Het is in de laatste dagen van Augustus van het jaar 1894, dat ons
verhaal ons opeens verplaatst naar het eiland Lombok. De naam van dit
eiland heeft voor wie, ’t zij in Indië of in het Moederland, die dagen
mee heeft doorleefd, nog altijd iets spookachtigs, iets
verschrikkelijks over zich; ook al is dit eiland door onze wapenen
sedert voorgoed aan ons gebracht, en al verkeert het thans in even
rustigen toestand als welke andere streek ook van onze Overzeesche
Bezittingen. Want die dagen waren dagen van spanning en van vrees,
zooals er in het leven van een volk slechts zelden voorkomen.
De Sasaks, die het Noorden en het Oosten van het eiland Lombok bewonen,
waren sinds langen tijd door de eigenlijke overheerschers, de Baliërs,
op vreeselijke wijze onderdrukt. Tallooze klachten, hierover bij de
Nederlandsche Regeering ingediend, hadden tengevolge gehad, dat onze
Regeering het zich eindelijk ten plicht rekende, voor het onderdrukte
volk op te komen. Diplomatieke vertoogen, tot den Radja van Lombok
gericht, bleven evenwel zonder uitwerking, zoodat het Gouvernement, hoe
noode ook, besloot om door het uitzenden van een expeditie aan deze
vertoogen kracht en klem bij te zetten.
Een legermacht van 2 à 3000 man, uitstekend uitgerust, landde zonder
tegenstand bij de westelijke havenplaats Ampenan, en rukte onder bevel
van de generaals Vetter en Van Ham op naar de hoofdstad Mataram en de
residentieplaats Tjakra Negara.
Twee partijen dongen aan het hof van den ouden Radja om den voorrang:
de streng-Balineesche en de Sasaksch-gezinde partij. Had nu tot heden
de eerste den meesten invloed op den bejaarden Vorst bezeten, thans, nu
het leger van de „Compagnie” voor de poorten stond, werd hij bevreesd
voor een nederlaag en begon hij dus nu het oor te leenen aan invloeden
van de andere zijde, die tot een mildere behandeling van de Sasaks en
tot vrede met het Gouvernement maanden. Generaal Vetter stelde naast de
vorige eischen thans echter een nieuwe voorwaarde: de kosten van de
expeditie, ten bedrage van enkele millioenen guldens, moesten door den
Radja worden betaald. Zoo geschiedde. Het vredesverdrag werd geteekend.
Deels om in de binnenlanden aan de bevolking een denkbeeld van de macht
der Nederlandsche Regeering te geven, deels om deze onbekende streken
in kaart te kunnen brengen, deels ook om de gevluchte Sasaks te
bewegen, weer rustig tot hun dessa’s en hun arbeid terug te keeren,
werden een tweetal colonnes onder overste Van Lawick van Pabst en
overste Van Bijlevelt in oostelijke richting uitgezonden tot het maken
van militaire marschen. De hoofdcolonne bleef intusschen achter bij
Mataram en Tjakra Negara, waar zij bivakken* betrok.
Soldaten en officieren verkeerden in de beste luim: beter uitslag van
de expeditie, dan nu verkregen was, had men immers onmogelijk kunnen
verwachten. Zonder slag of stoot had men een eervollen vrede bedongen.
