Produced by Branko Collin and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net
MEI-DROOM
DOOR C·S·ADAMA
VAN SCHELTEMA
Alle rechten voorbehouden
TABLE OF CONTENTS
* "Meidroom"
* Publisher's catalog
* Transcriber's notes
(Added by the transcriber.)
MEI-DROOM
EEN FEESTELIJK VERBEELDINGSSPEL
IN ACHT TOONEELEN DOOR
C. S. ADAMA VAN SCHELTEMA
ROTTERDAM MCMXII W. L. & J. BRUSSE
L. S.
Wat hier geboden wordt, wil geen verwerkelijking geven van de theorie
omtrent het "drama" in "de Grondslagen eener nieuwe Poëzie" ontwikkeld. Het
is slechts als proeve bedoeld van een edel feest-spel ter Mei-viering,
picturaal en sculpturaal gezien, -- een spel dus vooral van lijn, kleur en
beweging, waarbij op een zachten ondergrond van muziek, en in Dalcroze's
plastisch verband daarmede, de beweging ontbloeit, omrankt door het
ritmische woord, als op zijne beurt een wekker van gedachten en
verbeeldingen, waarin de geest zich naar eigen welgevallen kan "ver-meien".
Het is gedacht voor een tooneel, dat beschikt over volledige toerusting,
maar kan ook, mits met smaak geleid, in soberder omgeving en met meer
bescheiden middelen worden uitgebeeld; terwijl de opvoering ook als
openlucht-spel, en dan als een waarlijk "morgen-spel", kan geschieden.
A. v. S.
PERSONEN
* DE MAN
* DE VROUW
* MEI
* DE GRIJSAARD
* DE KINDERS zes paren
* DE JONGEREN zes paren
* DE GEHUWDEN vijf paren
* ZEVEN DEUGDEN
MEI-DROOM
EERSTE TOONEEL
[Weidelandschap, omboord door wilgen en struikgewas, waarlangs witte
bloemgroepen met in het midden van den achtergrond ver blauw doorzicht. --
Links op den voorgrond een kleine duinachtige heuvel, welke naar rechts
zachter dan naar links golvend afglooit en met een nog half groenen
takkenbos in de horizontale lijn overgaat. -- Op den heuvel, rechts van een
kleinen rozerooden meidoornstruik, die naar hen heenbuigt, DE MAN en DE
VROUW, twee jonggehuwden, in losse omarming sluimerend, sober gekleed in
grijs-en-zwarten toon, zoodat zij, min of meer als een donkerder vlek,
afsteken tegen de lichte groene omgeving. -- Aanbrekende dag.]
DE MAN
[zich uit de omarming opheffend tot zittende houding]
De nacht ijlt van mijn doove zinnen
En rooft hun wonderlijken waan, --
Het licht daalt door mijn oogen binnen
En doet mijn lippen opengaan.
[Met de rechterhand wekt hij de vrouw, zijne linker naar den dag
uitstrekkend.]
Zie hoe de teedre weide' ontwaken,
Waar stilte met de stilte speelt, --
Nog lijkt het leven zonder sprake --
Nog lijkt de wereld maar een beeld.
[De vrouw komt naast hem op.]
Doch luister --! waar de nevel over
De droomerige struiken vliedt,
Rijst uit het licht-geworden loover
Van ieder twijg een levend lied!
DE VROUW
[naast hem zittend, met saamgevouwen handen]
Mijn zingend hart gaat mee naar boven
En houdt zijn zoete beelden vast,
Om er de lente mee te loven
In 't koor, dat uit de velden wast.
[Zij ziet rond zich omhoog.]
Ik voel de tranen op mijn wangen,
Als dauw op lente's lief gelaat,
Als droppels om mijn oogen hangen,
Als spiegels van den dageraad.
Zoo draag ik in den dag mijn droomen
En tooi ik onze blijde aard -- --
[Zij slaat de armen wijduit en ziet weifelend voor zich neer.]
Zoo zie ik Mei ter wereld komen -- --
Als had ik zelve Mei gebaard!
TWEEDE TOONEEL
[Vóór de laatste regels heeft de heuvel zich geopend en is MEI te
voorschijn getreden. -- Zestienjarig meisje in roomwitte travestie, kleine
bloote voeten, een stafje omwonden met roze egelantier in de hand, een
krans van dezelfde bloemen om het blonde hoofd. -- Terwijl de man en de
vrouw verwonderd oprijzen, knielt Mei voor hen op een knie. (Hier, gelijk
verder, moet bij staande houding van man en vrouw nog ruim voldoende
tooneelhoogte boven hen blijven, zonder dat daardoor de in het tooneelbeeld
overheerschende verticale lijnen verzwakt worden.)]
