het aanbreken van den dag

begeeft zich oud en jong weder naar de dalen om hier te grazen en

steeds aan dezelfde bron te drinken; in de middaguren legeren de

archars zich in de schaduw der rotsen, op plaatsen, die een vrij

uitzicht open laten, om daar te rusten en te herkauwen; tegen den avond

trekken zij nogmaals uit om te grazen. Zoo brengen zij des zomers en ’s

winters den dag door. Zij vreten alle planten, die ook het voedsel

uitmaken van ons tamme schaap; zij zijn, als het moet, even zoo weinig

eischend als dit laatste, lijden daarom ook in den winter geen groot

gebrek, en zijn in het voorjaar weldra weder zoo goed op krachten, dat

zij van nu aan tot den herfst slechts de lekkerste planten uitkiezen.

Hun gewone gang is een snelle, zeer spoedig vooruitbrengende draf, dien

zij alleen verhaasten wanneer zij opgeschrikt worden; worden zij door

een ruiter nagezeten, dan veranderen zij den gewonen tred in een wijd

gestrekten galop, en daar zij steeds de richting naar de rotsen

inslaan, zijn zij spoedig buiten bereik.

Op de vlakte zoowel als in het gebergte draven zij, op de vlucht,

altijd in eene rij achter elkaar, dicht aaneengesloten, en deze

rangschikking hernemen zij telkens zoo spoedig mogelijk, wanneer zij

plotseling overvallen en uiteengejaagd zijn geworden. Tusschen de

rotsen bewegen zij zich uiterst gemakkelijk, met veel behendigheid en

zekerheid, onverschillig of zij klimmen of dalen. Zonder zich ’t

geringste in te spannen, zonder veel haast zelfs te maken, klauteren

zij langs de steilste paden op en neêr, springen over diepe en wijde

kloven, en van de hoogte naar de laagte, als waren zij vogels, die

vliegen kunnen. Worden de archars vervolgd, dan blijven zij van tijd

tot tijd stil staan, klauteren op een hoogere rots, ten einde in ’t

rond te zien, en zetten daarop hun tocht zoo bedaard voort, als dreven

zij met hun vervolgers den spot. Het bewustzijn van kracht en

klautervaardigheid verleent hun een trotsche vermetelheid. Zij

overhaasten zich nooit, en slechts dan moeten zij deze langzaamheid

boeten, wanneer een verscholen schutter hen in den rug aanvalt.

De ooien leven onderling altijd zeer eendrachtig, de rammen insgelijks,

uitgezonderd in den bronsttijd. Deze valt in de tweede helft van

October en duurt eene maand lang. Alsnu komen de moedige en

strijdlustige rammen in een staat van groote opgewondenheid. De oudsten

nemen een bepaalde standplaats in bezit en verdrijven van daar alle

zwakken. Met huns gelijken in krachten vechten zij nu op leven en dood;

zij plaatsen zich recht tegenover hunne mededingers, gaan op de

achterpooten staan, stormen op elkaar los, en stooten met de zware

horens zoo geweldig tegen elkander, dat het gebergte er van dreunt.

Somwijlen gebeurt het, dat de horens in elkander verward raken en niet

weer los kunnen komen, zoodat zij afbreken; ook wel slingert de een den

ander in den afgrond, alwaar hij te pletter valt.

In de laatste dagen van April of in het begin van Mei brengt het schaap

een of twee jongen ter wereld. Deze lammeren loopen, zooals wij bij

gevangen dieren waarnamen, reeds weinige uren na de geboorte met hunne

ouders rond, en volgen dezen binnen weinige dagen op alle wegen met de

aan hun geslacht eigen behendigheid en zekerheid. Dreigt er ernstig

gevaar, dan verbergt de moeder haar kind tusschen de rotsen, zeker om

den vijand te misleiden, en keert, nadat het gevaar geweken is, tot

haar jong terug. Dit laatste heeft zich intusschen plat op den grond

uitgestrekt, houdt zich zoo stil als een muisje en wordt als aan de

rotsen gelijk; zoo ontgaan de lammeren dikwijls aan den blik des

vervolgenden vijands,—niet altoos, en ’t allerminst aan de oogen van

den steenarend, die een van het moederschaap afgezonderd lam onverwijld

aanvalt en doodt. Zoo gebeurde het, terwijl wij in het Arkatgebergte op

de jacht waren. Gevangene archarlammeren, die wij van de Kirgiezen

ontvingen, bleken allerliefste dieren te zijn; zij vatten terstond de

uiers van eene hun opgedrongen min, zoodat men daaruit mag afleiden,

dat zij gemakkelijk zijn te temmen en op te voeden.

