Boven het liefelijke stadje St. Goar ligt Rheinfels, een der meest
grootsche ruïnen van den Rijn. In het midden der dertiende eeuw werd
deze buitengewoon versterkte vesting door graaf Dietherr, die tot
het beroemde geslacht der Katzenelnbogen behoorde, gebouwd. Reeds na
verloop van een tiental jaren heeft zij bloedige gevechten voor haar
onneembare muren gezien; toen zes en twintig steden aan den Rijn
haar gedurende vijftien maanden, te vergeefs belegerden en duizenden
strijders voor haar wallen den dood vonden.
Vervolgens heeft sedert eeuwen de vlag van den Hessischen landgraaf
van haar tinnen gewapperd. Ten tijde der Fransche revolutie, die op
de mogendheden, welke hun tusschenkomst wilden verleenen, haar
woeste troepen afzond, werd zij door Gallische krijgswoede in puin
geschoten.
Even weemoedig als de geschiedenis van dezen meest indrukwekkenden
Rijnburcht is de sage, die uit den tijd, dat nog ridders en
schildknapen de vertrekken vulden, aan dezen burcht verbonden is. De
graaf van Rheinfels bezat een allerliefst dochtertje. Onder de vele
pretendenten, die de jonkvrouw ten huwelijk vroegen, bevond zich ook
Georg Brömser uit Rüdesheim, en aan hem had ze haar hart geschonken.
Niemand was daarover meer vertoornd, dan de ridder van Berge. Hij
behoorde weliswaar tot een geslacht, waaruit eenmaal een Keulsch
aartsbisschop gesproten was, maar hem ontbrak, behalve aardsche
goederen ook in hooge mate een ridderlijk gemoed.
Daarom had de burchtheer van Rheinfels zich wel gewacht, zijn
lieftallige dochter met haar aanzienlijken bruidschat aan van Berge
toe te vertrouwen. Dit was de jonkvrouw volstrekt niet onaangenaam,
want zij gevoelde voor den onstuimigen minnaar met zijn ruwe
manieren niet de minste toeneiging. Daarentegen hing haar hart met
innige liefde aan den ridder van Brömser.
Zoo werd, nadat de gebruikelijke engagementstijd verstreken was, de
bruiloftsdag bepaald. Op een morgen echter, bij het aanbreken van
den dageraad is de heer van Brömser op Rheinfels aangekomen, nadat
hij den ganschen nacht op zijn dampend paard gezeten had. Hij bracht
slecht nieuws. Zijn keizerlijk gebieder, Albrecht genaamd, had de
ridderschap, die hem toegedaan was, ten strijde tegen de eedgenooten
opgeroepen, die hun trouweed geschonden, de keizerlijke beheerders
verjaagd en hun leenheer den oorlog verklaard hadden. De edelen van
den Rijn hadden van den keizer een dringende oproeping gekregen ter
bestrijding van dezen hooggaanden opstand. Als trouw vazal had de
heer van Brömser geen minuut over de beslissing geaarzeld.
Hij troostte de verdrietige bruid met liefdevolle woorden. In het
vertrouwen op God berustte het meisje in haar treurig lot, en de
graaf van Rheinfels prees de vastberadenheid van den schoonzoon.
Voordat deze wegreed, nam hij een lindeboompje, dat hij buiten in
een boschje ontworteld had, woelde met zijn zwaard den grond om en
plantte het twijgje daarin.
Toen sprak hij tot zijn bruid:
"Verzorg de ontspruitende linde, die ik hier ter eere van mijn
beschermheilige plant. Zoolang zij groen is, moet gij mij trouw
blijven. Indien zij eens verdort -- Sint Georg moge het genadiglijk
verhoeden -- dan moogt ge mij vergeten; want dan ben ik dood."
Weenend wierp de bruid zich in de armen van den ridder. Met de
rechterhand hield hij haar teeder omvat, met de linker hief hij zijn
zwaard op en verzocht haar, het sprookje, dat daarin gegraveerd was,
dagelijks op te zeggen. Het luidde:
hilf got, du ewigs wort,
den leib hy, der fele dort,
hilf ritter sant georg.
Vervolgens begaf hij zich in den ochtendnevel langs den boschweg
naar het keizerlijke leger, terwijl vele vurige wenschen en niet
minder bittere tranen hem op zijn weg vergezelden.
De eene maand na de andere verstreek. In Duitschland vernam men met
zorg, dat de strijd van den keizer tegen de Zwitsersche boeren een
ongunstigen keer nam. Toen kwam het bericht van een vreeselijke
nederlaag van het trotsche keizerlijke leger. Deze had bij
Moorgarten plaats: een eenvoudig held, Arnold van Winkelried
genaamd, heeft toen met opoffering van zijn eigen leven, voor zijn
landgenooten den weg der vrijheid gebaand. Het stoffelijk overschot
van vele graven en baronnen werd in die dagen aan de Zwitsersche
aarde toevertrouwd, en in vele Duitsche burchten werden treurige
tijdingen ontvangen.