DE MAN en DE VROUW
[hand in hand, zingend]
Zoo draagt de dag wat ons in droomen
De zoele nacht heeft toegezegd --
Zoo zien wij Mei ter wereld komen,
Als wies hij uit onze' eigen echt!
[Mei rijst op, terwijl de man en de vrouw, waar hij begint te spreken, op
hunne beurt knielen.]
MEI
[rondwijzend met zijn stafje, zingend]
Zie -- uit de aarde
En uit den hemel
En uit uw harten
Ben ik geboren --
Door heel de aarde
En heel den hemel,
Door alle harten
Ben ik verkoren!
Waar ik de weide tooi,
Waar ik mijn bloemen strooi,
Maak ik de wereld mooi,
Maak ik de wereld blij,
Breng ik haar liefde bij --
Zie ik ben Mei!
Waar ik naar boven vaar
Volgt mij een vleugelpaar,
Wiekt heel een hemelschaar,
Maak ik den hemel blij,
Hemel en aarde vrij --
Zie ik ben Mei!
Waar ik u bloemen breng,
Waar ik uw harten meng,
Waar ik uw tranen pleng,
Smelt ik u zij aan zij,
Is u mijn ziel nabij --
Zie ik ben Mei!
DE MAN, DE VROUW, MEI
[staande te zamen, zingend]
Hoor de winden henensnellen
Om het ieder te vertellen,
Dat de meidag (wereld) is ontwaakt --
Wei en wilgen wiegt de hoofden
Alsof zij het nauw geloofden,
Dat hun sluiers zijn geslaakt!
Zie zijn (mijn) adem doet van allen
Dauw en tranen nedervallen,
Blaast van ieder hart den druk --
Zie hoe menschen vleugels krijgen
Om als vogels op te stijgen
In een hemel van geluk!
Parelend van dauw en tranen
Treedt de aard in nieuwe banen,
En haar liefelijk gezicht
Laait in stralend nieuwen luister --
Zwaait van 't grondelooze duister
Aan het grondelooze licht!
[Mei loopt zachtjes heen, zich op een lichten ondergrond van de
naruischende muziek bewegend en van links naar rechts gaande, -- hij raakt
met zijn stafje de bloemen en plukt er de kinders uit. -- De man en de
vrouw, naast elkander staande, zien hem hand in hand na.]
DE MAN
[om zich heen luisterend]
Hoor het, hoor het kwinkeleeren
Uit de bloemgeworden wei!
Al wat leeft wil jubileeren
Om den kleinen blijden Mei.
Waar hij glimlacht in den ronde
Opent zich een nieuwe knop,
Waar zijn bloote voetjes stonden
Stijgt een bevend liedje op.
Volgen wij ons kind en koning,
Lichten in zijn lichtend spoor,
Gasten in zijn wijde woning,
Stemmen in zijn zingend koor!
[Hij wil den heuvel afgaan, doch de vrouw legt haar linkerhand op zijn
schouder en houdt met de andere zijn arm terug.]
DE VROUW
Blijf --! o blijf van hier hem kijken --!
Daal niet in dien lichten tuin --
Alle lieve dingen lijken
Liever van ons droomend duin.
[Over zijn schouder gebogen, in overigens dezelfde houding Mei naziende,
die de kinders wekt.]
Hoe dat witte anemoontje
Voor zijn adem openbloeit --!
't Is of ieder geurend kroontje
Tot een levend kindje groeit!
[Zij zinken beiden droomerig tot een liggende houding neer, waarbij zij met
den rug op hun rechterarm blijven leunen.]
En het is -- alsof ons eigen
Hart verdwijnt in zonneschijn --
Of wij zelve nederzijgen --
En wij zelve bloemen zijn.
DERDE TOONEEL
[Mei, geheel op het linker-achterplan gekomen, verdwijnt even tusschen het
gewas; -- dadelijk daarop snort een groote meikever, met het koor van DE
KINDERS zoemend en trippelend daarachter, in een wijden boog naar het
rechter-voorplan. -- De jongetjes (als anemonen) in één kleur, gedempt
groen, met een kring van zes witte bloembladen om het hoofd (dubbeltallen,
waarvan de bovenste los zijn); de meisjes (als madelieven) in één kleur,
licht-groen, met een kring van ongeveer twintig witte (enkele rozige)
bloemblaadjes om het hoofd (waarbij eenige losse).]
