Op een hoogte bij Oberwesel liggen de puinhoopen van een
ridderburcht. Hij heette Schönburg en moet dezen naam te danken
hebben aan zeven jonkvrouwen, die daar eenmaal gewoond hebben, en
wier schoonheid ver door het Rijnland beroemd was. Zij waren zich
hun bekoorlijkheid wel bewust, en toen het slot en bosch na den dood
van den vader hun eigendom werden -- door verdriet moet hij
vroegtijdig gestorven zijn, daar de hemel hem geen zoon geschonken
had -- kwamen er vele vereerders opdagen, om naar de hand van een
der zeven schoonheden te dingen.
Maar de inborst der al te vroeg wees geworden zusters was zeer
slecht, en de zwakke tucht van een oude tante vermocht hun
overmoedigen, onvrouwelijken aard slechts ten deele te beheerschen.
Toen nu ook dit familielid stierf, die bij hen de plaats der moeder
bekleed had, brak de verderfelijke zucht naar vrijheid bij de
levenslustige meisjes nog meer los.
Van de trotsche, schoone zusters van den burcht Schönburg bij
Oberwesel deden vele vreemde verhalen de ronde, hoe ze uitreden en
woeste jachtpartijen, ja zelfs de valkenjacht meemaakten, hoe ze
menig knap ridder, die van een der jonkvrouwen de hand vroeg, eerst
voor den gek hielden en hem door hun schandelijke behaagzucht in
verrukking brachten, om den verliefden aanbidder ten slotte met spot
en hoon af te wijzen.
Vervuld van schaamte en toorn heeft menig ridder den burcht bij
Oberwesel verlaten en met verontwaardiging en verachting de namen
der sirenen uit zijn gedachte verbannen, die eerst aan het oprecht
gemeende aanzoek met gehuichelde bedeesdheid gehoor gaven, om dan
den overgelukkigen minnaar met spottenden lach te verklaren, dat zij
de vrijheid veel te lief hadden, dan dat ze die voor een man
opofferen wilden.
Ongelukkigerwijs waren er toch altijd dwaze lieden, die deze
praatjes niet geloofden en op den naam en manieren afgingen en hun
geluk bij de zusters beproefden. Bij allen eindigde deze proefneming
treurig. Geen aanbidder was het tot nu toe gelukt het hart van een
dezer preutsche schoonen voor een dieperen indruk vatbaar te
maken. Sedert eenige jaren hadden zij reeds hun laag spel gespeeld.
Eens heerschte er wederom luidruchtige vroolijkheid in de
staatsiezaal van het slot. Een schaar ridderlijke figuren waren om
de schitterende tafel gezeten, en onder hen waren ook in het volle
bewustzijn van hun zegevierende schoonheid de zeven jonkvrouwen, die
elkaar nog overtroffen in overmoedige scherts.
Een onaangenaam voorval bedierf voor een oogenblik de feeststemming;
twee ridders hadden om een der zusters twist gekregen, en de hevige
ijverzucht wond de jeugdige gemoederen steeds meer op. In hevige
spanning volgden de anderen den woordenstrijd van de twee
medeminnaars. In den beginne scheen men behagen te scheppen in den
ridderlijken strijd, maar later, toen ze reeds van de zwaarden
gebruik wilden maken, trok men de jongelingen van elkaar.
Een gelukkig woord vond een der dischgenooten om de opgewonden
menigte te kalmeeren. Men zou, om de herhaling van een dergelijken
twist te voorkomen, er op aandringen, dat de jonkvrouwen eindelijk
een beslissing namen, opdat elk der pretendenten -- want ze bekenden
allen dit te zijn -- eindelijk zou weten, waaraan hij zich te houden
had. Deze voorslag werd zeer toegejuicht, alleen de burchtfreules
waren ontstemd en keurden dezen aanmatigenden wensch zeer af.
Met alle behaagzieke kunsten bestormden zij de minnaars, zoodat
ieder van hen dacht, dat hij de uitverkorene was, en eindelijk werd
een der zusters wankelmoedig. Haar volgde een tweede, en eindelijk,
nadat ze lang zacht met elkaar gefluisterd hadden, verklaarden ze
allen met lachenden mond en veelbelovende gelaatsuitdrukking, dat ze
den volgenden morgen over het lot van hun aanbidders beslissen
zouden.
* * *
Het afgesproken uur brak aan, en in de staatsiezaal van het slot
verzamelden de ridders zich in afwachting. Aller oogen hingen vol
spanning aan de deur, waardoor de schoone meesteressen verschijnen
zouden. De vleugeldeuren openden zich en een dienstbode meldde den
ridders, dat de jonkvrouwen beneden in den tuin aan den oever van
den vloed wachtten.
Snel begaven ze zich daarheen. Ontzettende verbazing teekende zich
op hun gezichten af, toen zij beneden gekomen, de zusters in een
boot aantroffen, die zacht aan den oever van den Rijn schommelde.
Met een vreemdsoortig glimlachje wenkten zij de aankomenden; toen
hief de oudste zich in de boot op en riep ver verstaanbaar:
"Geeft uw hoop op; want geen van ons zou het ooit invallen u te
beminnen en te huwen. Wij hebben de vrijheid veel te lief, dan dat
we die voor een man willen opofferen. Op een familiegoed in de buurt
van Keulen denken we nog vele verliefde minnaars te ontnuchteren,
evenals wij u gedaan hebben, edele heeren. De boot brengt ons
daarheen. Vaarwel!"
Een spottend lachen besloot deze schimprede en, terwijl het scheepje
zich in beweging zette, weerklonk zevenmaal een spottende
afscheidsgroet. Sprakeloos van schaamte en toorn stonden de bedrogen
ridders daar. Op eens verhief zich een geweldige storm op de rivier.
De boot wankelde en het lachen der zeven jonkvrouwen veranderde in
gillend angstgeschreeuw. Het werd overstemd door het loeien der
golven, die zich van de boot meester maakten en haar met haar
inzittenden in de draaikolk begroeven.
* * *
Op de plaats, waar deze jonkvrouwen, wier harten zoo hard als rotsen
waren, in de diepte verdwenen, verhieven zich zeven rotspunten uit
het water. Nog heden steken deze zeven steenen, de zeven preutsche
jonkvrouwen van die streek, waarschuwend uit den vloed omhoog.
[Illustratie: Bischof Willigis in der Klosterschule
Nach dem Gemälde von Lindenschmitt]