Mijn doel bij het uitgeven dezer Beowulf-bewerking was, in eene leemte
te voorzien en tevens de uitkomsten van de onderzoekingen over een
der belangrijkste letterkundige voortbrengselen in breeder kring
te verspreiden.
Daarom zijn aan de vertaling talrijke ophelderingen en eene
breedvoerige inleiding toegevoegd.
Ik heb den tekst van Socin gevolgd; daar waar ik de voorkeur geef
aan eene andere lezing, heb ik mijne handelwijze gerechtvaardigd in
de Aanmerkingen op het einde van het werk.
Van de vertaling valt niets bijzonders te zeggen; ik sluit mij
zoo getrouw mogelijk bij mijn voorbeeld aan, en dat dit geene
gemakkelijke taak was, zal hij, die in den ingewikkelden tekst van het
oorspronkelijke thuis is, het best begrijpen, vooral als hij nagaat,
hoe ver ons Nederlandsch in rijkdom van zinverwante woorden ten achter
staat bij de Angelsaksische epiek.
Een enkel woord over de versmaat.
Ik had, evenals de Geyter, het Reinaertsvers kunnen aanwenden, dat uit
het algemeen Oudgermaansche vers gesproten is, vooral daar het heel wat
meer speelruimte aanbiedt dan de, door mij gebezigde, eng begrensde
vijfvoetige jambus; nochtans heb ik van zijn gebruik afgezien, omdat
het, zooals Max Rooses te recht aanmerkt, «te gemeenzaam klinkt voor
epische verhalen».
Buitendien leent zich de vijfvoetige jambus zeer goed tot de indeeling
in halfverzen, het hoofdkenmerk der oude epische versmaat.
Heb ik mij door het verwerpen van het Reinaertsvers een blok aan 't
been gelegd, van den anderen kant veroorloof ik mij meer vrijheid
van beweging bij het stafrijm; en geen wonder, want onze taal is
er geheel en al aan ontwend. In dit opzicht sluit ik mij aan bij de
Middelengelsche dichters, die op dit punt wat minder nauwgezet waren
dan hunne voorgangers.
Vandaar dat de twee halfverzen niet altijd door een gemeenschappelijk
stafrijm (naar het voorbeeld ab ab) tot een geheel vereenigd worden,
maar integendeel elk op zich zelf een afzonderlijk stafrijm hebben
(aa bb).
Het schijnt mij zelfs toe, dat het stafrijm in onze tegenwoordige
taal op deze laatste wijze alleen het best tot zijn recht komt.
Men leze en oordeele.