DE TOENDRA EN HARE DIERENWERELD.

Een breede gordel onherbergzaam land slingert zich om de Noordpool der

aarde. Het is eene woestenij, waar niet de zon, maar het water zijn

stempel heeft ingedrukt. Hoe meer men de pool nadert, des te meer gaat

deze woestijn over in een ijsveld, meer naar het zuiden in wouden,

gevormd door dwergachtig geboomte; zij verandert zelf echter in een

sneeuw- en ijsveld, wanneer de lange winter er zijn intocht houdt,

tegen wiens heerschappij het schrale geboomte alleen in de diepste

dalen en op de zonnigste hellingen met eenigszins goed gevolg den

levensstrijd kan bestaan. Dit gebied is de „Toendra.”

Het is een eentonig beeld, dat ik moet schilderen, wanneer ik de

toendra ga schetsen, eene schilderij vol grijs op grijs, maar toch niet

zonder alle schoonheid; wij hebben hier te doen met eene wildernis,

doch met zulk eene, waarin in weerwil van het maanden lange

sluimerende, bijna uitgestorven leven, zich nu en dan dat leven toch

nog in wonderlijken rijkdom openbaart.

Onze taal bezit geen synoniem voor het woord toendra, omdat er in ons

vaderland dergelijke streken niet voorkomen. Want de toendra is geen

heide en geen veen, geen moeras en geen poel; toendra’s zijn geen

geesten en geen duinen, alhoewel zij plekken bevatten, die nu eens aan

het eene, dan weder aan het andere doen denken. Men heeft ze wel eens

met den naam van „mossteppen” betiteld, doch deze uitdrukking mag dan

alleen juist genoemd worden, wanneer men het woord steppe in den

uitgestrektsten zin opvat. Volgens mijn meening gelijkt de toendra nog

het meest op zulke moerasvenen, als men op de breede zadelruggen onzer

hooggebergten aantreft, en vermijdt; toch verschilt zij in vele en

belangrijke kenmerken van deze moerassige vlakten, daar haar voorkomen

in alle opzichten zoo geheel anders is. Men zou de toendra kunnen

verdeelen in laag- en hoogtoendra; het verschil tusschen het land

beneden en boven de honderd meter volstrekte hoogte bestaat in de

toendra echter meer in schijn dan in werkelijkheid.

Zacht golvend strekt zich de laagtoendra voor ons uit; de dalen zijn

ondiepe kommen, de hoogten, die uit de verte gezien, zich voordoen als

bergen, ja ons zelfs doen denken aan werkelijke gebergten, zijn tot

vlakke heuvels geworden, zoodra men haar voet genaderd is. Vlak,

eentonig, zonder uitdrukking is de toendra over ’t algemeen, alhoewel

eene zekere afwisseling in sommige deelen niet te loochenen valt.

Wanneer men eenige dagen achtereen door de toendra wandelt, wordt men

dikwijls geboeid door aardige, zelfs aanvallige détails; maar zeer

zelden ontvangt men een duurzamen indruk, omdat bij nadere beschouwing

het eene toch wederom in alle bijzonderheden, door omgeving en

omlijsting, omtrekken en kleuren, te zeer op het vroeger geziene

gelijkt, dan dat men het zou kunnen vasthouden. In weerwil dezer

eentonigheid is toch het karakter der toendra niet overal hetzelfde,

maar nog veel minder grootsch, zoodat men zich aan dit landschap niet

kan verwarmen en het ons onmogelijk in de verrukking kan brengen, die

andere landschappen bij ons opwekken, mogelijk zelfs niet in staat is

om ons naar waarde te doen genieten van de werkelijke schoonheden,

waaraan deze woestenij ook soms nog rijk kan zijn.

De toendra ontvangt haar grootsten tooi van den hemel, haar grootste

bekoorlijkheid van het water. Geheel helder is de lucht hier zelden, al

mag ook maanden lang de zon onafgebroken branden en drukkend stralen op

de vlakke heuvels en in de ondiepe dalen. In den regel blinkt het blauw

des hemels slechts op enkele plaatsen door de matwitte, dunne wolken;

dikwijls worden deze evenwel verdicht tot stapelwolken, die aan allen

kant, langs den geheelen gezichteinder zich vormen, elk oogenblik van

gedaante veranderen, voortschuiven, ontstaan en verdwijnen, en wier

afwisselend licht het oog zoo betoovert, dat men het beneden haar

liggende landschap geheel vergeet. Wordt men na eenige dagen hitte door

een onweêrsbui bedreigd, neemt de hemel hier en daar een

donker-grijsblauwe tint aan, schuiven zich met damp beladen wolken

onder de meer heldere, en schijnt de zon daar toch nog helder en

glansrijk tusschen door—dan ziet het woeste, eentonige landschap er

werkelijk tooverachtig schoon uit. Licht en schaduw teekenen zich thans

op de heuvels en dalen af, en de anders zoo vermoeiende eenkleurigheid

der verven verkrijgt afwisseling en leven. En wanneer in den zomer te

middernacht de zon groot en donkerrood aan den hemel staat, wanneer

alle wolken aan den onderrand met purper worden omzoomd, wanneer de

bergen, waarachter de zon zich heeft verborgen, getooid worden met eene

lichtkroon, die haar gloeiende stralen ver naar alle zijden uitzendt,

wanneer een rooskleurige nevel zich over het bruingroene landschap

spreidt, wanneer in één woord de middernachtszon de zee omvat met hare

onweêrstaanbare betoovering, dan is deze woestenij omgevormd in

wonderschoone dreven en eene heilige siddering grijpt het hart tot in

zijn diepste binnenste aan.

Maar ook de kleinoodiën der toendra, de talrijke meren brengen

afwisseling en leven in het landschap. Verspreid of in groepen bijeen,

naast of boven elkaar gelegen, nu eens mijlen ver zich uitstrekkende

waterbekkens vormende, dan weder tot onbeduidende poelen

ineengekrompen, vullen zij het middengedeelte van elken ketel,

versieren zij elk hoofddal, tooien zij bijna ieder zijdal. In het

vroolijke zonlicht tintelen zij van leven; hoe grijs en kleurloos zij

ook zijn mogen, van den top eens heuvels gezien, nemen zij een blauwe

kleur aan, die hen doet gelijken op de Alpenmeren. En wanneer dan de

zon op hun spiegelende oppervlakte tintelt en glinstert, of wanneer te

middernacht ook zij door een rooskleurigen gloed worden bestraald, dan

treden zij als levende lichten uit het duister der omgeving zoo

heerlijk te voorschijn, dat het oog zich niet aan hun aanblik kan

verzadigen.

Veel grootscher, alhoewel nog altijd sombere en eentonige

landschapsbeelden ontvouwt de hoogtoendra voor den blik des reizigers.

