Des professors ongeduld geboekstaafd.--De lange zeereis.--In
het ijzer gebeten.--zeemonsters.--Ontsteltenis.--Strijd.--De
plesiosaurus bezwijkt.
Zaturdag 15 Augustus.--De zee behoudt hare eentonige
eenvormigheid. Geen land in zicht. De gezichteinder schijnt oneindig
ver.
Mijn hoofd is nog zwaar door mijn akeligen droom.
Mijn oom heeft niet gedroomd, maar hij is knorrig; hij onderzoekt
met zijn kijker al de punten van den gezichteinder en slaat met een
teleurgesteld gelaat de armen over elkander.
Ik merk op, dat professor Lidenbrock op het punt is om weder de
ongeduldige man van vroeger te worden, en teeken het feit in mijn
journaal aan. Mijne gevaren en mijn lijden waren noodig geweest
om een vonkje menschlievendheid uit hem te voorschijn te roepen;
maar sedert mijne genezing komt zijn ware aard weder boven. En toch,
waarom zou hij zich weder boos maken? Wordt de reis niet voortgezet
onder de gunstigste omstandigheden? Loopt het vlot niet bijzonder snel?
"Gij schijnt ongerust, oom!" zeide ik, toen ik hem den kijker zoo
dikwijls aan de oogen zag brengen.
"Ongerust? Neen!"
"Ongeduldig dan?"
"Men zou het ten minste worden!"
"Toch loopen wij met eene snelheid...."
"Wat baat mij dat? De snelheid is niet te gering, maar de zee is
te groot!"
Ik herinner mij nu, dat de professor voor ons vertrek de lengte van
die onderaardsche zee op omtrent dertig uur gaans schatte. Nu hadden
wij reeds een driemaal langeren weg afgelegd, en nog vertoonden zich
de zuidelijke oevers niet.
"Wij dalen niet!" hervat de professor. "Dat alles is tijd verspillen
en bovendien ben ik zoo verre niet gekomen om een pleziertochtje te
doen op een vijver!"
Hij noemt dien overtocht een pleziertochtje en die zee een vijver!
"Maar", zeide ik, "daar wij den weg gevolgd hebben, dien Saknussemm
heeft aangewezen...."
"Dat is de vraag nog. Hebben wij dien weg gevolgd? Heeft Saknussemm dit
water aangetroffen? Is hij het overgestoken? Heeft die beek, welke wij
tot gids hebben genomen, ons niet geheel van den rechten weg geholpen?"
"In allen gevalle behoeft het ons niet te spijten, dat wij tot hier
toe gekomen zijn. Dit schouwspel is prachtig, en...."
"Wij komen niet om te zien. Ik heb mij een doel voorgesteld en dat
wil ik bereiken. Spreek mij dus niet van bewonderen."
Ik houd mij voor gewaarschuwd, en laat den professor begaan, die van
ongeduld op zijne lippen bijt.
Des avonds te zes uur vordert Hans zijn loon, en zijne drie
rijksdaalders worden hem toegeteld.
Zondag 16 Augustus.--Niets nieuws. Het zelfde weder. De wind schijnt
een weinig te willen aanwakkeren. Bij mijn ontwaken is mijn eerste werk
om de lichtsterkte te onderzoeken. Ik vrees altijd, dat het electrische
verschijnsel eerst mocht verduisteren en daarna uitgaan. Maar er
is niets van aan: de schaduw van het vlot teekent zich zuiver op de
oppervlakte der golven af.
Die zee is waarlijk eindeloos! Zij moet de breedte der Middellandsche
zee, misschien wel van den Atlantischen Oceaan hebben. Waarom niet?
Mijn oom peilt bij herhaling; hij maakt een der zwaarste breekijzers
vast aan het uiteinde van een touw, dat hij twee honderd vaam
viert. Geen grond. Wij hebben veel moeite om ons dieplood weder op
te halen.
Toen het breekijzer weder boven was gebracht, laat Hans mij op zijn
oppervlakte zeer duidelijke indruksels zien. Men zou zeggen, dat dit
stuk ijzer sterk geklemd is geweest tusschen twee harde lichamen.
Ik zie den jager aan.
"Tänder!" zegt hij.
Ik begrijp hem niet. Ik wend mij naar mijn oom, die geheel in nadenken
verzonken is. Ik durf hem niet storen. Ik keer naar den IJslander
terug. Deze, den mond bij herhaling open- en toedoende, maakt mij
zijne bedoeling duidelijk.
"Tanden!" zeide ik ontsteld, terwijl ik de ijzeren staaf oplettender
beschouwde.
Ja! wel zijn het tanden, waarvan de afdruk in het metaal is
achtergebleven! De kaken, waarin zij staan, moeten eene verbazende
kracht bezitten! Is het een monster van de verdwenen soorten, dat
onder de diepe waterlaag zich beweegt, vraatzuchtiger dan de haai,
geduchter dan de walvisch? Ik kan mijne oogen niet afwenden, van
deze half doorgebeten staaf! Zal mijn droom van den vorigen nacht
werkelijkheid worden?