En dat deze vrede waarlijk van de zijde der Baliërs gemeend was, dat
bleek uit al hun daden. Reeds had de Radja de som van bijna een half
millioen guldens aan den generaal afgedragen. De rest zou spoedig
volgen, en dan zou men over enkele dagen weer veilig en wel op Java
zitten. Deze expeditie was, welbezien, niets anders dan een
pleizier-reisje, en men deed zijn best dan ook, zooveel pleizier te
maken als men kon. Voor de ontberingen, die het expeditie-leven
eenerzijds noodzakelijkerwijze meebrengt, trachtte men zich aan een
andere zijde weer schadeloos te stellen. Menig glas werd er geledigd op
de behouden terugkomst, want dat deze spoedig aanstaande was, daarvan
hield ieder zich overtuigd. Zelfs op de veiligheidsmaatregelen, die een
leger in een vijandelijk land altijd neemt, werd minder nauwkeurig
toegezien. Men wist niet, op welk een vulkaan men leefde; men wist
niet, wat daar ginds aan het hof in het verborgen gistte en kookte: hoe
de Baliër, woedend over de stoutheid dier „blanda’s”, die het gewaagd
hadden hun bivaks op te slaan op de graven zijner vaderen,—woedend ook
over het geld, dat de schepen daar ginds naar Batavia zouden voeren, in
’t verborgen zijn klewang wette en zijn repeteergeweer laadde. Men was
vroolijk en vierde zoo goed zoo kwaad het kon op zijn manier feest.
Slechts één man te Tjakra Negara deelde in deze blijde stemming niet.
Het was de Europeesche korporaal Rudolf van Dintelburg.
Veel was er, sinds de laatste maal dat wij hem zagen, aan Rudolf
veranderd. Zijn gestalte was steviger, de uitdrukking van zijn gezicht
mannelijker geworden; de wufte, laatdunkende trekken om den mond waren
vergroeid en gaven thans ernst en beslistheid te kennen; de
lichtzinnige glans der oogen van vroeger had nu plaats gemaakt voor een
zachter gloed van rijper nadenken en meerder levenswijsheid.
Met bedaarde schreden wandelde hij buiten langs den rand van het kamp.
Het was half elf in den avond. Hij bleef staan aan den voet van een
pisang-boom en keek naar omhoog. Daarboven glansden millioenen sterren,
in al de rijke pracht van het Oosten. Hij tuurde ze na in hun
flikkerend lichtspel. Zijn blik gleed naar den noordelijken hemel. Die
sterren dáár zouden ook gezien worden in het vaderland. Thans was het
daar nog licht. Rudolf berekende, dat in Nederland op dat oogenblik de
klok ongeveer half vier zou wijzen: etenstijd! [18]
In zijn gedachten verkeerde hij weer op villa Dintelburg en was hij in
de gezellige eetkamer. Hij zag zijn moeder zitten achter den rijk
voorzienen disch. Daarnaast Henriëtte en daartegenover Leo, en naast
dezen was zijn eigen plaats, die nu al zoovele jaren ledig stond; op
het andere einde zijn vader.
Hoe goed, hoe gezellig was het daar! Geen zorgen, geen gevaren, geen
ontberingen had hij daar ooit gekend. De geringste kantoorbediende
zijns vaders zou dezen nacht veiliger en geruster tegengaan dan hij; de
geringste arbeider aan de fabrieken had het beter dan hij. Nog eenmaal
blikte hij op naar de sterren. Hij gaf hun zijn groet mee, wanneer zij
over enkele uren zich zouden spiegelen in de Leye en de vijvers van den
Dintelburg, en onhoorbaar murmelde hij met tranen in zijn stem: „Dag
mama, slaap zacht!”
Maar hoor, wat was dat?
Binnen de muren van Tjakra klonk opeens door de nachtelijke stilte het
holle geluid van de gong*. En zie, slopen daar om het bivak geen
gestalten van menschen door het donker, en schemerde daar niet de
flikkering van een klewang?
IJlings sloop hij terug naar het officiers-kwartier.
„Generaal,” fluisterde hij generaal Van Ham toe, „daar sluipen menschen
om het bivak! Er is verraad!”
Onmiddellijk had de generaal zijn revolver gegrepen, zijn manschappen
gealarmeerd en zijn ros bestegen.
Op hetzelfde oogenblik echter schemerde reeds door het donker het
korte, vuurroode licht en weerklonk de scherpe knal van honderden
geweerschoten.