Ieder werkelijk gebergte siert zich hier met allen praal der hoogte. De

bergen stijgen bijna zonder uitzondering steil omhoog, en de ketens,

welke zij vormen, strekken zich als veelvuldig gebogen lijnen voor ons

uit; het sneeuwdek, dat hen bekleedt, verijst overal, waar de

omstandigheden dit toelaten, tot gletschers. Ware toendra ontwikkelt

zich slechts daar, waar het water geen snellen afloop vindt; al het

overige land schijnt van dat der laagte zoo te verschillen, dat slechts

het plantendek, dat zich overal gelijk blijft, de toendra verraadt. De

beneden in de diepte zich bevindende, en met dikke lagen afgestorven en

in veen overgegane plantendeelen bedekte rolsteenen liggen hier bijna

overal aan de oppervlakte; eindelooze, uit reusachtige blokken

samengestelde hoopen zijn op de hellingen gelegerd of vullen de dalen;

uit rolsteenen is de ondergrond gevormd van deze bijna effene vlakten,

over welke de voet des wandelaars ook daarom langzaam voortschrijdt,

omdat zich hier, zelfs voor den scherpzinnigsten geleerde, raadsels

opdoen met betrekking tot de natuurkrachten, die deze blokken met bijna

onveranderlijke regelmatigheid over eindelooze vlakten verdeeld hebben.

Daartusschen sijpelt en glijdt, murmelt en stoeit, stroomt en ruischt,

bruist en dondert het water overal naar beneden. Van de hellingen loopt

het droppelsgewijs in parelsnoervormige draden, in aaneensluitende

aderen, in murmelende beekjes; uit de gletscherpoorten breekt het met

geweld te voorschijn als troebele beken, melkwit van kleur; drabbig

stroomt het in de waterbekkens; uit de meren, waarin het geklaard werd,

vloeit het verder in kristalheldere stroomen, en draaiend en schuimend,

sissend en loeiend snelt het dalwaarts, waterval op waterval vormende,

tot het eindelijk of de laagtoendra of een rivier of de zee heeft

bereikt. De zon giet echter over deze eigenaardige bergwereld haar

licht, zoo dikwijls zij door de wolken breekt en verft haar met heur

toovergloed; de zon scheidt ook hier berg en dal, verlicht elk

sneeuwveld, verleent elken gletscher en elke kloof glans en schoonheid,

doet iedere spits, elken kam en iederen wand duidelijk uitkomen, elk

meer stralen als een helder vriendelijk oog der bergen, legt in de

morgen- en avonduren het blauwe waas van den horizon als een teedere

sluier over den achtergrond van dit tooneel, en laat te middernacht

haar diepste stralen vloeien over het geheele landschap, zoodat ook dit

overtogen wordt met een rooskleurig licht. Ja waarlijk! zelfs de

toendra mist niet elke bekoorlijkheid.

Op enkele, wel is waar zeldzame plekjes, verleent ook de plantenwereld

haar vorm en schoonheid. Sparren en dennen, voor zoover zij niet in het

zuiden zijn teruggebleven, komen slechts in de meest beschutte dalen

voor. Zelfs de hier en daar nog optredende dennen, die er uitzien alsof

een reuzenarm ze bij den top had gepakt, en schroefvormig omgedraaid,

kunnen in de hoogere deelen der toendra niet gedijen. Ook de berken,

die nog iets meer noordelijk voortdringen dan de dennen, leiden hier

een kommervol leven en gelijken op grijs geworden dwergen. De larix

alleen behoudt hier en daar het veld en groeit tot een waren boom uit;

maar een karakterplant der toendra is de larix niet. Deze eer komt

bovenal toe aan den dwergberk. Deze boom, die onder zeer gunstige

omstandigheden de hoogte van een meter kan bereiken, heeft in verreweg

het grootste deel der toendra de overhand, zoodat de andere struiken en

struikjes als tusschen de berken ingroeiende kunnen beschouwd worden.

Hij komt voor, overal waar hij maar wortel kan schieten, van den oever

der meren en stroomen af tot aan den top der bergen, en vormt een zoo

gelijkmatig dicht dek van overal dezelfde hoogte, dat geheele velden er

uitzien alsof zij met eene schaar waren afgeschoren; hij verdwijnt

alleen daar geheel of gedeeltelijk, waar de grond zoo met water is

verzadigd, dat deze tot een poel of moeras wordt; hij kwijnt alleen

daar, waar een vet, in de zon tot eene harde massa wordend leem, of

onvruchtbaar grind de hoogten bedekt; hij worstelt echter nog met het

veenmos, dat alle laagten inneemt, en met het rendiermos, dat alle

hoogten bedekt, om de heerschappij. Vele vierkante kilometers

oppervlakte naast en achter elkander worden zoo dicht door den berk

omsponnen, eigenlijk met eene laag riet bedekt, dat slechts het

onuitroeibare veenmos naast en zelfs onder den struik zijn aandeel op

dien bodem nog durft handhaven, terwijl op andere plaatsen dwergberken,

laurierwilgen en rozemarijnwilgen door elkaar groeien. Eveneens mengen

zich daar somtijds verschillende besgewassen onder, zooals veenbessen,

roode boschbessen, besheide en moerasbessen.

Wordt de grond, terwijl hij een kom vormt in de omringende vlakte, zeer

vochtig, dan verkrijgt het veenmos allengs de overhand; ’t verdringt

den dwergberk steeds meer en meer en vormt nu groote, ronde kussens of

bulten, die tengevolge eener snelle vervening der afgestorven

worteldeelen voortdurend in hoogte toenemen en ook in de breedte zich

uitbreiden, tot eindelijk het water het verder voortdringen van het mos

stuit of het kussen in kuifvormige heuveltjes stukscheurt. Is de kom

zeer vlak, dan vormt het daarin verzamelde water slechts bij

uitzondering een vijver of meer, meest niet eens een poel, maar het

zakt tot onbepaalde diepte in den grond en geeft zoo aanleiding tot de

vorming van een moeras, welks dun, maar taai, uit de ineengevlochten

wortels van zeggegras gevormd dek, slechts zonder gevaar kan betreden

worden door het breedhoevige rendier, ofschoon het ook onder diens

voetstappen trilt als eene gelei, en golft en buigt onder den last

eener door rendieren getrokken slede.

Wordt de laagte tot een kleine, meer diepe kom zonder afwatering, en

vloeit daarin, al zij het nog zoo langzaam, eenig water, dan gaat zulk

een moeras over in een poel en verder naar beneden in drasland. In het

eerste komt de zegge, in het laatste de wolwilg, een tweede

karakterplant der toendra, tot weligen groei. Ofschoon slechts in het

gunstigste geval tot manshoogte opgroeiende, vormt deze plant toch

kreupelbosschen, die in den letterlijken zin des woords ondoordringbaar

kunnen zijn. Meer nog dan bij de dwergdennen van het hooggebergte

strengelen zich hier de takken en wortels dooreen tot een zelfs voor

het oog niet te ontwarren vilten weefsel, dat als het ware uit alle

bestanddeelen van den wilg is samengesteld. Het houdt den sterksten arm

tegen, die het met moeite een weinig zijwaarts buigt; het belemmert den

voet zoodanig, dat ook de volhardendste man eindelijk zijn pogingen

opgeeft om verder te dringen, en hij zelfs dan terugkeert, wanneer de

grond niet, gelijk gewoonlijk, een moeras is, of indien eene

aaneenschakeling van modderkuilen, waarin men zich niet gaarne waagt,

de ruimte tusschen de boschjes aanvult.

