Richmodis von Aducht

Het was in het midden der vijftiende eeuw. De schaduwen des doods

spreidden zich over Keulen uit. Een vrouw in een donker gewaad ging

schoorvoetend door de straten: de zwarte pest. Haar giftige adem

drong in stulpen en paleizen en vernietigde het leven van duizenden.

Op ontelbare huizen schilderden de doodgravers het zwarte kruis, een

teeken, dat het vreeselijke spook daar binnengetreden was. Het

aantal dooden steeg zoo zeer, dat velen geen rechtsstreeksche

begravenis ten deel viel. Men wierp de lichamen der ongelukkigen in

een gemeenschappelijk graf, bedekte het dunnetjes met aarde en

plaatste er een kruis op. Het jammeren en klagen in de oude stad

Keulen was niet om aan te hooren.

Op de Neumarkt, dicht bij de kerk der Apostelen, woonde in een

prachtig patriciërshuis de rijke raadsheer Mengis von Aducht. Ook

hem trof het verschrikkelijke noodlot; zijn jeugdige gemalin werd

door de pest aangetast en stierf.

Het verdriet van den heer von Aducht was grenzenloos. Hij bracht den

ganschen nacht bij het omhulsel van de ontslapene, innig geliefde

vrouw door, kleedde haar in haar wit bruidskleed, dat zij eenige

jaren geleden gedragen had, versierde de kist met welriekende

bloemen en liet de doode de schitterende kettingen en kostbare

ringen, waarvan ze zooveel gehouden had, mede in de groeve nemen.

De nacht lag treurig over het kerkhof naast de Apostelenkerk, waar

Richmodis in haar versch gedolven graf rustte.

Stilte heerschte op den doodenakker. Daar beweegt zich de grendel

der kerkhofsdeur. Twee schaduwen sluipen op de teenen langs de

donkere rij der graven en richten hun schreden naar een versch

gedolven graf, dat hun welbekend is. Zij hebben het zelf gegraven.

De beide doodgravers van het kerkhof der Heilige Apostelen zijn het,

die de bloeiende vrouw van den raadsheer in den namiddag begraven

hebben. Zij sloten het deksel, en terwijl de ridder zich jammerend

over de innig geliefde gade heenboog, hingen de begeerige blikken

der beide mannen aan de schitterende kettingen en kostbare ringen,

die de doode versierden.

De grafkransen ritselen in de duisternis en hard klinkt het spitten

met de spaden. Geleidelijk wordt het graf leeger, en de aardkluiten

daarnaast hoopen zich steeds meer op. Nu hoort men een dof geluid,

ze zijn tot aan het deksel der doodkist gekomen. Treurig flikkert

het schijnsel eener lantaarn uit het vochtige graf. Zij hebben het

deksel opengebroken, terzijde geschoven en buigen zich nu vol

hebzucht over de gestalte in het witte gewaad. Schel valt het licht

der lantaarn, die de eene man in de hand houdt, op het levenlooze

gelaat der vrouw in de doodkist, terwijl de andere man snel de

ringen van haar gevouwen handen trekt.

Daar beweegt zich plotseling de gestalte in de lijkkist, de smalle

witte vingeren bewegen zich. Bleek van schrik snellen de roovers

weg, ze laten de kist open en vergeten de gereedschappen.

Een klagende zucht steeg uit het graf op. Eenige minuten later

richtte de levendbegravene zich met moeite op. Met opengesperde

oogen beschouwde zij haar omgeving en ontzetting maakte zich van

haar meester. Rillend kijkt zij naar de ruimte, die zij verlaten

heeft, en naar de plaats, waar ze zich bevindt. Was het een droom,

die haar kwelde?

Zij roept met zwakke stem. Niemand antwoordt, slechts het ritselende

herfstloof en de toppen der kerkhofsboomen, die door den wind

bewogen werden. Verder rondom doodsche stilte.