DE KINDERS
[zingend en trippelend achter den meikever]
Hoe zoemen
Wij bloemen
Van hommel en bij!
Wij wuiven, wij stuiven.
Wij groeien en bloeien
Met Mei!
Met Mei!
Met Mei!
[Met de laatste woorden bewegen zij telkens hun hoofdjes heen en weer.]
Wat snorren
Die torren
En kevers zoo blij!
Zij glanzen, zij dansen
De dagen, en dragen
Den Mei!
Den Mei!
Den Mei!
[Als boven.
De vleugels van den kever gaan open, waaruit Mei te voorschijn stapt; --
door zijn stafje aangeraakt, snort de kever rechts naar boven weg. -- Mei
wendt zich tot den man en de vrouw, van wie de laatste, iets oprijzend,
zich op de rechterhand steunt, terwijl beiden verwonderd toezien.]
MEI
[op de kinders wijzend, zingend]
Zie mijn geleide --!
Van heel de blijde
Bloeiende weide
Breng ik u beiden
Dien blonden pluk!
[Onderwijl gaan de kinders in een kring hand in hand om den heuvel.]
Voor u ontplooien
Zij al hun mooie
Harten en strooien
Om u te tooien
Hun bonten smuk!
[Onderwijl plukken de kinders bloembladen uit hun hoofdkrans en strooien
die voor den man en de vrouw.]
Beeld van uw leven,
Droombeeld gebleven --
Doch dat u even
Een geur mocht geven
Van liefde en geluk!
[Onderwijl knielen de kinders in een halven kring vóór den man en de vrouw,
van wie de eerste zich nu ook, op de rechterhand steunend, opheft en de
laatste tot zittende houding rijst. Na Mei's woorden groeit een lichte
muziek, op welke de kinders vóór den heuvel dansen. Uit den dans ontwikkelt
zich dan een wijde zingende kring om den heuvel, die telkens nauwer wordt,
tot zij bij het derde couplet aan den heuvel rusten.]
DE KINDERS
[zingende om den heuvel]
Wij geuren
En beuren
Ons hoofdje u bij!
Ons hoedde, ons voedde
Met luchtjes en zuchtjes
De wei!
De wei!
De wei!
[Met de laatste woorden bewegen zij hun hoofdje en de als kelken daarnaast
opgeheven open handjes heen en weer, van het eene beentje op het andere
stappend.]
En haast er
En blaast er
Het windje nabij --
Daar draaien en waaien
We als blaadjes en zaadjes
Voorbij!
Voorbij!
Voorbij!
[Met de laatste woorden bewegen zij hun hoofdje en de handjes ter hoogte
van middel en borst heen en weer, en gaan met droomdronken stapjes.]
Gaat zachtjes
Met lachjes
Ons hoofdje op zij --
Dan: -- zwijgende -- neigende
Komen wij droomen
Van Mei!
Van Mei!
Van Mei!
[Met het laatste couplet hebben zij zich in dichten halven kring tegen den
heuvel gevlijd; -- zij bewegen nog hun hoofdjes en neerhangende handjes
zacht heen en weer, terwijl zij bij de laatste regels in slaap buigen,
naast en boven elkaar, zoodat het schijnt alsof de heuvel bebloeid is. --
Mei dekt hen met zijn stafje te ruste en gaat langzaam naar het gewas
rechts. -- De man rijst droomerig uit zijn half liggende houding naast de
vrouw; -- met een arm om elkanders middel en met de hoofden tegen elkaars
schouder geleund, zien zij voor zich uit.]
DE MAN
't Is of mijn hart zich weder heugt
Die eerst' ontroerde lentedagen
En ademt in de blijde vlagen
Van eene bloembedolven jeugd.
DE VROUW
't Is of mijn oogen mijne jeugd
En al de sterren wederzagen
Boven de bloesemende hagen
Aan alle wegen mijner vreugd!
[Zij maakt haar arm los en ziet rond naar Mei, die op het linker-achterplan
gekomen is, terwijl hij de jongeren wekt.]
Maar zie hoe Mei door 't groene gras
Het hooger wazend hout al nadert.
En uit het glanzend jong gebladert'
Den bloei wekt van een nieuw gewas!
