'k Draag geen haat in 't minnend harte;
Aller welzijn is mijn beê;
'k Leef met God en mensch in vreê,
En stort tranen bij de smarte;
Slechts één schepsel voedstert de aard',
Dat mijn schrikbre gramschap baart!
Afschuw walgt den naam te noemen,
Van het monster zoo ontieg!
't Is--de vuile, vuige vlieg.
Haar te noemen, is haar doemen!
Felle wraak besnaart mijn lier,
Voor die plaag van mensch en dier!
'k Min u, zoele zomerluchten!
Schaars het deel van ons klimaat!
Vreugde lacht op elks gelaat,
Bij uw zoete zielsgenugten,
Doch, waarom verkleint ge uw gift,
Door het voorwerp van mijn drift?
't Snood gedrogt, hoe tergt het de ooren,
Als haar dommelend gebrom,
Mommelend rondsnort, om en om.
Waar de mensch, die 't aan kan hooren?
Niemand dan die zwarte draak,
Vindt in 't zeur geneurie smaak!
Uitgeleerd in booze treken,
Rekt zij d' olifanten-snuit,
Grijpende naar de onschuld uit:
"Leelke vlieg! is dat daar steken,"
Weg is ze, als de hand zich heft
Die den dreiger zelv' nog treft!
Noem de plek, waar ze ooit zich zette,
't Allermislijkst zamenstel,
Dat haar vuilheid niet besmette?
Tot een walglijk tijgervel,
Kleurt ze uw lijnwaad.--Ja, het schreit
Vaderlandsche zindlijkheid!
En haar vraatzucht, waar ge uw voedsel,
Waar ge uw' dronk of bete plaatst,
Nergens, waar haar snuit niet aast,
Niets is veilig voor 't gebroedsel!
Ja, is 't lijf eerst vet gemest,
Dan bezoedlen zij de rest!
Gistren, ('k zal het nooit vergeten!)
Vloog er een afgrijslijk paar,
Dartlend stoeijend met elkaar,
Naar mijn aanzigt--wat vermeten!
Ras herschiep haar lust en keus,
Tot een huwlijks-spond mijn' neus.
Weet de haat geen gif te zoeken,
Dat den dood in de adren stort,
En die pest verderflijk word',
Door haar slimheid te verkloeken;
Waarom is de wraak zoo traag,
Tot de straf' dier helsche plaag?
Komt, ons allen zaân verbonden,
Wie der vliegen vijand zijt!
Menschen, vogels, katten, honden,
Slaat en pikt en krabt en bijt!
help ook gij ons meê, natuur!
Hoor ons: "_voorwaarts!_" in dit uur.
Dat des winters stale krachten,
Zich met onze kracht vereen';
Stouter strijd zij nooit gestreên!
Moge 't zelfde lot haar wachten,
't Lot, dat Napjes legertal,
Eens, in Rusland, bragt ten val!