Indien men er eens huisdieren van maakte zou zulks een belangrijke

aanwinst worden voor den veestapel, maar de Kirgies denkt daaraan niet;

hij is er alleen maar op uit om de wilde dieren te vangen.

Hartstochtelijk wordt die jacht echter niet gedreven en daarom blijft

de wolf, ofschoon dit ondier slechts in den winter, wanneer de sneeuw

dik op de velden ligt, een enkelen archar kan verscheuren, deszelfs

meest gevaarlijke vijand.

Evenals op het gebergte komen er ook op de dorste en meest woeste

deelen der steppe, die zelfs in de lente doen denken aan de woestijnen

en woestijnsteppen van Afrika, bijzondere, slechts daar thuis

behoorende dieren voor. In deze streken verdwijnen behalve het lage

pluimgras en de hier tot een klein struikje ineengekrompen bijvoet

bijna alle andere gewassen, die men overigens in de hoog- en laagsteppe

waarneemt; daarentegen is hier juist een afzonderlijke struik

opgeslagen, dien men elders tevergeefs zoekt, n.l. de ramstruik, zoo

genoemd wegens zijn buitengewoon hard en droog hout, waar de bijl zelfs

op afstuit. Dit gewas wortelt op die enkele plaatsen in de steppe,

alwaar een mager, rood, door den regen bijeengestroomd leem den bodem

bedekt; het vormt vrij uitgestrekte boschjes en verleent ook andere

planten bescherming en schaduw, zoodat zulke groene plekken als oasen

zijn in de steppenwoestenij. Toch zijn deze oasen weinig meer bevolkt

dan de omringende steppe; want een klauwier, een gewone grasmusch en

een fitis uitgezonderd, ziet men hier geen enkelen vogel en nog minder

eenig zoogdier. Daarentegen wonen juist in deze eenzame oorden eenige

der merkwaardigste steppendieren, behalve die, welke overal in de

steppe voorkomen. Zoo behalve de kortteenige leeuwerik en de kalander

ook nog de gitzwarte steppen-leeuwerik; zulks schijnt vreemd, wanneer

men bedenkt, dat alle grondvogels de kleur dragen van den grond, waarop

zij leven, weshalve men dezen leeuwerik op zwarten grond zou zoeken;

behalve de kleine plevier, de kuddenkievit; behalve de groote trap, de

slanke kraagtrap, door de Kirgiezen pasgangertrap genoemd; behalve het

gewone steppenhoen, het vuisthoen—hetzelfde, dat voor eene reeks van

jaren bij groote scharen zich in Duitschland (ook in Nederland)

vertoonde, zich vestigde in de duinen en op zandachtige plaatsen, maar

zoo ongastvrij met geweren en strikken, zelfs met vergift ontvangen

werd, dat het zoo spoedig mogelijk het moorddadig land verliet en

ongetwijfeld zijn wieg en bakermat weder heeft opgezocht; hier

verblijven eveneens, behalve de veelvuldig voorkomende wezel, de

steppenantilope en de koelan, het schuwe, wilde steppenpaard. Ten einde

niet al te wijdloopig te worden, moet ik mij hier bepalen tot een korte

beschrijving van dit laatste dier.

Indien de leer van Darwin juist is, zouden wij den koelan mogen

beschouwen als de stamvader van ons paard, dat door eeuwen lang

voortgezette veredeling allengs vele wijzigingen heeft ondergaan; deze

veronderstelling bevredigt ons in elk geval beter dan aan te nemen,

zooals dikwijls zonder genoegzamen grond gedaan wordt, dat die

stamsoort is uitgestorven. Sommigen willen in den tarpan, die

tegenwoordig nog in de steppen van den Dnjepper vrij rondzwerft, geen

verwilderd, maar een wild paard zien; ik houd evenwel liever den koelan

voor de oorspronkelijke stamsoort.

