WAARIN BLIJKT, DAT DE LIEFDE EINDELIJK TOCH MACHTIGER IS DAN DE HAAT.

In de residentie Preanger-Regentschappen, op Java, ongeveer vijf uren

ten noord-westen van Tjandjoer [19], ligt het gezondheidsoord

Sindang-laya. Tal van lijders, vooral uit de Indische ambtenaarswereld,

komen op deze plaats rust en herstel van krachten zoeken. Weinig

plekjes in onzen schoonen Archipel zijn dan ook zulk een begeerlijk

verblijf voor een Europeaan als dit. Gelegen op een hoogte van 3600

voet boven den zeespiegel, huwt zich hier het koele klimaat van

Noordelijk Europa aan de rijke pracht van het Indische berglandschap.

Trotsche bergen, als de altijd rookende Gedeh en de Pangherangoe,

rijzen er op uit donkere dalen en bodemlooze ravijnen; en een stoorloos

blauwe hemel welft er zich over lachende vergezichten en bruisende

watervallen.

Op zekeren avond wandelden door de parken van dit lieflijk oord een

paar Europeesche jongelieden, de eene in de uniform van onderofficier

bij de landmacht, de andere in burgerkleeding. De lezer weet reeds wie

het waren: Rudolf en Leo.

Alvorens wij echter van Leo’s verblijf in Sindang-laya verhalen, zijn

wij nog verplicht mede te deelen, hoe hij op Lombok kwam, waar wij hem

zoo plotseling en ongedacht, maar toch ook zoo te rechter tijd, zagen

verschijnen.

Weinige woorden kunnen daartoe volstaan. Nadat Leo zijn studie voor

zendeling voltooid had, bleek het dat de Zendingsvereeniging, die hem

zou uitzenden, door verschillende omstandigheden voorloopig niet in

staat was, de kosten van zijn uitreis te bestrijden. Leo besloot

diensvolgens, voor eigen rekening uit te gaan. Nauwelijks op Java

aangekomen, hoorde hij van de ontzettende ramp op Lombok, en tevens,

dat een aanzienlijk getal troepen derwaarts scheep zou gaan, om de

expeditie weer strijdvaardig te maken. Hij hoefde dus niet lang naar

werk te zoeken; op een plaats waar zooveel ellende heerschte, waar

zooveel gewonden vertroost en aan zooveel stervenden nog eens voor de

laatste maal het Evangelie moest worden gepredikt, op zulk een plaats

was werk in overvloed, en Leo gevoelde: naar die plaats had God hem

geroepen. Hij was vrij man en niets weerhield hem dus te gaan. Bekend

als hij was met de genees- en heelkunde, werd zijn aanbod om als

vrijwillig verpleger en veldprediker met de versterkingstroepen mee te

gaan, door het Gouvernement dankbaar aanvaard.

Hoeveel haast de transportschepen ook maakten om Ampenan te bereiken,

zij stoomden Leo nog altijd niet snel genoeg; hij wilde naar zijn werk

en—naar Rudolf, zijn neef, van wien hij wist dat hij zich óók daar

bevond.

Vernemende dat de afdeeling, waartoe Rudolf behoorde, op den bewusten

dag naar Pasingaban was getrokken, had hij zich gevoegd bij de troepen,

die in den loop van dien dag derwaarts waren gezonden ter versterking.

Juist op het oogenblik van den aanval was hij daar aangekomen, en toen

hij Rudolf aan de spits van de aanvalslinie zag vooruitsnellen, had een

onverklaarbaar gevoel hem gedrongen, dezen, zoo ongewapend als hij was,

te volgen en hem in de versterking na te springen. Was deze daad ook

onberekend en onvoorzichtig van hem geweest, van achteraf moest hij

bekennen, dat een Hoogere Macht voor een wijle zijn koel verstand

buiten werking had gesteld, om te doen, wat bij menschen onmogelijk had

moeten schijnen, maar wat mogelijk was gebleken bij God.

Rudolf werd opgenomen in het hospitaal, en moest, wijl zijn been was

afgezet, daar enkele weken blijven.

