In mijn' leuningstoel gedoken,
Bij het scheemren der Natuur,
Voor de gure winterspoken,
Veilig bij mijn haardsteê-vuur,
Door verbeelding, in 't verleden,
In de toekomst en het heden,
Tooverende rondgeleid,
In het groot geheel verloren ...
Wat geridsel laat zich hooren,
In mijn peinzende eenzaamheid?
Uit een klein behangselgaatje,
Kruipt, door honger aangespoord,
Trillende als een popelblaadje,
Een vreesachtig Muisje voort:
In en uit heur holtje sluipend,
Luistrend om zich henen gluipend,
Wordt het telkens meerder vrij;
Turende met grage blikken,
Of er ook iets valt te bikken,
Komt het na en nader bij!
Angst en vreeze vloden henen;
Zie, de dartelende Muis,
Is in de etenskast verdwenen,
En voelt zich zoo goed als t' huis!
O! wat nooit gesmaakte weelde,
Nu haar jeukend maagje streelde,
In dat rijk luilekkerland!
't Beestje kan zich wel begraven,
In de keur van lekkre gaven,--
Alles is er naar zijn' tand!
"Maar, ei zie! dat traliehokje,
"Wat hangt dáár voor lekkers in?
"'t Schijnt mij een begeerlijk brokje,
"'t Buikje is rond, maar 'k heb nog zin!"
't Diertje sprak en viel aan 't knabbelen ...
Ach! 't wierp al zijn heil te grabbelen,
Hoor, wat slag! de valklep sluit! ...
Muisje! door te veel te willen,
Moest gij al uw heil verspillen,--
Trek, o Mensch! er leering uit.