WAARIN BAMBOE DE ONDERVINDING OPDOET, DAT DE RIVIEREN IN HOLLAND ’S
WINTERS HEET WATER BEVATTEN, EN KEES, DE AAP, DAT EEN BEDSTEEPLANK EEN
HARD VOORWERP IS, OM ER ZIJN WOEDE TEGEN TE LUCHTEN.
De winter bracht niet alleen sneeuw, maar in zijn verder verloop ook
ijs. De Blinde-Wei, die in het koude jaargetijde geregeld onder water
stond, was met een dikke, spiegelgladde ijskorst bedekt. Binnen den
kring der slooten, die het stuk land omgaven, had de IJsclub een
prachtige, cirkelvormige baan aangelegd, waarop zich een menigte
schaatsenrijders in vroolijk gewemel en sierlijk gebogen banen dooréén
bewoog. De aangrenzende slooten en de Leye waren nog niet vertrouwbaar,
’t geen niet verhinderde, dat af en toe eenige waaghalzen meenden, ook
dáár enkele staaltjes van hun al te driesten moed ten beste te moeten
geven.
Ook Leo was op het ijs. In het eerst had hij wel heel veel moeite
gehad, om op die smalle ijzertjes vooruit te komen, maar ook hier bleek
al spoedig, dat er niets is wat een flinke jongen met een paar open
oogen, een helder verstand en stevige spieren niet leeren kan. Weldra
was hij zoover, dat hij behoorlijk „zijn schaatsje” kon „slaan”.
Natuurlijk ontmoette hij daar ook Rudolf, en het deed hem genoegen op
te merken, dat deze thans allervriendelijkst voor hem was.
Het spreekt vanzelf, dat de jongens er geen plezier in hadden, altijd
baantje te blijven rijden. Ze gingen liever wat meer buitenaf, om daar
vrij en blij op schaatsen krijgertje te kunnen spelen. Wáár er in de
wereld ook standsonderscheid mag heerschen, het vlakke ijs maakt alle
menschen gelijk; en zoo daar nog meerderheid en minderheid onder de
menschen bestaat, daar worden deze niet bepaald door de grootheid van
iemands kapitaal, maar door de vlugheid van zijn voet. De jongens van
het Wed en de jongeheertjes van het Instituut krioelden hier dan ook
vroolijk dooreen, en hadden alle mogelijke jongensveeten begraven.
Ook Bamboe kwam op een zonnigen Woensdagmiddag, gehuld in het dikste
duffel, dat in Nederland te koop is, naar dit schouwspel kijken, half
uit nieuwsgierigheid, half uit bezorgdheid voor Leo, want hij kon maar
niet begrijpen, dat een mensch over het water kon loopen zonder gevaar
van verdrinken.
Het kostte dan ook veel moeite om hem den voet op het ijs te doen
zetten, en toen hij er eenmaal op was, liep hij zóó voorzichtig en
voetje voor voetje, dat alle toeschouwers er schik in hadden. Spoedig
echter gewende hij zich op dit vreemde element. Met ongeveinsde
bewondering zag hij de vlugge schaatsenrijders na.
„Wie had ooit gedacht,” sprak hij tot Leo, „dat de mensch op het water
kon loopen en met ijzeren vleugels vliegen?”
Op de gladde ijsvlakte kon ook, al was men op schaatsen, een soort
voetbalspel worden beoefend. Rudolf van Dintelburg had een bal
meegebracht, die een eindweegs over het ijs werd gerold, waarna een
drie- of viertal jongens er jacht op maakten. Wie hem opving, wierp hem
dan weer anderen toe, en zoo hielden de knapen dit vroolijke en gezonde
spel een geruimen tijd vol.
„Jongens,” waarschuwde echter een baanveger, „je moogt wel voorzichtig
zijn; de Leye is niet vertrouwbaar, en vooral daar vlak voor de drie
wilgen, waar de goot van de weverij van mijnheer Van Dintelburg
uitwatert, is een groot wak. Weest dus voorzichtig!”