Wie door de toendra trekt bespeurt al ras, dat het geheele gebied uit

eene voortdurende afwisseling, maar zichzelf steeds gelijk blijvende

herhaling der geschetste bijzonderheden bestaat. Alleen op plaatsen,

alwaar een groote, waterrijke rivier de laagtoendra doorsnijdt, kunnen

de omstandigheden eenigszins veranderen. Zulk een stroom stapelt hier

en daar de meêgevoerde zandmassa’s tot banken op; de schier

onophoudelijk doorwaaiende, meestal vrij hevige wind doet daaruit

duinen ontstaan, en zoo wordt er een landschap geboren, dat aan de

toendra overigens vreemd is.

Op die duinen groeit zelfs in Siberië de larix nog tot een statigen

boom omhoog, en deze, in vereeniging met boschjes van wilgen en

dwergelzen schenkt aan het landschap tooi en schoonheid. Ja, het komt

zelfs voor, dat de larix in de nabijheid van kleine meren in groepen

optreedt en dan met genoemde boschjes natuurlijke parken vormt, die

zelfs in meer bevoorrechte streken de aandacht zouden trekken, en dus,

zooals men licht begrijpen kan, hier een onuitwischbaren indruk moeten

achterlaten.

Onder beschutting der elzen staan nu overal, waar deze op de duinen

groeien, ook andere hoogstammige planten op; spitsbladige wilgen,

lijsterbessen, wegedoorn, en kamperfoelie; in het zand ontspruiten

tevens bloemen, die men alleen in het zuiden zou zoeken. Hier schittert

ons de roode bloemenpracht van de wederik tegen; hier klemt het

aanminnige heideroosje zijn dunne twijgjes tegen de borst der

moederaarde, om deze met haar takken en bloemen te versieren; hier

lacht ons het vriendelijke vergeet-mij-nietje tegen, als bracht het een

groet uit het vaderland, ginds in ’t verre zuiden; hier vinden het

nieskruid en bieslook, de valeriaan en thijm, anjelieren en klokjes,

vogelwikke en alpenerwten, boterbloemen, immortellen, kers, speerkruid,

vingerkruid, de roode kool, en vele meer, een woonplaats in de

woestijn.

Er groeien op zulke plaatsen veel meer planten, dan men verwachten zou;

maar in de toendra is men immers ook bescheiden in zijn wenschen! Hier,

waar men dagen en weken lang altijd dezelfde armoede om zich heen

waarneemt, altijd niets dan dwergberken en wolwilgen ziet,

rozemarijnheide en zegge, rendiermos en veenmos; waar men zich reeds te

goed doet aan half uitgegroeide, half in ’t mos verscholen, half op den

grond voortkruipende veen- en boschbessen, en de braambessen, die het

mosdek sieren, voor bloemen moet nemen; wanneer men dagen lang over en

door deze plantjes wandelt, altijd afwisseling verwacht en altijd

teleurgesteld wordt! Elke uit het zuiden ons bekende plant herinnert

aan een gelukkiger oord; men begroet ze als lieve vrienden, wier waarde

men eerst op prijs leert stellen, wanneer men in de vrees verkeert hen

te verliezen.

Schijnt het raadselachtig, waarom al deze en nog andere planten juist

in dit dorre duinzand alleen ontkiemen, het vreemde van dit

verschijnsel verdwijnt, wanneer men weet dat slechts het duinzand in

voldoende mate door de warmte der maandenlang onafgebroken van den

hemel stralende zon kan worden gekoesterd om genoemde planten daarin te

doen groeien.

Elders in de toendra is zulks het geval niet meer. Moeras en poel en

veen, zelfs de ettelijke meters diep met water gevulde meren vormen

slechts een dun zomerdek over den eeuwigen winter, die in de toendra

zijn doodende zoowel als zijn bederfwerende macht openbaart. Waar men

ook in den grond tracht door te dringen, overal stuit men op ijs; reeds

op een meter diepte onder de oppervlakte der aarde, soms nog minder, is

de grond bevroren, en men zou meer dan honderd meters diep moeten

graven alvorens men het einde van de ijskorst heeft bereikt. Die

ijskorst is het, welke aan de hoogere planten den wasdom ontzegt en

slechts aan haar het leven vergunt, die genoeg hebben aan de dunne in

den zomer ontdooide laag. Eerst wanneer men graaft, ziet men wat de

toendra eigenlijk is, n.l. een onmetelijke, eeuwige ijskelder, die

reeds tientallen van eeuwen bestond en nog even lang in wezen zal

blijven. Het eerste wordt bewezen door de overblijfsels van

voorwereldlijke dieren, die in dezen bodem begraven werden en zoo voor

ons bewaard zijn gebleven. Uit het ijs der toendra groef Adams in het

jaar 1807 den mammoeth op, aan welks vleesch de honden der Jakoeten

zich zat hadden gegeten, niettegenstaande er eeuwen en eeuwen sedert

den dood van dit dier waren verloopen. De ijzige toendra had het lijk

van den voorwereldlijken olifant in zich opgenomen en voor bederf

bewaard.

Een aantal gelijksoortige en zeker ook andere dieren van het

hedendaagsche tijdperk heeft zij in haar ijs begraven. Ook in vroegere

dagen kon de toendra geen rijker dierenwereld voeden dan waartoe zij nu

in staat is. De Europeesche bison en muskusos doortrokken deze velden,

nog lang nadat de mammoeth had opgehouden te leven; het reuzenhert en

het eland hebben hier eenmaal thuis behoord. Heden ten dage is de fauna

der toendra even arm als hare flora, even eentonig. Zulks heeft echter

meer betrekking op het aantal soorten dan op het aantal individuen;

althans in den zomer kan het hier wemelen van dieren.

Eerst laat in het jaar wordt de toendra bevolkt. Van die soorten, welke

haar ook in den winter niet verlaten, merkt men dan weinig. De

visschen, die uit de zee de rivieren zijn opgezwommen, worden door het

ijs aan het gezicht onttrokken, de zoogdieren en vogels, die hier

overwinteren, door de sneeuw, waaronder zij leven of welker kleur hen

tooit. Eerst wanneer op de zuidelijke hellingen de sneeuw begint te

smelten, ontwaakt het dierlijk leven. Schoorvoetend houden de

zomergasten hun intocht. De wolf volgt op het wilde rendier, het

heirleger der zomervogels volgt de schotsen, die de rivieren afdrijven.

Sommige dezer vogels verwijlen ook nu nog besluiteloos in de

zuidelijker gelegen streken, houden zich alsof zij willen broeden,

verdwijnen plotseling uit hun verblijf aan den weg, vliegen fluks naar

de toendra, bouwen onmiddellijk na hun aankomst een nest, leggen eieren

en beginnen vlijtig te broeden, alsof zij den tijd wilden inhalen, dien

hunne in zuidelijke landen levende broedende soortgenooten op hen

vooruit hebben. Tot weinige weken is hun zomerleven beperkt. Innig

vereend, òf voor het gansche leven, òf slechts voor een enkelen zomer

gepaard, met een van liefde kloppend hart, komen zij aan om zingende of

althans jubelende den nestbouw aan te vangen. Onvermoeid vervullen zij

hun ouderplichten, broeden de jongen uit, voeden deze op, onderwijzen

ze, ruien en trekken weer naar vreemde landen.

