Te Keulen vervoegde zich op den avond voor het feest van Jezus
Hemelvaart, een eenvoudig bouwmeester bij den machtigen
aartsbisschop Koenraad von Hochstaden en bood hem het ontwerp voor
een kerk aan. Op trotschen toon beweerde hij, dat zij een der
schoonste kerken van de wereld zou worden. Daar de kerkvorst over de
grootschheid van het ontwerp hoogst verbaasd was, droeg hij den
vermetelen bouwmeester de uitvoering daarvan op.
Spoedig verhieven zich op de ruime plaats waar reeds eenmaal tijdens
de regeering van den eersten Frankenkoning een Dom gestaan had
(Hildebold, de aartsbisschop, had dezen laten bouwen, en de woeste
Noormannen hadden hem verwoest), statige hooge muren. Reusachtige
zuilen met prachtige welvingen vereenigden zich tot een trotsch
godshuis.
Iedereen bewonderde den bouwmeester, wiens scheppende geest
binnenkort duizenden handen in beweging zette, en meester Gerhards
naam werd spoedig in de Duitsche en Waalsche landen met lof genoemd.
Het koor was reeds voltooid. Uit alle omliggende plaatsen, zelfs uit
verre landen kwamen bedevaartgangers naar den Dom te Keulen om het
stoffelijk overschot der drie koningen, die in het koor rustten, te
aanbidden. De lofliederen der vrome christenen weergalmden door de
trotsche gewelven.
Hij, die echter het meeste reden had, om zich te verheugen, deed
zulks niet. In zijn borst, die eerst van vreugde gezwollen had,
nestelden zich nu treurige gedachten. Onophoudelijk fluisterde de
grauwe zorg, de dochter van het voortdurende getob den schepper van
het geheel in het oor, of zijn dagen wel toereikend zouden zijn, om
het geheel te voltooien. Of de dood hem niet eens verhinderen zou,
den grootsten triomf zijns levens te vieren.
Zijn vrouw sloeg met smart deze verandering gade. Tevergeefs
beproefde zij de rimpels van zijn voorhoofd te doen verdwijnen.
Hoe meer deze vermoedens in zijn binnenste wortel schoten, des te
meer spoed zette meester Gerhard achter den bouw van den Dom. Men
schreef 1252 in den kalender. Reeds verhief zich de noordelijke
toren statig omhoog. Met meer ijver, dan voorheen begaf de
bouwmeester zich van den eenen steiger naar den anderen.
Juist stond hij op de Domkraan. Reusachtige trachietblokken uit het
inwendige van den Drachenfels gehaald, heschen de metselaars omhoog.
Hoogst vergenoegd ziet de meester toe, de vreugde schittert in zijn
oogen. Daar staat plotseling een vreemdeling aan zijn zijde, dien
hij niet heeft zien aankomen. Een scharlaken mantel omgeeft zijn
rechtopgaande gestalte, een gouden ketting glinstert op zijn borst
en lustig fladdert de hanenveer op zijn fluweelen baret. Hij begon
zijn aanspraak met den groet der metselaars. Zelf was hij een
meester in de bouwkunst, vele jaren geleden had hij een huis gebouwd
-- terwijl hij dit zeide fonkelden zijn schitterende oogen
vreemdsoortig onder de dunne wenkbrauwen -- waaraan de tand des
tijds tevergeefs knaagde, koningen en keizers, aanzienlijke heeren
en prelaten hadden het reeds bezichtigd.
Zwijgend nam de meester den hoovaardigen spreker op. Maar deze begon
het reusachtige werk van den bouwmeester van den Dom bovenmate te
prijzen.
"Doch lijkt het u van een arm sterfelijk wezen geen vermetele
handelwijze, om zulk een werk te beginnen?" vroeg hij plotseling op
bijna ruwen toon. "De eerste steen had u moeten zeggen, dat een
ander oogsten zal, wat gij gezaaid hebt."
"Wie zou mij beletten te voltooien, wat ik begon?" vroeg de
bouwmeester eenigszins angstig het antwoord afwachtend.
"Het leven -- of noem het de dood!" antwoordde de andere op scherpen
toon. Daarop vervolgt hij spottend: "Zelfs een wurm, kunt gij, arme
menschen, niet aan uw wil onderwerpen en reeds vanaf uw eersten
ademtocht bedreigt u uw hevigste vijand en zekerste overwinnaar, de
dood."
"Ik zal echter volbrengen, wat ik begon!" roept de bouwmeester
eigenzinnig uit. "Ik wil er om wedden, zelfs met den duivel."
"Hola!" lacht de vreemdeling strijdlustig. "Met iemand, die zoo
vermetel is, ga ik gaarne een weddenschap aan. Eer verstout ik mij
een beekje van Trier naar Keulen te leiden, wel vijftig uur gaans,
waarin eenden zullen zwemmen, dan dat gij uw Dom voltooit."
"Het zij zoo!" zegt meester Gerhard op somberen toon en slaat
verblind toe, als de vreemdeling zijn rechterhand aanbiedt. Deze was
ijskoud en een huivering overviel hem.
Toen begon de andere te lachen, spottend en zegevierend.
"Prijs der weddenschap je ziel!"
Ontzet krimpt de ontstelde meester ineen. Reeds heeft de andere den
vuurrooden mantel geopend.
"Tot weerziens, vermetele!" Een stormwind steekt op en voert hem
huilend weg.