Die gedachten verontrusten mij den ganschen dag, en mijne verbeelding
komt nauwelijks eenigszins tot bedaren gedurende een slaap van
eenige uren.
Maandag 17 Augustus.--Ik doe mijn best om mij de bijzondere
eigenschappen van die voorwereldlijke dieren uit het secundaire
tijdperk te herinneren, die op de weekdieren, de schaaldieren en
de visschen volgende, de verschijning der zoogdieren op den aardbol
voorafgingen. De wereld behoorde toen aan de kruipende dieren. Die
monsters heerschten onbeperkt in de zeeën der Juragroep [13]. De natuur
had hun de volkomenste inrichting geschonken. Welk eene verbazende
kracht! De tegenwoordige hagedissoorten, waarvan de alligators of
krokodillen de grootste en geduchtste zijn, zijn slechts zwakke
nabootsingen van hunne vaderen uit de eerste eeuwen!
Ik sidder, omdat ik die monsters heb opgeroepen. Geen menschelijk
oog heeft ze ooit levend gezien. Zij verschenen op aarde duizend
eeuwen vóór den mensch, maar hunne versteende beenderen, die men
teruggevonden heeft in den kleiachtigen kalksteen, dien de Engelschen
"lias" noemen, hebben ons in staat gesteld hen ontleedkundig samen
te stellen en hunne kolossale vorming te leeren kennen.
Ik heb in het Museum te Hamburg het geraamte gezien van eene
dier hagedissoorten, dat dertig voet lang was. Ben ik, een
bewoner der aarde, dan voorbeschikt om mij vlak tegenover die
vertegenwoordigers eener voorwereldlijke familie te bevinden? Neen! het
is onmogelijk. Toch staat het merk der sterke tanden op de ijzeren
staaf, en aan hun afdruksel zie ik, dat zij kegelvormig zijn gelijk
die van den krokodil.
Angstig vestigen mijne blikken zich op de zee; ik vrees een van die
bewoners der onderzeesche holen boven te zien komen.
Ik veronderstel, dat professor Lidenbrock mijne gedachten, misschien
wel mijne vrees deelt, want na het breekijzer onderzocht te hebben
ziet hij rond over den oceaan.
"Naar den duivel," zeide ik in mijzelven, "met die gedachte, waarop
hij gekomen is, om te peilen! Hij heeft het een of andere zeedier in
zijne schuilplaats gestoord, en als wij niet onder weg aangevallen
worden!..."
Ik sla een blik op de wapens en verzeker mij, dat zij in goeden staat
zijn. Mijn oom ziet, wat ik doe, en maakt eene goedkeurende beweging.
Reeds verraden geweldige golvingen van de oppervlakte der baren de
onrust der dieper liggende lagen. Het gevaar is nabij. Wij moeten op
onze hoede zijn.
Dinsdag 18 Augustus.--Het wordt avond, of liever het oogenblik komt,
waarop de slaap onze oogleden bezwaart; want het wordt nooit nacht
op dezen oceaan en het onverzoenlijke licht vermoeit hardnekkig onze
oogen, alsof wij onder de zon der poolzeeën voeren. Hans staat aan
het roer. Gedurende zijne wacht slaap ik in.
Twee uur later doet een vreeselijke schok mij ontwaken. Het vlot is
met eene onbeschrijfelijke kracht opgeheven en twintig vadem verder
nedergeworpen geworden.
"Wat is er gaande?" roept mijn oom; "hebben wij gestooten?"
Hans wijst met den vinger op een afstand van twee honderd vadem eene
zwartachtige massa, die beurtelings rijst en daalt. Ik bezie haar en
roep uit:
"Het is een kolossale bruinvisch!"
"Ja!" antwoordt mijn oom; "en ziedaar ook een buitengewoon groote
zeedraak!"
"En verder een monsterachtige krokodil! Zie zijn breeden muilen de
rijen tanden, waarmede deze gewapend is. Ha! hij verdwijnt!"
"Een walvisch! een walvisch!" roept de professor. "Ik merk zijne
ontzaglijke vinnen! Zie, wat al lucht en water hij uit zijne neusgaten
spuit!"
Inderdaad verheffen zich twee vloeibare zuilen op eene aanmerkelijke
hoogte boven de zee. Wij staan verbaasd, ontsteld, beangst tegenover
deze troep zeemonsters. Zij hebben bovennatuurlijke afmetingen en
het kleinste hunner zou het vlot met één beet verbrijzelen. Hans
wil te loefwaart afhouden, om die gevaarlijke buren te ontwijken;
maar hij bemerkt aan de andere zijde niet minder geduchte vijanden:
eene veertig voet groote schildpad en eene slang van dertig voet,
die haar geduchten kop boven de golven uitsteekt.