De jongens beloofden het, behalve Leo, die met nog een makker juist den
bal achterna zat.
In Rudolfs hart kwam plots een boos voornemen op. Na eenigen tijd wist
hij zelf weer eens den bal machtig te worden en het zoo te leiden, dat
Leo juist tegenover hem kwam te staan naar den kant van de rivier.
Toen wierp hij den bal met kracht de zijde van het wak uit.
„Daar, vang hem, als je kunt!” riep hij, en Leo snelde zoo vlug als hij
kon den rollenden bal na.
„Ziezoo, Sinjo, dat zal je eens een nat pak kosten!” mompelde hij bij
zichzelven.
Intusschen was Leo het wak al meer en meer genaderd.
„Leo, ga terug, pas op! Daar is een wak!” riep Frits Wildering.
Leo hoorde het echter niet.
Nu begonnen ook de andere jongens te roepen, en Dolf, die spijt begon
te gevoelen over zijn valsche daad, schreeuwde nu óók met alle macht
mee: „Ga terug, een wak, een wak!”
Helaas! het was reeds te laat.
De jongens zagen, hoe Leo eerst een weinig zijn vaart inhield, maar op
hetzelfde oogenblik hoorden zij reeds een dof gekraak een plons, een
kreet.... en Leo was voor hun oogen in de diepte verdwenen.
„Help, help!” klonk het nu van alle kanten.
Een ieder drong nu naar voren, zoo kort mogelijk bij de plaats, waar
het onheil geschied was.
„Help, help!” klonk het alweer; maar elk wist, hoe gevaarlijk de Leye
was, vooral in dit jaargetijde, nu er zeker een meter of drie water
stond, en er onder het ijs een sterke stroom ging. Niemand durfde zich
dus wagen.
„Leo! Leo!” riep opeens een angstige stem,—die van Bamboe,—”mana?
mana?” [12]
„Dáár, dáár!” wezen de menschen.
„Probeer het maar niet, arme man,” zei een jeugdig heer, „de jongen is
reeds door den stroom meegevoerd onder het ijs!”
„Neen, neen,” riepen verscheidene stemmen, „ik zie nog iets van zijn
hoofd, kijk maar! En daar achter die schots zie je nog z’n handen. Hij
houdt zich aan den rand van het ijs vast, maar het brokkelt telkens af,
zie maar!”
Bamboe had echter zijn duffel reeds uitgetrokken, en zich plat-uit op
het ijs geworpen. De jas naast zich voortsleepend, schoof hij plat op
den buik als een slang over het ijs.
Kort bij Leo gekomen, wierp hij dezen de jas toe, en een kreet van
vreugde ging er onder de toeschouwers op, toen zij zagen, dat deze van
de andere zijde gegrepen en strak gespannen werd.
Deze vreugde was echter van korten duur. Want om Leo op te trekken,
moest Bamboe zich op de knieën oprichten; maar nauwelijks had hij dit
gedaan, of een nieuw gekraak deed zich hooren, en ook Bamboe verdween
in de diepte.
Thans ging er onder de menigte een luide kreet van smart op.
„Dat is twee dooden voor één!” zei men.
Ook Rudolf schreide, want al was er in zijn hart een onbestemd
voornemen geweest, om den bruinen knaap kwaad te doen, dat dit kwaad
zulke groote afmetingen zou aannemen, dat had hij toch niet verwacht of
bedoeld.
„Ja, huil maar niet, leelijke witbol!” voer Dirk Drijver uit. „Ik heb
wel gehoord, wat je gemompeld hebt over dat natte pak! ’t Is jou
schuld!”
En metéén hief hij zijn vuist op en gaf hij den zoon van zijn vaders
meester een fermen stomp in het gelaat.
Maar thans ontwaakte in Rudolfs hart, dat een oogenblik onder de
gevolgen van zijn wandaad verteederd was, weer de boosaardige en
laatdunkende trots, waardoor dit kind der weelde zoo menigmaal
beheerscht en verdorven werd.