Er ontstond een vreeselijke paniek. Ieder greep naar de wapens, ten
einde zich te verdedigen; maar niemand wist tegen wien of naar welke
zijde zich te wenden. Vele soldaten hadden hun uniform-jas nog niet
eens aan; anderen waren blootshoofds of misten hun uitrusting; generaal
Vetter had zich in zijn nacht-kabaja te paard geworpen, en reed nu als
een witte schim tusschen al die zwarte gestalten door.
Slechts met groote moeite wisten de beide generaals aan de wanhopige
verwarring een einde te maken en maatregelen te nemen ter verdediging.
De krijgstucht werd weer hersteld, en er begonnen zich linies te vormen
om den vijand te keer te gaan. Helaas! het was niet mogelijk, zich de
van alle kanten opdringende Baliërs van het lijf te houden. Van
weerskanten knetterde het geweervuur. Het eene uur na het andere
verliep, en steeds groeide het leger der Balineezen aan met duizenden
na duizenden. De bivakplaatsen waren reeds lang verlaten en met alles
wat er in was den vijand in handen gevallen. Kanonnen, munitie, water,
levensmiddelen,—van alles was men ontbloot. Er zat niets anders op, dan
terug te trekken op Mataram.
Nauwelijks was echter het bevel daartoe gegeven, of generaal Van Ham,
die zich bij de achterhoede bevond, werd door een geweerschot getroffen
en tuimelde van zijn paard. De troepen, alleen bedacht op zelfbehoud,
snelden hem voorbij. Rudolf, die hem had zien vallen, besloot echter,
zoo mogelijk hem nog te redden.
„Mannen,” sprak hij, „moeten wij onzen generaal in handen van den
vijand laten? Wie heeft moed om mee terug te gaan en hem naar hier te
dragen?”
Niemand had echter veel lust aan dezen voorslag gehoor te geven, want
de vijand drong steeds stouter op en was reeds bijna tot de plaats
genaderd, waar de generaal lag.
„Niemand?” riep Rudolf uit—„dan zal ik alléén gaan!” En hij voegde de
daad bij het woord.
Thans waren er echter enkelen, die hun krijgsmakker dit dolle waagstuk
niet alléén wilden laten ondernemen. Een zestal militairen voegden zich
bij hem, en met het geweer in de vuist, bij elken stap een schot
lossend, drongen zij naar voren tot de plaats, waar de generaal lag.
Hij leefde nog en kreunde zwaar. Voorzichtig nam men hem op. Hij was
zeer zwaar en de dragers zwoegden onder hun last.
„Jongens,” zeide hij, „laat me maar liggen; ’t is toch met me gedaan.
Redt je eigen leven.”
„Nee, generaal, dat nooit!” gaf Rudolf ten antwoord, „als we dan moeten
sterven, dan sterven we met u.”
Maar nauwelijks had hij uitgesproken, of een van de kogels, die hun aan
alle zijden om de ooren vlogen, trof den generaal opnieuw, en terstond
daarna nog een.
Ook Rudolf bloedde. Hij was reeds geraakt aan den nek, in zijn bovenarm
en in zijn dij, maar wonderbaar genoeg, waren het alle slechts
schampschoten. Hij zag naar den generaal. Een vaal-blauwe tint had
diens gelaat overtogen. Rudolf wist, dat hij nog slechts een lijk
droeg, maar ook het lijk van den beminden aanvoerder wilde hij niet aan
den vijand prijs geven.—En altijd maar door suisden de kogels den
dragers om het hoofd. Om beurten droegen zij den zwaren last, en om
beurten schoten zij. Zoo werd eindelijk de colonne ingehaald.
Te Mataram was de toestand zoo mogelijk nog slechter. Generaal Vetter
besloot nu, zuidwaarts om naar Ampenan terug te gaan en zich onder
bescherming van het marine-geschut te stellen. Met verlies van over de
twee honderd man, vier stukken geschut en den geheelen bagage-trein
vond men dáár eindelijk een veilige rustplaats.
„Korporaal Van Dintelburg, je moet bij den generaal komen!” boodschapte
een onderofficier aan Rudolf.
