De wijnkeuring

Onder het stadje Brohl verheft zich op een rotsachtige hoogte, waar

vroeger reeds een Romeinsch slot gestaan heeft, de twintig meter

hooge, vierhoekige wachttoren, als laatste overblijfsel van den

burcht Rheineck. De sage, die aan den eenzamen toren verbonden is,

vertelt ons een vroolijk verhaal van een ridder, een bisschop, een

jonkvrouw en den wijn van Aszmannshausen. De ridder heette Kunz van

Schwalbach en was een vermetele bandiet, die vooral het vuistrecht

in de omstreken van de Ahr met veel ijver en niet minder gevolg

uitoefende. Zijn gemalin, die wellicht een goeden invloed op hem had

kunnen uitoefenen, rustte reeds sedert jaren in de burchtkapel. Een

bevallig meisje, een vroeg wees geworden kind van een broeder van

den heer Kunz, Adelgonde genaamd, bestuurde sedert dien tijd de

huishouding op Rheineck.

Destijds was de vrome, maar ook strenge heer Anselmus bisschop van

Keulen. Daar hij hooge belasting en tollen hief, waren de burgers

van Keulen zeer vertoornd op hem, en toen hij weer een nieuwe

belasting invoerde, was een hevig oproer hiervan het gevolg, zoodat

Anselm gedwongen werd, met eenige getrouwen ijlings zijn residentie

te verlaten. Naar aanleiding van hun bedeesde vraag "waarheen?"

herinnerde de heer Anselm zich den burcht Rheineck, die tot het

aartsbisdom behoorde en die den Schwalbachers voor langen tijd ter

leen gegeven was. Daarheen wilde de aartsbisschop in ballingschap

gaan, totdat zijn verdwaalde schaapjes hem weer terug zouden roepen.

"Ridder Kunz, de oom van mijn zedige pupil is wel is waar een groote

schelm," meende de vrome heer. "Hij bidt weinig en rooft veel.

Daarbij wordt hij verdacht de brutale bandiet te zijn, die in den

herfst van ons aartsbisdom de lading wijn weggekaapt heeft.

Aszmannshäuser was het," zeide de heer Anselm bij zich zelf, terwijl

hij met gefronste wenkbrauwen naar de kielvoren van zijn scheepje

keek.

Bij den heer Kunz, die zich in stilte te goed deed aan het heerlijke

druivensap van den geurigen Aszmannshäuser, trad jonker Jörg, de

hoofdman zijner lansknechten, binnen en berichtte, dat er beneden

een schip met de Keulsche bisschopsvlag voor anker lag. Vertoornd

rees de ridder van zijn eikenhouten stoel op, en minutenlang kwelde

hem zijn kwaad geweten. Toen echter zegevierde zijn luchthartigheid

en met vroolijke onderwerping beval hij den heer uit het heilige

Keulen naar behooren te ontvangen. Den heer Anselm en zijn gevolg

viel dus een waardige ontvangst ten deel. Door ridderlijke

gastvrijheid moest de hoogeerwaarde leenheer en edele voogd van

jonkvrouw Adelgonde zooveel mogelijk voor het geleden onrecht

schadeloos gesteld worden.

Naarmate het later werd, verbeterde de stemming van den aanzittenden

gast. Nadat de aartsbisschop reeds de noodige hoeveelheid van het

edele vocht, dat zijn gastheer hem bood, met verstand geproefd had,

vroeg hij terloops: "ridder Kunz hebt ge niet tot besluit een beker

Aszmannshäuser, want sedert jaren gebruik ik dit vocht als een goed

bekomende slaapdrank." En ridder Kunz moest toen met oprecht

leedwezen bekennen, terwijl zijn oogen als die van een vroom schaap

flikkerden, dat zijn kelder wel Walporzheimer, Ingelheimer, maar

helaas geen druppel Aszmannshäuser bevatte, aangezien die, zooals

iedereen wist, van het domein van den aartsbisschop was.

De heer Anselm scheen er zich in geschikt te hebben, dat hij zijn

lievelings- en slaapdrank op Rheineck missen moest. Maar op een

avond ging hij, door een plotseling invallende gedachte gedreven,

langs verschillende afgelegen trappen en gangen naar den kelder van

den burcht. Wat voor waarde had het woord van een Kunz? Geen cent.

Wat eigen overtuiging? Misschien een scheepslading Aszmannshäuser.

Aldus bij zich zelf redeneerend, ging de heer Anselm tastende langs

de muren -- en hield op eens een schoon gelokt vrouwenhoofd in de

uitgestrekte handen.

Daar een onderdrukte angstkreet door de lange gang weerklonk,

fluisterde vader Anselmus geruststellende woorden en drukte een

bemoedigenden kus op twee nabijzijnde vrouwenlippen. Vervolgens trok

hij de beschaamde Adelgonde bij het flikkerende licht aan het einde

van den trap.

Hoog blozend biechtte de jonkvrouw den voogd, dat ze jonker Jörg

zeer genegen was, en dat ze hier nog zedig een nachtgroet met hem

gewisseld had.

"De smaak van den jonker is goed," bevestigde de geestelijke voogd.

(Nog heviger bloosde Adelgonde.) "Je Jörg laat zich den

Aszmannshäuser goed smaken! Hm, zeg eens, waar ligt het vat? Je bent

verbaasd over mijn alwetendheid, kind? Je mond heeft je verraden:

toen ik hem zooeven toevallig in donker aanraakte -- hierbij hief

vader Anselm de oogen vroom hemelwaarts -- bemerkte ik een aroma zoo

fijn, als slechts de Aszmannshäuser bezit en de mond van je ridder

heeft dat op jou overgebracht."

