Welk is de mythische kern van de Beowulf-heldensage?
Vooraf zij opgemerkt, dat wij het stelsel uiteenzetten, zooals het door
Ettmüller, Leo en anderen, doch vooral door Müllenhoff is ontworpen,
die zich op dit gebied vooral verdienstelijk heeft gemaakt, om er
vervolgens eenige kantteekeningen aan toe te voegen.
Wij hebben er reeds op gewezen, dat Müllenhoff bij de Angelsaksen
eenen alouden, mythischen held aanneemt, Beów(a) of Beáw(a) genaamd,
den overwinnaar van Grendel, welke later met den geschiedkundigen
Beowulf versmolt; zoodat de daden van Beówa op Hygelacs neef werden
overgebracht.
Daar Müllenhoffs betoog ingewikkeld en niet al te helder is, zullen
wij achtereenvolgens de volgende vragen beantwoorden:
Heeft er een halfgod Beowa bestaan; was hij door de Angelsaksen gekend;
heeft hij Grendel overwonnen, en kan men bewijzen, dat deze Beowa in
den held van ons epos is schuilgegaan?
I. Van de Angelsaksische koningen, die in Engeland na de
volksverhuizing regeerden, zijn geslachtslijsten tot ons gekomen,
waarvan sommige van Engelsche andere van Scandinavische herkomst zijn.
Al deze genealogieën komen hierin overeen, dat zij tot den god Wodan,
den stamvader der Angelsaksische koningen, opklimmen.
In sommige echter, onder anderen in de Saksenkroniek, zijn nog eenige
namen als voorvaders van Wodan toegevoegd; de lijst begint met Sceaf,
dan volgt Sceldwa (of Scyldwa), dan Beaw (elders Beawa, Beow, Beowa
geheeten) en zoo verder tot aan Wodan, terwijl ook Heremod en Geát
genoemd worden.
Welnu deze Sceaf is, als voorvader van den door de Duitsche volken
als hun stamvader beschouwden Wodan, reeds daardoor zelf een mythisch
wezen.
Dit blijkt nog uit andere berichten; volgens deze zouden de Saksen
naar Sceaf genoemd en zijn zoon Scyld de eerste bewoner van Germanië
geweest zijn; terwijl aan de negen zonen van zijnen kleinzoon Beovinus
alle Germaansche volken langs Oost- en Noordzee het ontstaan te
danken hebben.
Van Sceaf gaat ook de sage uit van het geheimzinnige schip, waarin
hij als kind werd uitgezet op eene korenschoof, te midden van wapens
en kleinoodiën.
Schip en garve zien op zeevaart en akkerbouw, wapens en kleinoodiën
op krijg en koninkschap; van Sceaf dagteekent dus de eerste beschaving
der Germaansche kustbewoners.
Doch niet alleen Sceaf is een mythisch wezen, maar ook zijne twee
nakomelingen Scyld en Beowa.
Het zijn slechts mythische uitbreidingen van de natuur van Sceaf, die
zijne beteekenis verder uitwerken en in wezenlijkheid niets anders
zeggen dan hetgeen Sceafs mythos reeds te kennen geeft; want vader
en zoon zijn in de godenleer doorgaans verschillende namen van een
en hetzelfde wezen.
Dit leert ons de ontleding van de namen: Scyld, Sceldwa, Scyldwa
is de «schermheer, de met het schild dekkende» en vertegenwoordigt
het koninkschap.
Beá van de wortel bhu «zijn, wonen, worden, wassen,» verpersoonlijkt
het vreedzame verblijf in woningen [18].
Wat nog pleit voor de eenzelvigheid van Sceaf en Scyld is, dat in
ons epos de sage van Sceafs scheepvaart op den zoon is overgebracht.
Ten slotte kunnen wij ons beroepen op eene geschiedkundige getuigenis,
waaruit blijkt, dat Geát, een der voorloopers van Wodan, als eene
godheid werd aangemerkt:
Kurth, blz. 92, geeft de volgende aanhaling: quem Getam jamdudum
pagani pro Deo venerabantur. (Asser, De rebus gestis Aelfredi in
Script. Rer. Brit. blz. 468.)
II. Was deze Beaw, wiens mythisch karakter ons gebleken is, in
Engeland inheemsch?
Het antwoord moet bevestigend luiden, immers de geslachtslijsten, welke
van zijn bestaan getuigenis afleggen, behooren alle oorspronkelijk
in Engeland thuis, daar de Scandinavische genealogieën op de
Angelsaksische leest geschoeid zijn [19].
