Voorwereldlijke planten en dieren.--Mosplanten.--Mastodonten.--De
aapmensch.--Niet op het uitgangspunt terug.--Een dolk.--Eene echte
dagge.
Nog gedurende een half uur kraakten deze beenderenlagen onder onze
voeten. Wij stapten voorwaarts, voortgedreven door eene brandende
nieuwsgierigheid. Welke andere wonderen bevatte deze spelonk, welke
schatten voor de wetenschap? Mijn blik was voorbereid op allerlei
verrassingen, mijne verbeelding op allerlei merkwaardigheden.
Het zeestrand was reeds lang achter de heuvels in het beenderendal
verdwenen. De onvoorzichtige professor gaf er weinig om of hij van den
weg geraakte en sleurde mij met zich voort. Zonder een woord te spreken
en badende in de elektrieke golven, schreden wij voorwaarts. Tengevolge
van een voor mij onverklaarbaar verschijnsel verspreidde zich het licht
zoodanig, dat het gelijkelijk op al de deelen der voorwerpen viel. Het
ging niet van een bepaald punt uit en vertoonde ook geen de minste
schaduw. Het was even alsof men zich op den vollen middag, in het
midden van den zomer, onder de loodrecht nedervallende zonnestralen
tusschen de keerkringen bevond. Van damp geen het minste spoor. De
rotsen, de verwijderde bergen, de nog verder afgelegen bosschen--het
had alles een zonderling voorkomen onder de gelijkmatige verdeeling
van de lichtende vloeistof. Wij geleken naar den man van Hoffmann,
die geen schaduw had.
Na eene wandeling van een mijl vertoonde zich de zoom van een
onmetelijk woud, maar geen enkele der champignonboomen in de nabijheid
van Gräubenhaven.
Het was de plantenwereld van het tertiaire tijdperk in al hare
heerlijkheid. Reusachtige palmboomen in soorten die tegenwoordig
niet meer bestaan, prachtige dennen, cypressen en levensboomen
vertegenwoordigden de kegeldragende boomen en waren onderling
verbonden door een netwerk van slingerplanten. De grond was bedekt
door een mollig tapijt van mosplanten en levermossen. Eenige beekjes
murmelden onder het geboomte, dat echter geene schaduw van zich
gaf. Langs de kanten van het water wiesen boomvarens, gelijkende naar
die, welke men aantreft in de broeikassen der bewoonde aarde. Doch
kleur hadden die boomen en heesters en planten niet, omdat zij het
zonlicht misten. Alles was als met eene flauwe, bruinachtige tint
overtogen. De bladeren misten hun groen, en de bloemen zelve, zoo
talrijk in het tertiaire tijdperk, hadden kleur noch geur; 't was
alsof zij vervaardigd waren van papier, verkleurd onder den invloed
van den dampkring.
Mijn oom Lidenbrock waagde zich onder die reusachtige takken. Ik
volgde hem, niet zonder zekeren angst. Had de natuur daar gezorgd
voor overvloed van plantenvoedsel, waarom zag men er geen dier
reusachtige zoogdieren? Ik ontwaarde op de opene plekken, ontstaan
door het omvallen van doode boomen, kruiden die tot de legumineusen,
de acerinen, de rubiaceën behoorden, en voorts, duizenderlei eetbare
struikgewassen, op welke de herkauwende dieren van alle tijden zoozeer
aasden. Verder vertoonden zich, van alles dooreen, boomen zooals men
ze in de verschillende streken des aardbols aantreft, eiken naast
palmboomen, Australische mirten naast Noorweegsche dennen, Noordsche
berken, hunne takken slingerende tusschen tropische tamerinden. Het
was eene verzameling om de schranderste plantenkenners tot wanhoop
te brengen.
Op eens bleef ik stilstaan. Met de hand hield ik mijn oom terug.
Het gelijkmatig verspreidde licht liet ook de kleinste voorwerpen
op den grond onder het geboomte waarnemen. Ik geloofde te
zien.... Neen! inderdaad, ik zag er wezenlijk, met mijne oogen, eene
dierenwereld in beweging. Inderdaad, het waren reusachtige dieren,
eene geheele kudde mastodonten, nu geene geraamten, maar levende
dieren, gelijkende op die, waarvan de overblijfselen in 1801 in de
moerassen van de Ohio gevonden zijn. Ik zag die groote olifanten,
welker snuiten onder de boomen kronkelden als eene menigte slangen. Ik
hoorde hun ivoren slagtanden tegen de oude stammen slaan. De takken
braken af en de bladeren verdwenen in den open muil dier wangedrochten.
