HOOFDSTUK XXIV

Te horizontaal.--Bijna loodrechte put.--Onder den Oceaan.

Den volgenden morgen hadden wij reeds al het uitgestane leed

vergeten. Ik verwonderde mij eerst, dat ik geen dorst meer had, en

vroeg naar de reden daarvan. De beek, die murmelend aan mijne voeten

stroomde, gaf mij het antwoord op die vraag.

Wij ontbeten en dronken dat uitmuntende ijzerhoudende water. Ik

gevoelde mij geheel opgevroolijkt en vol ijver om verder te

gaan. Waarom zou een zoo innig overtuigd man als mijn oom, met een

schranderen gids, zooals Hans, en een "vastberaden" neef, zooals ik,

bij zich, niet slagen? Zulke mooie gedachten speelden mij in het

hoofd! Als men mij voorgesteld had om naar den top van den Sneffels

terug te keeren, zou ik het met verontwaardiging afgeslagen hebben.

Maar er was gelukkig alleen sprake van dalen.

"Laten wij vertrekken!" riep ik en deed door mijne tonen vol geestdrift

de oude echo's van den aardbol ontwaken.

De tocht werd Donderdag morgen te acht uur hervat. De granieten

gang, zich in allerlei bochten kronkelende, vertoonde onverwachte

krommingen en bootste de verwikkeling van een doolhof na; maar zijne

hoofdrichting bleef toch altijd zuidoostelijk. Mijn oom raadpleegde

gedurig zeer oplettend zijn kompas om zich rekenschap te kunnen geven

van den doorloopen weg.

De galerij liep bijna zuiver waterpas verder met hoogstens twee duim

helling per vadem. De murmelende beek stroomde langzaam, onder onze

voeten. Ik vergeleek haar met een vriendelijken geest, die ons door de

aarde geleidde, en met mijne hand streelde ik de vochtige stroomnimf,

die onze schreden met hare gezangen begeleidde. Mijne opgeruimdheid

nam gaarne eene mythologische wending.

Wat mijn oom aangaat, hij, "de man der loodlijn," raasde geducht over

de waterpasse richting van den weg. Deze, verlengde zich tot in het

oneindige en in plaats van langs den straal der aarde voort te gaan,

zoo als hij het noemde, ging hij langs de schuine zijde. Maar wij

hadden geene keus, en zoo lang wij, al was het ook nog zoo weinig,

het middelpunt naderden, hadden wij geen recht om te klagen.

Ook nam van tijd tot tijd de helling toe; de stroomnimf tuimelde

bruisende voort en wij daalden dieper met haar.

Over het geheel legden wij dezen en den volgenden dag een groot

eind af in eene waterpasse richting, maar betrekkelijk weinig in

eene loodrechte.

Vrijdag avond, den 10den Juli, waren wij naar onze berekening dertig

uur gaans ten zuidoosten van Reikiavik en op eene diepte van derdehalf

uur gaans.

Nu opende zich een verschrikkelijke put voor onze voeten. Mijn oom

kon zich niet weerhouden om in de handen te klappen, toen hij de

steilte zijner helling berekende.

"Die zal ons ver brengen," riep hij, "en gemakkelijk ook, want de

uitstekende punten der rots vormen eene ware trap."

"Hans maakte de touwen behoorlijk vast om ongelukken te voorkomen. De

afdaling begon. Ik durf niet zeggen, dat zij gevaarlijk was, want ik

was reeds gewoon aan die halsbrekende oefeningen.

Deze put was eene nauwe spleet in de vaste rots, van de soort die men

"faille" [11] noemt; het was duidelijk, dat zij ontstaan was door de

samentrekking van het gebeente der aarde, tijdens hare afkoeling. Als

zij vroeger tot een doorgang gediend had voor de gesmoltene stoffen

door den Sneffels uitgebraakt, kan ik mij niet verklaren, waarom er

geen spoor van was achtergebleven. Wij gingen langs eene soort van

wentelende schroef, die door menschenhanden vervaardigd scheen. Om

het kwartier moesten wij stilhouden om de noodige rust te nemen en

aan onze beenen hunne veerkracht terug te geven. Dan gingen wij met

afhangende beenen op eene uitstekende punt zitten, aten en praatten

en leschten onzen dorst aan de beek.

