„Als ik maar naar beneden durfde gaan om er moeder een te vr

OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER

De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde

spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.

Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend

hersteld.

Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd.

Variaties in spelling (met of zonder accent, met of zonder

koppelteken, met of zonder extra spatie) zijn behouden.

_Cursieve tekst_ is in deze tekst weergegeven met _een laag streepje_.

=Gespatieerde tekst= is in deze tekst weergegeven met =een

isgelijkteken=.

Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan het eind

van dit bestand.

[Illustratie]

P. J. ANDRIESSEN

UIT ONS DORP

[Illustratie]

UIT ONS DORP

Drie Verhalen

VOOR

MEISJES

DOOR

P. J. ANDRIESSEN

_Schrijver van „Emma van Bergen”. — „Op Markestein”.

„De Dochter van den Fabrikant,” enz. enz._

MET 6 PLATEN.

_2e Druk._

AMSTERDAM

TJ. VAN HOLKEMA

Stoomdrukkerij van Roeloffzen & Hübner, te Amsterdam.

VOORBERICHT.

Dat er behoefte bestaat aan goede en geschikte lectuur voor onze lieve

meisjes op den leeftijd van acht tot elf jaren, is een reeds lang

gevoelde en geuite, tot hiertoe slecht bevredigde klacht. De meeste

meisjesboeken toch zijn voor haar of te hoog of veel te kinderachtig.

En waarom zouden onze lieve landgenootjes op dien leeftijd ook niet

haar eigen lectuur mogen hebben? Ze willen toch ook wel eens iets uit

haar eigen wereld lezen en niet zich behoeven te bewegen in een kring,

waarin ze nog niet thuis behooren en waarvan ze geen juiste begrippen

hebben; ’t verveelt haar, zich steeds te moeten behelpen met die eeuwige

poppenhistories, die voor haar leeftijd veel te laf zijn.

Mij kwam die klacht ter oore. Steeds bezield met den wensch, om zooveel

mogelijk voor allen nuttig te zijn, en wetende, hoe er in dat

belangrijke levenstijdperk voor meisjes genoeg voorvalt, om haar te

worden voorgesteld, heb ik de hand aan den ploeg geslagen, en vinden

mijn jeugdige lezeressen hier drie verhalen uit het dorpsleven, en wel:

_Jansje de sloddervos_, waarin ze veel pleizier zullen hebben, _Anna en

haar kanarievogeltje_, een schets van kinderliefde, en _Het verdwaalde

kind_, dat ze zeker met belangstelling zullen lezen.

Ik twijfel niet, of onze uitgaaf zal sympathie verwekken; ’t is om aan

de bestaande behoefte te voldoen, dat we twee boekjes te gelijk de

wereld inzenden.

AMSTERDAM, 1877.

P. J. ANDRIESSEN.

Dat onze edele kindervriend juist heeft gezien, bewijst het succès dat

aan deze boekjes te beurt viel en een tweeden druk noodzakelijk maakte.

AMSTERDAM, 1882.

TJ. VAN HOLKEMA

_Uitgever_.

JANSJE DE SLODDERVOS.

I

JANSJE EN HAAR MOEDER.

Slordiger meisje dan Jansje Klimveld, geloof ik wel niet dat er op ’t

heele dorp was. En toch kwam ’t bij haar minder uit een slordigen aard

dan uit onbedachtzaamheid voort. Haar moeder, een weduwe, wier eenig

kind ze was, had er vrij wat verdriet van, en wel des te meer, omdat ze

zelf zoo keurig netjes op alles was.

„Laat me je eerst eens bekijken, Jansje,” was ’t elken morgen, eer ’t

meisje naar school ging.

En dan was er geen enkele morgen, of daar was wat op haar aan te merken.

Den eenen keer zat heur haar slordig, dan was haar jurk dwars en scheef

toegehaakt. Op een anderen tijd had ze een winkelhaak in haar jurk of

gaten in haar kousen, en soms waren haar laarzen slordig geregen;

kortom, er ging schier geen morgen voorbij, dat er niet wat op haar

toilet aan te merken viel. Maar op zekeren morgen en dat is de dag,

waarvan ik u vertellen wil, liep het, zooals men zegt, de spuigaten uit.

Ondanks haar knorrigheid, moest juffrouw Klimveld toch om haar

sloddervos van een Jansje lachen.

„Maar, hoe is ’t mogelijk voor een meisje, dat over drie maanden twaalf

jaren wordt, zich zoo te kleeden!” riep zij uit, terwijl ze haar beide

handen in elkaar sloeg. „Kom toch eens hier, Griet! dan zul je een

spektakel zien, zooals je er nog nooit een aanschouwd hebt.”

„Wat scheelt er dan aan, Moe?” vroeg Jansje, die meende, dat ze vandaag

erg netjes was en er niets aan haar toilet mankeerde.

Griet kwam binnen. „Heb je ooit zoo’n spektakel beleefd, Griet?” vroeg

juffrouw Klimveld aan haar dienstmaagd, terwijl zij op Jansje wees. „En

dat wil zóó naar school. Zou ze er niet ten spot van allen zitten?”

„Nu, ’t zou een pretje zijn!” zeide de oude Griet. „Ik denk, dat ons

jongejuffertje terstond naar huis gestuurd werd, want iedereen zou haar

zeker uitlachen.”

„Maar wat is het dan toch, Moe?” vroeg Jansje, die nog maar niet kon

begrijpen, wat er toch voor vreemds aan haar was.

Haar moeder pakte haar bij haar beide schouders, zette haar

achterstevoren voor den spiegel en zei:

„Draai nu je hoofd eens om, en zie!”

Jansje kon, hoe beschaamd zij was, zich bijna niet van lachen onthouden.

Wat denkt gij, dat het geval was? Als naar gewoonte smeet ze alles maar

neer, of het er de plaats voor was of niet. Zoo had ze nu haar

handdoek, nadat ze hem gebruikt had, neergeworpen op haar jurk en was

hij aan een der haken vast gaan zitten. Onoplettend als ze was, had ze

dat niet gemerkt, toen ze de jurk aantrok; wel had ze gevonden, dat het

lijf vandaag zoo moeilijk toeging; maar ze had het toch op een paar

haken na, toegekregen. En aan een paar haken stoorde Jansje zich niet;

dat kwam er bij haar zoo nauw niet op aan. Nu hing die handdoek, evenals

de lamfer van een aanspreker, of een soort van ander ornament achter op

haar rug te bengelen, hetgeen natuurlijk met elke beweging den spotlust

harer schoolmakkertjes zou opgewekt hebben.

[Illustratie]

„Welnu, wat zeg je wel van zoo’n toiletje, Griet?” vroeg juffrouw

Klimveld. „’t Spijt me, dat ik niet teekenen kan, anders zou ik het

uitteekenen en ’t naar Parijs sturen, om er een modeplaatje van te

maken. Misschien zou ’t wel opgang vinden en een nieuw soort van

polonaise vormen.”

Jansje was er toch erg verlegen mee, dat ze er zoo uitzag.

„Och, Griet!” zeide ze. „Doe er dat ding toch af! Ik kan er zoo slecht

bij!”

Griet deed, wat Jansje haar vroeg, maar nauwelijks had ze den handdoek

van ’t haakje losgemaakt, of ze sloeg haar handen ineen.

„Lieve hemel, kind!” riep ze uit. „Wat heb je vandaag een toilet

gemaakt. Je hebt waarlijk je halsdoek vergeten om te doen!”