Doch een bewijs, dat den doorslag geeft, vindt Müllenhoff in eenige
Engelsche plaatsnamen, welke in oude oorkonden voorkomen: Beowan
hamm «Beowa's hoeve», Grendles mere «Grendels meer», Grindles bec
«Grendels beek», Grindeles pytt «Grendels moeras», en Béas brôc
«Beaws broekland.»
Deze plaatsnamen zijn het stelligste bewijs, dat het geloof aan eenen
heros Beowa in zuidelijk Engeland bij het volk algemeen verbreid was.
III. Deze Beowa werd door de Angelsaksen vereerd als de dooder van
het watermonster Grendel.
Hoe weet Müllenhoff dat? Hier ligt juist de knoop; immers aan te
nemen, dat Beowa Grendel doodde, enkel en alleen omdat Beowulf dit
in het epos doet, en van den anderen kant, dat Beowulf een mythische
held is geworden, omdat er een mythische Grendeldooder Beowa bestond:
dit zou een goochelkunstje zijn, dat men in de redeneerkunde met den
deftiger naam van petitio principii bestempelt.
Het afzonderlijk voorkomen van plaatsnamen als Beowan hamm en Grendles
mere geeft ook geene uitkomst; wél, indien de twee namen te zamen
voorkomen, want dan is men gewettigd een oorspronkelijk verband
tusschen Beowa en Grendel aan te nemen.
Dit nu is gelukkigerwijze het geval, en hier ligt dus het zwaartepunt
van Müllenhoffs gezamenlijk betoog.
IV. Eene opgave van het hoogste belang is vast te stellen, dat deze
Beowa zich in den geschiedkundigen held heeft opgelost; zoo niet,
dan zijn al de tot hiertoe verkregen uitkomsten doelloos.
Men diene in het oog te houden, dat in ons epos twee personen den
naam van Beowulf dragen: Beowulf de Deen, welken wij door Beowulf(1)
voorstellen en die, als zoon van Scyld en als grootvader van den
Deenschen koning Hrodgar, alleen in de Inleiding verschijnt, en
Beowulf de Goot of Beowulf(2), de held van het gedicht.
In Beowulf(1) steekt de Angelsaksische heros. Door invloed van Beowulf(2)
werd in plaats van Beow, zooals het had moeten zijn, Beowulf(1)
geschreven, welke naam buitendien er op gelijkt.
Dit volgt onmiddellijk uit de vergelijking van de boven genoemde
koningslijsten met Hrodgars stamboom in de inleiding van het
gedicht. Hrodgars voorouders zijn: Sceaf, Scyld, Beowulf(1).
Deze trits namen is, met uitzondering van den 3den, identisch met
Sceaf, Scyldwa, Beow uit de Angelsaksische genealogieën; dus is
Beowulf(1) voor Beow verschreven.
Doch nog meer, de sage van den mythischen Sceaf ontmoeten wij
insgelijks in het epos, ofschoon op Scyld toegepast; een bewijs dat
wij in den grond met een en dezelfde lijst te doen hebben.
Daaruit moet men besluiten, dat het gedicht den stamboom der
Angelsaksische koningen aan het Deensche vorstenhuis heeft toegekend.
Müllenhoff schrijft deze overdrage toe aan de gelijkheid van naam
tusschen den Scyldwa of Scyld der Angelsaksen en den eponymus of
naamgever der Deensche koningen, welke Scyldingen d. i. «afstammelingen
van Scyld» zijn bijgenaamd.
De rest der redeneering is klaar. Daar de mythische Beow, de dooder
van Grendel, in het epos voorkomt, doch zonder vermelding van zulk
wapenfeit, hetwelk integendeel aan Beowulf(2) wordt toegeschreven, zoo
ligt het voor de hand, dat zijne daden op Beowulf(2) zijn overgebracht.
Zoo werd de halfgod, wegens de overeenkomst van naam, vereenzelvigd
met den geschiedkundigen neef van Hygelac.
V. Welke dichterlijke opvatting der natuurkrachten ligt aan dezen
Beowa-mythos en bijgevolg aan Beowulf(2) ten grondslag?
Beowulf is de lichtheros, welke in 't voorjaar de overstroomende zee
terugdrijft, doch bij het aanbreken van den winter verdwijnt.
Müllenhoff verklaart deze voorstelling als volgt:
Drie groote heldendaden van Beowulf dragen een mythisch karakter:
1º De zwemwedstrijd met Brecca, waarin Beowulf den 7n dag het land
der Finnen d. i. Lapland bereikt.
Hij is bijgevolg den poolstroom te gemoet gezwommen en kan diensvolgens
als een mythisch wezen opgevat worden, dat in zijne jeugd, d. i. in
het voorjaar de winterstormen der zee overwint.