DE MAN en DE VROUW
[oprijzend en staande uitziende, zingend]
Zie! zie hoe Mei een versche vracht
Van groene levens gaat bestijgen --
En uit een wolk van witte twijgen
Ons zegevierend tegenlacht!
VIERDE TOONEEL
[Mei is van het rechter-voorplan naar het linker-achterplan rondgegaan
langs het gewas, waaruit hij, als haalde hij hen van het groene hout,
enkele jongeren verzameld heeft, die hem volgen. Een oogenblik in het gewas
verdwenen, komt Mei met den stoet van DE JONGEREN, na de eerste woorden van
het gezongen couplet, daaruit te voorschijn. -- De jongelingen dragen korte
buizen met lange sluitende broeken, lichtgeel, met rooden zakdoek om den
hals geknoopt, roode boordsels en knoopen, roode roos in het linker
knoopsgat en achter het rechteroor, in de linkerhand een tak groen, bloote
voeten. De meisjes eveneens in lichtgeel, met een rood sjaaltje om de
schouders, roode knoopen en boordsels, een krans roode rozen om het haar,
in de rechterhand een tak witte bloesems, bloote voeten. -- De jongelingen
links, de meisjes rechts, gaan zij paar aan paar, de eene hand, op
armslengte afstand, op elkanders schouder en met de andere, waarin de tak
blâren of bloesems, tevens een met rozen omvlochten koord omhoog houdende,
hetwelk de twee voorsten alleen met beide handen vasthebben, en waarvan
Mei, op de schouders van het laatste paar staande, de einden als teugels
ophoudt. De stoet komt, als boven, in een boog naar voren en zwenkt dan
naar rechts vóór den heuvel, zoodat eerst meer de witte, dan meer de groene
takken gezien worden. -- De vrouw hangt haar linkerarm om den hals van den
man, die met zijn linkerhand hare hand op zijn schouder vasthoudt, terwijl
hij zijn rechter om het middel van de vrouw slaat en deze, tegen hem
aangeleund, haar vrije arm laat neerhangen. -- Mei neemt in zijn linkerhand
de rozenteugels en wijst met zijn stafje in de andere voor zich uit.]
MEI
[zingend]
Ik spreidde over toppen
En berstende knoppen
Den blos van mijn bloed,
Door alle rosse
Bloeiende bosschen
Schemert mijn gloed.
Van nauwlijks ontbloote,
Ontluikende loten
Vlocht ik mijn stoet,
Mijn rozige teugels
Werden tot vleugels
Voor hun vluggen voet.
[Behalve het laatste paar, of de beide laatste paren, knielen de andere op
een knie; evenzoo Mei, die daarbij met de rechterhand de teugels boven het
hoofd heft, zoodat, waar elk paar het rozenkoord iets hooger houdt, dit een
zuiver opgaande lijn vormt.]
Van liefde levende,
U liefde gevende,
Breng ik den groet
Dier nauw ontwakenden
Uw beider blakende
Min te gemoet!
[Thans knielt ook het laatste paar, waarvan Mei afstapt. -- De beide reien,
het rozenkoord als een hangende guirlande vóór zich houdend, buigen
achtereenvolgens in twee bogen naar voren, ter zijde achter de beide
voorste jongelingen en meisjes blijvende, die half naar voren, half naar
den heuvel gewend, een kwartet vormen. -- Mei blijft op het tweede plan en
ziet toe.]
DE JONGEREN
[Rei van jongelingen, zingend naar voren buigend]
Wij zijn de sappen, die trekken
Van wortels tot wuivende kruinen.
Wij zijn de tuinders -- de tuinen,
De driftige spruitende stekken,
Wij zijn de aders
De bladers --
De boom!
[Rei van meisjes, zingend naar voren buigend]
Wij zijn de bloemen, die wekken
Wier vleugels den hemel injagen,
Wij, die het doel uwer dagen
Met bloeiende beelden bedekken,
Wij zijn de bruiden
De kruiden --
De droom!
[Het kwartet, zingend]
Wij vlechten tot vlammende banden
Den bloei, die uw hart overlaadde,
Wij drijven tot stralende daden
Wiens hart onder rozen bleef branden,
Wij zijn de vleugels
De teugels --
De toom!