„Dat is te veel!” riep hij uit, met de hand de plaats waar de pijnlijke
stomp was aangekomen, bedekkende; „laatst heb ik je bedreigd, maar nu
zal ik doen, wat ik je toen beloofd heb, plebber!”
Dirk hoorde hem echter niet meer.
Hij had zijn schaatsen afgedaan en schoof nu op dezelfde wijze naar de
rivier, als hij Bamboe had zien doen.
„Wat gaat die jongen beginnen! Moeten er nu drie verdrinken?” werd er
gevraagd.
Dirk stoorde zich evenwel nergens aan. In plaats van recht op het wak
af te gaan, maakte hij een omweg, waar het ijs wat sterker was, en
bereikte den overkant van den stroom. De dijk, die aan dien kant langs
de rivier liep, was hier over een aanzienlijke lengte door middel eener
loodrechte beschoeiing tot een kade opgebouwd, terwille van de schepen,
die bij de fabriek moesten laden en lossen.
Bamboe, die een uitstekend zwemmer bleek te wezen, hield Leo in den arm
geklemd en had zich door het ijs een weg gebaand naar de kade; maar
eenmaal daar aangekomen, kon hij zich onmogelijk tegen het hard
bevroren houtwerk omhoog werken.
Aan Dirk, die een bodem van ijs onder de voeten had, gelukte dit beter.
In een oogwenk was hij bij een der palen opgeklauterd en spoedde zich
nu zoo snel als zijn beenen hem dragen konden naar de fabriek, om zijn
vader, die daar werkte, te waarschuwen.
Een oogenblik later kwam deze met een ladder te voorschijn en zette die
langs de kade in de rivier.
Onder een luid „hoerah!” werd deze door Bamboe aangegrepen en
beklommen.
Druipend en bibberend, maar met den geliefden knaap in de armen, zette
hij voet aan wal.
Dolf was intusschen naar huis gegaan om zijn klachten, behoorlijk
opgesierd, voor zijn papa uit te storten. Die jongen van Drijver,
vertelde hij, zat hem altijd dwars. Eerst had hij hem beschuldigd van
appelen te hebben gestolen; later had hij hem zóó met een harden
sneeuwbal gegooid, dat hij er een gat van in zijn hoofd had gekregen.
En nu vandaag was er een jongen te water geraakt en.... en.... daar had
die Dirk hem weer de schuld van gegeven en hem met de vuist in het
gezicht geslagen, en „o, o, het deed zoo’n pijn, papa!”
Nu, wat dit laatste betrof, was het mogelijk, dat hij geen onwaarheid
sprak, want Dirk had een paar stevige knuisten aan het lijf, en uit
alles bleek, dat de slag raak was geweest.
„En jij, wat heb jij gedaan?” vroeg de heer Van Dintelburg.
„Ikke, papa?” vroeg Dolf verwonderd, „ikke?—Wel, niets, papa!”
„Nu, ’t is goed, je kunt gaan!” sprak deze.
