HOOFDSTUK V

De professor aan het werk.--De neef valt in slaap.--De

huissleutel verdwenen.--De vreugde van mijn oom.--De lezing

van het document.--De valiezen moeten gepakt worden.

Ik had maar even den tijd om het onheil-aanbrengend document weder

op de tafel te leggen.

Professor Lidenbrock scheen in diep gepeins verzonken. De gedachte, die

hem beheerschte, liet hem geen oogenblik rust; hij had klaarblijkelijk

onder de wandeling de zaak onderzocht, ontleed, alle hulpbronnen

zijner verbeeldingskracht aangewend, en kwam nu terug om de eene of

andere nieuwe verbinding toe te passen.

Hij ging inderdaad in zijn armstoel zitten en met de pen in de

hand begon hij formules neer te schrijven, die op een algebraïsch

vraagstuk geleken.

Ik volgde met mijne oogen zijne sidderende hand; geen enkele zijner

bewegingen ontging mij. Welke onverwachte uitkomst zou hij misschien

verkrijgen? Ik beefde, maar zonder reden, omdat de ware, de "eenige"

verbinding reeds gevonden zijnde, iedere andere nasporing noodwendig

vergeefs moest zijn.

Drie uur lang werkte mijn oom zonder te spreken, zonder het hoofd op

te heffen, duizendmaal uitwisschende, weder opnemende, doorschrappende,

weder beginnende.

Ik wist wel dat, als het hem gelukte om die letters te schikken naar

al de betrekkelijke plaatsen, die zij konden innemen, de zin klaar zou

zijn. Maar ik wist ook, dat twintig letters reeds twee trillioenen,

vier honderd twee en dertig duizend negen honderd twee billioenen,

acht duizend één honderd zes en zeventig millioenen, zes honderd

veertig duizend verbindingen moesten opleveren. In den zin waren

honderd twee en dertig letters, en die honderd tweeën dertig letters

gaven een getal verschillende volzinnen, dat uit minstens honderd

drie en dertig cijfers bestaat, een getal bijna onmogelijk uit te

spreken en dat alle bevatting te boven gaat.

Ik was dus gerust over dit heldhaftige middel om het vraagstuk op

te lossen.

Intusschen verliep de tijd; het werd nacht; het gerucht op straat

hield op; steeds over zijn werk gebukt zag mijn oom niets, zelfs de

goede Martha niet, die de deur half opende; hij hoorde niets, zelfs

de stem dezer waardige dienstbode niet die vroeg:

"Zal Mijnheer dezen avond eten?"

Martha moest zonder antwoord heengaan; ik voor mij, na mij eenigen

tijd er tegen verzet te hebben, werd door den slaap overmand en sliep

in op het einde van de canapé, terwijl oom Lidenbrock nog maar altijd

berekende en doorschrapte.

Toen ik den volgenden morgen ontwaakte, was de onvermoeide werkezel nog

aan den arbeid. Zijne roode oogen, zijn bleek gezicht, zijne haren,

waarin hij met eene koortsige hand had gewoeld, de purperroode rand

onder zijne oogen bewezen genoegzaam zijne verschrikkelijke worsteling

met het onmogelijke, en onder welk eene vermoeinis van zijn geest en

inspanning van zijne hersenen de uren voor hem moesten verloopen zijn.

Ik kreeg waarlijk medelijden met hem. In weerwil van de verwijten,

die ik het recht meende te hebben om hem te doen, gevoelde ik zekere

aandoening. De arme man werd zoo door zijne gedachten overheerscht,

dat hij vergat om boos te worden; al zijne levenskrachten trokken zich

op één punt samen, en daar zij niet door hare gewone veiligheidsklep

ontsnapten, stond het te vreezen dat hare spanning hem binnen kort

zou doen springen.

Ik kon door een gebaar, door een woord slechts die ijzeren schroef

losmaken, die op zijne hersenpan drukte. En ik deed het niet!