Zoo was dan eindelijk de droom verwezenlijkt, in welken ik die geheele
voorhistorische wereld had zien herleven in den tertiairen en den
quaternairen tijd! En wij stonden daar, alléén, in de ingewanden der
aarde, ter prooi aan het woeste gedierte!
Mijn oom zag nauwlettend om zich heen.
"Kom," zeide hij, mij bij den arm nemende, "voorwaarts, voorwaarts!"
"Neen!" riep ik uit, "dat niet. Wij zijn ongewapend. Wat zouden
wij doen in het midden dezer menigte reusachtige dieren? Kom, oom,
kom! Geen menschelijk wezen is in staat om ongestraft de woede dier
gedierten te tergen."
"Geen menschelijk wezen!" antwoordde mijn oom met zachte stem. "Dat
hebt gij mis, Axel! Zie, daar omlaag! Mij dunkt ik zie een wezen als
wij zijn! Een mensch!"
Met opgetrokken schouders zag ik toe, vast besloten om de
ongeloovigheid tot het uiterste te drijven. Maar ik was wel genoodzaakt
voor de klaarblijkelijkheid te zwichten.
Inderdaad, op minstens een vierde mijl afstand, zat, leunende tegen
een reusachtigen boom, een menschelijk wezen, een Proteus in deze
onderaardsche gewesten, een nieuwe zoon van Neptunus, de wacht te
houden over die ontelbare kudde mastodonten!
Hoeder van een reuzenkudde,
Maar toch zelf nog grooter reus!
Ja! zelf nog grooter reus! 't Was nu niet het menschelijk
overblijfsel dat wij hadden opgenomen te midden dier onmetelijke
beenderenwereld, maar een reus, in staat om gebied te voeren over
die monsterdieren. Zijne grootte ging de twaalf voet te boven. Zijn
hoofd, zoo groot als dat van een buffel, verschool zich onder een
kreupelbosch van verwarde haren. Het schenen manen, gelijkende naar
die van den voorwereldlijken olifant. Hij slingerde met de hand een
reusachtigen tak, waardigen staf van dezen voorwereldlijken herder.
Onbeweeglijk en in verbazing waren wij blijven staan. Maar wij konden
opgemerkt worden. Het was tijd het hazepad te kiezen.
"Kom, kom!" riep ik uit, mijn oom voorttrekkende, die zich voor het
eerst liet medetrekken.
Een kwartier later waren wij uit het oog van dezen gevreesden vijand.
En nu ik er bedaard over nadenk, nu mijn geest tot kalmte is
teruggekeerd, nu er maanden zijn verloopen na deze vreemde en
bovennatuurlijke ontmoeting--wat moet ik er nu van denken? Wat er van
gelooven? Neen! het is onmogelijk! Onze zintuigen hebben ons bedrogen;
onze oogen hebben niet gezien hetgeen wij waanden dat zij zagen. Er
leeft geen menschelijk wezen in die onderaardsche wereld! Geen
menschengeslacht bewoont die onderaardsche spelonken, buiten
gemeenschap met de bovenwereld! Dat is onzinnig, volkomen onzinnig!
Ik wil liever denken aan een of ander dier, dat min of meer iets
heeft van de gedaanten des menschen, aan eene soort van aap, aan een
protopitheek of mesopitheek, omtrent zooals er Lartet de overblijfselen
van aantrof in de beenderenlaag van Sansan! Maar deze aapmensch
overschreed ver elke afmeting van de thans bekende wezens uit den
vóórtijd! Om 't even! Een aap, ja, een aap, hoe onwaarschijnlijk het
dan ook moge wezen! Maar een mensch, een levend mensch, en met hem een
geheel menschengeslacht, begraven in de ingewanden der aarde! Nimmer!
Intusschen, wij hadden het heldere, lichtvolle bosch verlaten,
stom van verwondering, overstelpt door eene verbazing die ons als
wezenloos maakte. Wij liepen snel, in weerwil van ons zelven. Het
was een ware vlucht, gelijksoortig aan den geweldigen angst dien men
bij de zoogenoemde nachtmerrie gevoelt. Als onder den invloed eener
geheime aandrift keerden wij terug naar de Lidenbrock-zee, en ik weet
niet welke voorstellingen mijne ziel al doorkruist zouden hebben,
ware het niet, dat ik op andere wijze naar meer gewone gedachten
werd heengeleid.
