De steeds opgeruimde slotheer van Falkenburg was in den heiligen
oorlog tegen de Turken in de heete steppen van Phrygië voor de
heilige zaak gevallen. Zijn vrome weduwe bewoonde met haar eenig
kind Dietlinde den vaderlijken burcht. Deze jonge dame was bijzonder
lieftallig en had een aantrekkelijk karakter, zoodat er vele
edellieden waren, die de allerliefste jonkvrouw van Falkenburg, die
het prachtige vaderlijke slot mede ten huwelijk zou brengen, tot
echtgenoote begeerden.
Onder hen, die om de hand van het meisje dongen, was ook Guntram,
een ridder uit een oud adellijk geslacht gesproten. Hij was de
gelukkige veroveraar van Dietlindes hart.
Daar hij ook de moeder goed beviel, stond niets de vereeniging der
beide geliefden in den weg. Onverwachts echter, toen alles reeds
voor de bruiloft gereed was, kreeg Guntram een oproeping van den
Paltsgraaf om in zijn residentie te komen. Daar kreeg de jonge
ridder van zijn leenheer de eervolle opdracht zich met een
gezantschap naar den hertog van Bourgondië te begeven.
Met een beklemd hart onderwierp Guntram zich aan dit bevel, nam
dapper afscheid van de weenende bruid en aanvaardde zonder oponthoud
de reis.
Zoo snel, als ging hij op vleugelen, ving hij na verscheidene weken
den terugtocht aan. Daar trof hem het ongeluk, dat hij op een
onbegaanbare plaats in het bosch, van zijn gezelschap gescheiden
werd en verdwaalde. Totdat de zon onderging zocht hij naar zijn
geleiders zonder hun spoor weer te vinden. Na vele uren tevergeefs
gezocht te hebben, ontdekte hij in de nachtelijke duisternis een
licht, dat hem naar een eenzamen burcht in het woud leidde. Een
grijsaard met zilveren haren heette hem welkom. Zacht waren zijn
trekken, en de klank zijner stem evenals de uitdrukking zijner oogen
waren treurig en vermoeid. Een rijkelijk maal sterkte den
verdwaalden ridder, en een gemakkelijke rustplaats bood hem
verkwikking voor het overige gedeelte van den nacht aan.
Toen Guntram met een vroom Ave Maria en met de gedachten vol trouw
aan zijn verre bruid de oogen sluiten wilde, klonk uit een
aangrenzende kamer een zacht, welluidend, en tevens verlokkend
gezang.
Luisterende, hoorde de gast, dat een vrouwenmond een vurig minnelied
zong. En de nieuwsgierigheid dreef hem, het wezen te zien, dat aan
den stillen nacht haar meisjesklachten toevertrouwde. Hij vond in de
aangrenzende kamer een jonkvrouw, een zeldzaam bekoorlijk schepsel.
Getroffen door zulk een, vreemdsoortige vrouwelijke schoonheid sprak
Guntram haar aan, die bij zijn binnentreden plotseling met zingen
opgehouden had.
Hij ontving geen antwoord op zijn woorden en toen hij zijn toespraak
herhaalde, ontmoette hij den zwijgenden blik van twee vurige oogen.
Toen hij naderbij komend voor de derde maal begon en teedere woorden
van bewondering fluisterde, werd er plotseling, omgeven door
verblindend licht, een marmeren plaat aan den muur zichtbaar, waarop
in schitterend vlammenschrift de woorden stonden:
Musz dauernd schweigen;
Darf nicht mich zeigen.
Der Liebe Wesen
Kann mich erlösen.
Met de hand wees de jonkvrouw daarop. En de booze betoovering der
liefde, droeg Guntram als op vleugelen in het land der bedwelming.
Hij vatte onstuimig de sneeuwwitte hand en drukte zijn lippen op den
mond der minzaam glimlachende sirene. Op zijn knie gezeten, zong.
zij zacht met liefelijke stem smachtende liederen aan de liefde
gewijd.
Toen het twaalf uur sloeg, ontrukte zij zich uit zijn omarming en
verdween. Een ring had zij in zijn hand achtergelaten. In zijn kamer
teruggekeerd, las hij de daarop gegraveerde woorden: "Gij zijt de
mijne." Opeens stond het luid kloppende hart van den ridder
secondenlang stil, toen hij tot besef van zijn trouwelooze
handelwijze kwam. De rest van den nacht bracht hij, geheel
ontnuchterd in wakenden toestand door. Met een haastige, doch
hartelijke dankbetuiging aan den ouden gastheer, verliet hij tegen
het aanbreken van den morgen den eenzamen burcht. Geen blik wierp
hij achter zich.
Een vriendelijk herder geleidde hem naar den straatweg. Uit diens
mond vernam Guntram, terwijl hij doodsbleek werd, het geheim van
deze afgelegen Waldburg:
De bejaarde ridder, die hem gastvrij ontvangen had, was eens de
vader van een dochter, Gerlinde genaamd. Zij was zoo schoon als een
engel, doch niet zoo braaf als een engel. Zij had van de vele
minnaars, die om haar hart dongen, in zondige vermetelheid de meest
ongehoorde daden geëischt, die hun allemaal het leven gekost hadden.
Toen is er eens een troostelooze moeder van een van deze onzalige
jongelingen voor het goddelooze meisje getreden en heeft de vloek
des hemels over haar zondig hoofd afgesmeekt. En voordat het weer
volle maan werd, haalde de dood 's nachts de jonkvrouw uit de
Waldburg. Sedert dien tijd dwaalde haar geest in het slot rond,
teneinde elken mannelijken gast door haar vroegere bekoring te
betooveren. Slechts de man, die aan haar verzoeking weerstand kon
bieden, kon haar verlossen. Wie zich daarentegen door haar verlokken
liet, stierf binnen driemaal negen dagen.
Toen Guntram, bleek van schrik, deze boodschap uit den mond van den
herder vernomen had, reed hij ontsteld weg. Op Falkenburg verwachtte
zijn kuische bruid hem vol verlangen. Op dringend verzoek van den
bruigom werd de bruiloft op den volgenden dag bepaald. In de
feestelijk versierde burchtkapel stond Guntram met de allerliefste
dochter van den ridder van Falkenburg voor het altaar. Toen echter
de priester beider handen in elkaar wilde leggen, trad, slechts
zichtbaar voor den bruigom, de spookachtige jonkvrouw van de
Waldburg tusschenbeide en legde haar ijskoude hand in de zijne. En
Guntram zonk, van zijn zinnen beroofd, op den steenen vloer neer.
Met teedere toewijding verzorgde de bekommerde bruid den geliefden
man. Toen hij de oogen weer opsloeg, bekende hij haar berouwvol zijn
wederwaardigheden op de Waldburg. Dietlinde's liefde was zoo groot,
dat zij den berouwvollen geliefde alles vergaf. De priester werd
nogmaals geroepen en verbond hen in den echt. En, nadat ze driemaal
negen dagen van zalig geluk doorgebracht hadden, ging graaf Guntram
liggen en ontsliep vol berusting in de armen van zijn trouwe gade.
Dietlinde treurde aan de zijde harer moeder zeer om den verloren
echtgenoot en bad veel voor de eeuwige rust van zijn ziel. Zij
schonk het leven aan een zoon, dien zij ook Guntram noemde. Zij
voedde hem op in liefde voor zijn vader, dien hij nooit gekend had.