De zee is door zijnen tegenstander, Brecca, vertegenwoordigd. Immers
Brecca «die door de golven breekt» is vorst der Brondigen d. i. de
branding. De naam zijns vaders Beánstan hangt samen met bauni
«walvisch».
2º Op zijnen mannelijken leeftijd bekampt Beowulf den reus Grendel
en dezes moeder.
Nu is hij het goddelijke wezen, dat den mensch tegen watermonsters
d. i. de stormige zee beschermt; Grendel en diens moeder stellen de
wilde Noordzee voor.
3º Na eene vijftigjarige vreedzame regeering doodt de vergrijsde held
den draak, doch niet zonder zich van zijne schatten meester gemaakt
te hebben.
De draak beteekent dikwerf een vernielend stroomend water en
verbeeldt hier de overstroomende Noordzee in den herfst na den
rustigen zomertijd.
De zonneheros schenkt de schatten van den bodem aan de menschen,
doch zijne macht loopt ten einde, want de noordsche winter staat voor
de deur.
VI. Müllenhoff gaat nog verder en ziet in Beowa-Beowulf den god Ing
d. i. Freyr, den stamvader der Ingaevonen, of beter Niordr en Freyr,
vader en zoon. Immers Freyr heet ook Yngwi, Yngwifreyr.
De Ingaevonen waren, volgens Tacitus, de volken, welke aan de kust
der Noordzee leefden «proximi Oceano Ingaevones»; hiertoe behoorden
dus ook de Angelen en Saksen.
Freyr beschermt oogst, handel en scheepvaart; hij verslaat Beli, den
zoon van den zeereus Gymir, met een hertegewei, dat deze dieren in
de lente afleggen; hij maakt door zijne zege de zee weder bevaarbaar
en verdrijft de den menschen verderfelijke reuzenmachten.
VII. Ten slotte zij nog opgemerkt dat de Beowa-mythos den
Angelsaksen in hun oorspronkelijk verblijf op het vasteland
d. i. in Sleeswijk-Holstein bekend was en van daar naar Engeland
werd overgeplant.
Wortelde hij zich daar vast, alvorens hij op Beowulf werd overgedragen,
zooals Müllenhoff meent; ofwel had, volgens Symons, ten Brink en
anderen, de versmelting reeds in Denemarken plaats; ziedaar eene
twistvraag, welke wij in het midden laten.
Volledigheidshalve zij enkel nog bijgevoegd, dat Mannhardt, Simrock
en Nathanaël Müller zich niet voor een Freyr--maar voor een Thorheld
uitspreken; de laatste onderscheidt buitendien tusschen Beowulf(1),
die als derde bijgestalte van Sceaf den god Wali, en Beowulf(2), die
alleen Thor voorstelt.
Na Müllenhoffs stelsel uiteengezet te hebben is het zake van er eenige
beschouwingen aan toe te voegen; immers ieder niet-mytholoog zal
erkennen, dat de aangevoerde bewijzen op geene volslagen zekerheid,
maar hoogstens op waarschijnlijkheid kunnen aanspraak maken.
1º Verschillende geleerden, onder anderen Symons, zien in Beowulf
enkel en alleen eenen heros; zoodat het overbodig is, tot eenen
vermenschelijkten god zijne toevlucht te nemen.
2º Indien de naam van Beowulf(2) den halfgod Beowa verkeerdelijk
tot Beowulf(1) herdoopt heeft, dan mag men zich afvragen, waarom die
terugwerking zich maar binnen zekere grenzen heeft doen gevoelen,
daar Sceaf, Scyld en Beowulf(1) alleen de voorvaders van de Deensche
koningen en niet van Beowulf(2) geworden zijn.
Of zou dit pleiten voor eene Deensche herkomst van den eersten zang?
Dat die invloed op zoo'n goeden weg is blijven steken, is des te
meer te verwonderen, als men nagaat, dat niet Hrodgar maar Beowulf(2)
identisch is met Beowulf(1), ten minste volgens Müllenhoff.
3º Indien de Beowa-mythos zoozeer verspreid was in Engeland, waarom
bewaart de Widsidh er dan het zwijgen over?
4º Als men de volksheldendichten beschouwt, komt men tot de ervaring,
dat het mythisch wezen van den held langzamerhand in de schaduw is
gedoken, terwijl zijn menschelijk karakter in gelijke mate op den
voorgrond treedt. Dit neemt nochtans niet weg, dat er kenmerken
gebleven zijn, die den vroegeren halfgod verraden.
Zoo zien wij in de Ilias, dat Achilleus met de goden omgaat, dat hij
onkwetsbaar is en daarenboven eene godin tot moeder heeft.