„Korporaal,” sprak generaal Vetter, toen hij bij hem kwam, Rudolf de
hand toestekend, „ik dank je, ook namens het leger, voor den moed,
waarmee je je leven hebt gewaagd, om als het kon dat van onzen braven
generaal Van Ham nog te redden. Ik zal van je dapper gedrag bij de
Koningin melding maken.”
Binnen enkele dagen was de wonde, die op dien 25en Augustus den
Nederlandschen Leeuw geslagen was, weer genezen, en maakte hij zich
gereed den hem aangedanen smaad te wreken. Reeds was de vijand op tal
van punten weer met zwaar verlies teruggeslagen. De Nederlandsche
oorlogsschepen, die ter reede van Ampenan voor anker lagen, wierpen hun
verwoestende projectielen binnen de veste van Mataram. In het Noorden
en het Oosten drongen de Sasaks hun onderdrukkers in een steeds nauwer
wordenden hoek samen, die welhaast door de Nederlandsche troepen van de
zuid- en de westkust tot een vierhoek werd afgesloten, waaruit geen
ontkomen mogelijk was.
Rudolf van Dintelburg bevond zich bij de zuidelijke colonne, die ten
doel had, langs den weg van Tandjoeng-Karang langs een aantal Sasaksche
kampongs in noord-oostelijke richting op te rukken naar Mataram. Het
was een moeilijke marsch, daar de weg door tal van slokans (diepe
slooten) doorsneden was, die in dit jaargetijde wel is waar weinig
water bevatten, maar die toch den tocht geweldig bemoeilijkten.
„Wel, Van Dintelburg,” zei een collega van Rudolf onder het marcheeren,
„je kijkt zoo zuinig,—wat scheelt er aan? Geloof me, de affaire is nu
zoo goed als afgeloopen; wij hebben den vijand onder de knie en als er
één is, die van geluk mag spreken bij deze expeditie, dan mag jij het!
Je zult bij terugkomst zeer stellig bevorderd worden tot sergeant, en,
daar je vrij wat meer in je bol hebt dan wij met z’n allen, zullen ze
je zeker dáárna wel officier maken óók. En wat in mijn oog heel wat
meer waard is: je krijgt het ridderkruis van de Militaire Willemsorde.
Als er dus één in zijn nopjes mag wezen, dan mag jij het zijn!”
„Ik weet niet, jongen, of mij zulk een schoone toekomst wel te wachten
staat,” gaf Rudolf zuchtend ten antwoord. „Ik vrees, dat deze dag een
ongeluksdag voor mij zal zijn. Maar in elk geval: hoe schoon de
toekomst ook wezen mag, het verleden blijft niettemin donker en dat is
niet ongedaan te maken.”
„Kom, kom!” gaf de korporaal op luchthartigen toon ten antwoord, „heb
je dan zooveel op je kerfstok, dat je hier in ’t gezicht van den vijand
daar nog om treuren moet?”
„Zooveel? dat weet ik niet,” gaf Rudolf ten antwoord, „maar in elk
geval genoeg om.....” Maar hij kon den zin niet voltooien, want op
hetzelfde oogenblik tuimelde zijn kameraad, die onder het loopen te
veel op hèm en te weinig op het pad voor zijn voeten had gelet, in een
slokan.
Het bleek dus, dat het niet mogelijk was, een geregeld gesprek te
voeren. Rudolf was daar trouwens niet rouwig om, en in plaats van voor
zijn makker zijn vroeger leven bloot te leggen, ging hij het na in zijn
eigen gedachten.
