In de middeleeuwen was slot Sterrenberg boven Boppard gelegen, een
der schoonste burchten aan de oevers van den Rijn. In den tijd
waarop onze geschiedenis speelt, werd hij bewoond door een oud
paladijn van Koenraad, den Staufenkeizer, tengevolge van de
verkiezing op de vlakte van Oppenheim bij Mainz. Twee zonen stonden
den bejaarden krijgsheld ter zijde. Zijn vrouw sluimerde reeds lang
onder de aarde. Sedert dien tijd klonk er zelden vroolijk gelach
door de hooge gewelven.
Eens kwam er een lieftallige gast op het eenzame slot. Met haar kwam
er een zonnestraaltje in de donkere vertrekken. Een verre neef uit
het geslacht der Brömsers van Rüdesheim was gestorven en op zijn
sterfbed vertrouwde hij zijn eenig kind, een bloeiend meisje, aan de
zorg van zijn bloedverwant, den heer van Sterrenberg -- Brömser toe.
De blonde Angela -- zij verdiende dezen naam -- werd spoedig aller
lieveling op het slot. Zij vereerde den grijsaard als haar vader en
beloonde de welwillende vriendelijkheid van de beide jongelingen met
zusterlijke genegenheid. Wat eeuwen geleden gebeurde en nog altijd
gebeurt, had ook hier plaats; de vriendschap der jeugdige ridders
veranderde spoedig in liefde. Beide broeders dongen naar de gunst
der jonkvrouw.
De bejaarde burchtheer bemerkte het, en een treurig voorgevoel
maakte zich van hem meester. Hoewel hij voor beide zonen dezelfde
liefde koesterde, zoo toch beviel hem het zachtzinnige, van zijn
moeder geërfde karakter van zijn eerstgeboren kind beter, dan de
vurige geest van Koenraad, den jongsten zoon.
Reeds vanaf het eerste oogenblik, dat de jonge wees op zijn
familieslot gekomen was, had hij den wensch gekoesterd, dat de
sierlijke jonkvrouw in het huwelijk zou treden met zijn
lievelingszoon Hendrik, die den naam zijns vaders droeg en eenmaal
den familieburcht bezitten zou.
In stilte beminde Hendrik Angela steeds vuriger. Zijn broeder echter
maakte geen geheim van de hartstochtelijke liefde, die hij voor de
jonkvrouw gevoelde en spoedig bemerkte de grijsaard met droefheid,
dat het jonge meisje de genegenheid van dezen ridder beantwoordde.
Ook den broeder bleef het geluk der beide jongelieden niet
verborgen, en diepbedroefd begroef hij zijn liefde, een schuw kind,
dat wellicht tot sterven veroordeeld was, omdat de spraak hem niet
vroegtijdig gegeven was. En Angela? Wel ontging haar de
zwaarmoedigheid niet, die op de trekken van den oudsten broeder te
lezen stond. Zij ontroerde, toen ze eens bemerkte, dat zijn stem
beefde als hij haar naam noemde; maar de zonneschijn van haar jonge
liefde verblindde haar zoozeer, dat ze de wolken niet bemerkte, die
een schaduw over de trekken van den ridder wierpen. Terzelfder tijd
kwam Bernard van Clairvaux uit Frankrijk aan den Rijn en predikte
over een nieuwen kruistocht tegen de ongeloovigen. Duizenden werden
in geestdrift gebracht door de bezielende rede van den heiligen
monnik. Ook op de vesting Sterrenberg werd zijn oproeping vernomen.
Hendrik besloot aan den kruistocht deel te nemen. Hij kon niet
langer op den burcht blijven, waar zij vertoefde, die hij hopeloos
beminde. Maar ook de naar roem dorstende geest van den jongsten
ridder werd zeer opgewonden door de onbekende bekoorlijkheid, die
een kruistocht in het sprookjesachtige Morgenland aanbood. Zijn
jeugdige kracht, die jarenlang op een afgelegen vesting in toom
gehouden was, dorstte naar avonturen, die de vermetele kruisvaarders
ver weg onder de Oostersche palmen in de woeste Levant wachtten.
Nutteloos waren de smeekbeden en tranen van de liefhebbende
jonkvrouw, nutteloos de smart zijns vaders, die hem smeekte, hem
niet te verlaten.
Wanhopig was de grijsaard over het onwrikbare besluit van zijn
zoons.
"Wie blijft op den burcht mijner voorouders, als gij hem verlaat om
daar nooit terug te keeren?" riep hij smartelijk uit. "Ik smeek u,
mijn oudste zoon, evenbeeld uwer moeder, heb erbarmen met het witte
haar van uw vader! En u, Koenraad smeek ik, heb medelijden met de
tranen van uw verloofde."
Zwijgend stonden de broeders daar. Toen vatte de oudste de hand van
den grijsaard. "Ik zal u niet verlaten, vader," sprak hij aangedaan.
"En gij, Angela?" vroeg de jongste op trotschen toon aan de weenende
jonkvrouw, gij zult het offer der scheiding brengen en een
laurierboompje planten om mij daarvan een krans te maken als ik
weerkom.