Een fraai boek.--Een merkwaardige inhoud.--Het oude document.
--Wat het oude papier kostte.
Die kamer was een waar museum. Alle monsters uit het delfstoffenrijk
waren, in de uiterste orde, van opschriften voorzien naar de drie
groote afdeelingen van brandbare, metaalachtige en steenachtige
delfstoffen.
Of ik ze kende, die bronnen der delfstofkunde! Hoe menigmaal had
ik in plaats van met jongens van mijne jaren te spelen, er behagen
in gevonden om die potloodertsen, die koolblende, die steenkolen,
die bruinkolen, die turven af te stoffen! En de jodenlijm, de
harsen, de organische zouten, die voor het geringste stofje bedaard
moesten blijven! En die metalen, van het ijzer af tot het goud toe,
wier betrekkelijke waarde verdween bij de volstrekte waarde als
wetenschappelijke voorbeelden! En al die steenen, waarmede men het
huis in de Koningstraat had kunnen herbouwen, zelfs met eene mooie
kamer er bij, die mij zoo goed zou aangestaan hebben!
Maar bij mijn binnentreden in het vertrek dacht ik in het geheel niet
aan die wonderen. Al mijne gedachten bepaalden zich tot mijn oom. Hij
lag gedoken in zijn grooten armstoel met utrechtsch fluweel bekleed
en hield een boek in de hand, dat hij met de diepste bewondering
beschouwde.
"Welk een boek! welk een boek!" riep hij uit.
Deze uitroep herinnerde mij dat professor Lidenbrock in zijne verloren
oogenblikken ook een boekengek was; maar een oud boek had in zijne
oogen alleen waarde als het onverkrijgbaar of tenminste onleesbaar was.
"Welnu," zeide hij mij, "ziet gij het dan niet? Het is een
onwaardeerbare schat, dien ik dezen morgen gevonden heb bij het
doorsnuffelen van den winkel van Hevelius, den jood."
"Heerlijk!" antwoordde ik met eene gemaakte geestdrift.
Maar waartoe diende dan ook de ophef over een ouden kwartijn in
grof kalfsleeren band, een geelachtig boek, waaruit een verkleurd
leesteeken hing?
Intusschen kwam er maar geen einde aan de uitroepen van bewondering
van den professor.
"Zie," zeide hij, zich zelven vragende en antwoordende, "is het
niet mooi? Ja, zelfs bewonderenswaardig! En welk een band! Gaat het
boek gemakkelijk open? Ja, want het blijft bij iedere bladzijde open
liggen. Maar sluit het wel goed? Ja, want de band en de bladen vormen
een goed geheel, zonder zich ergens te scheiden of te gapen! En dan
die rug, waarin na een bestaan van 700 jaar nog geen enkele scheur
is! Bozerian, Closs of Purgold zouden trotsch geweest zijn op zulk
een band!"
Zoo sprekende opende en sloot mijn oom gedurig het oude boek. Het
minste wat ik doen kon was hem naar den inhoud te vragen, hoewel die
mij geen het minste belang inboezemde.
"En wat is dan wel de titel van dat merkwaardige boek?" vraagde ik
met eene drift, die te hevig was om niet geveinsd te zijn.
"Dit werk," antwoordde mijn oom vol opgewondenheid, "is de
Heims-Kringla van Snorre Turleson, den beroemden ijslandschen schrijver
uit de twaalfde eeuw. Het is de kroniek der noorweegsche vorsten,
die over IJsland regeerden."
"Waarlijk!" deed ik mijn best om uit te roepen, "dan is het zonder
twijfel eene duitsche vertaling?"
"Nu nog mooier!" antwoordde de professor driftig, "eene vertaling! Wat
zou uwe vertaling mij baten? Wie geeft iets om uwe vertaling? Het is
het oorspronkelijk werk in de ijslandsche taal, die prachtige, rijke
maar tevens eenvoudige taal, die de meest verschillende spraakkunstige
verbindingen en talrijke vormveranderingen der woorden toelaat."
"Even als het duitsch," bracht ik vrij gelukkig in het midden.
"Ja," antwoordde mijn oom, de schouders ophalende; "maar met dit
onderscheid, dat de ijslandsche taal de drie geslachten heeft, even
als het grieksch en de eigennamen verbuigt als het latijn."
"Zoo!" zeide ik een weinig in mijne onverschilligheid geschokt,
"en is de druk van dit boek fraai?"
"Druk! wie spreekt er van druk, ongelukkige Axel? Druk! Houdt gij
dit dan voor een gedrukt boek? Neen, domoor! het is een handschrift
en wel een runisch handschrift!..."
"Een runisch?"
"Ja! Zoudt gij misschien willen, dat ik u eene verklaring van dat
woord gaf?"