Intusschen wijdde Leo al zijn krachten aan den soldaat. Hij schreef

voor hem brieven, bezorgde hem lectuur, bracht versnaperingen aan de

zieken, voedsel aan de gezonden, en had voor allen een opwekkend woord,

maar dat tevens zóó innig en zóó ernstig was, als, helaas, maar zelden

door den Indischen soldaat wordt vernomen. Ongewapend ging hij des

avonds geheel alleen langs de voorposten en dreef hij de manschappen

van de veldwachten, door zijn gemoedelijke en onderhoudende verhalen,

den slaap uit de oogen en de verveling uit den geest. Europeaan en

Inlander, bij beiden was hij even geliefd.

„Toewan moet niet zoo alleen en ongewapend loopen,” zeiden hem eens een

paar inlandsche soldaten; „er zwerven nog altijd hier Baliërs rond, en

één klewanghouw is voldoende om toewan het leven te benemen.” En

ofschoon zij pas den vorigen nacht nachtwachtdienst hadden gedaan, kon

Leo niet verhinderen, dat zij hem dien geheelen nacht als vrijwillige

patrouille op zijn zwerftochten vergezelden.

Helaas! een andere vijand stond gereed Leo te bespringen, een vijand,

waartegen geen liefdevol geleide ook van geen duizend brave soldaten

kon vrijwaren: de geduchte en gevreesde malaria-koorts.

Leo had te veel van zijn lichaam gevergd; de natuur wreekte zich, en

doodziek werd hij ingescheept naar Java. De expeditie was trouwens zoo

goed als afgeloopen.

Daar Rudolf naar Sindang-laya werd geëvacueerd, besloot Leo óók

derwaarts te gaan, en zoo kwam het dat de beide neven op dien bewusten

avond gezamenlijk door den tuin van het gezondheids-etablissement

wandelden.

Leo was nog zwak, maar Rudolf was het nog meer. Het loopen met een

kunstbeen viel hem o, zoo moeilijk, en zonder kruk ging het in ’t

geheel niet.

„Leun maar op mij, Rudolf,” sprak Leo. „Leun maar op mij!”

Rudolf lei de hand op zijn schouder. Tranen kwamen in zijn oogen, en

terwijl hij zijn hoofd tegen Leo’s borst lei, zeide hij: „M’n goeje,

beste Leo, waarmee heb ik dat verdiend, dat je altijd zoo trouw voor me

geweest bent en dat je mij nu nog met je eigen zwakke lichaam wilt

steunen! Ik heb je altijd gehaat! Welke stille kracht heeft je toch

altijd gedreven om mij lief te hebben. Ik heb je getergd; ik meende

door mijn haat je liefde te overwinnen, maar de liefde is machtiger

geweest dan de haat, en heeft mij overwonnen! Vergeef mij, Leo, vergeef

mij!”

Bewogen drukte Leo hem de hand.

„God zij geprezen, Rudolf!” zeide hij. „Zoo zullen we dan voortaan

vrienden zijn!”

Hand in hand wandelden zij eenigen tijd zwijgend naast elkaar voort.

Eindelijk zetten zij zich neder op een bank, en toen begon Leo te

spreken over die stille kracht, die hem in staat had gesteld, altijd

weer te vergeven en altijd te blijven liefhebben: de kracht van de

liefde van Jezus.

Rudolf luisterde met zijn geheele hart en zijn gansche verstand.

Reeds vroeger op Lombok had hij aanvankelijk geleerd zichzelven te

verfoeien, hier sloeg hij nog dieper blik in zijn eigen hart. Hij kreeg

een afschuw van zijn vroeger leven, maar tevens werd hem het uitzicht

geopend, in Gods kracht een nieuw leven aan te vangen.

Ver achter de altijd rookende Gedeh ging de zon onder en kleurde den

grauwen, vuilen rook met wonderbare tinten van violet en rose. Ook over

Rudolf’s ziel was voortaan een andere tint gekomen, verlicht als zij

was door de stralen der liefde Gods.

Hij keerde zwijgend-dankend naar zijn logies terug. De oude Rudolf van

Dintelburg, met al zijn haat en al zijn laatdunkendheid en zijn

wereldlust, was begraven in den Gedeh; een nieuwe zou eerstdaags naar

Europa terugkeeren.