De jongste onderzoekingen hebben tot het resultaat geleid, dat onze

huishond, wiens zoo onderscheiden rassen men ook niet juist, zelfs niet

bij benadering eenigszins nauwkeurig kan aangeven, een afstammeling is

van heden ten dage nog levende wolven- en jakhalssoorten, eene uitkomst

die aan mijne zienswijze niet weinig steun verleent. Leeft ook de

stamsoort onzer huiskat op den huidigen dag nog niet in Afrika in het

wild, de stammoeder onzer geit in Klein-Azië en op Kreta? En al mogen

wij op dit oogenblik nog in het onzekere verkeeren ten aanzien van de

stamouders van ons schaap en rund, zoo is het daarentegen een feit, dat

ik van drie verschillende zijden, o.a. van eenen Kirgies, die zegt het

dier zelf gejaagd te hebben, zulke overeenstemmende berichten ontvangen

heb omtrent een in de binnensteppen van Mongolië nu nog levend,

kameelachtig dier, dat overigens alle eigenschappen van eene wilde

soort aan zich draagt, dat ik aan de waarheid dier mededeelingen niet

kan twijfelen; evenals bij den tarpan kan ik hier hoogstens de vraag

opwerpen, of dit kameel de in ’t wild levende stamvader kan zijn van

het huisdier der Kirgiezen, dan wel of het als een weer verwilderde

nakomeling daarvan moet beschouwd worden. Wanneer de sluier die over

deze en dergelijke vraagstukken ligt uitgespreid, meer en meer wordt

opgelicht, wanneer de eene stamvader onzer huisdieren na de andere

wordt ontdekt, en onder de nog levende dieren opgespoord, waarom zou

dan enkel de stamvader van het paard, wiens levensvoorwaarden zoo

volkomen vervuld worden door de wijde, onafzienbare steppe,

uitgestorven en tot op de laatste sporen verdwenen zijn? Onder de nu

nog levende wilde paarden der oude wereld hebben wij dien stamvader te

zoeken, en onder dezen heeft geen meer recht op de eer die stamvader te

zijn dan de koelan. De tarpan staat ons paard wel is waar in menig

opzicht nader, maar wanneer het werkelijk de Hyksos zijn geweest, die

in Egypte, welks steenen monumenten ons het eerst het paard te

aanschouwen geven, dit dier invoerden, of wanneer de Egyptenaren zelven

nog vóór den tijd der Hyksos, alzoo minstens vijf en twintig eeuwen

vóór onze jaartelling, het paard hebben getemd en tot een huisdier

gemaakt,—in de steppen van den Dnjepper en den Don vingen zij zeer

zeker dat wilde dier niet; want dichter bij, in de steppen en

woestijnen van Klein-Azië, Palestina en Perzië, alsmede in enkele

laagvlakten van Arabië en Indië troffen zij een heden ten dage nog

levend, veelbelovend wild paard aan, den koelan. Wel wijkt dit dier in

menig opzicht van ons edel huisdier af, echter niet meer dan de

windhond, poedel en New-foundlander van den wolf, of eenigen anderen

oerhond, niet meer dan de dashond, de pintscher of de zijdehond van den

jakhals, niet meer dan de pony van het Arabisch paard, het

Belgisch-Fransche karrenpaard van het Engelsche renpaard. De

verschillen tusschen ons paard en den koelan schijnen zeer groot te

zijn, toch beschouwen beiden zich als kinderen van één bloed, want zij

zoeken elkanders gezelschap.

Toen wij op den 3 Juni 1876 door de woeste, eenzame steppe reden, die

zich uitstrekt tusschen het Saisanmeer en den Altaï, welke steppe

hierboven mij tot type heeft gediend, ontmoetten wij in den loop van

den voormiddag niet minder dan vijftien koelans, en onder dezen een

enkel paar, dat op den breeden rug van een niet ver verwijderden heuvel

weidde. Duidelijk en scherp teekenden zich beide gedaanten tegen den

blauwen hemel af, en zoowel bij ons als bij de Kirgiezen, die ons

vergezelden, begon het jagershart heftig te kloppen.