Het aantal diersoorten, die de toendra als woonplaats mogen beschouwen,

is gering, maar veel kleiner nog is het getal dergenen, die men als

karakteristiek voor de toendra kan beschouwen. Zulk een karakterdier is

in de eerste plaats de poolvos. Zoo ver de toendra zich uitbreidt,

strekt zij dit dier tot toevluchtsoord, en althans in de zuidelijke

deelen schenkt zij hem met den gewonen vos en nog andere leden zijner

familie onderhoud en voedsel; hij draagt hare kleuren; in den zomer de

kleur der rotsen, in den winter het sneeuwkleed, want grijs als de

rotsen, of grijsachtig blauw is de kleur van zijn dicht haarbekleedsel,

en wit verft dit zich in den winter. „Slecht en recht” naar vossenaard

slaat hij zich door het leven, en toch is zijn doen en laten geheel

verschillend van dat van onzen Reinaard en diens evenboortige familie.

Men is niet onbillijk, wanneer men hem als het verbasterd lid eener

ongemeen begaafde, schrandere, talentvolle familie beschouwt. Het

vindingrijk verstand, de fijne list en de zich nooit verloochenende

tegenwoordigheid van geest, die zijn bloedverwanten kenmerken, zijn bij

hem weinig meer dan in de beginselen aanwezig. Plompdriest is zijn

optreden, onbescheiden zijn aard, onverstandig zijn handelen.

Als een vermetel bedelaar, een onbeschaamde landlooper, niet als een

listige, alle omstandigheden berekenende en van alle mogelijke middelen

partij trekkende dief of roover treedt hij op. Onbezorgd kijkt hij den

jager in het roer; niet gewaarschuwd door den op hem gemunten,

strijkelings hem voorbijsnellenden kogel volgt hij zijn vreeselijksten

vijand; gedachtenloos dringt hij in de hutten van berkenbast, die de

trekkende rendierherder heeft opgeslagen; zorgeloos nadert hij des

nachts den mensch, die zich onder den blooten hemel te slapen heeft

neêrgevlijd, om dezen diens buit te ontstelen of zinneloos naar diens

ontbloote lichaamsdeelen te happen. Het is mij persoonlijk gebeurd, dat

een poolvos, op wien ik in de schemering herhaalde malen tevergeefs een

schot loste, evenals een hond mijn schreden volgde; mijn jachtvriend,

Erik Swenson van Dovrefjeld, moest ervaren hoe zulk een dier des nachts

aan de huid begon te vreten, op welke Swenson lag te slapen; en de oude

Steller bericht naar waarheid nog van geheel andere trekken; trekken,

die men voor onmogelijk zou houden, ware het niet, dat zij gesteund

worden door andere, gelijksoortige berichten. Het is waar, de zeldzame

verschijning van den mensch in de toendra moge hier eenigszins ter

verklaring dienen, maar die onschuld van den poolvos wordt daardoor

alleen niet verklaard. Want noch de gewone vos, noch eenig ander

zoogdier der toendra gedraagt zich zoo onwijs als de poolvos; zelfs de

lemming heeft nog meer verstand.

Een bijzondere vorm is ongetwijfeld ook deze bewoner der toendra,

onverschillig van welk lid zijner familie sprake is. Overal in de

toendra ziet men deze dieren of althans hun sporen. In alle richtingen

doorkruisen deze de velden, vooral die plaatsen, waar de dwergberk

tiert; men herkent ze aan de gladde onbegroeide, smalle in het mos plat

getrapte paden, die vele honderd meters lang dezelfde richting

behouden, dikwijls naar rechts of links afbuigen en eerst na vele

omwegen weder in den hoofdweg uitmonden. Hierin ziet men nu en dan, in

droge zomers, een klein, kortstaartig, veel op een hamster gelijkend

dier vlug bij troepen voortloopen, om meestal heel spoedig uit het

gezicht te verdwijnen.

Het is de lemming, een woelmuis ter grootte eener kleine rat of groote

muis, met een bont, onregelmatig geteekend bruin, geel, grijs en zwart

vel. Wanneer men het diertje ontleedt, dan ontdekt men tot zijn

verbazing, dat het beestje om zoo te zeggen, enkel uit vel en

ingewanden bestaat. Beenderen en spieren zijn ongemeen weinig, de

ingewanden, vooral de spijsverterings- en voortplantingsorganen

buitengewoon sterk ontwikkeld. Hieruit laten zich zekere

levensverschijnselen verklaren, die langen tijd voor raadselachtig

golden, n.l. de plotselinge en bijna onbegrensde voortplanting des

diers en zijne op groote schaal en oogenschijnlijk op geregelde tijden

plaats hebbende verhuizingen.

Onder gewone omstandigheden leidt de lemming een zeer behagelijk leven.

Hij heeft nimmer gebrek, noch in den zomer, noch in den winter.

Allerlei plantenstoffen dienen hem tot voedsel: de uiteinden der

mosplantjes, korstmossen en boombast. In den zomer dient eene holte, in

den winter een warm, dikwandig, zacht gevoerd nest te midden der sneeuw

den lemming tot woning. Wel dreigen van alle kanten gevaren: want niet

alleen allerlei behaarde en gevederde roovers, maar zelfs de rendieren

verdelgen honderden en duizenden lemmingen; desongeacht

vermenigvuldigen deze zich zonder ophouden in sterke mate, totdat zich

bijzondere omstandigheden voordoen, die de in weinige weken ontstane

milliarden in even weinig dagen vernietigen. Vroeger dan gewoonlijk

valt b.v. de lente in de toendra in, en droger dan gewoonlijk is de

zomer. Alle jongen van den eersten worp der lemmingwijfjes groeien

voorspoedig op en zijn reeds binnen zes weken na hunne geboorte in

staat, om zelf hunne soort voort te planten.

De ouders hebben intusschen aan een tweede en een derde geslacht het

levenslicht geschonken, en ook dezen volgen hun voorbeeld. Binnen drie

maanden wemelen de hoogten en laagten der toendra even sterk van

lemmingen als soms onze velden van muizen.

