Foei, Hendrik! is dat mallen!
Foei, is dat dartel kallen!
Wat hebt gij ze in de mouw ...
Gij stoeit altoos met Mina
En gaaft uw woord aan Lina,
Is, wufthoofd! dat getrouw?
Gaat, jongen! gij in 't vrijen
Reeds zoo het pad bezijen,
Hoor, hoe ik het beschouw:
Pas heeft u de echt verbonden,
Of gij hebt d' echt geschonden,
Uw liefde is niet getrouw!
En maakt u 't huwlijk vader;
Wie, die uw kroost ten rader,
Zijn pligten het ontvouw'?
Ach, naar uw' boozen handel,
Rigt ook het kind zijn' wandel,
Uw voorbeeld steeds getrouw!
Uw snoode deugdonteering,
Bant nering en hantering,
Wat wordt van kroost en vrouw?
Een worm moet u doorknagen,
Als nooddruft hen doet klagen:
"Gij waart ons niet getrouw!"
Is dat uw burgerpligten,
Betamelijk verrigten,
Tot steun van 't staatsgebouw?
Gij ziet door elk u haten,
Als de ergste pest der staten,
In niets zijt gij getrouw!
O! laat uw jeugd nog raden!
Vlied, vlied, de onkuische paden,
Door tijdig naberouw!
Gij weet, Gods woord verkondigt:
"De straf volgt hem, die zondigt,"--
Gods woord, het is getrouw!
'T UUR IS DAAR!
"'t Uur is dáár!
"Moedig maar!
"Kom," sprak Koenraad tot zijn Bruidje,
"Kom, schoon Elsje! in 't huwlijks-schuitje;
"'t Uur is dáár,
"Voor het toevend echtaltaar!"
"'k Gaf mijn hand,
"U ten pand,"
Antwoord ze onder lieflijk blozen,
"'k Heb voor duizend u verkozen,--
"'t Uur is dáár,
"Zegen ons, Alzegenaar!"
En nu hecht,
De eerbare echt,
Trouwe Twee! uw zielen zamen;
's Priesters mond zegt plegtig, Amen!
't Uur is dáár,
Veel geluk, beminlijk paar!
Blijde stond!
't Jaar verzwond,
En aan Elsjes blanken boezem,
Prijkt een frissche huwlijksbloesem;
't Uur is dáár,
't Zaligst uur, voor hem en haar!
Treft hun hart,
's Levenssmart,--
Koen wijst Elsje naar den Hoogen,
Zegt en wischt heur schreijende oogen;
't Uur is dáár,
"Maar God helpt soms wonderbaar!"
Als 't verdriet,
Henenvliedt,--
O! dan spreekt weêr Elsje teeder:
"Knielen wij eerbiedig neder,
"'t Uur is dáár,
"Onzer dankbeê na 't gevaar!"
Moet een pligt,
Nog verrigt,--
Beiden brengen, kloek van zinnen,
Aan hun' geest dien pligt te binnen;
"'t Uur is dáár!"
Zeggen zij dan tot elkaár.
Vroeg ontbood,
Hen de Dood--
Doet die roepstem hun niet beven?
Neen, zij laten kalm het leven;
't Uur is dáár,--
Maar tot de afreis zijn ze klaar!