Binnengekomen, werd hem een telegram overhandigd. Doodsbleek reikte hij

het, na ’t gelezen te hebben, aan Leo over, en deze las: „Vader ernstig

ziek. Beroerte.”

Een paar dagen later bracht de post, wat Rudolf en Leo reeds gevreesd

hadden: de doodstijding van Rudolfs papa.

De heer Van Dintelburg had, zooals wij weten, meer dan eens in twijfel

gestaan, of het levensdoel, dat hij zich gekozen had, wel het rechte

was en of die andere weg, dien hij zijn broeder en Bamboe en Leo had

zien bewandelen, niet beter was dan de zijne. Hij had ondervonden, dat

wereldsche eer, genot en macht, hoe ijverig ook gezocht, toch nooit het

hart kunnen bevredigen. Integendeel, hij had op dezen weg niets anders

ondervonden dan verdriet en teleurstelling. Maar dit had hem niet

bewogen om een anderen weg te kiezen. Hij wist: het groote doel, den

naam Van Dintelburg weer nieuwen luister bij te zetten, was met Rudolfs

vertrek naar Indië mislukt; de eenige Van Dintelburg, die dien naam

waardig was te dragen, was een dochter, die dien naam bij haar huwelijk

tegen een anderen zou verruilen, en een ander ook zou de schatten

erven, die hij verzameld had. Maar niettemin bleef de arme verblinde

man dit verloren levensdoel najagen, nu voortaan zelfs met verdubbelden

ijver. Hij was winzuchtiger en willekeuriger jegens zijn personeel dan

ooit te voren. Hij deed als een man, die den sneltrein, waarin hij had

willen reizen, vóór zich het station uit ziet stoomen, maar hem toch

nog achterop tracht te loopen.

Hij liep zich dood, in letterlijken zin. Want, door zaken op het

kantoor wat opgehouden, had hij zich gehaast om nog zijn gewone

inspectie in de fabrieken te kunnen houden, en vlak voor de poort van

de Leyefabriek had hem de beroerte getroffen, die een einde aan zijn

leven maakte. Het was hem gegaan als den rijken man uit de gelijkenis,

die schuren bij schuren en schatten bij schatten verzamelde, en toch

altoos maar bleef peinzen over nieuwe schatten en nieuwe schuren. Maar

God zeide: gij dwaas! Dezen nacht zal men uw ziel van u afeischen, en

’t geen gij verzameld hebt, wiens zal het zijn?

Het viel Rudolf, die voor den dienst was afgekeurd, natuurlijk zwaar om

thans de leiding van zijns vaders zaak op zich te nemen, want hij wist

dat men hem in Weverstede met wantrouwen zou ontvangen.

Gelukkig echter, hij vond hulp, en dat wel van de zijde van Leo. Leo

had van de geneesheeren na zijn herstel den raad ontvangen, niet langer

in Indië te blijven, daar zijn gestel niet tegen het klimaat bestand

was. ’t Was voor Leo een groote teleurstelling, aldus den liefsten

wensch zijns harten te moeten opgeven. Maar hij overwoog, dat het toch

in elk geval Gods leiding was, die hem naar Indië had gevoerd, en Gods

leiding ook, die hem terugzond naar het Moederland. Ook ginds was er,

als overal, werk in overvloed; ook ginds kon hij zijn, want hij wist

dat zijn plicht en zijn roeping was: een licht te wezen te midden eener

donkere en verloren gaande wereld.

Of Rudolf en Leo nu ook samen getuigenis gaven van het nieuwe leven,

dat zij nu beiden deelachtig waren? En of het Rudolf gelukte, thans de

liefde te verwerven van dezelfde menschen, wien hij vroeger zooveel

aanleiding had gegeven om hem te haten? Waarschijnlijk wel. Als God

genade geeft, dan geeft Hij er ook eere bij. Het „goede Boek”—om nog

eens met Bamboe te spreken—zegt: „Als iemands wegen den Heer behagen,

dan zal Hij hem ook met zijn vijanden verzoenen.”

En in het nu volgende, laatste hoofdstuk, zal „de ondervinding” leeren,

dat deze uitspraak van „het goede Boek” waarachtig is.

Blank en Bruin · 第 29 / 35 题