[De paren der beide koren hernemen het laatste couplet, buigen zingend naar
elkander toe en vlechten de witte bloesems door de groene takken, waarna de
jongelingen de takken overnemen en de jongelingen en meisjes der even paren
van plaats verwisselen. Bij het laatste woord heffen zij allen het
rozenkoord en den tak triomfeerend omhoog, gelijk eerst het kwartet dat
gedaan heeft, waarbij thans alle jongelingen het koord aan hun andere zijde
nemen. Het eerste meisje van den achtervleugel leidt nu, nadat de
jongelingen en meisjes van den voorsten vleugel zich naar rechts hebben
gewend, een rondedans om den heuvel in, waarbij het rozenkoord dus
omwisselend tusschen de dansenden heenslingert. Uit den dans vlijen zij
zich in een halven kring om den heuvel vóór de kinders. -- De man en de
vrouw zinken droomerig tot een zittende houding terug, waarbij hij, de
rechterhand om haar middel houdend, zich met de linker ter-zijde-achter
stut en zij de handen in den schoot vouwt. -- Als allen rusten schijnt Mei,
die tot daartoe het schouwspel van ter zijde heeft aangezien, in het
rechter-zijgewas te verdwijnen. -- Te gelijker tijd herneemt de muziek het
kindermotief en ontwaken de kinders, die een oogenblik hun kopje opheffen
en heen en weer bewegen.]
DE KINDERS
[zingend]
-- -- -- -- -- --
Maar waar is
De Mei
De Mei
De Mei --!
[De muziek breekt af en de kinders schijnen weer in te slapen.]
DE VROUW
't Is of de Mei, zijn glans vergarend,
Ons hart als eene harp bespeelt
En, zelve door de weiden varend,
Ons droomend jaagt van beeld tot beeld.
DE MAN
't Is of de rei van zomerboden,
Die om ons droomend leger gleed,
Met de ebbe van den nacht gevloden,
In 't wassend dagen wedertreedt.
[Zij keeren zich naar Mei, dien zij zien aankomen. De man houdt de
linkerhand boven de oogen, zich thans met de rechter van achter steunend,
terwijl de vrouw, tegen hem aanbuigend, op de linkerhand leunt en hare
rechter in den schoot houdt.]
DE MAN en DE VROUW
[zingend]
En zie --! Mei zelf keert tot ons weder!
Als eene lentezoelte daalt
Hij uit een groene wolk van teeder,
Ternauw geboren loover neder -- --
Hij heeft het eerste nest gehaald --!
VIJFDE TOONEEL
[De man stut zich nu, iets achterover leunend, op den rechterarm, terwijl
de vrouw, zich voorover naar den stoet buigend, in zijn schoot glijdt en
zich daar overheen op den linkerarm steunt, met het hoofd aan zijn borst
rustend. -- Uit het gewas op het rechter-voorplan komt, als twee elkaar
volgende paren, het kwartet van DE GEHUWDEN, gekleed in losse, om de heup
gegorde gewaden van paarse kleur, met bruin geboord en met enkele roode
bloemen getooid, de mannen zonder baard. Zij dansen den stoet voor met
ieder een schaal vol donkere bloemen in de beide handen. -- Dadelijk achter
hen komt Mei met drie paren gehuwden, in lichtbruine gewaden, met paars
geboord en enkele witte bloemen getooid, de mannen gebaard, die aan
groen-omloofde koorden een groot nest spelenderwijze voorttrekken. Mei
voorop houdt enkel met de linkerhand het meest rechtsche en langste koord,
-- de gehuwden hebben om en om, een telkens korter koord, dat zij met de
rechterhand op den rechterschouder houden en met den linkerarm achter zich
omstrengelen. -- Het kwartet schaart zich paarsgewijze vóór den heuvel
naast elkaar, doch zoo, dat de middelste vrouw en man iets vóór het
uiterste paar staan.]
DE GEHUWDEN
[Het kwartet, zingend]
Wij zijn 't gewas van wijder hemelstralen,
Van hooger zon,
Die tot den bodem van ons hart kwam dalen --
Zoo brengen wij u boordevolle schalen
Dier levensbron.
[Zij nemen de bloemen van de schalen, die met licht-uitstralende kristallen
gevuld zijn, en drukken zich de bloemen als een krans om het hoofd.]
Wij zijn 't, die na de wemelende slagen
Van 't morgenuur
Als zegen der doorgloeide levensdagen
Van de'ochtend in den milden middag dragen
Dien schat van vuur.
[Zij knielen vóór den heuvel en zetten de schalen neer.]