Hoeveel had hij werkelijk op zijn „kerfstok”? Zeer veel. Allereerst
tegen zijn ouders en dan ook tegen zijn neef Leo. Ja, waarom had hij
zijn neef altijd zoo gehaat? Leo had hem toch nooit anders dan goed
gedaan. Hij had steeds zijn vriendschap gezocht, en hoe vaak ook
afgestooten, had hij hem telkens opnieuw weer de hand gereikt. Hij
herinnerde zich, dat hij Leo eens de vriendenhand had geweigerd met de
woorden: „ik wil niet, omdat je beter ben dan ik.” Was het dàt? Was
het, omdat Leo een ander leven leidde en een ander pad volgde dan
hij?—Mogelijk wel!—Maar toch, hij had zijn bruinen neef reeds gehaat
van hun eerste ontmoeting af. Er moest dus iets hatelijks in zijn hart
zijn, reeds van zijn geboorte af. Was hij, Rudolf, een hatelijk en
hatend mensch reeds van nature? Het moest wel zoo zijn!
En toen hij dit bij zichzelven had toegegeven, kreeg hij een afschuw
van zichzelven, zooals men een afschuw van zichzelven zou krijgen,
indien men bevond, dat men geboren was als een onrein dier, als een
giftige slang of een onreine padde!
„O,” mompelde hij bij zichzelven, „ik ben een ellendeling! Ik heb een
mensch gehaat, die mij nimmer kwaad, maar altijd goed deed, en—ik haat
hem nog! Ik verdien, dat ik vandaag word doodgeschoten.”
En alsof de vijand van zins was, om dit vonnis, dat Rudolf over
zichzelven streek, nu ook maar onmiddellijk ten uitvoer te leggen, zoo
weerklonk op hetzelfde oogenblik een geweerschot, evenwel zonder hem of
iemand van den troep te raken.
Op staanden voet werd de tirailleur-linie geformeerd. De soldaten
wierpen zich plat-uit op de sawah en rukten al kruipend vooruit. Men
was nu genaderd tot Pasingaban, op het kruispunt der wegen naar Mataram
en Kediri. Dit punt beheerschte den zuidelijken toegang tot de
hoofdstad, en men had zich dus voor te bereiden op een harden kamp om
het te bezetten.
Het terrein was den verdediger hier uitermate gunstig. De rand van den
kampong werd gevormd door een steenen muur, waarvoor bamboedoerie was
geplant, die het doordringen bijna onmogelijk maakte. Een van de
steunpunten in deze stelling was een Hindoesche Roemah-tempel, die, als
alle dergelijke gebouwen, uitnemend geschikt was voor een hardnekkige
verdediging. Een Roemah-tempel heeft namelijk niets, dat gelijkt op een
van onze kerkgebouwen. Hij bestaat hoofdzakelijk slechts uit een lagen,
steenen muur, die in ’t vierkant is gebouwd en van binnen een open
plein insluit. Aan de binnenzijde zijn tegen een der wanden uiterst
kleine huisjes of nissen gebouwd, die de Hindoe zich bewoond denkt door
gestorven geesten en te wier behoeve hij daar zijn offers neerzet:
gebak, vruchten en vooral veel bloemen. De overige ruimte is beplant
met hooge waringins en voorzien van overdekte britsen; hier houden de
Hindoe’s hun godsdienstige samenkomsten. Het front van het gebouw is
versierd met een hooge, spits-oploopende poort, waarin een deur, die
men langs een acht of tien treden hoogen steenen trap door gaat.
Tegen dit gebouw nu werd de hoofdaanval gericht. Nadat het gevecht door
het vuur der artillerie was ingeleid, werd reeds vrij spoedig
overgegaan tot de bestorming. Rudolf van Dintelburg was een van de
voorsten. Onder een hagelbui van kogels snelde hij aan het hoofd van
zijn kleine groep soldaten voorwaarts. De muur was echter moeilijk te
beklimmen.
„Heidaar, Den Dikke, sta me te bok!” riep Rudolf een zijner soldaten
toe.
Met onverschrokken koelbloedigheid plaatste de aangesprokene zich
ruggelings tegen den muur; doch nauwelijks stond hij daar, of een
vreeselijke klewanghouw kliefde zijn helmhoed, schampte af op zijn
schedel, en bracht hem een gapende wonde aan den schouder toe.