Overal, waarheen men zich ook keert, ontwaart men deze bedrijvige

dieren; met een enkelen oogopslag omvat men dozijnen, en duizenden

ontmoet men binnen het tijdsverloop van een uur. Op alle paden en wegen

ziet men ze loopen; vervolgd, en in ’t nauw gebracht, stellen zij zich

onder luid geschreeuw en met de tanden knarsende teweer, even alsof

zij, prat op hun groot aantal, zelfs den mensch niet vreesden. Maar hun

eigen menigte, die nog steeds aangroeit, wordt hun ten verderve. De

arme toendra kan al spoedig hun vraatzucht niet meer bevredigen. De

hongersnood ligt in ’t verschiet, is misschien reeds gekomen. Nu

dringen zich de door angst gekwelde dieren bijeen en vangen den tocht

aan. Honderdtallen voegen zich bij honderdtallen, duizenden sluiten

zich bij andere duizenden aan. De troepen worden hoopen, de hoopen

legerscharen. In eene bepaalde richting trekken zij op, eerst allicht

de vroeger plat getrapte paden volgende, later zich nieuwe wegen

banende; in onafzienbare, ontelbare rijen, ijlen zij voort; boven van

de rotsen storten zij zich naar beneden in de stroomen. Duizenden

bezwijken van gebrek; over hunne lijken spoedt zich de achterhoede;

honderdduizenden verdrinken in de wateren of liggen verbrijzeld aan den

voet der rotsen; die overblijven rennen in dolle vaart over de

gevallenen heen; wederom nieuwe honderd- en duizendtallen vinden hun

graf in de magen der hun achtervolgende poolvossen, gewone vossen,

wolven en veelvraten, ruigpoot buizerden, raven, uilen en roofmeeuwen;

de rest trekt zich dit alles niet aan. Werwaarts zij reizen, waar zij

eindelijk aanlanden—niemand weet zulks te zeggen; dit is echter zeker,

dat achter deze scharen de toendra als uitgestorven schijnt, en dat er

dikwijls eene reeks van jaren verloopt, aleer de weinigen, die

terugbleven en steeds voortgingen met zich te vermenigvuldigen,

langzamerhand in aantal toenemende, wederom op zichtbare wijze hun

geboorteland hebben bevolkt.

Het derde karakterdier der toendra is het rendier. Hij, die dit, op

zichzelf beschouwd zoo weinig fraaie hert slechts uit den gevangen

staat, d.i. dien der slavernij kent, kan zich voorzeker geen juist

denkbeeld vormen van hetgeen dit dier is in den vrijen natuurstaat.

Hier eerst, hier in de toendra leert men het rendier waardeeren, als

een lid der familie, wie het niet tot schande verstrekt. Het behoort

met lijf en ziel aan de toendra.

Het rent of zwemt met zijn breedhoevigen, schopvormigen, zeer

bewegelijken en bij elken voetstap klepperenden voet over de

onafzienbare gletschers, over de uit rolsteenen opgebouwde heuvels en

hellingen, over de vilten kruinen der dwergberken en de moskussens,

over de rivieren en meren. Met zijn hoeven krabbelt het zijn voedsel

diep onder de sneeuw te voorschijn. Het vindt voldoende beschutting

tegen den guren, langen winternacht der poolgewesten in zijn dichten

pels, tegen het snijdend hongerzwaard in zijn weinige kieschkeurigheid

met betrekking tot zijn voedsel, tegen den wolf, die voortdurend hem op

de hielen zit, in zijn waakzaamheid, snelheid, onvermoeidheid en ook

eenigszins in de scherpte zijner zintuigen.

Den zomer brengt het rendier door in die plaatsen der hoogtoendra,

alwaar in de onmiddellijke nabijheid der gletschers, behalve het

rendiermos, dat mijlen ver de aarde als met een kleed bedekt, ook

sappige, heerlijke alpenkruiden, uit den bodem ontspruiten. In den

winter trekt het door de laagtoendra van den eenen heuvelketen naar den

anderen, die plaatsen opzoekende, alwaar de wind de sneeuw heeft

weggevaagd.

Kort te voren is zijn vertakt gewei tot volle kracht gekomen, en heeft

het in het zalig bewustzijn dier kracht, den strijd op leven en dood

gewaagd met zijn soortgenooten—de bronsttijd was daar—en deed het de

stille toendra weêrgalmen van den stoot der tegen elkaar gedreven

geweien; nu trekt het, afgemat door dat gevecht en den roes der liefde,

eendrachtig met andere rendieren vereenigd, in sterke koppels door zijn

gebied, om nu een anderen strijd, dien tegen den winter aan te vangen.

Wel moet het rendier, wat schoonheid en adel betreft, onderdoen voor

het hert, maar alwie het, niet gekneld door slavenketenen, in sterke,

aaneengesloten koppels vereenigd, in zijn vaderland, de toendra, heeft

aanschouwd, alwaar het de hooggebergten siert en zich scherp afteekent

tegen den blauwen hemel of het witte sneeuwdek, die bekent gaarne, dat

het rendier tot de heerlijkste wildsoorten behoort en het hart van den

jager sneller kan doen kloppen dan iemand vermoeden zou.

Ook de vogels vormen eene merkwaardigheid der toendra. Wie de

woestenijen van het noorden heeft bezocht, heeft althans een dezer

dieren ontmoet, n.l. het sneeuwhoen:

„In den zomer bont van het hoofd tot de voeten,

In den winter witter dan de sneeuw.”

Ik bedoel niet het sneeuwhoen onzer hooggebergten, dat ook hier,

beperkt tot den gletschergordel, voorkomt, maar het ongelijk veel

talrijker moeras-sneeuwhoen.

Waar de dwergberk tiert is het te vinden; vooral echter, wanneer de

nachtelijke stilte zich over de toendra uitstrekt, al moge ook de zon

aan den hemel stralen, laat het zich zien. Nooit verlaat het zijn

geboortegrond geheel; ten hoogste verdrijft de winter het uit de

hoogtoendra, maar dan nog slechts naar de laagte. Vroolijk en bezig,

moedig en vol zelfvertrouwen, ijverzuchtig en strijdlustig waar het een

medeminnaar geldt, teeder voor zijn gade, alles voor deze en de

kinderen, zoo is het sneeuwhoen. Het heeft in zijn levenswijze veel van

onzen patrijs, maar spreidt toch in zijn doen en laten, in zijn geheele

wezen veel meer bekoorlijkheid ten toon.

Deze vogel schenkt eigenlijk leven aan de woestijn. Zijn uitdagend

geroep weêrklinkt in den stillen zomernacht, en wanneer in den winter

de toendra door bijna alle andere vogels is verlaten, dan vliegt nog

het sneeuwhoen vroolijk in koppels rond; het verblijdt en verrukt

zoowel den natuuronderzoeker als den jager.

In den zomer is deze vogel schier overal vergezeld door den

goudplevier. Ook deze vogel is een getrouw kind der toendra. Evenals de

vlugge loopvogel aan de woestijn, het steppenhoen aan de steppe, het

berghoen aan het hooggebergte, de leeuwerik aan het korenveld behoort,

zoo is de goudplevier het eigendom der toendra. Hoe bont zijn kleed er

ook uitzie, hij draagt hare kleuren; zijn droefgeestig geluid is geheel

in overeenstemming met deze woestenij. Even gaarne als men dezen vogel

in ons land ziet, even ongaarne begroet men hem echter in de toendra.

Zijn geroep, dat dag en nacht weêrklinkt, wekt hetzelfde weemoedig

gevoel op als de woestijn zelf.