„Zul je dan nooit leeren, om je zelf fatsoenlijk te kleeden!” riep

juffrouw Klimveld uit. „Een meisje van bijna twaalf jaren moet toch

waarlijk wel daartoe in staat zijn!”

„Och! ik had zoo’n haast, moe!” zeide Jansje.

„’t Is met jou ook wel: Haastige spoed, is zelden goed!” zeide haar

moeder. „Want eer je nu klaar bent, is ’t nog later, dan wanneer je je

bedaard en ordelijk hadt aangekleed. Griet, ga even met haar naar boven

en kleed haar fatsoenlijk aan. Wat zouden de menschen wel van mij

denken, als ik je zoo naar school liet gaan?”

Terstond ging Griet met haar naar het kamertje, dat Jansje geheel in

eigendom had, waar ze sliep, haar werk maakte, haar lessen leerde;

kortom, dat haar „eigen kamertje” was en hetwelk ze met haar elfden

verjaardag gekregen had, op voorwaarde dat ze het heel netjes zou

houden. Maar, o! die voorwaarde was zoo slecht nagekomen. Laat ons maar

eens met haar en Griet meegaan, — dan zult ge u verwonderen over de

slordigheid, die er heerscht. Ik denk niet, dat ge ooit zoo iets gezien

hebt; ten minste geloof ik, dat, als gij een eigen kamertje hebt, het

zeker beter in orde zal zijn.

’t Is een allerliefst kamertje, met een groot raam, dat op het tuintje

uitziet, en voor ’t welk een zestal bloempotten staan, die slecht

onderhouden, dikwijls zeer ongeregeld water krijgen, en daardoor er

allesbehalve florissant uitzien. Het bevat een bedstee, waarin Jansje

slaapt, een kleerkast in den muur, waarin zij haar jurken kan ophangen,

een chiffonnière met zes laden, waarin zij haar ondergoed en kleine

zaken kan bergen, een waschtafel met toebehooren, een tafel, vier

stoelen, een spiegel, een boekenhanger en twee schilderijen. Wanneer ’t

netjes gehouden werd, zou ’t een allerliefst kamertje zijn, zoowel wat

de inrichting als ’t uitzicht betreft; doch evenals slordigheid en

onordelijkheid aan alle dingen een onaangenaam voorkomen geven, mag men

dit wel in volle mate van Jansjes kamertje zeggen.

Niet alleen zouden zes frissche, ferm bloeiende potten ’t uitzicht

vervroolijken, en maken nu die halfverdroogde, kwijnende en armelijk

uitziende planten een somberen en treurigen indruk; maar ’t inwendige

van ’t kamertje is weinig geschikt, om dien indruk weg te nemen. Geen

stoel, of hij licht vol, op de tafel is alles door elkander, van de

boeken staan sommige onderstboven op de boekenplank, andere liggen er

op. En als ge eens in de laden van de chiffonnière kwaamt, — ge zoudt er

een voddenmarkt meenen te vinden. Haar moeder, die heel goed weet, hoe

’t er op dat kamertje uitziet, heeft Griet bevolen, om als ze Jansjes

bed maakt, niets aan die wanorde te veranderen.

Wat is ’t gevolg van dit alles? Dat Jansje, als ze iets moet hebben, een

half uur moet zoeken, eer ze ’t heeft. En ’t ergst van alles is, dat ze,

wanneer ze dan zoekt, den boel nog meer door elkander schommelt; want in

plaats van bedaard alles op te lichten of er uit te halen, om te zien,

of ’t geen ze zoekt, er ook tusschen of onder licht, — haalt ze den

heelen boel onderstboven en laat dien dan zoo maar liggen. O, ’t is een

wanhopig ding, als men zoo slordig is! Mij dunkt, zoo’n meisje moet een

hekel aan zichzelf krijgen.

En nog zou ’t gaan, als ze bijvoorbeeld maar eenmaal ’s weeks

opreddering hield, en alle dingen op hun plaats legde; — dan ten minste

bleef er nog eenige orde heerschen. Maar onze onbedachtzame Jansje heeft

daar geen lust in en stapelt het eene maar op het andere, totdat ze er

niet meer wijs uit kan worden. Dat het met haar boeken en andere

schoolzaken weinig beter gesteld is, zult ge wel begrijpen. Daar is

insgelijks een onophoudelijke wanorde in. Nu eens brengt ze ’t verkeerde

cahier of een geheel verkeerd boek mee; dan heeft ze ’t werk voor een

verkeerden dag gemaakt, dan weder is er een blad uit het boek, waaruit

ze haar les had moeten leeren. Haar boeken zien er slordig uit, en ’t is

al meer dan eens gebeurd, dat ze er onder weg een verloren heeft.

Gelukkig, dat haar naam op haar boeken staat; daardoor komen ze altijd

terug door den een of ander, die ze thuis brengt; maar ’t was ook wel

gebeurd dat het erg regende en dan was ’t verloren boek geheel en al

bedorven.

Intusschen was nu Jansje door de oude Griet opgeknapt en naar school

gegaan. Volgens haar gewoonte ging de goede meid naar boven, om ’t bed,

dat de jongejuffrouw afgehaald had, op te maken, versch water in

lampetkan en karaf te doen, en verder ’t een en ander te verrichten.

Terwijl ze daar zoo bezig was, bekeek ze de bloemen, en gaf die wat

water.

„Arme bloemen!” zei ze. „’t Is waarlijk zonde en jammer, dat je hier

staat te verkwijnen door gebrek aan goede oppassing. Dat moest bloemen

voor haar venster hebben! Had ze ze liever in den tuin laten staan; dan

hadden ze ten minste gelegenheid om te bloeien!”

Zoo sprekende keek ze naar buiten in den tuin waar alles zoo bloeiend

was, en merkte te gelijk, dat zij met het geven van water aan de bloemen

wat langs ’t kozijn gemorst had. Zij veegde dit af, en willende zien of

het schoon was, sloeg ze toevallig haar blik op den grond beneden aan ’t

raam.

„Maar hoe is ’t mogelijk!” riep ze uit. „Dat is ’t ringetje, hetwelk ze

van haar moeder gekregen heeft ter gedachtenis aan haar lieven overleden

vader! Hoe komt die ring daar te liggen? O! ik begrijp ’t al:—ze heeft

hem bij ’t handen wasschen afgedaan en in ’t kozijn neergelegd en toen

zeker met den handdoek ’t raam uitgeslagen. En dan niet eens te merken,

dat ze hem verloren heeft! We zullen toch zien, wanneer ze hem mist. Of

liever, ik zal hem aan haar moeder geven. Maar die mocht hem eens tot

haar straf houden. Wat nood! Zulk een sloddervos is geen ring waard, en

in allen gevalle is het toch beter, dat ik hem haar geef. Ik denk, dat

ze er Jansje naar zal laten zoeken!”

Griet snelde naar beneden en raapte het ringetje op, dat ze aandachtig

bekeek. ’t Was een allerliefst ringetje met een keurig juweelen

steentje, en met ’t haar van haar overleden vader omvlochten. Haar

moeder had het, bij diens dood, laten maken tot een gedachtenis aan haar

vader.

„Als ik een ringetje met haar van mijn overleden vader had,” zei Grietje

bij zichzelf, „dan zou ik er wel beter oppassen! — En wat flonkert die

steen! Wat is hij helder, helder als glas, nog helderder! En wat een

kleuren, als ’t licht er op valt! ’t Is toch een mooie steen; maar hoe

de menschen er zooveel geld voor geven, begrijp ik niet. ’t Zou mij

zooveel niet waard zijn.”