De heer Van Dintelburg was een trotsch man, zijn kind had deze
eigenschap dus niet van een vreemde geërfd. Zoon van den ouden
Nederlandschen adel, had hij, om zijn familie-fortuin „er boven op” te
helpen, het niet beneden zich geacht, zijn krachten te wijden aan
handel en industrie, maar de aristocraat was nooit tenonder gegaan in
den koopman en fabrikant. Hij was streng, streng voor zichzelven en
onverbiddelijk streng jegens zijn ondergeschikten. Maar hij stelde er
zijn roem in, tevens rechtvaardig te zijn. De heer Van Dintelburg was
een man van de wereld, die voor de wereld leefde. Geen hooger
levensdoel kennende dan deze aarde, had hij zijn leven besteed om aan
de schittering van zijn beroemden naam ook den glans van een groot
vermogen te paren. Daar de zucht tot geld verdienen bij hem dus op den
voorgrond stond, zou hij zijn arbeiders geen cent meer laten verdienen
dan bepaald noodig was, hoewel zijn trots hem ook verhinderde, hun
minder te geven dan wat volgens zijn begrippen een ordentelijk loon
mocht worden genoemd. Maar daarvoor eischte hij dan ook van zijn
werklieden den meest nauwgezetten ijver en de inspanning van alle
krachten. Het geringste verzuim werd aan zijn fabrieken gestraft met
onherroepelijk ontslag. Eén verkeerde draad in een weefsel, één korstje
verdikte olie aan de stangen van een machine, waren voldoende om iemand
met wegzending te bedreigen. Was toewijding dus het eerste, wat de heer
Van Dintelburg van zijn werkvolk eischte, eerbied en gehoorzaamheid
waren het tweede. Hij duldde in zijn werkplaatsen zelfs geen schijn van
oproerigheid, weerspannigheid of van gebrek aan eerbied jegens zijn
persoon of familie. Hij was verreweg de voornaamste fabrikant uit de
geheele stad en de eenige, die een adellijken naam voerde. De menschen,
die bij hem in dienst waren, werden door hèm, Van Dintelburg,
onderhouden; ze moesten uit zijn hand leven; het was dus niet meer dan
billijk, meende hij, dat ze dan ook hem als hun heer en meester
huldigden en eerden. Een arbeider, die eens of tweemaal [hetzij ’t
opzet ware of onoplettendheid] in gebreke bleef zijn pet af te nemen,
als de familie Van Dintelburg voorbijreed, kon er zeker van zijn, den
eerstvolgenden Zaterdag achter zijn naam op de loonlijst een o-tje te
vinden, en zich dus gemerkt te zien als een oproerling.
De heer Van Dintelburg was derhalve verontwaardigd over den smaad, dien
een zoon van een van zijn werklieden, zijn kind, een jongen Van
Dintelburg, had durven aandoen. En al hield hij zich overtuigd, dat
Rudolf ook wel het zijne zal hebben gedaan om tot den smaad aanleiding
te geven, het was toch ongehoord, dat die arbeidersknaap zóó iets tegen
den zoon van zijn vaders meester had durven bestaan. Al had Rudolf dien
knaap ik-weet-niet-wat gedaan, de zoon van den heer Van Dintelburg
moest iederen anderen jongen te heilig blijven om er de hand naar te
durven uitsteken.
Natuurlijk verbood de rechtvaardigheidszin des heeren Van Dintelburg
hem, om den vader van Dirk aansprakelijk te stellen voor wat de zoon
had misdreven; maar aan den anderen kant was het ook zeker, dat de
vader toch niet geheel vrij uitging. Een kind, zoo redeneerde hij, was
wat zijn opvoeding hem maakte. Als een kind dus oneerbiedig was jegens
zijn meerderen, dan kwam dat, doordat hij niet anders was opgevoed. Een
dergelijke oneerbiedige, brutale knaap moest stellig een oneerbiedigen
en brutalen vader hebben.
Tegen den tijd, dat de werklieden huiswaarts keerden, had de heer Van
Dintelburg de gewoonte, hier en daar eens rond te gaan om te hooren bij
de opzichters, of er ook klachten over het werkvolk waren. Zoo deed hij
ook nu.
De opzichter over de weefgetouwen uit de fabriek aan de Leye hàd
klachten, zooals trouwens veelal het geval was, want hij was een echte
oogendienaar: kruiperig voor zijn meerderen en hondsch voor zijn
minderen. Een van de arbeiders had zonder zijn, des opzichters,
vergunning het toezicht over zijn getouwen aan zijn makkers
overgelaten.
„Hoe heet die man?” vroeg de heer Van Dintelburg.
„Drijver!” was het antwoord.—„Hij liep weg om....” meende de opzichter
er nog aan te moeten toevoegen, maar de heer Van Dintelburg liet hem
niet uitspreken.