Plotseling begreep ze haar vreeselijken toestand: terwijl ze

schijndood was, had men haar als ontslapene begraven. Haar hart

dreigde stil te staan van gruwelijke ontzetting. Zij greep de

achtergelaten lantaarn en wankelde tusschen de graven door naar den

uitgang, dien de roovers vergeten hadden te sluiten.

Verlaten waren de straten. Slechts de sterren zagen de wankelende

gestalte in het sneeuwwitte gewaad, die zich gelijk een schim,

dikwijls minutenlang tegen de huizen der straten leunend, naar de

Neumarkt voortbewoog.

Zwijgend groette het grijze patriciërshuis de weeropgestane

meesteres. Een venster was nog verlicht. De arme vrouw beneden kromp

ineen. Dat was het vertrek, dat getuige van haar jonge liefde

geweest was, waarin zij tijdens de vreeselijke ziekte geleden had,

en waaruit men haar als doode gedragen had, om in den vochtigen

grafkelder te ontwaken. Wellicht vertoefde haar bedroefde gemaal op

het oogenblik in deze kamer, doorliep haar met rustelooze schreden,

om dan eindelijk, door verdriet overstelpt, zijn hoofd in de

onaangeroerde kussens te begraven, met den naam zijner geliefde

Richmodis op de lippen.

De vrouw in het doodskleed zuchtte. Zij klopte zoo hard aan de deur

als haar zwakke krachten het toelieten. Een oude dienaar stak na een

poosje zijn hoofd achter het luik in de eikenhouten deur en in de

schemering bemerkte hij met ontzetting het spookachtige wezen.

Richmodis noemde hem bij den naam en beval hem haar te openen. Bij

den klank dezer stem kromp de oude ineen. Bleek van schrik snelde

hij de treden op en het vertrek van zijn heer binnen, terwijl hij

stamelde:

"Heer de dooden staan op! Buiten voor het huis staat onze goede

vrouw en wil binnenkomen."

Maar de raadsheer schudde verdrietig zijn hoofd.

"Richmodis, mijn geliefde gade is dood en keert nooit weder. Nooit

komt ze terug," herhaalde hij vol onuitsprekelijk leed, "eer zou ik

denken, dat de schimmels uit de stal naar de torenkamer zouden

opstijgen."

Daar dreunde plotseling donderende hoefslagen op den Innenhof en

spoedig daarna op de steenen trappen. Toen de heer van Aducht de

deur uitsnelde, zag hij zijn beide schimmels de trappen oprennen.

Een oogenblik later keken twee hinnikende paarden over de

raamkozijnen in den sterrennacht, beneden echter hield een man

lachend en huilend tegelijk zijn geliefde vrouw in de armen

gesloten, die het graf hem weergegeven had.

* * *

Nog vele jaren leefde mevrouw Richmodis aan de zijde van haar

echtgenoot, terwijl een schaar allerliefste kinderen hun gelukkige

echtvereeniging volmaakte. Innige vroomheid verhelderde het leven

der stille huisvrouw, die sedert dien tijd nooit meer gelachen

heeft. Een kunstig misgewaad heeft zij voor de kerk der Heilige

Apostelen geborduurd, en de heer von Aducht heeft de gebeurtenis op

het kerkhof in de Apostelenkerk in een koornis laten schilderen ter

blijvende gedachtenis. Het schilderij is thans verbleekt.

Als gij nu, lezer, in Keulen komt en zijn Dom en kerken bewondert,

ga dan ook naar de Neumarkt, waar ge twee uit hout gesneden

paardenkoppen uit het dakvenster van een ouderwetsch huis zult zien

kijken, als herinneringsteeken aan deze gedenkwaardige geschiedenis

van Richmodis von Aducht.

[Illustratie: Karl der Grosse

Nach dem Gemälde von Albrecht Dürer]

Sagen van den Rijn(#60942) · 第 98 / 108 题