Veel liever luistert men naar de stem van een anderen zomergast van dit

land. Niet de teedere melodieën van het blauwborstje, dat juist hier

onder de meest gewone broedvogels wordt gerekend, en met recht de

„honderdkelige zanger” wordt genoemd, niet de schallende liederen van

den ook tot de toendra doorgedrongen kramsvogel, niet de korte tonen

van den sneeuwgors of spoorgors, niet het gillend geschreeuw van den

slechtvalk of van den ruigpootbuizerd, niet het juichend geblaf van den

zeeadelaar of het gelijksoortig geschrei van den sneeuwuil, niet het

schetterend trompetgeluid van den zangzwaan of het klagende hoorngeluid

der ijseend, geen dezer allen is het, dien ik bedoel; ik heb het

verliefde geroep van den een of anderen zeeduiker op het oog; het is

eene wilde, ongeregelde en als het ware onbeteugelde, maar toch

klankvolle en toonrijke, schel weêrklinkende Noordsche melodie, te

vergelijken met het melodieus geruisch der branding, of het donderend

geraas van een omlaag stortenden waterval. Waar zich maar een vischrijk

meer bevindt, en daarin een verborgen plaatsje in bies of riet, dicht

genoeg om een drijvend nest te bevatten, daar laten zich de duikers

zien, die kinderen der toendra en der zee, deze ernstig-vroolijke

visschers der stille zoete wateren, en onbeschroomde duikers der

noordelijke zeeën. Uit de laatste kwamen zij in de toendra om te

broeden, en zoodra hun jongen in staat zijn de zee te beheerschen

gelijk zij zelven, dan zullen zij hen derwaarts geleiden. Zoover de

toendra reikt volgen zij hare wateren; meer dan de uitgestrekte

binnenmeren beminnen zij de kleine vijvers op de oeverbergen der

toendra, om van deze hoogten af, elken dag, onder een onstuimig zeelied

naar beneden te storten in het golvende, hun voedsel aanbrengende,

huiselijk meer.

Nog andere karaktervogels der toendra zijn afkomstig uit de zee. Met

welbehagen volgt het oog alle bewegingen der kleine roofmeeuw, met

verrukking die der watertreders, welke beide vogels eveneens in de

toendra broeden: de eerste op de vrije, met mos bedekte moerasvenen, de

tweede aan den oever der tusschen wolwilgen meest verborgen poelen en

plassen. Wil men de andere meeuwen bestempelen met den naam van „raven

der zee”, de roofmeeuwen mogen de „valken der zee” heeten. Terecht

dragen zij den naam van „roofmeeuwen” en „schuimloopers”, want als

geduchte roovers treden zij op, wanneer zij geen gelegenheid zien tot

klaploopen, en tot klaploopers worden ze, wanneer de eigen jacht hun

niet genoeg opbrengt. Als valken doorvliegen zij in den zomer de

toendra, in den winter de kustlanden der Poolzee; met trillende

vleugels staan zij boven het land of het water, om naar buit te

speuren; krachtig en edel stooten zij omlaag om hem op te vangen, en

behendig en zeker grijpen zij ’t offer, dat eenmaal in ’t oog is gevat.

En toch, deze moedige roovers schamen zich niet, daar waar het pas

geeft, te bedelen! Wee de meeuw, wee den zeevogel in ’t algemeen, die

onder de oogen van de roofmeeuw zich buit veroverde! Pijlsnel

achtervolgt deze onder een huilend geroep den gelukkigen roover,

omfladdert hem van alle zijden als in een dartel spel, snijdt hem op

listige wijze overal den weg af, als hij tracht te ontvluchten,

verijdelt elken aanval en pijnigt en kwelt hem zoo lang tot hij den

buit loslaat en den roover toewerpt, al moest hij dien ook uit den krop

weder naar boven persen. Het doen en laten der roofmeeuw, haar kracht

en behendigheid, koenheid en brutaliteit, haar onvermoeide waakzaamheid

en niet te keeren onbeschoftheid leveren een boeiend schouwspel op.

Zelfs voor haar bedelarij bestaat nog verontschuldiging, zoo bekoorlijk

is haar verschijning. En toch is de watertreder nog aantrekkelijker.

Deze is een strandvogel, die de eigenschappen van moerasvogels en

zwemvogels in zich vereenigt en deels op het land, deels op het water,

zelfs in zee leeft. Licht en bevallig, in sierlijkheid van beweging

door geen zwemvogel overtroffen, zwemt hij over de golven; vlug en

vaardig loopt hij den oever langs; met de snelheid eener poelsnip

strijkt hij in zigzaglijn door de lucht. Vertrouwelijk en bedeesd laat

hij zich van nabij waarnemen; angstig bezorgd voor zijn broedsel

verraadt hij meest zelf zijn nest met de vier peervormige eieren, hoe

zorgvuldig hij het ook in het riet moge verbergen. Men is geneigd den

watertreder als de liefelijkste verschijning onder alle vogels der

toendra te beschouwen. Belangrijk voor de toendra zijn verder de

roofvogels, belangrijk althans hunne levenswijze aldaar. Want slechts

aan den zuidrand van ons gebied of in de hoogtoendra alleen vinden zij

boomen en rotsen, waarop zij hun nest kunnen bouwen, zoodat zij

genoodzaakt zijn hier op den grond te broeden. Tusschen de kruipende

takken der dwergberken staat het nest van den moerasuil, op de kruin

zelf dat van den ruigpootbuizerd; op den blooten grond liggen de eieren

van den sneeuwuil en den slechtvalk; alleen de laatste kiest zooveel

mogelijk althans den rand eener kloof voor nestplaats uit, als wilde

hij zich zelf in den waan brengen, hier boven op de rotsen te zijn. Dat

zij zich evenwel bewust zijn van de onveiligheid dier plaatsing, blijkt

duidelijk uit de houding, die zij aannemen wanneer zij een mensch het

nest zien naderen. Van verre reeds wordt men met wantrouwen aanschouwd

en met luid geschreeuw begroet; hoe nader de mensch komt des te hooger

stijgt de angst der bezorgde ouders. Tot nog toe vlogen zij op meer dan

dubbelen geweerschotsafstand om hem heen; nu stooten zij moedig op hem

neer, en vliegen zoo dicht langs zijn hoofd, dat men het snijdend

geraas der vleugels duidelijk kan hooren en soms zelfs bevreesd is

werkelijk aangevallen te worden. De jongen evenwel, ofschoon van verre

er uitziende als witte ballen, duiken angstig in het nest neer, en

blijven bij de aankomst van hunnen, zoo niet gezienen, dan toch

vermoeden vijand zoo roerloos in de gekozen of eenmaal aangenomen

houding volharden, dat men ze uit kan schilderen zonder de vrees te

koesteren, dat zij door eenige beweging dit werk zullen storen;

inderdaad, een bekoorlijk tafereel!

Vele dieren zou ik hier nog aan toe kunnen voegen, indien zulks voor

eene teekening der toendra noodzakelijk ware. Kenschetsend is nog de

mug. Wanneer iemand dit insect het meest beteekenende aller levende

wezens der toendra noemde, waarlijk! hij zou niet licht van dwaling

beschuldigd kunnen worden. De mug maakt het leven van vele andere

dieren mogelijk, inzonderheid dat van vogels en visschen; zij dwingt

daarentegen andere wezens, zoo als o.a. den mensch, tijdelijk te

verhuizen; zij is de eenige oorzaak, dat de toendra in den zomer voor

beschaafde volken onbewoonbaar is. De talrijkheid der zwermen, waarin

zij optreedt, gaat alle verbeelding te boven; hare macht verwint mensch

en dier, en de kwalen, die zij veroorzaakt, spotten met elke

beschrijving.