Hoewel ik zeker was een geheel anderen bodem te betreden, bemerkte ik
toch menigmaal gemengde rotsen, wier gedaante mij aan Gräubenhaven deed
denken. Men zou er zich soms in bedrogen hebben; beken en watervallen
stortten bij honderden van de uitstekende rotsen af.
Ik verbeelde mij de laag Surtarbrandur, onze getrouwe Hansbeek en
de grot, waarin ik in het leven teruggekeerd was, weder te zien;
iets verder brachten de schikking der voorgebergten, de verschijning
eener beek, het verrassende voorkomen eener rots, mij weder aan
het twijfelen.
De professor was even besluiteloos als ik; hij kon den weg niet vinden
in dat eenvormige panorama. Ik maakte het op uit eenige woorden,
die hem ontvielen.
"Het is zeker," zeide ik hem, "dat wij niet op ons uitgangspunt terug
gekomen zijn; maar als wij den oever langs varen, komen wij stellig
weder bij Gräubenhaven terug."
"Als dat zoo is," antwoordde mijn oom, "is het noodeloos om dit
onderzoek voort te zetten en het beste is naar het vlot terug te
keeren. Maar vergist gij u niet, Axel?"
"Het is moeielijk dienaangaande iets te beslissen, want al die rotsen
gelijken op elkander. Mij dunkt echter, dat ik het voorgebergte herken,
aan welks voet Hans zijn vaartuig heeft gebouwd. Wij moeten dicht bij
de kleine haven zijn, misschien is deze het wel," voegde ik er bij,
eene kleine streek onderzoekende, die ik meende te herkennen.
"Wel neen, Axel! dan zouden wij ten minste onze eigene sporen
terugvinden, en ik zie niets...."
"Maar ik zie wat!" riep ik naar een voorwerp toeloopende, dat op het
zand blonk.
"Wat is het dan?"
"Ziedaar!" antwoordde ik, en toonde mijn oom een dolk, dien ik had
opgeraapt.
"Hadt gij dan dat wapen medegenomen?" zeide hij.
"Ik, in het geheel niet, maar gij veronderstel ik."
"Zoo ver ik weet, niet; ik heb dat voorwerp nooit in mijn bezit gehad."
"En ik nog minder, oom!"
"Dat is vreemd."
"Wel neen! het is zeer eenvoudig; de IJslanders hebben dikwijls
zulke wapenen, en Hans, wien dit toebehoort, heeft het op dezen
oever verloren...."
"Hans!" zeide mijn oom het hoofd schuddende.
Vervolgens onderzocht hij oplettend het wapen.
"Axel!" zeide hij mij op een ernstigen toon, "deze dolk is een wapen
uit de zestiende eeuw, eene echte dagge, zooals de edellieden ze aan
hun gordel droegen om den genadestoot te geven; hij is van spaanschen
oorsprong; hij behoort u, noch mij, noch den jager!"
"Durft gij zeggen?"....
"Zie! die schaarden zijn er niet ingekomen door hem menschen in de
keel te duwen; zijn lemmet is met eene laag roest bedekt, die niet
dagteekent van één dag, van één jaar, noch van één eeuw!"
De professor werd naar gewoonte opgewonden, terwijl hij zich door
zijne verbeelding liet medeslepen.
"Axel!" hernam hij, "wij zijn op den goeden weg van de groote
ontdekking! Dit lemmet is sedert een, twee, drie honderd jaar op het
zand blijven liggen, en is geschaard op de rotsen dezer onderaardsche
zee!"
"Maar het is hier niet van zelf gekomen!" riep ik uit; "het is niet
van zelf geschaard! iemand is ons voor geweest!..."
"Ja, een man?"
"En die man?"
"Die man heeft zijn naam met dezen dolk gegrift! Die man heeft nog
eens eigenhandig den weg naar het middelpunt willen aanwijzen! Laten
wij zoeken! laten wij zoeken!"
En vol belangstelling gaan wij den hoogen muur langs en onderzoeken
de geringste scheuren, die in eene galerij konden overgaan.
Zoo kwamen wij op eene plaats, waar de oever smaller werd. De zee
bespeelde bijna den voet der voorgebergten, een pad van ter nauwernood
een vadem breed overlatende. Tusschen twee vooruitstekende rotsen
bemerkte men den ingang van een duisteren tunnel.
Daar stonden op een granietblok twee geheimzinnige, half uitgewischte
letters, de beide voorletters van den stoutmoedigen, avontuurlijken
reiziger:
[AFBEELDING]
"A.S.!" riep mijn oom. "Arne Saknussemm! Altijd Arne Saknussemm!"