Op Rheinfels bevond zich een liefhebbende jonkvrouw, die in angst en
zorg over den beminden man verkeerde van wien geen boodschapper
bericht bracht.
De treurige krijgstocht tegen de oerkantons aan het
Vierwoudstedenmeer was reeds lang geëindigd, en de hoop van de bruid
van Rheinfels om haar bruigom ooit terug te zien, vervloog steeds
meer.
Op een dag liet zich een vereerder van vroeger, Dietrich van Berge,
de geldzuchtige bandiet bij haar aandienen. Hij was gekomen, om
wederom de hand der begeerenswaardige dame te vragen, daar de heer
Georg Brömser algemeen voor dood gehouden werd. Met treurige woorden
antwoordde het meisje den hebzuchtigen aanbidder, dat zij haar
verloofde altijd trouw zou blijven, zooals ze hem bij de linde voor
de burchtpoort beloofd had. Slechts wanneer het aan Sint Georg
gewijde boompje verdorde, was zij van haar belofte ontheven.
Knorrig nam van Berge afscheid. Op hetzelfde oogenblik begaf hij
zich naar het bosch en zocht daar een verdorden lindeboom, die
bijzonder op de groene linde aan de burchtpoort geleek. Den
volgenden nacht sloop hij heimelijk naar den burcht, trok het
lindeboompje uit de aarde en wierp het met een ruwen vloek in het
stille water van den Rijn. Op dezelfde plaats plantte hij het
verdorde stammetje.
Den volgenden morgen overschreed de dochter van den slotheer den
drempel van den burcht en begaf zich in Gods heerlijke natuur, waar
de lente in aantocht was. Daar ontdekte ze den verdorden lindeboom
en een zachte smartkreet ontglipte haar. De volgende dagen en
nachten heeft ze vele tranen vergoten. En na eenigen tijd kwam
wederom, vervuld van leedvermaak, de ridder van Berge op Rheinfels
en dong met begeerige blikken naar de hand van de dame, die thans
vrij en van haar trouweed verlost was. Vol medegevoel, maar
vastberaden wees deze wederom den zich opdringenden pretendent af,
omdat zij haar bruigom, zelfs in den dood, trouw wilde blijven.
Toen vervoerde de toorn den afgewezene tot een schandelijke daad:
Vervuld van haat trok hij zijn zwaard en stiet het de standvastige
jonkvrouw in de borst. Toen snelde hij, te laat tot bezinning
gekomen, vol afschuw over de begane misdaad weg. Evenals vroeger de
onzalige discipel des Heeren, beging hij zich in het donkere
dennenboschje een ongeluk.
Op Rheinfels treurde men algemeen om haar die als onschuldig offer
van haar trouw gevallen was. Midden in al deze ellende werd er een
bezoeker aangediend. Hij kwam uit Zwitserland. Op het slagveld bij
Moorgarten had een braaf landman den ridder tusschen een hoop dooden
gevonden en hem, die uit vele wonden bloedde en vreeselijke pijn aan
een beenbreuk leed, naar zijn boerenhutje medegenomen. Daar heeft de
heer Georg Brömser vele maanden ziek gelegen, langzamerhand genas
hij echter, maar moest nog lang veel pijn aan zijn been lijden.
Eindelijk was hij, na veel uitgestaan te hebben, als een der
laatsten naar den Rijn teruggekeerd, met den naam der bruid op de
lippen, haar beeld in het hart.
Zwijgend wees de burchtheer van Rheinfels op het graf van zijn kind.
Voor den verschen aardhoop hielden de oude en de jonge man elkaar
innig omarmd. Vervolgens heeft de laatste den verdorden lindeboom
van de burchtpoort in den Rijn geslingerd en het graf zijner
overleden bruid met witte lelies beplant. Georg Brömser heeft voor
den tweeden keer niet meer bemind, maar is de doode trouw gebleven
tot aan het einde van zijn leven. In den omgang met ridderlijke
zangers zocht hij vergetelheid voor het leed, dat hem getroffen had.
Later heeft hij menig schoon lied gemaakt. Een daarvan is sedert
eeuwen bewaard gebleven en is eerst in onzen tijd met de zangwijze
in een oud manuscript gevonden; het is een even eenvoudig als
roerend lied. Aan den Rijn kunt ge het nog dikwijls hooren zingen.
Het luidt aldus:
Es steht eine Linde in jenem Tal:
O Gott, was tut sie da?
Sie will mir helfen klagen,
Dass ich mein Lieb verloren hab!