De jonkrouw was zoo verlegen, dat ze gaarne door den grond had

willen zinken. Bereidwillig toonde ze haar voogd het groote vat, dat

in den uitersten hoek van den kelder verborgen was. Hoe lang hij

daar vertoefd heeft, zullen we maar wijselijk verzwijgen. Den

volgenden morgen had de mis van den heer Anselm niet plaats. Tegen

den middag verschenen afgevaardigden van de burgers van Keulen, die

hun aartsbisschop namens de stad vergeving vroegen voor het plaats

gehad hebbende oproer en opnieuw den trouweed aflegden voor de

gezamenlijke onderdanen. Genadig besloot Anselmus tot onmiddellijken

terugkeer. Bij het afscheid nam hij nogmaals het woord en zei

onomwonden met een strakke gelaatsuitdrukking:

"Zooals mij juist medegedeeld wordt, beweert elke geestelijke en

leek in Keulen, dat hij, die in den herfst de wijnlading,

toebehoorende aan het stift, op goddelooze wijze gestolen heeft,

niemand anders dan de eigen leenman van het bisdom, Kunz van

Schwalbach op Rheineck is!"

De heer Kunz hield zijn onschuld vol en betuigde zijn onderdanige

trouw, maar de aartsbisschop stond op de voorloopige inbeslagneming

en beval den ridder zich binnenkort met den notaris en getuigen naar

het college te Keulen te begeven en zich te zuiveren van de

verdenking van den kerkroof. Vervolgens liet hij het kolossale vat

verzegelen en vervoeren en keerde toen met zijn onderhoorigen

huiswaarts.

Onderwijl stiet de heer van Schwalbach ontelbare vloeken uit. Jonker

Jörg troostte hem en ridder Kunz beloofde zijn vertrouweling met

vele ridderlijke eeden, dat, zoo hij in Keulen het leven er af

bracht, zijn bevallige nicht de vrouw van den jonker zou worden. In

opgewonden stemming vernam Adelgonde dit van ridder Jörg.

* * *

In de strafzaal te Keulen zaten twaalf waardige heeren op het

gestoelte. Adelgonde, die er voor zorgde den verschuldigden eerbied

tusschen oom en voogd te verdeelen, bood den heeren volgens den

wensch van den heer Anselm twaalf zilveren bekers van den betwisten

wijn aan. Terwijl hij een beroep deed op hun kennis en

onomkoopbaarheid, gebood de bisschop het twaalftal hun oordeel mede

te deelen of het vat Moselblümchen. Affentaler, of Aszmannshäuser

inhield.

Bedenkelijk brachten de rechters de bekers aan de lippen, namen een

slokje, vertrokken de mondhoeken, proefden nogmaals en schudden

allemaal het hoofd over dezen allerakeligsten drank. Eenparig

verklaarden zij, dat deze zure wijn geen Aszmannshäuser was.

Boetvaardig stond de heer Anselm daar, zegevierend ridder Kunz en

opgetogen jonkvrouw Adelgonde en jonker Jörg.

Eenige weken daarna werd er op Rheineck een vroolijk bruiloftsfeest

gevierd. Toen ridder Jörg met zijn jonge gemalin op de feestelijk

opgetuigde paarden het slot verlaten had, om Adelgonde in den

vaderlijken burcht binnen te leiden, zat de geestelijke voogd, die

zich verwaardigd had, het paar te trouwen, eendrachtig met den heer

van Rheineck bij de blinkende kan. En in verhoogde feeststemming

drong de bisschop er bij den ridder op aan, hem te bekennen, hoe hij

het klaargespeeld had, den verzegelden Aszmannshäuser in dezen

ellendigen zuren wijn te veranderen. Daarvoor zou hij hem meedeelen,

hoe hij destijds in den kelder van den burcht den Aszmannshäuser

ontdekt had. Lachend wenkte de heer Kunz zijn schenker, deze bracht

fluks een wijnkan, schonk de heeren drinkers hiervan in, en opnieuw

dronk de heer Anselmus zijn lievelings- en slaapdrank.

Plechtig verklaarde hij: "ridder Kunz, dit is de wijn, welks ligging

Adelgonde haar voogd gehoorzaam verried."

Toen dreunde de vuist van Kunz op de eikenhouten tafel, zoodat de

kannen rammelden, en hij voer hevig uit tegen de valschheid van zulk

een slang. Maar de bisschop wees hem op zijn goddeloozen toorn,

aangezien het vrome kind slechts gehoor gegeven had aan den

geestelijken aandrang. Hoofdschuddend sloeg de heer Kunz de handen

in elkaar.

"Een vroom kind, dat uw geleerde rechters de proefbekers met absint

en azijn vulde."

Een tijdlang zweeg Anselmus, vervolgens schudde hij zijn eerwaardig

hoofd. Dan lachten beiden, de ridder en de bisschop. Maar toen de

ridder den bisschop de helft van het vat als avonddrank, die

bevorderlijk voor den slaap was, aanbood, reikte de heer Anselmus

hem zijn hand als leenheer, waarbij de heer Kunz vrijwillig de

belofte aflegde, in het vervolg alles, behalve den bisschoppelijken

Aszmannshäuser te rooven.

Sagen van den Rijn(#60942) · 第 77 / 108 题