Een der beide dieren verwijderde zich toen het ons in ’t oog kreeg, en

liep weg, de richting naar ’t gebergte inslaande; het tweede bleef

stilstaan en scheen te overleggen wat het doen zou, hief een en

andermaal den kop omhoog en rende ons te gemoet. Alle buksen werden in

gereedheid gebracht: de Kirgiezen vormden langzaam en voorzichtig een

halven cirkel, met het doel het onverstandige, zoo opvallend zorgelooze

wild op het rechte oogenblik naar ons toe te drijven. Meer en meer,

ofschoon bij tusschenpoozen, maar toch voortdurend, naderde de

eenhoever ons; wij beschouwden hem reeds als een zekere buit.

Daar gleed een glimlach over het gelaat van den naast mij rijdenden

Kirgies; hij had niet alleen de reden ontdekt van het oogenschijnlijk

zoo dwaas bestaan des diers, maar dit zelfs meteen herkend.

Het was een Kirgiezenpaard, dat op ons afrende, maar dat in zijn

teekening veel had van een koelan; dit paard was zijn meester

ontloopen, was wellicht onder een troep wilde paarden verdwaald geraakt

en bij gebrek aan beter gezelschap daar gebleven; thans echter, nu het

in de naderende rossen zijn soortgenooten herkende, liet het in den

nood zijn vrienden in den steek. In de onmiddellijke nabijheid onzer

Kirgiezen gekomen, bleef het nogmaals stilstaan, wilde het nog eens

overwegen, of het wel wenschelijk zou zijn weder opnieuw den pas

geheelden rug onder den zadel te krommen; op de eerste schrede

achterwaarts volgden echter ook de anderen en zonder aan de vlucht te

denken, liet hij zich gewillig een halster aanleggen en weinig minuten

later draafde het zoo goedmoedig aan de zijde van den hem leidenden

Kirgies, als had het dier nog nooit het vrije leven zijner voorvaderen

leeren kennen. Door eigen ervaring hadden wij dus bevestigd gevonden,

wat ons door anderen was medegedeeld, t.w. dat koelan en paard

somwijlen gemeenschappelijk leven.

De koelan is ontegenzeggelijk een trotsch, in elk opzicht boeiend

schepsel, vol zelfbewustzijn, kracht en overmoed. Nieuwsgierig staart

hij den ruiter aan, die hem nadert; dan echter draaft hij zoo achteloos

weg, alsof hij met zijn vervolgers den spot drijft, terwijl hij al

spelender wijs de flanken met zijn staart geeselt. Geeft de ruiter zijn

ros de sporen om het tot spoed aan te zetten, dan gaat de draf van den

koelan over in een even gemakkelijken als snellen galop; vlug als de

wind doorvliegt hij de steppe en is spoedig uit het gezicht. Maar zelfs

in dien dollen loop houdt hij nu en dan in, blijft een oogenblik staan,

werpt zich om en ziet zijn vervolger in ’t gezicht, hinnikt, keert

opnieuw om, werpt overmoedig de achterpooten in de lucht en springt met

dezelfde losheid verder. Een vluchtende troep schaart zich steeds in

eene rij, en wanneer deze, als op een bevel van den aanvoerder

plotseling stilhoudt, zwenkt en verder rent, dan levert zulks een

ongemeen schoon gezicht op.

Even als bij alle andere paarden wordt zulk een troep steeds aangevoerd

door een hengst, die tevens onbepaald gebieder is. Hij geleidt den

troep naar de weide en op de vlucht, weert moedig elken hem niet in

kracht te boven gaanden roover af, en duldt onder zijn onderhoorigen

geen gevecht, geen medeminnaar, en in ’t algemeen geen volwassen

hengst. Daarom ziet men in de streken, alwaar deze dieren rondzwerven,

dikwijls kluizenaars ronddolen, die door geen enkelen troep worden

opgenomen; het zijn de in langdurigen en verwoeden strijd overwonnen en

verdreven hengsten, die nu tot den volgenden bronsttijd eenzaam en

verlaten rondzwerven. In September naderen zij de kudden weder, waaruit

inmiddels de oude hengst alle opschietende jonge hengsten verdreven

heeft. Een grimmige strijd begint, zoodra zij een mededinger ontmoeten.

