XXXVI.

Wiglafs afkomst. Hij herinnert zich Beowulfs weldaden en trekt het

zwaard. Lotgevallen ervan. Zijne toespraak tot de vluchtelingen:

hun meester schonk de wapenrusting, koos hen als de dappersten uit,

dus moeten zij hem helpen; hij voor zich wil liever sterven dan hem in

den steek te laten; zonder hem kunnen zij niet terugkeeren; Beowulf

heeft het niet verdiend alleen te moeten vallen.--Wiglaf dringt door

den vlammengloed en spreekt Beowulf moed in. Tweede aanval van den

kant des draaks: Wiglafs houten schild verbrandt, hij vlucht achter

dat van zijnen koning. Deze wondt het hoofd van den draak, doch zijn

zwaard breekt, want zijne vuist is te sterk. Derde aanval vanwege

den draak: hij omklemt met zijne tanden den hals van Beowulf.

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 79 / 137 题