Dit zeggende, ging Griet de deur weer in en regelrecht naar haar

meesteres, die ze als naar gewoonte druk bezig aan den huiselijken

arbeid vond.

„Wat is er, Griet?” vroeg deze, verwonderd op dit tijdstip haar

dienstbode naar zich toe te zien komen. Dat was anders haar gewoonte

niet, daar beiden haar vaste werk hadden en dit zoo geregeld ging, alsof

’t een uurwerk geweest ware.

„Ja, juffrouw,” antwoordde Griet. „Zie eens, wat ik daar in den tuin

voor Jansjes venster vind.” En ze liet haar den gevonden ring zien.

„Maar, Griet! Dat is verschrikkelijk! Den ring met het haar van haar

vader! Hoe licht had die tusschen ’t gras kunnen wegrollen, en dan had

er geen haan naar gekraaid.”

„Ja, dan was hij weg geweest, juffrouw,” zeide Griet.

„’t Is toch ongelukkig met dat kind!” zuchtte juffrouw Klimveld,

terwijl zij den ring aannam. „Men kan haar niets toevertrouwen. Zeker

heeft ze met het handen wasschen den ring op ’t kozijn neergelegd, en

toen in haar onbesuisdheid met den handdoek weggeslagen! Want anders

kan het niet gebeurd zijn. En hoe is ’t mogelijk, dat ze hem niet

gemist heeft! Er niets tegen haar van zeggen, Griet! We zullen haar

eens in onrust laten en haar eens laten zoeken. Maar eerst zullen we

eens zien, wanneer ze den ring mist. — Zooveel is zeker, dat ze hem in

den eersten tijd niet weer aan krijgt.”

„Of u gelijk hebt, juffrouw,” antwoordde Griet. „Jansje toont, dat ze

nog te jong is, om op zoo’n kostbaarheid te passen.”

Griet wilde heengaan.

„A-propos, Griet,” zeide juffrouw Klimveld. „Eer ik ’t vergeet het je te

zeggen: sluit de kleerkast van Jans op ’t slot en breng mij den sleutel.

Ik merkte vanochtend, dat ze haar bruine jurk aanhad, en gisteren had ze

haar paarsche aan. Door ’t lachen over haar toilet, heb ik er vanmorgen

niet aan gedacht. Zeker is haar paarsche stuk en dan trekt de juffrouw

maar een andere jurk aan, totdat ze alle ’t zelfde zijn. Dat gaat niet;

daar zal ik een schotje voorschieten.”

Een oogenblik daarna kwam Griet terug.

„Haar kast is gesloten, maar de sleutel steekt niet in ’t slot.

Waarschijnlijk heeft ze dien in haar zak meegenomen,” zeide ze.

„Aha! Daar heb je ’t al! Zeker haar paarsche jurk, die ze gisteren

aanhad, gescheurd! Wanneer zal dat kind toch eens veranderen!”

Jansje zat intusschen op school en dacht aan niets minder dan aan haar

ring. ’t Scheen vandaag nog al goed met haar en haar lessen te zijn

afgeloopen, ten minste haar naam stond niet op de lijst van strafwerk,

’t geen bijna onder de bijzonderheden mocht gerekend worden. Hoe zou ze

ook om haar ring denken; — ze had wel wat anders in haar hoofd. Met

Cato, een harer schoolvriendinnetjes, had ze afspraak gemaakt om

dadelijk na den eten met haar naar een naburig dorp te gaan, waar een

tante van haar (Cato) woonde, die een fermen kersenboomgaard had. Cato

moest een boodschap voor haar moeder doen en had Jansje, die ze graag

mocht lijden, gevraagd om haar te vergezellen.

„Je moet het maar, dadelijk als je thuis komt, aan je moeder vragen,”

zei Cato, „en dan wacht ik je precies om twee uren ginds bij ’t

bruggetje over de vaart. Want als ik je eerst moet komen halen, dan zou

ik weer een heel eind terug moeten, en ’t is voor jou toch ’t zelfde.”

„Wel zeker,” antwoordde Jansje. „Ik moet dat eind toch loopen, en ’t

haalt jou een heel eind uit!”

„Je hebt toch zeker om twee uren wel gegeten, hé?” vroeg Cato.

„O, ja. Moeder is altijd zoo precies op de klok. Om halftwee staat het

eten op tafel, en daar zorgt Griet voor.”

„Nu, Griet is preciezer dan jij,” zeide Cato lachende. „Als jij voor ’t

eten moest zorgen, dan stond het nooit op zijn tijd op tafel, denk ik.”

„Dat vrees ik ook,” antwoordde Jansje. „Dus tot twee uren, aan ’t

bruggetje over de vaart. Je zult eens zien, hoe precies ik er op mijn

tijd ben. Ik watertand al bij de gedachte aan de kersen, die ik eten

zal!”

„Tot straks,” zeide Cato, en spoedde zich naar haar huis evenals Jansje

naar het hare.

II.

WAT ER VAN DEN TOCHT NAAR DEN KERSENBOOMGAARD KWAM.

Toen Jansje thuis kwam, was ’t op slag van halftwee, dus dadelijk

etenstijd. Ze begreep, dat ze niet zou behoeven te wachten, en trad

vroolijk en opgeruimd de kamer binnen. Ze vond er haar moeder.

„Moe!” zei ze, „mag ik na den eten met Cato naar Henbergen wandelen?

Daar woont haar tante. Ze moet er een boodschap voor haar moeder doen en

had graag dat ik met haar meeging. Haar tante heeft een grooten

kersenboomgaard, en daar de kersen nu rijp zijn . . .”

„En wou je zóó gaan!” riep haar moeder uit, terwijl ze haar handen in

elkander sloeg en Jansje hoofdschuddende aanzag.

En inderdaad, juffrouw Klimveld had wel reden haar handen in een te

slaan en haar hoofd te schudden over het toilet harer dochter, en haar

met nadruk te vragen: „En wou je zóó gaan?”

’t Jurkje, waaraan vanmorgen nog geen steekje gemankeerd had, zag er nu

uit als was ’t van een bedelaarster. De strook was er van onderen een

eind afgetrokken en door Jansje, in plaats van ’t er aan te spelden, als

een bundel opgerold, die er nu allerbevalligst aan hing te bengelen. Met

het stoeien was ’t veterband losgeraakt, en in plaats van dat vast te

maken, had ze ’t maar laten hangen, en dat hing daar nu als een

schommel.

„Neen, Moe!” zeide Jansje. „Ik wou mijn roode jurk aantrekken.”

„O, dat is wat anders,” antwoordde juffrouw Klimveld. „Ik dacht, dat je

met zoo’n bedeljurk naar de menschen toe woudt gaan. Ga het dan maar

terstond doen.”

„Dus mag ik?”

„Wel zeker, als je er maar knap uitziet, wanneer je bij vreemde menschen

komt. Maar zeg eens, waarom heb je vandaag je bruine jurk aangedaan en

niet je paarsche van gisteren?”

„Ach! moe! Ik speelde gisterenavond met Fidèl van Jansen, — dat is zoo’n

goede lobbes van een hond, — en toen hield hij zich met zijn tanden aan

mijn jurk vast en trok er aan, en toen scheurde hij er een heel stuk

uit. Maar hij kon ’t niet helpen, — ’t goede beest!” voegde ze er

vergoelijkend bij. „’t Wou maar spelen en ’t wist niet, dat het kwaad

deed om mijn jurk te scheuren.”

