Maar een hevige zwaarmoedigheid was sedert het laatste avontuur over
den Dombouwmeester gekomen. Nog meer dan vroeger zag men hem op de
steigers en ladders. Geheele uren bracht hij in somber gepeins door.
Nu hij zijn tegenpartij, waarmede hij zich vermeten had te strijden,
kende -- wie zou het anders kunnen zijn, dan de duivel in persoon --
was hij zich van het gevaar, waarin hij en zijn onsterfelijke ziel
zich bevond, bewust.
[Illustratie: Des Schwanenritters Abschied
Nach dem Gemälde von W. von Kaulbach
Lohengrins Departure Le départ du chevalier au cygne]
Dikwijls, nadat er eenige minuten van angstig nadenken voorbij
gegaan waren, vloog er een gimlach over zijn trekken. Hij haalde
diep adem, terwijl hij vol moed bij zich zelf zeide:
"Hij zal zijn weddenschap niet winnen, ik weet waarom."
De jeugdige gade was zeer neergedrukt door het vreemdsoortige gedrag
van den meester. Zijn geslotenheid behaagde haar geenszins.
Tevergeefs beproefden haar koozende lippen den zwijgenden mond van
haar peinzenden echtgenoot het geheim te ontrukken, dat zijn tong
bewaarde. Niet ongaarne ontvingen de lippen des meesters den rijken
schat der vrouwelijke teederheid, maar op alle smeekbeden en
verzekeringen van de door nieuwsgierigheid geprikkelde vrouw,
glimlachten zij slechts bitter en spraken evenveel over het geheim
als de oesters over hun schalen. Op een dag trad een rondtrekkend
magister het huis van den bouwmeester binnen, toen deze juist bij
den Dombouw vertoefde.
Een scharlaken mantel omhulde de rechtopgaande gestalte en lustig
woei de hanenveer van de zwart fluweelen baret. Zeer minzaam gedroeg
de vreemdeling zich, zijn voorkomen was zeer aangenaam en
vriendelijk waren zijn woorden. Hij wilde den meester bezoeken en
daar hij hem niet thuis trof, voerde hij een onderhoudend gesprek
met zijn jonge vrouw. Spoedig klonken de woorden minder terughoudend
van de lippen der bedeesde vrouw. Veel medegevoel en een warm hart
vond zij bij den vreemdeling. Innige deelneming betoonde hij de
veronachtzaamde gade, en tot dank deelde zij hem onder zuchten en
klachten mede, hoe de achterdocht zich tusschen haar en haar
echtgenoot geplaatst had, sedert hij een geheim verborg, dat hem
veel verdriet veroorzaakte.
Merkbaar trokken de wenkbrauwen zich samen, onmerkbaar spitsten zich
de ooren van den troostbrengenden vreemdeling.
"Evenals elk bestaan kennis van de elementaire grondstoffen
vereischt, zoo is uw gemaal slechts dan te helpen, wanneer gij zijn
geheim kent," deelde de rondtrekkende man op gewichtigen toon mede.
"Beproef, schoone vrouw, door de spraakzaamheid uwer lippen en de
macht uwer bekoorlijkheden in een aangenaam minneuurtje het hart en
het vertrouwen van den meester te winnen, opdat zijn mond verrade,
wat zijn hart verbergt. Dan kan ik u helpen en zult gij de
gelukkigste vrouw in het heilige Keulen worden."
De vrouw deed wat haar bevolen was, maar onmachtig kaatsten de
pijlen der verleidster op de halsstarrige stilzwijgendheid van den
man af. Drie dagen na zijn eerste bezoek verscheen de magister
opnieuw.
"Daar gij geen succes gehad hebt, onwaardige Eva's dochter, heb ik
nog een ander middel, doch ik vrees, dat gij het versmaden zult."
Door hevige nieuwsgierigheid gekweld, verzocht de vrouw den
geleerden magister dringend zich te verklaren.
"Welnu, dan zal ik spreken," roept deze plechtig uit. "Medelijden
vereischt de vrouw en dubbel medelijden zij haar geschonken. Ik ken
een vreemdsoortig kruidje. Daaruit zal ik uw heer gemaal een drankje
brouwen. Hij zal dan 's nachts droomen; zijn droom zal hem verraden,
en gij kent zijn geheim."
Vol dank nam zij de gave uit de hand van den vreemden magister aan.
's Avonds schonk zij het drankje in en reikte het haar gemaal.
Meester Gerhard zonk uit de omarmingen zijner teedere gade in een
vasten slaap. Spoedig werd de slaper onrustig. Zijn mond deed
onverstaanbare woorden hooren. Angstig luisterde zijn wakende vrouw.
Met de scherpzinnigheid, die haar geslacht eigen is, kwam ze weldra
achter de beteekenis der onsamenhangende woorden van den droomer en
wist spoedig van de onzalige weddenschap, die meester Gerhard met
den Satan in eigen persoon gesloten had.
"Hij zal zijn weddenschap nooit winnen," fluisterde de slaper, "ik
ken zijn geheim."
"En wat mag dat zijn?" vroeg met kloppend hart iemand van het
geslacht, aan wie de slang destijds den appel bood.
"Hij kan doen, wat hij wil," ging de meester voort. "Nooit zal een
eend uit het onderaardsche kanaal zwemmen, indien hij daarin niet op
elk kwartier afstands luchtgaten aanbrengt. Maar de duivel zal nooit
op deze gedachte komen."
Den volgenden morgen verscheen bij het aanbreken van den dag --
nauwelijks had de meester zijn huis verlaten -- de rondtrekkende
magister. Getrouw deelde de vrouw hem mede, wat zij gehoord had.
Toen liet de man in den vuurrooden mantel een zegevierenden lach
hooren en verdween. Bleek en angstig bleef de praatzieke vrouw van
den meester achter.