De Palts

Onder Kaub ligt op een rotsachtig eiland in den Rijn een mooie

vesting, sedert eeuwen bekend onder den naam van de Palts.

Eenmaal had de liefde, die uit een koninklijk paleis verdreven was,

in de donkere kamertjes van deze prachtige, met torens versierde

vesting op het eiland een geheime samenkomst. Dat is echter reeds

lang geleden. Het was ten tijde van Roodbaard. Destijds leefden als

bannelingen op het door water omringde kasteel paltsgraaf Koenraads

eigen vrouw en wettig kind, zijn aanvallig dochtertje Agnes.

En dit was aldus gekomen. De hemel had den paltsgraaf geen zoon

geschonken, en dus moest de dochter erfgenaam der goederen worden.

Machtige vorsten van het rijk hadden reeds om de hand van de

sierlijke dochter van den paltsgraaf gedongen, en onder hen waren

zelfs een hertog van Beieren en de koning van Frankrijk. Maar het

meisje had reeds een keuze gedaan. De gelukkige was de jonge

ridderlijke held van Brunswijk. Agnes had hem haar geheele hart

geschonken en was zoo gelukkig, dat haar moeder dit verbond

goedkeurde. Den paltsgraaf kon dit niet verborgen blijven, en deze

ontdekking ontstemde hem zeer. Hertog Hendrik was een Welf en dus

een rechtstreeksche vijand van zijn broer, den beheerscher der

Staufen. De verwantschap met Brunswijk was daardoor onmogelijk, te

meer, omdat de keizer reeds lang het plan koesterde, de dochter van

den paltsgraaf aan een lid van zijn huis uit te huwelijken, opdat

het paltsgraafschap voor de Waiblingers behouden bleef.

Met oprechte bezorgdheid herinnerde de paltsgraaf zich, dat de

hertog van Brunswijk niet alleen een der schoonste mannen, maar ook

een der moedigste strijders van de Duitsche ridderschap was. En zoo

liet hij op een dag, nadat hij tot laat in den nacht over de

netelige zaak nagedacht had, de Palts geheel opknappen, de donkere

vertrekken, meer op hokken dan op kamers gelijkend, reinigen en in

orde brengen en verklaarde toen aan zijn gemalin en dochter Agnes,

die hij beiden tot een tocht naar het eiland overgehaald had, dat

hier nu voor onbepaalden tijd hun woonplaats zou zijn.

De waardige paltsgravin beklaagde zich zeer over de onrechtvaardige

strengheid van haar heer gemaal en de schoone Agnes vergoot bittere

tranen. Op verstandige wijze deelde Koenraad hun waarschuwend mede,

dat zoolang zijn dochtertje niet van den Welf afzag, hij zijn

noodzakelijk voornemen niet veranderen kon. Toen is hij zeer voldaan

vertrokken, meenende een buitengewoon schrander plan uitgevoerd te

hebben. De zalige jeugd lag echter reeds te ver achter hem, want

anders had hij zich moeten herinneren, dat de liefde der jeugd -- om

een volstrekt niet dichterlijke vergelijking te gebruiken -- evenals

de spijker in den muur is: hoe meer men hem slaat, des te vaster

houdt hij! Hij had zich ook te binnen moeten brengen, wat Salomo

reeds in zijn Hooglied gezegd heeft: "De gloed der liefde is een

vlam, die noch door stortbuien, noch door stormen uitgedoofd kan

worden."

En evenals de wind de vlammen aanwakkert en slechts de vonken

uitdooft, zoo ging het ook hier met de scheiding der liefde; wat

haar een hinderpaal moest zijn, dat werd haar juist ten voordeel.

Beschut door de duisternis van den nacht bezocht de vermetele hertog

der Welfen verkleed de vesting op het eiland. Agnes weigerde den

geliefden man den toegang niet. Met vurige smeekbeden bestormden zij

de moeder, opdat deze hun liefdesgeluk niet in den weg zou staan. De

paltsgravin kon hieraan geen weerstand bieden.

Den volgenden dag, tegen het vallen van den avond, kwam er onbemerkt

een priester op het eiland, die de hand van den Welf in die van de

Staufin legde. In het lage vertrek van den burcht werd bij het

bleeke schijnsel der kaarsen het huwelijk voltrokken. In het eenzame

kamertje van de Palts hield de liefde, de onoverwinnelijke

triomfeerend haar intocht.

* * *

Maanden van ongestoord, stil geluk waren verstreken. Dagen waren

echter in aantocht, die de paltsgravin, nog meer dan de jonge vrouw

met zorg tegemoet zag. Het was nu dringend noodzakelijk den

paltsgraaf hetgeen gebeurd was, mede te deelen. Op een dag, toen hij

voor het eerst na langen tijd op het kasteel verscheen, viel zijn

dochter hem te voet en onthulde hem een dubbel geheim. Eerst moet de

waardige paltsgraaf als een steenen beeld gestaan hebben, maar toen

in alle hem bekende talen geraasd en getierd hebben, totdat zijn

zachtzinnige gemalin hem met zachte, vleiende woorden smeekte zijn

dochter te ontzien, die wel bijzondere zorg noodig had. Toen is de

vreeselijke toorn bedaard, en daar zijn trouwe echtgenoote hem nu

zeide, dat hij zelf onbewust medegewerkt had, om een bitteren

geslachtshaat door zijn geliefd kind te doen eindigen, toen

ontspanden zijn harde trekken zich. Geleidelijk werden ze zacht en

zachter, en eindelijk heeft de paltsgraaf zich tot zijn dochter

overgebogen, haar zeer teeder bij den naam genoemd, en op de door

water omringde vesting op het eiland is zacht de engel der

verzoening nedergedaald.

* * *

Paltsgraaf Koenraad is aan het hof van keizer Roodbaard te Speyer

verschenen en heeft zijn keizerlijken broeder met een zuurzoet

gezicht het voorgevallene meegedeeld. De oude Roodbaard heeft

daarbij geglimlacht en den edelen heer Koenraad gedankt, dat hij een

middel gevonden had om de Welfen en Staufen nader tot elkaar te

brengen. Ook bood hij aan, peet te worden over het kindje, dat

verwacht werd.

Vervolgens is in de Palts een prachtig feest gevierd, en eenigen

tijd daarna, heeft in het eenvoudige kamertje van den burcht, waar

eenige maanden geleden de liefde, de onoverwinnelijke triomfeerend

haar intocht had gehouden, de eerste kreet van een kind de

gelukkigste moeder in verrukking gebracht. Dit alles geschiedde

volgens den wensch van den paltsgraaf.

Nog altijd toont men den bezoekers dit kamertje van de Palts als

herinnering aan deze gebeurtenissen.

Sagen van den Rijn(#60942) · 第 41 / 108 题