Eenige overgebleven mythische trekken zijn ook in het Duitsche
Nibelungenlied waar te nemen, om niet te spreken van de Noordsche
overlevering, waar het mythische bestanddeel overwegend is. Sigfried
is onkwetsbaar, evenals Achilleus, en beschikt over de onzichtbaar
makende tarnkappe.
Indien bijgevolg Beowulf oorspronkelijk een hooger wezen is, dan moeten
wij den vinger kunnen leggen op eenige sporen van die oude opvatting.
Dit nu is niet het geval, integendeel wij vinden ons in een geheel en
al menschelijk midden verplaatst, al de daden en roerselen getuigen
dit eene: homo sum!
Of moet Beowulfs bovenmatige kracht, welke tegen die van dertig man
opwoog, moet zijne bedrevenheid in het zwemmen, waardoor hij eerst
tot in het hooge Noorden doordrong en later van Nederland uit Jutland
bereikte, als mythische trekken worden beschouwd, daar zij het vermogen
van een gewoon sterveling te boven gaan?
Dit schijnt mij niet aannemelijk, immers deze groote lichaamsgaven
maken juist van Beowulf den held, maar stempelen hem daarom nog niet
tot een mythisch wezen, tot eenen halfgod.
Immers de held van het epos kenmerkt zich door daden, die van het
treurspel door hartstochten, welke het gewone peil verre overschrijden.
Daar Beowa Grendel doodde en als zoodanig alleen vereerd werd,
zou men met recht bij de beschrijving van dien kamp eenig mythisch
spoor verwachten; doch vruchteloos, tenzij men de handschoen voor
zoo iets houde!
Beowulfs gevecht in de onderzeesche woning met Grendels moeder draagt
eerder eene phantastische dan wel mythische kleur, en ik zou ook
geneigd zijn, dit van den kamp met den draak aan te nemen, zoo niet
de draak in tal van mythen eene rol speelde.
Wij trekken hieruit het besluit, dat geen mythische trek in het epos is
aan te wijzen buiten den draak, welke onmetelijke schatten bewaakt;
want al doemen er ook andere gestalten in op als Sceaf, Sigmund,
Hama, Weland, die allen oorspronkelijk mythische wezens zijn, geen
dier personen behoort tot de kern van de Beowulf-sage.
Nochtans komen wij hiermee niet veel verder, daar, zooals blijkt
uit de plaatsnamen, alleen Grendel, doch niet de draak, iets met den
Beowa-mythos te maken heeft.
5º Wij hebben gezien, dat de twee te zamen behoorende plaatsnamen
Beowan hamm en Grendles mere de spil zijn, waarop heel het betoog
van Müllenhoff draait.
Ontbreekt die overeenstemming, dan blijft het nog altoos waar, dat
een heros Beowa bestaan heeft; doch of die in eenig verband staat
met Grendel en bijgevolg met Beowulf, kunnen wij alsdan uit niets
afleiden, of het zou uit eene verre overeenkomst van naam (Beowa,
Beowulf) moeten zijn.
Men ziet, hoe Müllenhoffs stelsel, al vormt het ook een afgerond en
scherpzinnig geheel, op de punt eener naald is opgetrokken.
Jammer dat deze zwakke steun dan nog wordt omgeknipt door Thomas
Miller in The Academy (1894, 12 May).
Hij toont aan, dat in de plaatsnamen bowan hammes en grendles mere,
welke in het «Cartularium Saxonicum» no 677 voorkomen, Grendel niet een
eigennaam maar een gemeennaam is, welke drain d. i. afwateringsbeek
beteekent. Hij vertaalt grendles mere door the cess pool d. i. het
afwateringsmeer, het turfmeer.
Miller leidt deze beteekenis van het woord af uit twee andere plaatsen
van dezelfde oorkonde, waar het woord grendel alleenstaande voorkomt.
De slotsom dezer beschouwingen is, dat men tot nog toe het mythische
bestanddeel der Beowulf-heldensage met geene voldoende zekerheid of
zelfs waarschijnlijkheid kan aanwijzen, en dat Müllenhoffs uitspraak,
op het zachtst uitgedrukt, voorbarig mag heeten, wanneer hij zegt:
«Es ist nicht zu bezweifeln dass die Angeln und Sachsen, die sich
in England niederliessen, den mythus vom kampf mit dem wasserunhold
Grendel, den das gedicht dem Beowulf beilegt, ursprünglich von dem
mythischen Beav ihrer genealogie erzählten.....» Men kan het Thorpe dus
niet euvel duiden, als hij een loopje neemt met de Duitsche mythologen.