Het spreekt van zelf, dat de Hans-beek, tot nadeel voor haren

omvang, een waterval in deze spleet vormde; maar zij was nog meer dan

toereikend om onzen dorst te stillen; ook kon het niet missen of zij

moest haren rustigen loop hernemen, zoodra de helling afnam. Op dit

oogenblik deed zij mij denken aan mijn waardigen oom, zijn ongeduld

en zijn toorn, terwijl zij door hare zachte hellingen het beeld was

van de kalmte des ijslandschen jagers.

Den 6den en 7den Juli drongen wij, steeds de schroeflijnen dezer spleet

volgende, nog twee uur gaans dieper in de aardschors door, hetgeen

bijna vijf uur gaans onder het vlak der zee uitmaakte. Maar den 8sten,

tegen den middag, kreeg de spleet in de richting van het zuidoosten

eene veel zachtere helling van omstreeks vijf en veertig graad.

De weg werd nu gemakkelijk en zeer eentonig. Het kon ook bezwaarlijk

anders. De veranderingen van het landschap konden de reis niet

afwisselen.

Eindelijk waren wij op woensdag, den 15den, zeven uur gaans onder den

grond en omtrent vijftig uur gaans van den Sneffels af. Wij waren

wel een beetje vermoeid, maar onze gezondheid bleef bevredigend en

de reisapotheek was nog onaangeroerd.

Mijn oom teekende van uur tot uur de aanwijzingen van het kompas,

van den tijdmeter, den luchtdichtheidsmeter en den thermometer op,

die hij later in het wetenschappelijk verhaal zijner reis heeft

opgenomen. Hij kon zich dus gemakkelijk rekenschap geven van zijn

toestand. Toen hij mij mededeelde, dat wij waterpas vijftig uur gaans

ver waren, kon ik een uitroep niet weerhouden.

"Wat scheelt u toch?" vroeg hij.

"Niets, ik maak slechts eene opmerking."

"En die is, mijn jongen?"

"Deze, dat als uwe berekeningen juist zijn, wij ons niet meer onder

IJsland bevinden."

"Gelooft gij dat?"

"Het is gemakkelijk om daarvan zekerheid te krijgen."

Ik mat het met den passer op de kaart af.

"Ik bedroog mij niet," zeide ik; "wij zijn kaap Portland voorbij en

die vijftig uur gaans naar het zuidoosten brengen ons in volle zee."

"Onder de volle zee!" antwoordde mijn oom zich in de handen wrijvende.

"Dan strekt," riep ik, "de oceaan zich boven ons hoofd uit!"

"Maar, Axel! niets is eenvoudiger! Zijn er te Newcastle geene

steenkolenmijnen, die ver onder de golven voortloopen?"

De professor mocht dit al eenvoudig vinden, maar de gedachte, dat ik

onder de watermassa voortliep, boezemde mij toch eenige ongerustheid

in. En evenwel, of de vlakten en bergen van IJsland, dan wel de

golven van den Atlantischen Oceaan zich boven ons bevonden, dat maakt

eigenlijk geen verschil, zoodra het gewelf van graniet slechts stevig

genoeg was. Overigens gewende ik mij spoedig aan die gedachte, want de

nu eens rechte dan weder kromme gang, in zijne hellingen even grillig

als in zijne kronkelingen, liep toch voortdurend naar het zuidoosten

en drong gedurig lager, zoodat hij ons spoedig op eene aanzienlijke

diepte bracht.

Vier dagen later, Saterdag, den 18den Juli, kwamen wij des avonds

bij eene soort van vrij groote grot; mijn oom gaf Hans zijne drie

rijksdaalders weekhuur en er werd bepaald dat de volgende dag een

rustdag zijn zou.

Naar het middelpunt der Aarde · 第 28 / 60 题