Het is bekend, dat de eieren van alle steekmuggen in het water gelegd

worden, en dat de daaruit binnen eenige dagen voortgekomen larven tot

aan hare geheele verandering in het volkomen insect in het water leven.

Hierin vindt men de verklaring van het feit, dat de toendra zoo

bijzonder geschikt is voor de ontwikkeling dezer dieren. Zoodra de weer

rijzende zon de sneeuw en het ijs en de bovenste aardlaag ontdooid

heeft, ontwaakt het leven der muggen, dat in den winter wel sluimerde,

maar niet was uitgedoofd. Uit de eieren, die den winter in het bevroren

slijk hebben doorgebracht, sluipen larven; deze veranderen binnen

weinige dagen in poppen en de poppen in gevleugelde insecten; het eene

geslacht volgt in korten tijd op het andere. Nog vóór den langsten dag

begint de zwermtijd dezer vreeselijke dieren om tot het midden van

Augustus voort te duren.

En al dien tijd kan men ze vinden in de hoogte en in de laagte, op de

bergen en heuvels zoowel als in de dalen, tusschen de dwergberken en

wolwilgstruiken zoowel als aan de oevers der rivieren en meren. Elke

grasstengel, elke moshalm, elke tak, elke twijg, elk blaadje zendt op

elk uur van den dag scharen dezer wezens uit. De steekmuggen of

muskito’s der keerkringsgewesten, van de oerwouden en moerassen van

Zuid-Amerika, Midden-Afrika, Indië en de Soenda-eilanden, zoo door alle

reizigers gevreesd, zijn niet erger dan onze muggen, maar gene zwermen

slechts des nachts; deze vliegen tien weken lang en daarvan zes weken

onafgebroken, zonder tusschenpoos. Zij vormen heirlegers, die er

uitzien als een dichte, zwarte rook; zij hullen elk schepsel, dat zich

in haar bereik waagt, in een nevel; zij spotten met elke poging om haar

te verjagen; zij maken van den krachtigsten man een kind zonder wil,

zij verkeeren diens boosheid in vrees, de haar geldende vervloeking in

eene bittere klacht.

Zoodra men de toendra betreedt, klinkt ons reeds van verre een gegons

in de ooren, nu eens niet ongelijk aan het zingen van den theeketel,

dan weder te vergelijken met de tonen van een trillende metalen staaf,

en weinige oogenblikken later is men omringd door duizenden en nog eens

duizenden van muggen. Een door deze dieren gevormde stralenkrans

omgeeft het hoofd en de schouders, het lichaam en de ledematen van den

reiziger, om deze nabij te blijven, hoe snel hij zich ook moge bewegen,

en is door geen middel te verdrijven. Staat hij stil, dan verdicht zich

de zwerm, gaat hij verder, dan rekt de stoet zich in de lengte uit, zet

men het op een loopen, dan tot een langen sleep; nooit blijven de

muggen achter. Is er wind en komt deze van dien kant, waarnaar men zich

toe beweegt, dan verhaast de zwerm zijn vlucht tegen den luchtstroom

in; is de wind hevig, elk lid van den zwerm spant zich te meer in, ten

einde zijn bloedig offer niet te verliezen; de muggen raketten als

hagelsteenen tegen hoofd en nek. Voor men het denkt, is men van boven

tot beneden met deze dieren bedekt. In dichte drommen, die op grijze

kleêren zwart, op donkere als eigenaardige stippen en vlekjes zich

afteekenen, hechten zij zich vast, loopen langzaam op en neer, en

zoeken naar eene ontbloote plek om bloed te zuigen. Zonder eenig geluid

te geven en zonder eenig gevoel te veroorzaken, hebben zij het

aangezicht, den hals, den nek, de bloote handen en de alleen met kousen

bedekte voeten bereikt; een oogenblik later laten zij langzaam haar

steekwerktuig in de huid neder en storten een droppel gift uit in de

wonde. Vertoornd slaat de gewonde den bloedzuiger te pletter; maar

terwijl de straffende hand zich opheft, zetten reeds twee, drie, tien

andere muggen zich òf op deze, òf op het gezicht, òf elders neêr, om

evenzoo te doen als de eerste. Want wanneer er eenmaal bloed is

gezogen, wanneer op een en dezelfde plek reeds eenige muggen den dood

hebben gevonden, dan zoeken juist de overigen zulke plekjes bij

voorkeur op, al wordt ook dit slagveld met duizenden lijken bedekt. De

muggen hebben het bovenal gemunt op de slapen, op het voorhoofd,

onmiddellijk beneden de plaats, waar de hoed zit, op den nek en de

handbuiging, in ’t algemeen dus op zulke lichaamsdeelen, vanwaar zij ’t

moeilijkst zijn af te houden.

Wanneer men den moed heeft haar bij haar bloedig werk na te gaan, dus

haar niet te verdrijven of te storen, dan bespeurt men, dat men niets

van haar voelt, noch wanneer zij gaan zitten, noch wanneer zij zich

bewegen. Dadelijk, nadat zij zich hebben neêrgezet, beginnen zij haar

werk. Gewoonlijk loopen zij op de huid heen en weer en betasten met

haar slurf elk plekje; plotseling houden zij stil en doorboren met

verwonderlijk gemak de huid. Terwijl zij zuigen lichten zij zeer

wellustig dan den eenen, dan den anderen achterpoot omhoog, en zulks te

vlijtiger naarmate het glasheldere achterlijf meer met bloed wordt

gevuld. Hebben zij eenmaal bloed geproefd, dan letten zij op niets meer

en laten zich betasten en pijnigen, zonder naar het schijnt, er iets

van te voelen. Trekt men met behulp van een tangetje de slurf uit de

wond, dan tasten zij een oogenblik heen en weer, om op dezelfde of eene

nieuwe plek zich weder in te boren; snijdt men de slurf met een scherp

schaartje snel af, dan blijft de mug in den regel nog zitten, even als

of zij eerst tot bezinning moet komen, laat dan de voorpooten over den

stomp glijden, en eerst na een lang onderzoek schijnt zij overtuigd te

zijn, dat het afgeknipt lichaamsdeel ontbreekt; snijdt men snel een

achterpoot af, dan blijft de mug voortzuigen, even alsof er niets

gebeurd ware, ja, zij beweegt nog het voetstompje; snijdt men het met

bloed gevulde achterlijf voor de helft af, dan doet het dier als

Münchhausen’s paard aan de fontein, trekt eindelijk de slurf uit de

wond, vliegt tuimelend weg en sterft na weinige minuten.