Uren lang ziet men hen om dezen tijd op de toppen der steile bergruggen

staan: de wijd geopende neusgaten zijn naar den wind gekeerd, het oog

staart in de vlakte beneden hen. Zoodra de verdrevene een anderen

hengst in ’t oog krijgt, springt hij dezen in gestrekten galop te

gemoet en strijdt met tanden en hoeven, totdat de uitputting de

vechtenden scheidt.

Zegeviert hij over den aanvoerder eener kudde, dan treedt hij in diens

plaats en rechten, en de merries volgen hem even gewillig als zijn

voorganger. Op dien tijd van strijd volgt de verhuizing; want de booze

winter drijft ook de koelans van de eene plaats naar de andere, en

eerst nadat de lente haar intocht heeft gehouden, keert de troep naar

de oude standplaats terug. Hier brengt de merrie tegen het laatst van

Mei of het begin van Juni haar veulen ter wereld, dat in alle opzichten

gelijkt op het veulen van ons paard, oogenschijnlijk iets plomper, maar

toch een zeer aardig, vroolijk diertje. Wij hadden het voorrecht ook

het veulen te leeren kennen.

Toen wij een lang gerekten heuvel der genoemde woeste steppe beklommen,

zagen wij plotseling op geringen afstand, drie oude koelans met een

klaarblijkelijk eerst voor weinige dagen geboren veulen voor ons. Onze

Russische gids vuurde een kogel op hen af, en weg renden de wilde

paarden; tenauwernood raakten de kleine hoeven den grond, terwijl zij

als het ware al spelende hunne behendigheid ten toon spreidden en ten

behoeve der veulens blijkbaar hun loop iets inhielden. Vooruit snelden

evenwel ook op hetzelfde oogenblik alle Kirgiezen en Kozakken van ons

gevolg; vooruit snelden, door de algemeene razernij medegesleept ook

onze bedienden; vooruit stoven ook wij. Het was een wilde jacht! Altijd

nog met hunne krachten spelende liepen de wilde paarden in de richting

der bergen voort, terwijl alle ruiters hun rossen dwongen om hun volle

krachten te ontplooien, zoodat de dieren bijna met den buik langs den

grond streken. Het juichend geschreeuw der Kirgiezen, het stampen der

bliksemsnel voorthollende paarden, het hinniken van onze veel langzamer

loopende, onder den teugel knersende rijpaarden, weêrgalmde door de

lucht, de fladderende mantels en kaftans, het opstuivende zand

verlevendigden de woestijn. Steeds verder en verder voerde ons de dolle

jacht. Daar scheidde zich het veulen van zijn oudere gezellen en bleef

iets achter; de afstand tusschen hem en de telkens met angst

achteruitziende moeder werd steeds grooter, die tusschen het veulen en

de ruiters steeds kleiner; nog enkele minuten en het was gevangen.

Zonder tegenstand te bieden gaf het zich aan zijn vervolgers over; van

de wildheid, de onbedwingbare eigenzinnigheid, de bandelooze, soms in

ware ondeugendheid ontaardende moedwilligheid der oudere dieren zijner

soort was nog geen spoor waar te nemen. Onschuldig keek het ons met

zijne groote, levendige oogen aan; met welbehagen naar het scheen, liet

het zich over zijn zachte huid streelen en gewillig aan een koord

binden en leiden; onbezorgd als een kind legde het zich naast ons

neder, om na de heete jacht, waarvan hij zelf het doelwit was geweest,

de voor hem zoo noodige rust te genieten; het was een bekoorlijk,

innemend schepsel! O, hadden wij het dier slechts dadelijk eene

zoogende merrie, rust en verpleging kunnen verschaffen! Maar dat was

onmogelijk, en het lieve, aanvallige wezen stierf dan ook reeds den

volgenden dag. Een volwassen wild paard zouden wij met jagerslust

gedood hebben; het jonge dier te zien sterven, dit greep ons aan.

Tevergeefs trachtten wij een der oude dieren te vangen; tevergeefs

legden wij ons naast het vastgebonden veulen in hinderlaag; tevergeefs

hielden wij een drijfjacht—niemand onzer slaagde. Als jager scheidde ik

met leedwezen, als natuuronderzoeker ten volle bevredigd uit de

armzalige woestenij: ik had immers het edelste zoogdier der steppe

leeren kennen.

Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping · 第 10 / 88 题