"Daar zal ik wel op passen," antwoordde ik op den toon van iemand,
wiens eigenliefde gekwetst is.
Maar mijn oom draafde door en onderrichte mij tegen mijn zin in zaken,
die ik niet verlangde te weten.
"De runen," hernam hij, "waren schrijfletters, die vroeger op
IJsland in gebruik waren, en volgens de overlevering had Odin zelf
ze uitgevonden. Goddelooze! bezie en bewonder dan toch die teekens,
welke uit het brein van een god zijn voortgekomen!"
Niet wetende wat te antwoorden, was ik waarlijk op het punt om neder
te knielen, eene soort van antwoord, dat den goden even zeer moet
bevallen als den koningen, omdat het het voordeel heeft van hen nooit
in verlegenheid te brengen, toen een toeval den loop van het gesprek
eene andere wending gaf.
Het was de verschijning van een smerig perkament, dat uit het boek
gleed en op den grond viel.
Mijn oom viel met eene onbegrijpelijke gretigheid op die vod aan. Het
kon niet missen of een oud document, misschien sedert onheugelijke
tijden in een oud boek gesloten, moest hooge waarde in zijn oog hebben.
"Wat is dat?" riep hij uit.
En tegelijk ontvouwde hij zorgvuldig op zijne tafel een stuk perkament,
10 duim lang en 6 duim breed, waarop in dwarse lijnen onverklaarbare
teekens stonden.
Wij voegen een nauwkeurig fac-simile er van hiernevens.
[AFBEELDING]
Ik stel er prijs op om die zonderlinge teekens te doen kennen, want
door hen werden professor Lidenbrock en zijn neef aangezet om den
vreemdsten tocht der negentiende eeuw te ondernemen.
De professor beschouwde eenige oogenblikken deze rij letters;
vervolgens zeide hij zijn bril afnemende:
"Het is runisch schrift; deze letterteekens zijn geheel overeenkomstig
met die van het handschrift van Snorre Turleson! Maar ... wat zou
het toch beteekenen?"
Daar het runisch schrift mij voorkwam eene uitvinding van geleerden te
zijn om den grooten hoop zand in de oogen te strooien, speet het mij
geenszins, toen ik zag, dat mijn oom er niets van begreep. Dat maakte
ik ten minste op uit de beweging zijner vingers, die hij geducht heen
en weer draaide.
"Het is echter oud ijslandsch!" bromde hij binnensmonds.
En professor Lidenbrock moest het wel weten, want men hield hem voor
een groot taalkenner. Wel sprak hij de 2000 talen en 4000 tongvallen,
die op de oppervlakte der aarde in gebruik zijn, niet vloeiend,
maar hij wist er toch aardig wat van.
Toen deze moeielijkheid zich opdeed, was hij op het punt zich aan
al de onstuimigheid van zijn karakter over te geven en ik voorzag
een heftig tooneel, toen het twee uur sloeg op het kleine uurwerk op
den schoorsteenmantel.
Dadelijk opende de goede Martha de deur van het vertrek, zeggende:
"De soep staat op tafel."
"De drommel hale de soep," riep mijn oom, "en haar, die ze gekookt
heeft, en hen, die ze zullen eten!"
Martha vluchtte, ik ijlde haar achterna, en zonder te weten hoe,
zat ik op mijne gewone plaats in de eetzaal.
Ik wachtte eenige oogenblikken. De professor kwam niet. Dit was
de eerste keer, voorzoover ik wist, dat hij bij het middagmaal
gemist werd. En welk een kostelijk middagmaal! eene groentesoep, een
spekpannekoek met zuring bestrooid met notemuskaat, een kalfsnierstuk
met ingelegde pruimen, en tot nagerecht garnalen met suiker, alles
besproeid met lekkeren Moezelwijn.
Zooveel kostte dat oude papier aan mijn oom. In mijne hoedanigheid
van liefhebbenden neef meende ik inderdaad verplicht te zijn om voor
hem en mij te eten, hetgeen ik ook met de grootste nauwgezetheid deed.
"Ik heb nooit zoo iets gezien!" zeide de goede Martha onder het
bedienen. "Mijnheer Lidenbrock niet aan tafel!"
"Het is haast ongelooflijk."
"Dat voorspelt de eene of andere gewichtige gebeurtenis!" hernam de
oude meid het hoofd schuddende.
Mijns inziens voorspelde het niets anders dan een heftig tooneel,
als mijn oom zijn middagmaal verdwenen zou zien.
Ik peuzelde juist mijne laaste garnaal op, toen eene bulderende stem
mij aan de genoegens van het nagerecht ontrukte. In één sprong was
ik uit de zaal in het studeervertrek.