Eene zorgvuldige waarneming van het leven en bedrijf dezer dieren heeft

doen zien, dat zij bij het opsporen hunner slachtoffers veel meer door

den reuk dan door het gezicht worden geleid, misschien wel door een

zintuig, dat reuk en gevoel in zich vereenigt. Het is eene zeer juiste

waarneming, dat zij bij het naderen van een mensch, reeds op vijf meter

afstands van dezen opvliegen, en dan, zonder te dralen en af te dwalen,

rechtstreeks op hun slachtoffer aanvallen. Gaat men over eene zandbank,

die, zooals meestal, vrij van deze dieren is, dan kan men een en ander

proefondervindelijk aan zich zelf ervaren. Oogenschijnlijk ten deele

door den wind, ten deele door eigen kracht gedragen, in elk geval

doelloos zwevende, vliegen ook gedurig enkelen over zulk eene

verschoonde plaats, en zoo komen sommigen in de nabijheid des

waarnemers. Op hetzelfde oogenblik is het uit met hare schijnbaar

doellooze bewegingen. Snel veranderen zij van richting en in eene

rechte lijn stormen zij op het gelukkig ontdekte doelwit los. De eene

mug voegt zich bij de andere, en voor er vijf minuten verloopen zijn,

is de martelaar omgeven door een kring van muggen. Minder gemakkelijk

vinden zij den weg in verschillende luchtlagen.

Toen ik mij eens op een hooggelegen duin met dergelijke waarnemingen

onledig hield, en langen tijd door duizenden gevolgd en gepijnigd was

geworden, lokte ik den mij omhullenden zwerm allengs naar den rand

eener steile hoogte, liet hem zich hier verdichten, en sprong toen

plotseling naar beneden. Tot mijn groote blijdschap merkte ik, dat ik

de kwelgeesten meerendeels had achtergelaten. Maar boven op het duin

zwermden zij, als verbaasd, dooreen, terwijl zij nog langen tijd boven

de plaats, vanwaar ik afgesprongen was, eene dichte wolk vormden.

Ettelijke honderden waren mij toch naar de laagte gevolgd.

Ofschoon de natuuronderzoeker zeer goed weet, dat slechts de

vrouwelijke muggen steken en zuigen, terwijl dit bedrijf

ontegenzeggelijk in verband staat met de voortplanting, misschien wel

de eieren tot rijpheid brengt, wordt ook hij zoozeer door de pijniging

dezer duivels der toendra uit zijn humeur gebracht, dat hij zijn geduld

moet verliezen, al ware hij ook de goedmoedigste wijsgeer onder de zon.

Niet de pijn, die de steken en eigenlijk nog meer de later opkomende

builen veroorzaken, maar de eeuwig voortdurende plagerij, het telkens

terugkeerende leed maakt de muggen tot zulk eene kwelling. Men

verdraagt de pijn zelfs in den aanvang zonder klagen, en natuurlijk nog

gemakkelijker, wanneer de huid, door het menigvuldig daarin uitgestorte

gif allengs ongevoelig is geworden; men is dan ook zeer goed in staat

langen tijd weêrstand te bieden; maar men moet ten laatste bekennen,

dat men door de afschuwelijke kwelgeesten der toendra overwonnen en

verslagen werd. De in getal niet te schatten, de alom tegenwoordige, de

te allen tijd strijdvaardige heirlegers verlammen elken tegenstand.

Onafgebroken door haar gekweld, in elke handeling belemmerd, in elke

genieting verhinderd, van elke gedachte afgeleid, wordt men niet alleen

lichamelijk, maar ten laatste ook geestelijk afgemat. De voet weigert

zijn dienst, de geest is onvatbaar voor indrukken; de toendra is eene

hel geworden. Niet de winter met zijn stormen, niet het ijs en zijn

kou, niet de armoede, niet de onherbergzaamheid, maar de muggen zijn de

vloek der toendra!

In den zwermtijd vliegen zij bijna onafgebroken door; bij zonneschijn

en stil weder met zichtbaar welbehagen, bij een stijve koelte nog zeer

vergenoegd, bij geringe warmte nog recht levendig, vóór een dreigenden

regen het uitbundigst, bij koel weder weinig, bij koud weder in ’t

geheel niet meer. Een hevige storm verbant ze naar struikgewas en mos;

niet zoodra is de wind bedaard of zij vliegen weder lustig rond, op

alle onder den wind gelegen plaatsen zijn zij zelfs onder het loeien

van den storm tot den aanval gereed. Een lichte nachtvorst doet haar

veel afbreuk, maar doodt ze niet alle; natte en koude dagen doen haar

aantal sterk verminderen, maar daarop volgende warme dagen brengen

weder nieuwe, ontpopte scharen in het veld. Eerst de herfstnevels

brengen de muggen voor een jaar tot rust.

Even langzaam als de lente haar intocht hield, even snel valt de herfst

in de toendra in. Een enkele koude nacht, meest reeds in Augustus,

althans in September, snijdt het zomerleven af. De bessen, die nog in

’t midden van Augustus lieten denken, dat zij niet rijp zouden worden,

zijn op het einde dezer maand zoo sappig en zoet geworden als maar

mogelijk is; enkele natte en koude nachten, die de bergen reeds met een

sneeuwkleed dekken, verhaasten de rijpwording nog meer dan de zon, die

reeds dagen lang zich achter de wolken verschuilt. De bladeren van den

dwergberk kleuren hunne bovenzijde bleek, maar nog blinkend lakrood, de

onderzijde levendig geel; alle overige struiken en struikjes ondergaan

gelijke verandering; het sombere bruingroen der toendra wordt een

levendig bruinachtig rood, zoodat zelfs het geelgroene rendiermos niet

meer uitkomt. Zuidwaarts of naar zee vliegen de gevleugelde

zomergasten, rivierafwaarts zwemmen de visschen der toendra. Het

rendier verhuist van de bergen naar de laagte, gevolgd door den wolf;

naar boven naar de bergen vliegt het moerashoen in koppels van

duizenden vereenigd, om hier zoo lang te verwijlen, tot de winter het

weer naar de laagtoendra doet afdalen.

Nog weinige dagen en deze winter, evenzeer door ons als door de

trekvogels gevreesd, door de menschelijke bewoners der toendra evenwel

smartelijk verlangd, houdt zijn intocht in het onherbergzame land, om

er langer, veel langer dan lente, zomer en herfst te zamen onbeperkte

heerschappij te oefenen. Dagen en weken lang valt de sneeuw zonder

ophouden neder, nu eens zacht ritselend, in scherp kantige kristallen,

dan weder, door den huilenden storm voortgezweept, in groote vlokken.

Bergen en dalen, rivieren en meren worden allengs met eenzelfde

winterkleed bedekt. Nog daalt er nu en dan tegen den middag een enkele

zonnestraal op het sneeuwveld, maar weldra zegt ons, zelfs bij helder

weder, alleen nog maar een bleek schijnsel in het zuiden, dat ginds de

dag reeds half ten eind is. De lange winternacht is aangebroken.

Maanden achtereen weêrkaatst slechts het zwakke sterrenlicht tegen het

sneeuwdek, en geeft alleen de maan nog kondschap van het levenwekkende

en alles bezielende gesternte van ons planetenstelsel. Wanneer echter

de zon in ’t geheel niet meer over de toendra opgaat, straalt voor deze

een ander licht: hoog in het noorden flikkert en knettert „Soweidoed”,

het godsvuur, het vlammende noorderlicht!

Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping · 第 8 / 88 题