In den ouden tijd heeft in het woeste dal achter Lorch, dat de
Wisperbeek doorstroomt, een molen gestaan. Eens, toen de
molenaarsvrouw, een opgewonden jonge vrouw aan het werk was, moet
haar een stem toegefluisterd hebben, dat ze naar den Kammerberg
moest opstijgen en den schat halen, die in den toren verborgen lag;
de sleutel bevond zich in de kist. De molenaarsvrouw keek verschrikt
om, maar toen ze niemand zag, kwam ze tot de overtuiging, dat de een
of andere onzichtbare grappenmaker haar voor den gek gehouden had.
Den volgenden dag echter, toen zij aan de beek de wasch spoelde,
fluisterde haar wederom een zachte stem in het oor: "Ga naar den
Kammerberger toren en haal den schat. De sleutel ligt in de zwarte
kist."
Toen heeft de vrouw de wasch laten liggen, en haar man het
tooversprookje, zooals zij het vernomen had, medegedeeld.
[Illustratie: Siegfried auf der Totenbahre
Nach dem Gemälde von Emil Lauffer]
Deze echter heeft haar voor een domme vrouw uitgemaakt en schertsend
gezegd, dat in zijn meelkast een vertrouwbaarder schat lag, dan in
de zwarte kist.
De molenaarsvrouw kon de woorden, die haar ingefluisterd waren maar
niet vergeten, en steeds heviger maande de verlokkende stem van het
spreukje, totdat zij haar geheel in haar macht had.
Den volgenden morgen, toen de molenaar uitgereden was om een lading
meel naar Lorch te brengen, heeft zijn vrouw den molen verlaten, en
is met haar jongste kind op den arm den weg naar den Kammerberg
opgegaan. Toen zij boven aan de ruïne kwam, is het haar wel angstig
te moede geworden, en was zij gaarne omgekeerd, maar wederom klonk
de fluisterende stem aan haar oor, die haar mededeelde, dat haar
niets deren zou, slechts spreken mocht ze geen syllabe. Wanneer ze
zich hieraan hield, dan zou de schat haar eigendom zijn.
Moedig is de vrouw toen het donkere torengewelf binnengetreden,
heeft haar knaapje buiten voor den ingang neergezet en de zwarte
kist opgezocht. Zij heeft haar ook gevonden, evenals den sleutel,
die daarin lag. Hiermede heeft ze de grootere kist geopend, die
achter in het gewelf stond en toen ze het zware eikenhouten
deksel oplichtte, straalde haar een hoop schitterende goudstukken
tegen.
Met begeerige handen tastte de vrouw toe, opeens echter begon het
knaapje angstig kermend: "Moeder, Moeder!" te roepen, want een slang
ritselde naast hem in het met bloemen versierde gras. De vrouw
wendde zich om en riep wrevelig uit: "Wat is er, jongen?" Op
hetzelfde oogenblik ratelde een donderslag, die de gehurkt zittende
vrouw op den grond wierp en vreeselijk weergalmde het nu door het
gewelf: "Wee mij, dat gij gesproken hebt! Wederom moet ik honderd
jaren onbevrijd blijven! Wee mij en u!"
* * *
Tegen den middag is de molenaar teruggekomen en heeft de molen leeg
gevonden. Zijn knecht heeft hem medegedeeld, dat de molenaarsvrouw
's morgens den Kammerberg opgegaan was, met haar jongste kind op den
arm. Een droevig voorgevoel is bij den molenaar opgekomen en als
ging hij op vleugelen is hij den Kammerberg opgesneld. Rustig was
het in den ouden burcht. In het gras zat zijn knaapje te spelen en
strekte juichend de armen naar den vader uit. Toen hij op het kind
toesnelde, hoorde hij zacht kermen in de gewelven van den toren
en toen hij ontzet naar binnen vloog, vond hij zijn vrouw op den
grond uitgestrekt liggen.
* * *
Een bleeke man is in den molen van Wisperbach weergekeerd. Drie
dagen daarna heeft het molenrad stil gestaan. Op het Lorcher kerkhof
heeft men toen de vrouw van den Wispermolenaar aan de aarde
toevertrouwd. Sedert dien tijd heeft niemand het gewaagd, den schat
te verkrijgen.