„Neen, daar ben ik wel van verzekerd,” zei haar moeder. „Maar ik denk,

dat als Fidèl een jurk had, hij er zeker voorzichtiger mee zou zijn dan

jij. Je paarsche jurk een stuk uit, deze van strook en veterband

genoegzaam beroofd, vanavond je roode in den kersenboomgaard gescheurd,

of wie weet wat nog erger, en dan morgen met je beste naar school, om er

de hemel weet hoe mee thuis te komen . . . Dan heb je er geen enkele meer

om aan te trekken. Weet je, wat je doet, kind?” vervolgde haar moeder.

„Zie, dat je iemand krijgt, die je een dozijn jurken geeft; dan kun je

er ten minste twaalf dagen achter elkander mee toe.”

Juist bracht Griet het eten op, en men zette zich aan den maaltijd, ’t

Was geen diner als aan de open tafel, en men had dus gauw genoeg gedaan.

Jansje vroeg verlof om wat eerder te eindigen, en haar moeder

veroorloofde ’t haar.

„Nu heeft ze alweer haar jurk gescheurd,” zei haar moeder tegen Griet,

die volgens buitenmanier mee aan tafel zat. „En de paarsche ook, net als

ik dacht. Waar moet dat met dit kind naar toe!”

„Als ik in uw plaats was, had ik haar niet laten gaan,” zeide Griet.

„’t Is meer dan erg, alle dagen een andere jurk,” hernam Juffrouw

Klimveld. „Dat kan zoo niet gaan. Maar met die jurk kon ze toch niet bij

vreemde menschen komen. En haar dit genoegen te onthouden, dat gaat ook

niet. Ze heeft toch al weinig genoeg.”

Op ’tzelfde oogenblik kwam Jansje met een paar groote oogen binnen.

„Moe!” zeide ze, „heeft u den sleutel van mijn kleerkast genomen? Of

Griet, jij?”

„Hoe dat, Jansje?” vroeg haar moeder.

„Wel, vanmorgen zat hij er nog in, want toen heb ik er mijn bruine jurk

uitgehaald, en nu is hij er uit,” hernam zij.

„Je zult hem zeker hier of daar neergegooid hebben, zooals je gewoonte

is; zoek er dus maar naar,” zeide haar moeder. „Of heb je hem ook in je

zak gestoken en soms verloren?”

„Heb jij hem ook gezien, Griet?” vroeg ze aan deze.

„Heb je ’m ook soms weggeveegd, toen je mijn kamertje bijstoftet?”

„Neen, Jansje,” antwoordde Griet. „Ik heb je sleutel niet gezien.”

„Maar als ik mijn sleutel niet vind, dan kan ik mijn roode jurk niet

aandoen,” riep Jansje half huilende uit.

„Kan =ik= het helpen?” vroeg haar moeder. „Als jij wist, waar je je goed

liet, dan zou niet steeds alles zoek wezen. Maar ik weet goeden raad.

Wanneer ik jou was, en ik kon den sleutel niet vinden, — dan verbeuzelde

ik mijn tijd niet langer: ik nam naald en draad, naaide er den strook

aan en tornde er zoolang het nog vastzittende veterband af; dat kun je

er dan morgenochtend wel omzetten. Maar doe ’t vooral netjes; want

bedenk, dat Cato’s tante ook haar oogen heeft gekregen, om ze te

gebruiken. En ik zou niet graag hebben, dat je daar zoo kwaamt. Dus, als

je den strook aanzet, keurig, hoor! En zorg dat, als je ’t veterband

aftornt, er geen vezels of draden blijven zitten.”

„Maar ’t is al bij tweeën en om twee uren zou ik aan de brug over de

vaart zijn.”

„Welnu, zorg dan maar, dat je den sleutel hebt; dan kun je je roode jurk

aantrekken, of anders deze jurk opgeknapt!” antwoordde haar moeder. „Zóó

ga je niet!”

Half schreiend ging Jansje naar boven.

„Waar kan ik den sleutel toch gelaten hebben?” zei ze. „Hij is er zeker

uitgevallen, en Griet heeft hem weggestopt. O, nu weet ik ’t al. Ik heb

hem vanmorgen in mijn zak gestoken. Zeker heb ik hem hier of daar met

het uithalen van mijn zakdoek verloren.” Daar ze geen trek had, om heen

en weer naar school te loopen, ’t geen toch misschien tevergeefs zou

zijn, begreep ze dat het maar ’t best was, om ’t veterband verder af te

tornen en er den strook weer aan te zetten. Ze zocht dus eerst naar haar

schaar. Doch toen ze in de la kwam, waar haar werkdoosje stond, vond ze

dit heelemaal onderstboven liggen, en den inhoud verstrooid. Ze

herinnerde zich nu, dat ze dit zelf een dag of wat geleden gedaan had,

daar ze iets in die la moest zoeken, en, in plaats van dat bedaard en

ordelijk te doen, den boel maar zoo wat omgerommeld had. ’t Speet haar

nu wel, dat ze toen niet wat voorzichtiger geweest was en wat bedaarder;

maar er was nu niets aan te doen.

Eindelijk, na de lade braaf omgewoeld en nog wat meer in wanorde

gebracht te hebben, dan die ’t al was, vond ze achter in een hoek haar

vingerhoed en aan de tegenovergestelde zijde een klosje met zwart

naaigaren. Nu moest er wel bruin ook in de la liggen, maar eer ze dat

gevonden had, kon er wel een kwartier verloopen.

„’t Zal met zwart ook wel gaan,” zei ze. „’t Is wel geen donkerbruin,

maar ’t is ook slechts om een strook op te naaien, en dan maak ik van

buiten maar kleine steekjes. Maar waar is nu mijn schaar?”

Alweer werd de la omgerommeld, als door een aardbeving onderstboven

gegooid, en kwam de schaar aan het daglicht. Maar in haar vuur om de

schaar te zoeken, was, zonder dat ze ’t merkte, haar vingerhoed

afgestroopt. ’t Was inderdaad een hopelooze arbeid, dat zoeken, en

daarbij nog zoo’n gejaagdheid. Wanneer ons Jansje een ordinair net

meisje was geweest, niet eens overnet, — dan had ze de la van haar

chiffonnière opengeschoven, even haar hand uitgestoken, er de naaidoos

uitgehaald, schaar, vingerhoed, garen en naald uitgekregen en had ze

zeker al tien minuten aan den arbeid gezeten; terwijl ze nu nog aan ’t

zoeken was naar benoodigdheden.

„Ik zal ’t maar zonder vingerhoed probeeren,” zeide Jansje. „Want anders

kom ik nooit klaar. Als Cato maar niet weggaat! ’t Is al lang over

tweeën. Had ik den sleutel der kast maar niet verloren. Ik kan maar niet

begrijpen, dat ik ’t niet gemerkt heb. Dat ik ook zoo dom kon zijn!”

Zoo sprekende, had ze een stoel bij ’t raam gezet, haar jurk

uitgetrokken, was gaan zitten en nam nu het te repareeren kleedingstuk

op haar schoot, toen ze bemerkte dat ze nog geen — naald had.

Naaien zonder naald gaat niet.

„Als ik maar naar beneden durfde gaan om er moeder een te vragen,” zei

ze. „Maar ik denk, dat ze me zou zien aankomen! Gisteren heeft ze me er

twee gegeven, om een eind van ’t boordsel van mijn paarsche jurk vast te

naaien. Zorg er nu voor, Jans, zei ze; want in geen acht dagen krijg je

een nieuwe. Je zoudt me wel arm kunnen maken aan naalden! Maar waar kan

ik die naalden gelaten hebben? Ik heb ze toch geborgen.”