Mijn hart was toch goed genoeg. Waarom bleef ik dan stom in zulk een

geval? In het belang van mijn oom.

"Neen, neen!" herhaalde ik, "neen, ik zal niet spreken! Hij zou er

heen willen gaan, ik ken hem; niets zou hem kunnen tegenhouden. Hij

heeft eene vulkanische verbeeldingskracht, en om te doen wat andere

geologen niet gedaan hebben, zou hij zijn leven wagen. Ik zal zwijgen,

ik zal het geheim bewaren, waarvan het toeval mij bezitter heeft

gemaakt; het te ontdekken zou zoo goed zijn als professor Lidenbrock

te dooden. Laat hij het raden, als hij kan, ik wil mij later niet te

verwijten hebben, dat ik hem in het verderf heb gestort!"

Nadat ik hieromtrent tot een besluit was gekomen, sloeg ik de armen

over elkaar en wachtte. Maar ik had niet op een voorval gerekend,

dat eenige uren later plaats had.

Toen de goede Martha het huis wilde verlaten om naar de markt te gaan,

vond zij de deur gesloten; de huissleutel stak niet in het slot. Wie

had hem er uitgenomen? Stellig mijn oom, toen hij den vorigen avond

van zijn haastig uitstapje was teruggekomen.

Was het met voordacht? Was het bij vergissing? Wilde hij ons de

kwellingen van den honger laten ondergaan? Dat dacht mij toch wat al

te erg. Hoe! Martha en ik zouden de offers zijn van een toestand,

die ons niet het minste aanging? Zonder twijfel, en ik herinnerde

mij een vroeger voorval, dat wel geschikt was om ons vrees aan te

jagen. Eenige jaren geleden toch, op een tijdstip dat mijn oom werkte

aan zijn groote mineralogische classificatie, bleef hij acht en veertig

uur zonder voedsel, en het geheele huisgezin moest zich onderwerpen aan

die wetenschappelijke hongerkuur. Ik voor mij kreeg er een maagkramp

door, die niet zeer aangenaam was voor een vrij eetlustigen jongen.

Het scheen mij dus toe, dat het ontbijt even zoo zou uitblijven als

het vorige avondeten. Ik besloot echter mijn moed te toonen, en niet te

wijken voor de eischen der maag. Martha trok het zich zeer aan en werd

bedroefd, die goede vrouw! Wat mij aangaat, de onmogelijkheid om het

huis te verlaten hield mij en terecht meer bezig. Men begrijpt mij wel.

Mijn oom werkte gestadig door; zijn verbeelding verloor zich in de

denkbeeldige wereld der verbindingen; hij leefde ver buiten de aarde

en gevoelde werkelijk geen aardsche behoeften.

Tegen den middag prikkelde de honger mij hevig; Martha had, in hare

eenvoudigheid, den vorigen avond den voorraad der etenskast geplunderd;

er was niets meer in huis. Toch hield ik mij goed. Ik maakte er eene

soort van punt van eer van.

Het sloeg twee uur. Het werd bespottelijk, onuitstaanbaar zelfs,

ik zette groote oogen op. Ik begon bij mij zelven te zeggen, dat ik

het gewicht van het document overdreef; dat mijn oom er geen geloof

aan zou slaan; dat hij er niets in zou zien dan bedriegerij, dat

men hem in het ergste geval tegen zijn zin zou tegenhouden, als hij

de onderneming wilde beproeven; eindelijk, dat hij zelf den sleutel

van het geheimschrift kon ontdekken en dat mijne onthouding dan te

vergeefs zou geweest zijn.

Deze redenen schenen mij uitmuntend toe, hoewel ik ze daags te voren

met verontwaardiging had verworpen; ik vond het zelfs heel dwaas, dat

ik zoo lang had gewacht en mijn besluit was genomen om alles te zeggen.

Ik peinsde dus op een middel om niet zoo rechtstreeks met de deur

in huis te vallen, toen de professor opstond, zijn hoed opzette en

wilde gaan.

