De Klemenskapel

Een treurige geschiedenis is er aan de stichting van de Klemenskerk

verbonden, die meer stroomafwaarts dan de burcht Rheinstein aan den

oever van den Rijn ligt. Eerst in den lateren tijd is zij door de

milde hand van de burchtvrouw van Rheinstein op nieuw verrezen.

Het was ongeveer in den tijd, waarop door de flinke regeering van

Rudolf van Habsburg een einde gemaakt werd aan de buitensporigheden

der roofridders, die vooral in den keizerloozen tijd aan den Rijn

zeer huisgehouden hadden. De roofridders beantwoordden met

openlijken hoon de ernstige waarschuwingen des keizers, en meer dan

ooit voerden ze op den smallen straatweg, die zich aan den Bovenrijn

tusschen de rotsen en de rivier uitstrekt, hun roofachtig bedrijf

uit.

Daar verscheen de vertoornde keizer zelf met een sterke macht en

hield een vreeselijk strafgericht onder de adellijke roovers. Als

schurftige honden wilde hij hen en hun geheelen aanhang

uitroeien. Hiermede had hij de bespotters van den heiligen landvrede

gedreigd, en hij voerde zijn bedreiging uit. Brandende burchten

waren zijn wegwijzers aan den Bovenrijn. De bewoners van het dal

zagen met ontzetting de vlammen uit de vestingen van de

Reichensteiners, Sooneckers, Heimburgers en andere gevreesde

roofridders opstijgen, en talrijke leden van adellijke geslachten

werden door den strop van den beul ter dood gebracht. Toen hoorde

men menigen schoonen mond jammeren en weeklagen over de strenge

rechtvaardigheid van den keizer. Door de vreedzame kooplieden echter

werd zij vol dankbaarheid geprezen.

Voor de overblijvenden waren de lichamen van huns gelijken, die

stuiptrekkende aan de boomen langs de rivier hingen een vreeselijke

waarschuwing.

Schuwe gestalten zijn toen, beschermd door de duisternis van den

nacht, naar de gerechtsplaats geslopen; vol droefheid hebben de

betrekkingen van de ter dood veroordeelden de lijken afgenomen, om

ze voor smadelijke vernietiging te bewaren. Heimelijk werden de

ongelukkigen in gewijde aarde begraven. Maar de gedachte aan een

vergelding hiernamaals liet de achterblijvenden geen rust; want

menigeen, die zulk een smadelijken dood gestorven was, had zijn

wapen met het bloed zijns naasten bevlekt.

Men heeft dus op raad van een verstandig, vroom dienaar Gods het

hout van de boomen genomen, waaraan zij gehangen hadden, en een

boetkapel gebouwd op de eenzame gerechtsplaats aan den Rijn. Ook van

de rookende puinhoopen der afgebrande burchten heeft men steenen

genomen voor het boetehuis bij Aszmannshausen evenals voor de hut

van den beschermer, den kluizenaar.

Toen de dag aanbrak, waarop zich voor de eerste maal het woord van

den priester aan het altaar zou doen hooren, zijn er booten met

dooden en treurenden stroomop- en afwaarts gevaren -- in het schip

der kerk hebben zij de lijkkisten neergezet -- en met plechtige

woorden heeft de aartsbisschop van Mainz de dooden van hun zonden

ontheven en de armezondaarskerk haar bestemming doen bereiken.

Daarop heeft men de nu gezegende lijken ten tweede male in het

gemeenschappelijke graf ter aarde besteld. Vele tranen moeten er

toen in de nieuw gewijde kerk gestort zijn.

Dit had plaats in het einde der dertiende eeuw. Eeuwen achtereen

hebben de geloovigen en de priesters in dit kerkje bij

Aszmannshausen voor de arme zielen der veroordeelden gebeden.

[Illustratie: Das Riesenspielzeug

Nach dem Gemälde von Cnopf

The Giant's Toy Les jouets des géants]

Boven in de burchten zijn ondertusschen vele geslachten

uitgestorven, de trotsche burchten zijn vervallen en beneden zijn

veelbewogen tijden voorbijgegaan. En de tand des tijds, die boven

aan de burchten knaagde, is ook beneden aan het kerkje zijn

verwoestingswerk begonnen, heeft het dak vernietigd en de muren

afgebrokkeld.

In lateren tijd is er weer een kerkje in de plaats der ruïne

ontstaan, en evenals voor zeshonderd jaar klinkt het woord van den

priester weer aan het altaar van de Klemenskerk.

Sagen van den Rijn(#60942) · 第 27 / 108 题