Ons, die het eigen duizendvoudig bouwen
Uit de aarde hief,
Ons zijn de zonnetrillende landouwen,
Ons is het scheppen -- ons het blijde aanschouwen
Van 't leven lief!
[Bij den tweeden regel van het laatste couplet rijzen zij weer op, waarna
zij bij de dan volgende regels de armen wijd uiteenslaan, om ze bij de
laatste woorden vóór zich te vouwen. -- Het laatste couplet wordt dan door
de andere paren als koor herhaald, waarna het kwartet zich achter de
schalen en dichter bij den heuvel schaart, en Mei tusschen het kwartet en
het koor naar voren treedt, terwijl hij aan de naast hem staande vrouw zijn
koord overgeeft.]
MEI
[sprekend]
Over heindeverre weiden,
Onder hemelhooge luchten,
Duiken, schuilen zachte nesten,
Wuiven nesten heen en weder,
Wuiven, wuiven zij hun teeder
Broedsel tusschen aard en hemel.
Over wuivend verre weiden,
In de zee van wind en luchten,
Stijgen, duiken vlugge vogels,
Duiken, duiken zij ter neder,
Brengen voedsel voor hun teeder
Broedsel tusschen aard en hemel.
Over waters, over weiden,
Door de nevelverre luchten,
Varen stadig vluchten vogels,
Vaart hun, vaart hun zacht geveder
Naar het wachtend, wazig teeder
Einde tusschen aard en hemel.
Over heindeverre weiden,
Onder hemelhooge luchten,
Daalt het, daalt het zacht geveder,
Daalt het uit de nesten neder,
Daalt ter wereld al het teeder
Broedsel tusschen aard en hemel.
ZESDE TOONEEL
[Terwijl Mei bij de laatste woorden van het laatste couplet het eerste
koord weer ter hand neemt, rijzen uit het nest de ZEVEN DEUGDEN en zetten
zich op den rand; -- daarbij spreiden de zes gehuwden, ieder meer naar
voren tredend, de koorden straalsgewijze uit (zoodat Mei blijft staan en de
voorste man op het voorste plan komt). -- Een algemeene en plotselinge
beweging naar het nest ontwikkelt zich met de muziek: -- het kwartet snelt
er heen en knielt vóór den eersten straal (tusschen Mei en de eerste
vrouw); de man en de vrouw rijzen op en willen, de vrouw vooraan, den
heuvel afdalen, waarna zij aarzelt en omziende den man bij de hand vat; de
kinders ontwaken, loopen onstuimig, tusschen de nog neerliggende jongeren,
over het rozenkoord en blijven iets achter het kwartet in een halven kring
vóór het nest geknield, waarbij zij hun hoofdje en vooruitgestrekte
armpjes op de muziek (kindermotief) heen en weer bewegen; de jongelingen
en meisjes rijzen dan op hunne beurt en dringen, met het rozenkoord omhoog
geheven, voorbij en over de geknielde kinders, tot vóór het nest, doch nog
achter het kwartet, waar ook zij knielen. -- Dan begint (alles in ritmisch
verband met de muziek) de teruggaande beweging even plotseling: -- de
jongeren laten de armen zakken, rijzen op en, zich omwendend, schijnen zij
de lachende kinders met hun rozenkoord in een vaart mede te trekken naar
den heuvel, waar alles zich in den vorigen stand herstelt; de man en de
vrouw, van wie de laatste den eerste, zijn hand met haar beide handen
omvattende, bij het achterwaarts wijken is voorgegaan, zinken evenzoo
terug, waarbij thans de man, op den rechterarm over den schoot van de
vrouw geleund en de linkerarm achter-naast zich neerhangend, met het hoofd
tegen haar borst rust, en de vrouw zich zittende op de beide
achterwaartsche armen stut. -- Uit de dartel teruggaande beweging groeit
een zachter muziek, waarbij het kwartet, dat mede was opgerezen en
weifelend was blijven staan, aanvangt te dansen, telkens tusschen de open
stralen een der deugden naderend en weer wijkende.]
DANS
[Begonnen bij de voorste deugd (dus vóór het buitenste koord), eindigen zij
tusschen de koorden van Mei en de eerste vrouw, waar thans de beide paren,
het eene met de hand op elkanders schouders, het andere knielende op een
knie, een trede vormen voor de deugd, die, zich op den rand van het nest
wendende, daarvan neerdaalt en tot vóór de vier schalen naar den heuvel
schrijdt. -- Het kwartet volgt de deugd tot buiten de koorden, terwijl de
eerste vrouw, tot dan naar Mei gekeerd, zich omwendt naar den eersten man.
