Een verrukkelijk plekje aarde is het liefelijke Honnef, dat zich als
een mooi, schuw kind aan de voeten van den ouden, beschuttenden
Drachenfels aan den Rijnstroom uitstrekt. Alsof het in een schelp
ligt, wordt het door den reusachtigen rug van den berg voor den
ijzigen adem van den Boreas beschut. Daardoor is de wind in dat dal
minder scherp, zoodat het plaatsje den naam van "het Duitsche Nizza"
gekregen heeft. Als de bezoeker van den Drachenfels, door de
ondergaande zon tot terugkeer gedrongen, door het dal van Honnef
afdaalt, teneinde de wachtende boot te bereiken, dan klinkt hem van
alle kanten het schoone gezang der nachtegalen tegen. Talrijker, dan
ergens in de omgeving zijn deze minnezangers hier bijeen; reeds
sedert vele jaren is dit zoo, en de sage deelt ons de oorzaak
hiervan mede.
Zeer lang geleden zongen ze op een andere plaats. Het was in de
Eifel, in het bosch van de abdij Himmerode. Daar klonk, evenals
thans in het dal bij Honnef in den stillen zomernacht hun
verrukkelijk gezang. Ook tot de ernstige monniken, die in de
kruisgangen en kloostertuin in vrome overdenking rondliepen, drong
het door. Zelfs de vrome boetelingen, die zich in hun kerkers
kastijdden vernamen het. En in hun prevelende gebeden vermengde zich
verlokkend het verleidelijke gezang der nachtegalen. Toen zijn in
menig monnikshart, dat reeds lang afstand van het wereldsche genot
gedaan had, schuw en beschaamd herinneringen opgewekt en in menig
oor der vrome broeders hebben zij 'over heerlijke, zondige dingen
gefluisterd.
Daarop is de heilige Bernhard op een dag in de abdij Himmerode
gekomen en heeft in de harten der broeders gelezen. Groote droefheid
overviel hem, toen hij bemerkte, dat uit menige heilige ziel de
goddelijke vrede verdwenen was. De oorzaak hiervan bleef hem niet
verborgen. Vervuld van heilige geestdrift trad de godsdienaar in het
bosch, dat het klooster omringde en hief met toornig gebaar de hand
op tegen de gevederde zangers van het woud. "Verwijder u van hier!
Gij zijt ons tot ergernis!"
Dreigend had de heilige man dit uitgeroepen en ziet, in de twijgen
ontstond een hevig rumoer, een groote zwerm nachtegalen vloog uit de
struiken. Nog eenmaal weerklonk het verleidelijke gezang door het
woud, daarna stoven zij schuw klappend met de vleugels weg.
In het dal bij Honnef hebben ze zich neergelaten en geen banvloek
heeft ze sedert dien tijd daar vandaan verdreven. Zij, die daar in
gepeins verzonken alleen wandelen of met hun beiden babbelend door
het dal van Honnef gaan, zijn niet, evenals St. Bernhard, afkeerig
van de wereldsche vreugde; evenmin als zij, die met glinsterende
oogen en een teringachtigen blos op de wangen door den tuin van het
sanatorium Hohenhonnef wandelen. Deze en gene hoort den verlokkenden
klank van de nachtegalen, nu eens klagend, dan overmoedig. En
iedereen legt hem op zijn manier uit.