Hij viel.
Rudolf echter wilde tot elken prijs omhoog. Tegen den muur van het
frontgebouw stond een palmboom. Tegen dezen boom klauterde hij op, en
weldra stond hij boven op den muur, met den rug tegen den boom en
schoot rechts en links de open ruimte in, die de vijand nu, met
uitzondering van een paar hadzji’s, hals over kop verliet.
Terwijl hij daar zoo stond, vloog hem in een ondeelbaar oogenblik een
gedachte door den geest, alsof hij vroeger al eens meer daar op
dienzelfden muur gestaan had, met den rug tegen dienzelfden boom; het
kwam hem voor, alsof hij toen gewond voorover in de vijandelijke
versterking was gevallen, en hij meende, dat ook ditmaal weer iets
dergelijks plaats moest hebben.
En het hàd plaats!
Want terstond daarna kreeg hij een gevoel alsof zijn bovenlijf ineens
van lood was geworden en, topzwaar, viel hij voorover.
„Voorwaarts, mannen! De eerste man is in de versterking! Het
ridderkruis voor den soldaat, die er de tweede is,” riep de commandant.
De tweede echter wàs geen soldaat. Het was een burger, gekleed in een
zwart jasje en een witten stroohoed. Een in ’t wit gekleede Balineesche
voorvechter* stond gereed met zijn klewang Rudolf den schedel te
splijten; maar op ’t zelfde oogenblik greep de vreemdeling hem van
achter bij de keel en wrong hem met de andere het zwaard uit de vuist.
Vervolgens greep hij den nu weerloozen man bij borst en beenen en wierp
hem, alsof hij zoo licht als een veer ware geweest, over den muur.
De soldaten die daarna den muur beklommen, vonden den Roemah-tempel
verlaten.
De vreemde man, na zoo goed het ging Rudolfs beenwonde verbonden te
hebben, knielde bij hem neer, nam zijn hoofd in de armen en bette het
met water uit zijn veldflesch, totdat zijn patiënt weer bijkwam en de
oogen opsloeg.
„Leo!” stamelde Rudolf, „Leo, jij hier?—Ik had wel gedacht, dat jij het
weer zou zijn, die mij moest komen redden, net als toen....”
Onmiddellijk daarop verloor hij echter weer zijn bewustzijn;
bloedverlies bracht hem aan ’t ijlen. Hij meende weer als knaap het
sneeuwballengevecht bij te wonen aan het Wed en riep: „Leo, Bamboe, ’t
is mijn eigen schuld! Ik heb steenen in mijn sneeuwballen gedaan! O,
dat is gemeen!—Hier Leo, geef me jou tasch met sneeuwballen!—Gooi mij
met een van deze harde!”
Een oogenblik zweeg hij en vervolgde toen, alsof hij in zijn geest weer
in een gansch anderen tijd uit zijn jongensleven verkeerde:
„Daar heb je het wak! Leo, Leo, pas op! Je zakt er door!.... Kijk maar,
we gaan recht op de Leye af! Ho, ho, Meta! Zwijg toch Henriëtte, zie je
niet dat we verdrinken?”
„Verdrinken wij niet?—Neen? dan worden wij vergiftigd! Arm Jokje!—Jokje
is dood! Bamboe is ook dood!—en meneer Korvers zit in de
gevangenis!—Hier, pa, ik heb het gedaan, ik heb het
gedaan!—alles,—alles.”
Zoo ijlde hij geruimen tijd voort, tot eindelijk de officier van
gezondheid kwam.
„U hebt dat voorloopig verband uitstekend gelegd, meneer Van
Dintelburg,” zei de officier.
„’t Is een ernstige wonde, meneer,” gaf Leo met bezorgden blik ten
antwoord, en vragend tot den dokter opziende, zeide hij: „Wat dunkt ù
er van?”
„Arme jongen!” zei de dokter, naar het gewonde been voelend, „amputatie
is noodzakelijk. Draag hem naar de ambulance.”