Dat bergen van Jansje was er me bergen naar. Ze borg de dingen dikwijls

zoo goed, dat ze die niet terug kon vinden; d.i. ze borg ze overal,

behalve op hun plaats. En als ’t op zoeken aankomt, dan zoek ik liever

een pook of een tang dan een naald en heb tienmaal meer kans de eerste

te vinden dan de laatste. Maar met een pook of een tang zou Jansje

weinig uitgericht hebben.

„Had ik den sleutel van de kast maar!” riep ze uit. „Waarschijnlijk heb

ik een der naalden aan ’t lijf van mijn paarsche jurk gestoken, toen ik

er gisteren ’t boordsel aan vastnaaide.”

Maar de sleutel was weg en bleef weg, en zonder naald kon ze onmogelijk

naaien.

„Ik zal maar eerst het veterband lostornen,” zeide ze, zich met de

stille gelatenheid der wanhoop nederzettende. Terwijl ze dat deed en zoo

goed mogelijk de vezels en draden uithaalde, sloeg ze haar oogen uit het

venster, en — wat zag ze daar in ’t stammetje van haar half verdroogde

Spaansche peper? Daar staken de twee naalden heel deftig naast elkander,

een zelfs nog met den paarschen draad er in, als ware ’t een vlag

geweest, die voor de een of andere gelegenheid was uitgestoken.

Nu herinnerde ze zich, dat ze gisteren haar jurk voor ’t open raam

gerepareerd had en toen geen beter plaats wetende om ze te bergen, haar

naalden in ’t boompje gestoken had. Terstond werd een der naalden

gebruikt en met den grootsten ijver aan ’t repareeren gegaan. Doch zoo’n

strook is er gauwer afgetrokken dan aangezet, vooral als men ’t zonder

vingerhoed doet. Dat ging dan ook niet, en andermaal zag Jansje zich

genoodzaakt, op te staan en naar haar vingerhoed te zoeken. Gelukkig

vond ze dien ditmaal gauwer dan ze gedacht had, en nu ontbrak haar niets

meer en ging ze aan ’t werk.

Eindelijk was de jurk af; zij trok haar aan, deed hoed en mantel om en

begaf zich naar beneden, om zich aan haar moeder te vertoonen. Gelukkig

zag deze de zwarte steken niet; want Jansje had er zorg voor gedragen,

ze bovenop zoo klein te maken, dat ze niet in ’t oog vielen.

„Je kunt wel gaan Jansje,” zeide haar moeder. „Maar ik vrees, dat je te

laat komt. ’t Is al bij vieren, en Cato zal natuurlijk geen twee uren op

je hebben staan wachten.”

„Nu, dan ga ik haar te gemoet,” zei Jansje. „Misschien brengt ze wat

kersen voor me mee.”

„Ik help ’t je wenschen,” zei haar moeder. „Maar ik denk niet, dat ze

zoo vriendelijk zal zijn voor een meisje, dat zoo lang op zich heeft

laten wachten.”

Jansje spoedde zich nu naar de brug over de vaart, waar ze natuurlijk

Cato niet meer vond, en van daar den weg op naar Cato’s tante. Ze zal

zoowat halfweg geweest zijn, toen ze in de verte twee meisjes zag

aankomen, die erg pret samen hadden. Weldra bemerkte ze, dat het Cato

met Sijtje Hamer, een harer schoolkameraadjes, was. Spoedig waren ze bij

haar.

„Nu, je bent me ook een fraaie!” riep Cato uit. „Om twee uren sta ik op

de brug te wachten, maar wie er komt — Jansje niet. Gelukkig kwam Sijtje

aan en die ging ’t gauw aan haar moeder vragen; anders had ik alleen

moeten gaan. Waar ben je toch zoo lang gebleven?”

„Och! Je weet, hoe mijn jurk er uitzag,” zei Jansje. „Moeder verkoos

niet, dat ik met zulk een jurk naar je tante zou gaan.”

„Daar had ze waarlijk gelijk in,” zeide Cato. „Wat zou tante er wel van

gezegd hebben, als je met zoo’n gehavende jurk gekomen waart? Maar

waarom trok je dan geen andere jurk aan?”

„Ja, waarom niet?” zeide Jansje. „Omdat de sleutel van mijn kleerkast

weg is en ik dien nergens kon vinden. Ik moest dus wel, of ik wilde of

niet, aan ’t repareeren van deze jurk.”

„’t Spijt me geducht, Jansje,” zeide Cato, „dat het zoo geloopen is. Je

hebt vrij wat pret gemist, en heerlijke kersen ook; we hebben er onze

buikjes aan vol gegeten.”

„Je hadt er wel wat voor mij kunnen meebrengen,” zeide Jansje.

„Wel ja! eten en sleepen! Dat gaat niet in een kersenboomgaard.

Daarenboven kan ik niet zeggen, dat ik er erg over gesticht was, toen je

me daar zoo liet wachten. Je hadt het me toch wel even kunnen laten

zeggen.”

„Vooreerst wou moeder me de deur niet laten uitgaan, eer ik er

fatsoenlijk uitzag, en ten tweede hoopte ik altijd nog tijdig gereed te

zijn, om je, als ik klaar was, nog te achterhalen.”

„Je bent ook verschrikkelijk lang bezig geweest aan ’t aanzetten van

zoo’n eind strook. Ik kan ’t wel in het vierdepart van den tijd,” zeide

Cato.

„Ja, als alles in orde is,” antwoordde Jansje. „Maar ik kon mijn boel

niet vinden, en ’t zoeken daarnaar heeft mij erg opgehouden.”

Toen ze weer aan de brug kwamen, namen de beide vriendinnen afscheid van

elkander. Cato en Sijtje gingen samen den eenen en Jansje den anderen

kant.

Jansje was recht treurig.

„Misschien gaat Sijtje nu wel met Cato naar huis en heeft ze nog den

heelen avond pret!” bromde Jansje. „O, wat heb ik mij toch door mijn

slordigheid en onachtzaamheid een verdriet op den hals gehaald!”

Had dat verdriet er maar toe gestrekt, dat ze zich verbeterde!

III.

VADERS GEDACHTENIS.

„Door dien mallen sleutel heb ik ’t pretje heelemaal misgeloopen,”

bromde Jansje, toen ze thuis kwam, tegen Griet.

„Dat is je eigen schuld, Jansje,” zei Griet. „Je moeder denkt voor ’t

naast, dat je hem in je zak gestoken en met je zakdoek er uitgehaald en

hem zoo verloren hebt.”

„’t Beste was, dat moeder den smid maar liet komen; dan kon die de deur

van de kast opensteken en er een nieuwen sleutel op maken.”

„Ja, dat kan hij best doen,” hernam Griet. „Maar opensteken en nieuwe

sleutels maken kost geld. En ’t geld groeit hier ook maar niet zoo

tusschen de steenen.”

„Zoo, ben je daar terug, jongejuffrouw sloddervos!” zei haar moeder, die

ook in de keuken kwam. „Ik ben daar eens boven op je kamertje geweest en

heb de laden van je chiffonnière nagekeken. Dat is me een boel! Hoe is

’t mogelijk, dat een meisje van jou leeftijd zich in zulk een rommel

bewegen kan! ’t Is meer dan erg, en ik denk er sterk aan, je maar weer

als een klein kind te behandelen en je over geen stuk kleeding meer

meester te laten. En dan op ’t kamertje zelf. Er is haast geen stoel om

fatsoenlijk op te zitten. In je kleerkast zal ’t er wel niet beter

uitzien! A-propos! heb je den sleutel al gevonden?”