„Ja, waaròm hij wegliep,” zei hij, „kan me niet schelen; hij is in mijn
dienst en hij heeft niet weg te loopen. Ga dien man aanzeggen, dat hij
op morgenochtend ontslagen is. Betaal hem evenwel zijn loon uit voor de
geheele week!”
Des avonds kwam Dirk Drijver eens naar Leo zien.
Toen hij aanbelde, werd hem evenwel niet, zooals gewoonlijk, opengedaan
door Leo of Bamboe, maar door de bejaarde dagmeid, die Bamboe hield om
de straat te schrobben en boodschappen te doen, want hij bezat zooveel
bedrevenheid in allerlei huiswerk, dat hij voor kamer of keuken geen
hulp van anderen noodig had. Wat het bereiden der spijzen aangaat, daar
had hij in het eerst wel wat mee getobd. Gewend als hij was aan een
Indische keuken, had hij heel wat moeite gehad om den Europeeschen kost
naar behooren te bereiden. Het was hem bijvoorbeeld al eens overkomen,
dat hij mosterd in de karnemelk had gedaan, en kaneel met azijn in de
spruitkool. Op zekeren middag had hij zelfs een hoeveelheid pieterselie
gekocht, groot genoeg om in den soepketel van een heel regiment
soldaten te worden gedaan, en had die, gekookt en gestoofd, bij wijze
van middageten op tafel gezet. Langzamerhand echter had hij zich in de
geheimen onzer kookkunst ingewijd.
In het begin had de oude dienstbode zich tegen dit alles verzet.
„M’nheer hoefde dat toch ommers niet te doen,” had zij gezegd; „zij was
dienstbooi bij m’nheer en den jongenheer, en zij werd er toch voor
betaald.” Maar Bamboe wilde het nu eenmaal zoo en niet anders.
Naatje was een oude sloof. Zij woonde bij haar broer in, die nog ouder
dan zij, en bovendien gebrekkig was. Haar broer genoot een kleine
toelage van de Diakonie, te weinig echter om van te leven en te veel om
van te sterven. Naatje moest er dus wat bij verdienen, al was het ook,
dat haar hulpbehoevende broer haar slecht kon missen, en al was zij
zelf zoo krom, door zestig jaren arbeids, dat zij eigenlijk niets meer
verdienen kòn.
Welnu, als dat dan bepaald moest, dan kon zij bij Bamboe terecht.
Bamboe had geïnformeerd wat een dienstbode bij deftige menschen voor
loon kreeg, en voor zùlk een loon of nog wat meer had hij Naatje
gehuurd voor „meid”. Maar als zij ’s morgens de bedden opgemaakt, wat
potten en pannen geschuurd en een paar boodschappen gedaan had, dan kon
Naatje alweer naar huis gaan. ’s Middags moest zij dan nog even
terugkomen, ’t geen niet zoo heel moeielijk voor haar was, want zij
woonde niet heel ver af: in een steegje van de Weversstraat. Gewoonlijk
had zij dan niet veel meer te doen dan een mand met eten in ontvangst
te nemen, want toen zij eens op een desbetreffende vraag geantwoord
had, dat zij liever thuis at, had Bamboe als vaste gewoonte aangenomen,
haar eten in borden en schoteltjes in de mand te doen. Daar hij van de
onderstelling uitging, dat een Europeesche dienstbode twee magen heeft,
zorgde hij altijd voor eten voor vier personen. En daar hij,
niettegenstaande hij „maar een Javaan” was, een zeer eerlijk karakter
bezat, zoo verdeelde hij dit eten altijd in twee precies gelijke
porties: één voor hem en voor Leo, en één voor Naatje, die twee magen
had,—en als Bamboe niet eer had behoeven te sterven, dan wanneer men er
hem op had kunnen betrappen, dat deze porties ongelijk waren, dan had
hij duizend jaar oud kunnen worden, zóó precies gelijk waren ze altijd!