"Hoe! het huis verlaten en ons nog eens opsluiten. Dat

nooit. Oom!" zeide ik.

Hij scheen mij niet te hooren.

"Oom Lidenbrock!" herhaalde ik met verheffing van stem.

"Hé! wat is 't?" zeide hij als iemand, die plotseling ontwaakt.

"Welnu! die sleutel!"

"Welke sleutel? De huissleutel?"

"Wel neen," riep ik, "de sleutel van het document!"

De professor keek mij aan over zijn bril; hij bespeurde ongetwijfeld

iets ongewoons op mijn gelaat, althans hij vatte driftig mijn arm, en

zonder te kunnen spreken ondervroeg hij mij met zijne blikken. Echter

werd nooit een vraag juister gesteld.

Ik bewoog mijn hoofd van boven naar beneden.

Hij schudde het zijne met eene soort van medelijden, alsof hij met

een gek te doen had.

Ik maakte een duidelijker gebaar.

Zijne oogen schitterenden met een helderen glans, zijne hand maakte

eene dreigende beweging.

Dit stomme gesprek in deze omstandigheden zou den onverschilligsten

aanschouwer belang hebben ingeboezemd. Het kwam waarlijk zoo ver, dat

ik niet meer durfde spreken, uit vrees dat mijn oom mij in de eerste

omhelzingen zijner vreugde mocht smoren. Maar hij drong zoo sterk,

dat ik antwoorden moest.

"Ja, die sleutel!... het toeval!..."

"Wat zegt gij?" riep hij met een onbeschrijfelijke ontroering.

"Ziedaar," zeide ik, hem het door mij beschreven blad papier

overreikende, "lees!"

"Maar dat beteekent niets!" antwoordde hij het papier ineen

frommelende.

"Niets, als men van voren begint te lezen, maar van achteren..."

Ik had nog niet uitgesproken of de professor slaakte een kreet of

liever een echt gebrul! Een licht was voor zijn geest opgegaan. Hij

was geheel van gedaante veranderd.

"O, schrandere Saknussemm! gij hadt dus eerst uw volzin averechts

geschreven?"

En met drift op het papier aanvallende, las hij met een verduisterd

oog en aangedane stem het geheele document, van de laatste letter af

aan beginnende.

Het behelsde het volgende:

In Sneffels Yoculis craterem kem delibat umbra Scartaris Julii intra

calendas descende, audas viator, et terrestre centrum attinges. Kod

feci. Arne Saknussemm.

Dit slecht latijn zou men aldus kunnen vertalen:

Daal af in den krater van den Sneffels Yocul, dien de schaduw van

den Scartaris treft vóór den eersten Juli, vermetele reiziger! en

gij zult het middelpunt der aarde bereiken.

Ik heb het gedaan. Arne Saknussemm.

Toen hij dit las, sprong mijn oom op, alsof hij onverwachts eene

Leidsche flesch had aangeraakt. Zijne opgewondenheid, vreugde en

overtuiging waren onbeschrijflijk. Hij liep heen en weer, nam zijn

hoofd tusschen de beide handen, verzette de stoelen, stapelde zijne

boeken op elkander, goochelde, het is haast niet te gelooven, met

zijne kostbare adelaarsteenen, gaf hier een slag met de vuist, daar

een tik met de hand. Eindelijk kwamen zijne zenuwen tot bedaren,

en even als iemand die uitgeput is door een overdadig genot, liet

hij zich in zijn armstoel nedervallen.

"Hoe laat is het toch?" vroeg hij na eenige oogenblikken stilte.

"Drie uur," antwoordde ik.

"Wat! dan heb ik mijn middagmaal mooi verzuimd. Ik sterf van

honger. Aan tafel! En dan...."

"En dan?"

"Zult gij mijn valies pakken."

"Wat?" riep ik uit.

"En het uwe!" antwoordde de onverbiddelijke professor, terwijl hij

de eetzaal binnentrad.

Naar het middelpunt der Aarde · 第 8 / 60 题