„Ik zal er morgen op school eens naar vragen,” zeide Jansje. „Ik denk

voor ’t naast, dat ik hem met mijn zakdoek uit mijn zak gehaald en

tusschen de banken verloren heb.”

„Of onder weg,” zeide haar moeder. „Ik heb nooit grooter sloddervos

gezien, dan jij bent. En dan zoo onverschillig. Waar ben je na den

middag naar toe geweest?”

„Den weg op naar de tante van Cato,” antwoordde Jansje. „Ik hoopte, dat

ze er nog zou zijn; maar reeds halfweg kwam ze me tegen met Sijtje

Hamer.”

„Ik had, in jou plaats, liever eens naar mijn sleutel vernomen,” zeide

haar moeder. „’t Is een mooi geval, zoo maar zijn sleutel kwijt te zijn

en er dan niet eens werk van te maken. Maar om tot je kamertje terug te

keeren: morgen na den middag, als je van school komt, zullen we samen

den boel eens opredderen, en dan zorg je er voor, dat die in orde

blijft, of — ik neem je eenvoudig je kamertje af en al je goed weer

onder mijn bestuur. ’t Is wel schande, dat een meisje van bijna twaalf

jaren geen orde en regel op haar eigen zaken kan houden. Maar dat is nu

eenmaal zoo niet, en wat ik er ook aan doe, ’t schijnt maar niet te

veranderen.”

Jansje durfde er niets tegenzeggen. Ze stond met haar mond vol tanden.

„En waar is je ringetje, kind?” riep haar moeder eensklaps uit, alsof ze

’t nu eerst miste. „’t Ringetje, dat je van je overleden vader hebt

gekregen, en waarin zijn haar is?”

Verschrikt keek Jansje naar haar linkerhand; ze had het niet eens

gemist; maar nu bemerkte zij haar verlies eensklaps.

„Ik zal het misschien op mijn kamertje op den schoorsteenmantel hebben

laten liggen, toen ik vanmorgen mijn handen wiesch en ’t afgedaan heb,”

antwoordde zij.

„Ga dan terstond eens kijken,” zeide haar moeder. „Mijn hemel! hoe is ’t

mogelijk, dat je zoo weinig achting hebt voor je braven overleden vader,

om zoo achteloos met wat je tot gedachtenis van hem gekregen hebt, om te

gaan.”

Jansje spoedde zich naar boven, doch kwam weldra terug met een treurig

gelaat en de boodschap, dat ze ’t ringetje nergens vond.

„’t Is wat te zeggen, meisje!” riep haar moeder uit, die zich zeer

ontsteld hield. „En kom je maar zoo gauw terug met de tijding, dat je ’t

niet vinden kunt. ’t Is waarlijk wat moois! Als ’t mij gebeurde, zou ik

niet ophouden te zoeken, vóór ik ’t had.”

„Maar ’t wordt al zoo donker; ik kan niet meer in de hoeken zien,” zeide

Jansje.

„Wel, steek dan licht op en zoek overal,” zeide haar moeder. „’t Is

waarlijk wat te zeggen! Dat lieve, kostbare ringetje van je braven,

goeden vader! ’t Is waarlijk, of je hoe ouder hoe slordiger wordt!

Jongens! jongens! ’t is wat te zeggen! Kind, kind! wat beleef ik een

verdriet van je!”

„Mag Griet mij dan eens helpen zoeken, Moe?” vroeg Jansje.

„Griet heeft het ringetje niet weggemaakt,” hernam haar moeder.

„Daarenboven, Griet heeft haar werk en geen tijd om jou te helpen

zoeken. — Geef haar een kaars op een blaker, Griet; dan kan ze met licht

zoeken.”

Griet voldeed aan ’t bevel harer meesteres, en Jansje ging weer naar

boven.

„Hoe is het mogelijk, dat zoo’n kind het ringetje niet eens gemist

heeft!” zeide juffrouw Klimveld tegen Griet.

„Ja, juffrouw! ’t is onbegrijpelijk!” antwoordde Griet. „Ze scheen er

echter wel van te weten.”

„Te weten! Ja, omdat ik er nog al drukte over maakte,” zeide juffrouw

Klimveld. „Als dat het geval niet geweest was, had ze ’t langs haar

koude kleeren laten afzakken. O, o! wist ik maar eens een middel om dat

kind te verbeteren!”

„Misschien zal ze door den tijd wel verstandiger worden!” zeide Griet

troostend.

„Dan wordt het toch waarlijk tijd,” hernam juffrouw Klimveld. „Ze is

toch haast twaalf jaren! Nu, dan was ik op dien leeftijd anders; dat

verzeker ik u.”

„Ja, juffrouw! De meeste meisjes zijn ook anders,” hernam Griet. „Ik heb

er in mijn jeugd ook nog al wat gekend, maar nooit een aangetroffen, die

zoo slordig was als Jansje, dat moet ik bekennen.”

„Ik zal haar ten minste over dien ring lang in ongerustheid laten,”

zeide juffrouw Klimveld. „En vooreerst zal ze hem niet terug hebben ook,

dat verzeker ik je.”

Natuurlijk kwam Jansje eenigen tijd daarna terug met de tijding, dat de

ring nergens te vinden was, en toonde haar moeder zich erg boos.

„Je komt bij me zitten, om ’t veterband om je jurk te zetten, hoor,”

zeide zij. „Want met zoo’n havelooze jurk ga je morgen niet naar

school!”

Jansje ging naar boven, trok haar nachtjapon aan, kwam met haar jurk en

’t veterband beneden en bracht te gelijk haar beide naalden en ’t zwarte

garen mede.

„Waar is je naaidoos?” vroeg haar moeder.

„In mijn chiffonnière,” antwoordde Jansje.

„O, ja, ’t is waar,” zeide haar moeder met een bitteren glimlach. „Ik

heb een doos onderstboven in je la zien liggen; dat was zeker je

naaidoos, maar naaigereedschap was er niet in.”

„Ze was omgevallen,” zeide Jansje, zich verontschuldigende, „toen ik

vanmiddag naar garen en ander naaigereedschap zocht.”

„O, zeker vanzelf!” zeide haar moeder zuchtend. „Nu, dat zullen we

morgenmiddag wel vinden. Ga nu maar terstond aan ’t werk.”

Jansje ging aan ’t werk. Doch daar merkte haar moeder, dat ze haar

strook met zwart garen had aangezet.

„Ben je nu heelemaal dwaas, kind?” vroeg ze. „Wie krijgt het in de

hersens, om licht bruin goed met zwart te naaien! Terstond dien boel er

afgetarnd en ’t overgenaaid.”

„Maar ik had geen bruin garen,” zeide Jansje.

„Dat had je wel, als je maar niet alles door elkander gesmeten had,” zei

haar moeder, die naar haar eigen naaidoos ging en bruin garen voor den

dag haalde.

’t Was voor Jansje een allesbehalve pleizierige avond, en ze had dien

honderdmaal liever bij Cato aan huis doorgebracht.

Ze had dan ook ruimschoots tijd om na te denken, en menig meisje zou, in

haar geval, een moedig besluit genomen hebben, en ’t voornemen opgevat,

om voortaan netter en ordelijker te zijn. Maar dat kwam bij Jansje niet

op. Ze wist niet, dat ze slordig was en geen orde op haar zaken stelde;

ze gevoelde wel, dat ze er zich zelf vrij wat last en verdriet mee op

den hals haalde, maar ze was zoozeer op die soort van gemakzucht

gesteld, dat het haar onmogelijk scheen, haar gedrag te veranderen.