Doorgaans gaf Bamboe haar dan metéén ook maar de boterhammen mee voor
den avond en voor den volgenden ochtend, en wat dat beetje middagwerk
betrof,—och, dat had Bamboe in Indië zoo vaak beredderd, waarom zou hij
dat hier óók niet doen? Naatje was oud en zwak, haar broer was een
stakkerd, die zich haast niet helpen kon,—en Bamboe was er niet te goed
voor om wat te doen,—Naatje moest dus maar naar huis gaan; als men haar
noodig had, zou Leo wel even waarschuwen,—tenminste als zij met het oog
op den ouden man weg kon, voegde Bamboe er steeds bescheidenlijk aan
toe.
Dezen avond was het echter de eerste maal, dat zij zulk een
waarschuwing had ontvangen, want Bamboe en Leo lagen beiden te bed, en
er moest toch iemand zijn om open te doen. En zoo kwam het, dat, toen
Dirk Drijver aanbelde, hij, zooals reeds gezegd werd, niet werd
binnengelaten door Bamboe of door Leo, maar door Naatje.
Dirk moest maar in Bamboe’s slaapkamer komen, want daar was Leo ook.
Nadat beiden gelukkig uit het water waren gekomen, waren zij voorloopig
binnengebracht in een naburig huis. Leo, die eerst buiten kennis was
geweest, was daar door een ijlings ontboden dokter weer bijgebracht, en
beiden waren kort daarop, in dekens gewikkeld, per rijtuig naar huis
vervoerd.
Bamboe, die altijd gewoon was geweest op een baleh-baleh te slapen,
had, met versmading van de bedstede, die zich in de kamer bevond, zich
ook hier een zoodanige slaapplaats ingericht, en in dit buitengewone
geval kon de bedstede dus worden ingenomen door Leo.
„Ah, Dirk, ben je daar? Wel, dat doet me plezier!” sprak deze, zoodra
hij Dirk zag binnenkomen. „Alloh, Kees!” vervolgde hij tot den aap, die
op den stoel voor de bedstede hem met een heel meewarig gezicht zat aan
te kijken, „ga jij daar eens af en laat Dirk daar eens zitten.”
Kees sprong op den rand van de bedstede en Dirk nam zijn plaats in.
Nadat hij gevraagd had, hoe de beide drenkelingen het maakten, vroeg
hij:
„En weetje nu wel, wiens schuld het is, dat je er door bent gezakt?”
„Natuurlijk mijn eigen schuld, wat anders?” zei Leo. „Ik had moeten
zien, dat het ijs daar zwakker was, maar dat wist ik niet, zie je! Ik
dacht, dat het ijs overal even sterk zou zijn, omdat het toch overal
even sterk gevroren heeft.”
„Ja, dat wist je niet,” zei Dirk, „maar Dolf van Dintelburg wist het,
want een baanveger had ons nog even te voren gewaarschuwd, dat daar een
wak was, en met opzet gooide hij den bal dien kant uit.”
„Hoe weetje, katjoeng [13], dat het met opzet was?” vroeg Bamboe.
„Toen hij den bal Leo’s kant uitwierp, heb ik ’t hem zelf hooren
zeggen, meneer Bamboe: „„Dat zal hem een nat pak kosten!””
Leo’s kleur werd eerst blauw-wit en toen vuurrood.
„Nu, als ’t ons niet meer kost dan een nat pak, dan is ’t niet erg,”
zei Bamboe, „hoewel ik bij ondervinding kan getuigen, dat ik mij aan de
puntigste bamboedoeri* nog nooit zoo geprikt heb, als aan dat water.
Het was verbazend heet!”
„Neen, Bamboe,” glimlachte Leo, „het was koud!”
„Nu, koud dan, jonker!” sprak Bamboe, die met deze beide begrippen
nogal eens in de war was.
Er bestond tusschen Bamboe en Leo een heel eigenaardige verhouding.
