Wiglafs afkomst. Hij herinnert zich Beowulfs weldaden en trekt het
zwaard. Lotgevallen ervan. Zijne toespraak tot de vluchtelingen:
hun meester schonk de wapenrusting, koos hen als de dappersten uit,
dus moeten zij hem helpen; hij voor zich wil liever sterven dan hem in
den steek te laten; zonder hem kunnen zij niet terugkeeren; Beowulf
heeft het niet verdiend alleen te moeten vallen.--Wiglaf dringt door
den vlammengloed en spreekt Beowulf moed in. Tweede aanval van den
kant des draaks: Wiglafs houten schild verbrandt, hij vlucht achter
dat van zijnen koning. Deze wondt het hoofd van den draak, doch zijn
zwaard breekt, want zijne vuist is te sterk. Derde aanval vanwege
den draak: hij omklemt met zijne tanden den hals van Beowulf.