Ofschoon het slechts denkbeeldig was, vond zij het b.v. gemakkelijker,

een dasje dat zij gebruikt had, in elkander te frommelen en ’t in een

der laden harer chiffonnière te smijten, dan ’t even netjes op te vouwen

en ’t keurig in een hoekje van haar la te leggen. Ze sprak geen woord

en haar moeder liet haar stil begaan.

„Ik krijg ’t vanavond niet af, moeder,” zeide ze eensklaps. „Er is ook

zooveel aan te doen.”

„Ik heb den boel zoo niet gehavend, Jansje,” antwoordde haar moeder.

„Licht, dat je ziet te herstellen, wat je bedorven hebt.”

„Maar ik krijg slaap,” hernam Jansje. „’t Is ook zoo’n vervelend,

slaperig werk.”

„Dan moet je maar naar bed gaan, en morgen heel vroeg opstaan,”

antwoordde haar moeder. „Ik verkies, dat je met een fatsoenlijke jurk

naar school gaat. Wat zouden de menschen anders wel van mij denken, als

mijn dochter er zoo haveloos uitzag.”

„Maar zou u ’t voor ditmaal niet willen afmaken?” vroeg Jansje. „Als ’t

weer gebeurt . . . .”

„Ik je verknoeid werk afmaken, nadat je zoo weinig achting voor de

nagedachtenis van je vader betoond hebt? Neen kind, dat doe ik niet.”

„Och! Maar die ring zal immers wel terechtkomen, moeder,” hernam zij.

„Als ik morgen bij het daglicht maar eens goed zoek.”

„Wanneer heb je hem ’t laatst aangehad, Jansje?”

„Ik geloof gisteren, moeder,” antwoordde Jansje. „Ik meen, dat ik hem

vanmorgen nog op den schoorsteenmantel gelegd heb.”

„Misschien wel op ’t kozijn, toen je je gingt wasschen,” zeide de

moeder, „en is hij vanmorgen zoo naar buiten gerold. Indien dit het

geval is, dan ben je hem kwijt, want wie weet, waar hij dan heengerold

is.”

„Ik zal er morgen dadelijk naar kijken,” zeide Jansje. „Met den dag kan

men beter zien dan met den avond. ’t Zou mij niet verwonderen, of ik

vind hem.”

„Nu, ik mag ’t lijden,” zeide haar moeder; „ofschoon ik vrees, dat hij

wel weg zal zijn. ’t Is toch wat te zeggen! De eenige gedachtenis van je

overleden vader.”

Jansje begreep toch, dat het verstandiger was, om te blijven naaien. Ze

moest morgen nog werk voor de school maken; want ze had dien namiddag

niets uitgevoerd. Doch de slaap was haar te machtig, en ze kon op ’t

laatst niet meer.

„Nu, laat het voor ditmaal dan maar liggen,” zeide haar moeder. „Eet je

boterham en ga naar bed. Ik zal de jurk wel afmaken, dan kun jij morgen

je werk voor de school in orde brengen en naar den ring zoeken. Ga maar

bij Griet; die zal je wel je boterham geven.”

Jansje liet zich dit geen tweemaal zeggen, zeide moeder goedennacht,

ging naar de keuken, waar ze toch haar boterham met minder graagte dan

anders at, — daarop naar boven, kleedde zich zoo gauw mogelijk uit,

stapte in ’t bed en . . . . sliep in een oogenblik.

Dat moet u niet verwonderen en ge moet dat gauwe slapen niet voor

onverschilligheid uitkrijten. Jansje had dien dag veel verdriet gehad,

en verdriet maakt iemand soms heel slaperig. Daarbij had ze een ferme

wandeling gedaan en was over haar tijd opgebleven; — geen wonder, dat

haar oogen spoedig toevielen.

Ze was den volgenden morgen tijdig op en zoodra ze zich gekleed en

gewasschen had, begon ze naar den verloren ring te zoeken. Ze zocht

lang, en natuurlijk tevergeefs. Toen ging ze haar werk maken en leerde

haar lessen; daarop begon ze weer te zoeken.

Moedeloos ging zij naar de keuken, in de hoop, dat Griet haar soms

goeden raad zou geven.

„Och, Griet,” zeide zij half snikkend, „zou jij ook kunnen denken, waar

die ring is gebleven?”

„Maar Jansje,” antwoordde deze, „hoe kun je mij zoo iets vragen. Ik heb

den ring volstrekt niet aangehad. Maar weet je, wat ik je wel kan

zeggen?”

„Nu, wat dan?” vroeg Jansje haastig.

„Dat als ik een ring, en dan nog wel zoo’n mooien ring, met haar van

mijn vader had, ik er zoo op zou passen, dat hij nooit of nimmer weg zou

kunnen raken.”

„Ja, Griet,” zeide Jansje teleurgesteld, „dat is wel allemaal waar, wat

je daar zegt, maar o! het helpt mij alles op het oogenblik zoo bitter

weinig. Als ik hem weeromvind, dan zal ik er ook zuinig oppassen.”

„Als je hem weeromvindt! Daar mag je wel een heel groot vraagteeken

achter zetten, kind. Zoek nog maar eens goed; misschien is hij wel uit

het raam gevallen en ligt nu in het gras,” gaf Griet den raad.

Jansje ging naar buiten.

„O, wee,” dacht zij, „als de ring in den tuin ligt, dan vind ik hem

zeker niet weerom. En wat zal Moe wel zeggen, als zij dat hoort. Ach,

ach, wat ben ik toch een ongelukkig schepseltje! Gisteren al geen kersen

kunnen eten, en nu deze ellende weer!”

Nadat zij nog een oogenblikje rondgekeken had, kwam Griet haar roepen om

te ontbijten.

„Den ring gevonden, Jansje?” was ’t eerste wat haar moeder zeide, toen

ze beneden kwam. „O, neen, ik zie het al . . . hij is er niet. Hij is

zeker weg, kind!”

„Ach moeder! Ik heb er zoo’n spijt van!” zeide Jansje.

„En ik zou wel wat kwijt willen zijn, als hij er weer was! Dan zou ik

hem nooit anders dan Zondags dragen en in de week hem in mijn werkdoosje

bewaren . . .”

„Om hem als een stuk oud vuil door je la te smijten,” zei haar moeder.

„Denk er om, dat je vanmiddag geen afspraakjes maakt; het is noodig dat

we de laden van je chiffonnière eens in orde maken, en je kleerkast ook;

want daar zal ’t er niet beter in uitzien. Ten minste als je den sleutel

vindt.”

„En als hij eens niet terechtkomt, moeder?” vroeg Jansje.

„Dan moet je die jurk maar Zondag en werkdag blijven dragen; — er zit

niet anders op.”

„Als u dan den smid eens liet komen, om ’t slot open te steken en een

nieuwen sleutel te maken,” zeide Jansje.

„Alsof ’t opensteken en ’t maken van een nieuwen sleutel geen geld

kost,” zeide haar moeder. „Zul jij ’t betalen, Jansje?”

Jansje keek verlegen vóór zich, at haar boterham op, nam haar boeken mee

en ging vervolgens naar school. ’t Eerste wat ze deed, was aan de

dienstmeid van den meester te vragen, of die gisteren bij ’t aanvegen

der school geen sleutel gevonden had; en tot haar groote vreugde

antwoordde deze van ja, en liet ze haar den sleutel zien, welken Jans

terstond voor dien van haar kleerkast herkende.