-- Nadat de deugd gesproken heeft, haalt het kwartet evenzoo de volgende
af, waarna de eerste vrouw haar koord aan Mei overgeeft, de deugd met het
kwartet een stap volgt, en op het tweede plan achter Mei gaat staan, die
een stap naar voren komt. Zoo vervolgende staat Mei ten slotte met de zeven
omloofde koorden in de handen op het voorplan en de groep van zes gehuwden
op het tweede plan. --
De zeven deugden zijn in zeer licht blauw lang en los gewaad, waaronder
bloote voeten, met elk een garf bloemen als zinnebeeld, hetwelk zich in den
haartooi sober herhalen kan. -- Nadat de eerste deugd gesproken heeft,
neemt zij haar garf in den rechterarm en blijft rechts naast de achterste
schaal staan; nadat de tweede gesproken heeft, neemt deze haar garf in den
linkerarm, -- beiden vatten dan de lichtende schaal op en treden naar
links.]
GEESTDRIFT
[met een garf hoog opstaande roode papavers]
Ik ben de geestdrift, die naar wijde
Einders van verre vrijheid drijft,
Die 't stormend hart bestookt tot strijden
Voor 't doel, dat ze aan den hemel schrijft.
BEZONNENHEID
[met een bundel korenhalmen, waarvan afhangen roze en witte heggewinden]
Ik ben bezonnenheid, die daden
En woorden weegt in 't vroom verstand,
En uit haar hemel zacht-beraden
Hen neerschrijft in een klaar verband.
IJVER
[met een plok gras vol paardenbloemen]
Ik ben de ijver, ben het streven.
Dat woelend door de dagen knaagt,
Dat naarstig door het jagend leven
Een dichte vracht van plichten draagt.
GEDULD
[met witte waterlelies op den arm, waarbij de groote groene bladen
neerhangen]
Ik ben geduld, dat leerde beiden,
En in een kolk van stil gedacht,
Ternauw bewogen door het lijden,
Aan de'oever van het leven wacht.
KENNIS
[met omhoog staande zonnebloemen]
Ik ben de kennis, die door 't duister
Heelal haar stralen openspreidt,
Tot zij bij 't licht van de'eigen luister
Der wereld luister onderscheidt.
SCHOONHEID
[met een garf neerhangende groote roode rozen]
Ik ben de schoonheid, zij die zwijgend
Al 't hemellicht weer samenbindt
En, in een glimlach nederzijgend,
't Geluk op aarde wedervindt.
LIEFDE
[met een grooten bloeienden rozerooden meidoorntak]
Ik ben de liefde -- in mij ademt
Wat ik ten doop aan 't leven hield, --
Ik ben het, die het al omvademt --
Ik ben het, die het al bezielt!
[Na de laatste woorden, waaruit de muziek ontluikt, werpt zij den
meidoorntak den man en de vrouw in den schoot en neemt met beide handen de
laatste schaal, waarmede zij naar het midden-voorplan treedt. De andere
deugden reien zich hier om haar, terwijl het kwartet, elkaars handen
vattend, zich ter zijde op het linker-voorplan schaart.]
MENUET DER DEUGDEN
[Na den dans schikken de deugden zich vóór het kwartet, waarbij zij de
schalen voor zich neerzetten en, met de armen elkaar omstrengelend, ter
zijde naar den heuvel zien. -- De man en de vrouw zijn bij de woorden van
de laatste deugd geheel tot zittende houding opgekomen; zij houden den
meidoorntak in hun beider schoot en daar overheen elkanders handen gevat,
terwijl zij, naast elkaar gezeten en tegen elkander aanleunend, het vrije
been iets ter zijde gebogen, droomerig over de schalen heen staren.]
DE MAN
't Is of mijn hart die wijde woorden
Als 't zeil de zilte winden gaart,
En met zijn blijbespoelde boorden
Naar onbekende zeeën vaart.
DE VROUW
Mij is 't of ik door groene zoden
Van maagdelijke weiden treed,
Waarin ons beiden, nieuw-genooden,
Een zalig zonlicht welkom heet.
