In den ouden tijd was er eens een reuzengeslacht in den Elsasz.
Burcht Niedeck in 't Breuschtal welks puinhoopen reeds lang vergaan
zijn, was de woonplaats van deze Hunnen, waarvan heden in den Elsasz
nog bij overlevering verteld wordt, dat ze zeer vrede- en
menschlievend waren.
Eens wandelde de dochter van den burchtheer door het naburige woud.
Toen zij aan de velden en weiden in het dal kwam, zag ze een boer,
die ploegde. De jonge reuzin keek met vroolijke verbazing naar het
kereltje, dat bedrijvig achter het spannetje liep en met den kleinen
ploeg den grond omwoelde. Nooit had zij tevoren zoo iets aanschouwd.
Dat leek haar aardig speelgoed en zij klapte met kinderlijke vreugde
in de handen, zoodat het ver door de bergen weerklonk, toen pakte
zij den boer, 't paard en den ploeg in haar schort en ijlde juichend
naar den vaderlijken burcht. Lachend toonde zij haren vader het
aardige levende speelgoed.
Deze echter schudde ernstig zijn reusachtig hoofd en sprak
eenigszins misnoegd:
"Weet je wel, mijn kind, wie dit schreeuwende menschenkind is met
dat aardige trappelende dier, dat je uitgezocht hebt om mede te
spelen? Van alle dwergen is hij het meest nuttig. Hij tobt zich af
bij zonneschijn, wind en regen, opdat de velden ons een goeden oogst
zullen opleveren. Wie den spot met hem drijft of hem onderdrukt, zal
door den hemel bestraft worden. Neem daarom het boertje op en breng
hem weder naar zijn erf terug!"
Beschaamd en blozend keek de jonge reuzin voor zich, en droeg het
aardige speelgoed gehoorzaam in haar schort naar het dal terug.