Het is onmogelijk om te vluchten. Die kruipende dieren naderen;
zij draaien rondom het vlot met eene vaart, die een sneltrein niet
zou kunnen evenaren; zij beschrijven om hetzelve evenmiddelpuntige
cirkels. Ik heb mijne karabijn gegrepen. Maar welke uitwerking kan
een kogel hebben op de schubben, waarmede het lichaam dezer dieren
bedekt is.
Wij zijn stom van angst. Daar naderen zij! Van den eenen kant de
krokodil, van den anderen de slang. De overigen zijn verdwenen. Ik wil
vuur geven. Hans houdt mij door een teeken tegen. De twee monsters gaan
het vlot op vijftig vadem afstands voorbij, storten zich op elkander,
en hunne woede belet hun ons te bemerken.
Het gevecht begint op een afstand van honderd vadem van het vlot. Wij
zien de beide monsters duidelijk handgemeen worden.
Maar het schijnt mij toe, dat de andere dieren, de bruinvisch, de
walvisch, de zeedraak, de schildpad, nu ook deel komen nemen aan
de worsteling; ieder oogenblik meen ik hen te zien. Ik wijs ze den
IJslander. Deze schudt ontkennend het hoofd.
"Tva!" zegt hij.
"Hoe! twee? Hij beweert, dat slechts twee dieren...."
"Hij heeft gelijk," roept mijn oom, die den kijker niet van zijne
oogen heeft weggenomen.
"Nu nog fraaier!"
"Ja! het eerste dezer monsters heeft den bek van een bruinvisch,
den kop van een zeedraak, de tanden van een krokodil en dat heeft
ons bedrogen. Het is het vreeselijkste der voorwereldlijke kruipende
dieren, de ichthyosaurus!"
"En het andere?"
"Het andere is eene slang, verborgen in de schaal eener schildpad,
de verschrikkelijke vijandin van den eerste, de plesiosaurus!" Hans
heeft de waarheid gesproken. Slechts twee monsters beroeren zoo de
oppervlakte der zee en ik heb twee kruipende dieren der oorspronkelijke
zeeën voor mij. Ik bemerk het bloedige oog van den ichthyosaurus,
dat zoo groot is als een menschenhoofd. De natuur heeft hem een
buitengewoon sterken gezichtstoestel geschonken, die in staat is om de
drukking der waterlagen in de diepte die hij bewoont, te weerstaan. Men
heeft hem terecht den walvisch der hagedissoorten genoemd, want hij
heeft zijne snelheid en gedaante. Deze meet niet minder dan honderd
voet, en ik kan over zijne grootte oordeelen, als hij zijne loodrechte
staartvinnen boven de golven uitsteekt. Zijn kaak is ontzettend groot,
en volgens de natuurkundigen bevat zij niet minder dan honderd twee
en tachtig tanden.
De plesiosaurus, eene slang met een rolrond lichaam en korten staart,
heeft pooten in de gedaante van roeiriemen. Haar geheele lichaam is
met eene schaal bedek, en haar hals, even buigzaam als die der zwaan,
steekt dertig voet boven de golven uit.
Deze dieren tasten elkander met eene onbeschrijfelijke woede
aan. Zij doen vloeibare bergen oprijzen, die zich tot het vlot toe
uitbreiden. Twintigmaal zijn wij op het punt van om te slaan. Een
ontzettend schel gefluit doet zich hooren. De twee dieren hebben
zich in elkander geslingerd. Ik kan het eene niet van het andere
onderscheiden! Alles hebben wij te vreezen van de woede des
overwinnaars.
Een, twee uren verloopen. De worsteling wordt met dezelfde razernij
voortgezet. De strijdenden naderen en verlaten beurtelings het
vlot. Wij blijven onbeweeglijk, maar houden ons gereed om te vuren.
Plotseling verdwijnen de ichthyosaurus en de plesiosaurus, en vormen
een echten maalstroom in den schoot der golven. Verscheidene minuten
verloopen. Zal het gevecht ten einde gebracht worden in de diepten
der zee?
Maar eensklaps komt een ontzaglijke kop, die van den plesiosaurus,
boven water. Het monster is doodelijk gekwetst. Ik bemerk zijne
verbazende schaal niet meer. Zijn lange hals alleen richt zich
overeind, zakt, verheft zich weder, kromt zich nogmaals, drijft op de
golven als eene reusachtige zweep en wringt zich als een doorgesneden
worm. Het water spat tot op een aanzienlijken afstand. Het verblindt
ons. Maar spoedig eindigt de doodsangst van het kruipende dier, zijne
bewegingen verminderen, zijne stuiptrekkingen bedaren, en het lange
lijf der slang strekt zich als eene levenlooze massa op de tot rust
gekomene golven uit.
Maar de ichthyosaurus, heeft hij zijn onderzeesch hol weder
opgegezocht, of zal hij nog eens aan de oppervlakte der zee
verschijnen?