Elk van hen beminde en werd wederbemind.
Het was hun eerste liefde.
Had Karel de Groote zulk een afloop slechts kunnen gissen, toen hij
het dochtertje met de gloedvolle fluweelen oogen aan de zorg van den
jongen geleerde met het meisjesachtige gezicht toevertrouwde. Had
hij zulks kunnen gissen.
In het doodstil nachtelijk uur, als iedereen sliep, sloop Eginhard
in het vertrek van zijn geliefde. Dan luisterde de dochter van Karel
den Grooten naar de zoete vleierijen van den dichterlijken geleerde.
Zij voer onder de betoovering der liefde met hem op een zee van
zalige verwachting, welks klippen haar jeugdige onbezonnenheid niet
zag.
Eginhard bezat een vurig hart, maar toch was de vlam zijner liefde
voor de dochter van zijn heer rein als het licht der sterren; geen
toomelooze lage hartstocht verduisterde haar kuischen glans.
Maar het lot was niet met hen.
Op een herfstnacht bevond Eginhard zich weder bij zijn geliefde. Het
groote paleis was in duister gehuld. Geen ster was er aan den hemel,
die het geluk der minnenden kon verraden. De uren der liefde gaan
snel voorbij. Op het oogenblik, dat Eginhard het vertrek verlaten
wilde, bemerkte hij, dat een sneeuwkleed beneden de plaats overdekt
had.
Het was onmogelijk haar te overschrijden zonder voetstappen achter
te laten. En toch moest hij zijn kamer aan de overzijde bereiken.
Wat nu te doen?
De liefde is vindingrijk.
Na kort nadenken kwamen beiden tot het besluit, dat later tallooze
dichters bezongen hebben. (Was ik dichter, dan zou ik het ook doen.)
Het teedere meisje nam de geliefde op den rug en ging met hem de
witte plaats over. In de schitterende sneeuw teekenden zich de
sporen van twee allerliefste voetjes af.
Karel de Groote was op dit uur nog wakker. Drukkende zorgen over
zijn reusachtig rijk verdreven hem den slaap. Hij leunde aan het
venster en keek ernstig voor zich uit in den duisteren nacht. Daar
zag hij een schaduw over de plaats glijden. Hij boog zich voorover
en zag Emma, zijn meest geliefde dochter, die op den rug -- Karel
opende wijder de oogen -- een man droeg, en deze man -- een zachte
kreet kwam over Karels lippen -- was Eginhard, zijn gunsteling. In
het gemoed des keizers streden smart en woede met elkaar. Hij wilde
naar beneden snellen om de ongelukkigen te dooden, maar hij bedwong
zich, want de schande zou te groot geweest zijn, indien de dochter
des keizers op haar liefdetocht met den schrijver door den gebieder
over milioenen overvallen werd.
Een diepe zucht steeg uit zijn breede borst op. Hij trad achteruit
in zijn kamer en de kleine vlokken, die om de ruiten dwarrelden,
zagen nog lang zijn door smart verwrongen gelaat.