Bamboe was eensdeels een soort van voogd over Leo. Hij had den knaap
hartelijk lief en oefende door zijn meerdere „ondervinding” en door de
waarachtige vroomheid van zijn hart al den invloed op hem uit van een
vriend en raadsman, tegen wien Leo eerbiedig had op te zien. Anderdeels
echter was en bleef Leo zijn jonge meester, om wien te dienen en te
verzorgen hij zijn vaderland had verlaten, en die niet alleen door
geboorte, maar ook door meerdere kennis (tenminste wat wereldsche zaken
betrof) verre boven hem verheven was.
Sprak Bamboe nu tot Leo als vriend of als voogd, dan werd deze steeds
kortaf Leo genoemd, maar zoodra in eenig punt Leo’s meerderheid aan den
dag kwam, was het steeds jonker. Als Bamboe raad gaf, dan gaf hij dien
aan Leo; ontving hij raad, dan ontving hij dien van jonker Leo. Wist
Bamboe iets, dat Leo niet wist, dan was het „Leo”; wist Leo iets, dat
Bamboe onbekend was, dan was het „jonker”.
Maar beluisteren wij verder het aangevangen gesprek.
„En weet je wat hij mij gebakken heeft?” vroeg Dirk, terwijl hem de
tranen in de oogen kwamen. „Hij heeft gemaakt, dat vader op de fabriek
ontslagen is.”
„Wat?” riep Leo uit.
„Ja, ontslagen!” vervolgde Dirk. „Zie je, toen je daar te water lag,
werd ik zóó boos op dien jongen, dat ik hem met de vuist een klap in
het gezicht gaf. En toen schijnt hij naar zijn papa gegaan te zijn; en
vanavond ontving vader de boodschap, dat hij zijn ontslag had.—O, die
ellendige witbol!” vervolgde hij, huilend van woede, „ik wou dat ik hem
hier had; ik zou hem in den grond kunnen trappen, dat zou ik!”
Leo zei niets, maar doodsbleek sloeg hij in woede de vuist op den rand
van zijn legerstede. Ook Kees, de aap, scheen in de algemeene
verontwaardiging te deelen, hij sloeg zijn hand—als men zijn voorpoot
zoo noemen mag—juist als Leo, tegen de harde plank, maar bezeerde zich
hierbij zoodanig, dat hij als een kind begon te schreien.
Alleen Bamboe bleef kalm.
„Ja jongens,” sprak hij, „dat geeft allemaal niets. Als je dien jongen
nu nog kwaad ging doen bovendien, dan zou je twee domme daden gedaan
hebben in plaats van een.”
„Maar wat zoudt u dan doen, meneer Bamboe, als u een jongen was?” vroeg
Dirk.
„Ik zou hem liefhebben,” was het antwoord.
„Dat heb ik gedaan, maar nu—nu kan ik het niet meer!” bracht Leo met
heesche stem uit.
„En waarom niet?” ondervroeg Bamboe. „Omdat hij slecht is en verkeerde
dingen doet? Hoe zou het er met ons uitzien, als God alleen liefhad wie
braaf waren en enkel goed deden? Heeft Hij ons niet lief,
niettegenstaande wij djakat [14] zijn en dagelijks verkeerde dingen
doen? Hoor eens, jongens, wat het goede Boek zegt!” En zijn hand
uitstrekkende naar het Bijbeltje, dat altijd naast hem op de
baleh-baleh lag, las hij:
„Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: gij zult uwen naaste
liefhebben en uwen vijand zult gij haten.
Maar Ik zeg u: hebt uwe vijanden lief; zegent ze die u vervloeken,
doet wel dengenen, die u haten, en bidt voor degenen, die u geweld
doen, en die u vervolgen; opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders,
die in de hemelen is, want Hij doet zijne zon opgaan over boozen en
goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
Want indien gij lief hebt, die u liefhebben, wat loon hebt gij?
Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?....
.... Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, die in de
hemelen is, volmaakt is.”