„Dank je, Maartje,” zei ze. „Ja, ’t is de sleutel, dien ik verloren heb

en waar ik gisteren mooi verlegen om ben geweest.”

„Geen wonder, jongejuffrouw,” antwoordde Maartje. „Een mensch is mooi

onthand, als hij een sleutel kwijt is. Was je gisterenmiddag maar

gekomen, dan had je niet in verlegenheid behoeven te zitten.”

„Ja, Maartje! dat was zeker heel verstandig van me geweest,” zeide

Jansje. „Maar ik dacht, dat hij thuis zou zijn, en daar heb ik er me

half mal naar gezocht. Later eerst herinnerde ik mij, dat ik hem in mijn

zak gestoken en zeker met het uithalen van mijn zakdoek kwijtgeraakt

was.”

„Nu, ’t is maar gelukkig, dat het hier in school was,” hernam Maartje.

„Als het zoowel op straat, of wat nog erger zou zijn, in ’t weiland of

ergens anders in ’t gras geweest was, dan was je hem zeker kwijt

geweest.”

„Nu, Maartje, nogmaals hartelijk bedankt!” zei Jansje.

„’t Is de moeite dan ook wel waard, om voor te bedanken,” zei Maartje.

„Ik ben maar blij, dat hij terecht is.”

Met een meer verlicht hart ging Jansje ’t schoolvertrek binnen.

Misschien kwam de gedachtenis haars vaders ook nog wel terecht.

„Hé!” dacht ze, „had ik er Maartje ook eens naar gevraagd. Maar neen,”

zei ze een oogenblik daarna. „Op school kan ik den ring niet verloren

hebben; dat is onmogelijk. Ik moet hem zeker hier of daar hebben

neergelegd, waar hij afgerold is. Ik zal vanmiddag nog eens goed

kijken.”

Toen Jansje dien middag van school kwam, om te eten, was het eerste,

hetwelk ze deed, haar moeder den sleutel te toonen.

„Wel! Waar heb je hem nu vandaan?” vroeg haar moeder.

„Maartje, de meid van den meester, had hem bij ’t vegen van de school

gevonden,” zeide Jansje.

„Geef hem mij nu maar,” zeide haar moeder. „We hebben hem vanmiddag toch

noodig.”

Jansje durfde niet weigeren en gaf den sleutel over. Daar ’t pas een

kwartier over eenen was en ze dus nog vijftien minuten had, voor ’t

halftwee sloeg, ging ze weer naar haar ring zoeken, en dat deed haar

moeder genoegen, die nog beter haar slordigheid en onordelijkheid kon

velen dan haar onverschilligheid omtrent iets, dat weg was; en toen ze

van de middagschool terugkwam, ging moeder met haar aan ’t uitpakken der

laden. Jansje moest toch zelf bekennen, dat de rommel meer dan erg was.

Haar moeder pakte la voor la uit, maakte die schoon, liet Jansje haar

goed netjes opvouwen en wees waar ze ’t leggen moest. Ook de naaidoos

werd weer keurig ingepakt en in een hoekje van de la gezet.

„Bevalt je nu zulk een la niet beter dan zoo’n overhoop liggende boel?”

vroeg haar moeder. „Als je nu ’t een of ander moet krijgen, b.v. een

halsdoek, dan kun je ’t wel in het donker doen. Kom, nu gaan we de

kleerkast opredderen.”

Ook deze werd leeggehaald, schoongemaakt en weer in orde gebracht.

Eindelijk kwam ook de boekenplank aan de beurt, en toen zag ’t kamertje

er allerliefst uit, zoodat Jansje er zelf schik in had.

„Was nu ook de ring maar terug!” zeide Jansje.

„Ja kind! Elk gevolg van je slordigheid is niet zoo licht weg te nemen

als ’t maken van je jurken, het opredderen van je kast en chiffonnière

en het terugvinden van een sleutel! Misschien komt de ring nog wel hier

of daar vandaan. Men kan ’t soms niet weten!”

Door deze taal harer moeder bemoedigd, voelde Jansje zich wel eenigszins

geruster.

„Weet u er ook wat van, Moe?” vroeg Jansje. „Ik geloof het wel.”

„Hoe zou ik er iets van weten, Jansje?” antwoordde juffrouw Klimveld,

verwonderd. „Ik zou je maar raden goed te zoeken.”

„Ja, Moe, dat zal ik doen,” antwoordde deze geduldig; en haar moeder

kreeg bijna medelijden met haar. Zij begreep echter, dat zij zich goed

moest houden, wilde zij haar kind verbeteren. Zij ging dus naar beneden

en zeide tegen Griet: „Hoor eens, je moet volstrekt niet meer met Jansje

over den verloren ring spreken; ik wil eens zien, hoe zij er zich onder

zal houden.”

„Goed, juffrouw,” zeide Griet en ging weer aan haar werk.

’t Werd schooltijd, en Jansje moest dus weg. Zij ging met een bedrukt

hart en kwam op haar tijd in de klasse. Zij keek bedrukt en treurig, was

stil en maakte bedaard haar werk af. Dit verwonderde haar

vriendinnetjes, want die waren dit niet van haar gewend, daar zij den

naam had van een prettige vroolijke meid te zijn, en doorgaans nog al in

trek was.

„Wat zou Jans schelen,” fluisterde Sijtje, terwijl zij Cato een stomp

gaf. „Weet jij het ook?”

„Misschien is zij boos, dat ik niet op haar gewacht heb, toen ik naar

tante ging,” antwoordde de gevraagde. „Maar ik kon toch niet zoo lang

wachten, want dan zou Moe niet geweten hebben, waar ik bleef.”

„Zou je denken, dat zij daarom zoo stil is?” zeide Sijtje. „Hé, anders

is zij toch zoo kwalijknemend niet.”

„Ja maar, vergeet niet dat wij kersen zouden gaan eten, en dat zij dus

die smulpartij is misgeloopen,” gaf Cato ten antwoord. „’t Spijt me nu

eigenlijk wel, dat we niet wat kersen voor haar hebben meegebracht, want

ze houdt er dol veel van.”

„Als we er maar aan gedacht hadden,” fluisterde Sijtje; „we hadden ze

best in onzen zakdoek kunnen knoopen: ik had een schoonen in mijn zak.”

„’t Is dom van ons, en eigenlijk niet aardig ook,” zeide Cato met

zelfverwijt. „Jansje is nog al mijn vriendin, en dus had ik haar dat

pleiziertje wel aan kunnen doen.”

„Meisjes, stilte!” werd er nu geroepen, en dus durfden zij het gesprek

niet langer voortzetten; zij namen zich echter voor, om dadelijk na

schooltijd Jansje naar de oorzaak harer bedruktheid ronduit te vragen.

Nauwelijks waren de lessen dan ook afgeloopen, of Cato en Sijtje stonden

naast Jansje.

„Zeg eens, Jans,” begon Cato, „ben je boos, omdat ik laatst niet op je

gewacht heb? Zeg het me dan maar ronduit, want ik vind het naar, als je

er over loopt te pruilen.”

„Ja, Jans,” viel nu Sijtje in, „’t spijt ons erg, dat wij er niet aan

gedacht hebben om wat kersen voor je mee te brengen! Maar heusch,

meidlief, wij hebben er niet aan gedacht.”

„Och, Sijtje, och Cato, ik ben zoo ongelukkig,” barstte Jansje nu los.

„Omdat je geen kersen hebt gehad?” riepen de vriendinnetjes verwonderd

uit.

Uit Ons Dorp: Drie Verhalen voor Meisjes · 第 1 / 7 段