[Mei, die met de groen-omloofde koorden nog bij den dans heeft toegezien,
heeft deze daarna over den schouder genomen en is, het leege nest achter
zich aantrekkend, bij de laatste woorden van de vrouw, met een stillen
glimlach voor zich heen, tusschen het gewas naar rechts verdwenen. Te
gelijker tijd glijdt een schaduw over het tooneel (hetgeen een poos iets
donkerder blijft) welke den man en de vrouw doet rondzien en Mei's heengaan
doet ontwaren, zoodat zij oprijzen en elkaar bij de hand vatten, die zij
met den bloemtak ontsteld naar Mei uitstrekken. -- De groepen willen op de
onrustig groeiende muziek Mei volgen: -- de deugden nemen hunne schalen en
haasten zich naar rechts, gevolgd door het kwartet, zoodat nu aan de
rechterzijde achtereen en van rechts naar links de deugden, het kwartet en
het koor van gehuwden geschaard staan. De kinders en de jongeren ontwaken.]
ALLEN
[zingend]
Zie! maar zie daar!
Mei verlaat
Onzen lichten levensstaat!
Lachend vliedt hij langs de wegen --
Waar het nest in groen vergaat -- --
Bloem en blâren buigen neer,
Nu hun kleine lieve heer
Met zijn stralenrijken zegen
In een wolk is weggestegen -- --
Ach! hun zieltjes voelen veeg --
Ach! hun hartjes loopen leeg!
[De beweging zet zich nu onder de jongeren en de kinders voort, die
oprijzen en met uitgestrekte handen enkele stappen naar rechts komen,
terwijl de man en de vrouw met gezonken handen, thans wat afgezonderd op
den halfverlaten heuvel, blijven toezien.]
DE KINDERS
[zich neervlijend]
Ach! nu loopt ons hartje leeg,
Dat van Mei het meeste kreeg --!
DE JONGEREN
[zich neerzettend]
O! het mooist -- het allermeest
Is toch Mei voor óns geweest --!
DE GEHUWDEN
[neerknielend]
Maar den schoonsten levenszegen
Hebben wij van Mei gekregen --!
DE DEUGDEN
[staande]
Zie van ons zijn luister gloren,
Waar wij zelf uit zijn geboren --!
[Zij heffen de schalen op, waarbij het weer overvloedig licht wordt en Mei
met den grijsaard op den achtergrond verschijnt.]
ZEVENDE TOONEEL
[DE GRIJSAARD in donkerbruine, dunne, wollige pij, sandalen aan de voeten,
witte baard en een smalle krans van jonge groene blaadjes om de witte
lokken; met de rechterhand steunt hij op een groen-omloofden staf, met de
andere rust hij op Mei's schouder, die in de rechterhand zijn roze stafje
heeft en met de linkerhand den stengel van een grooten pluisbol omvat
houdt, welke boven over hem en den grijsaard heenbuigt. -- Bij het
verschijnen van Mei en den grijsaard zetten de man en de vrouw zich weder
neer en blijven verder zittende, met den arm om elkanders hals en elkaar
bij de hand houdend, droomerig toezien.]
ALLEN
[behalve de man en de vrouw half oprijzend, zingende tot Mei met den
grijsaard gekeerd]
Zie! maar zie daar!
Mei komt weer --!
Als een kleine lieve heer
Keert hij uit zijn schaduw nader,
En zijn stralend lijfje houdt,
Lijk een boom van bloeiend hout,
Onzen ouden witten vader!
[De beweging naar den grijsaard met Mei zet zich nu voort: -- de kinders
loopen, tusschen de jongeren en over het rozenkoord, van den heuvel weg
naar het achterplan, waar zij zich paar naast paar en hand in hand in twee
kleine bogen links en rechts van den grijsaard en Mei scharen. Van rechts
komen nu ook de gehuwden met hun kwartet en de deugden, van links de
jongeren eenige stappen naar den grijsaard en Mei toe, zoodat thans alleen
de man en de vrouw op den verlaten heuvel blijven.]
DE KINDERS
Hij, uit wien wij zijn gedegen --!
DE JONGEREN
Hij, de zaaier onzer zege --!
DE GEHUWDEN
Hij, de herder onzer wegen --!
DE DEUGDEN
Hij heeft meest van al gekregen --!
[De zijgroepen komen nu min of meer in de schaduw, terwijl het volle licht
op het midden-achterplan tegen Mei en den grijsaard valt, met de kinders
ter zijde.]
MEI
[zingend, met zachten inzet]
Naar de verte verdwaald,
Heb ik dien stam gevonden --
Heb ik hem hier gehaald
En met bloemen omwonden
En de lente hergeven
Aan wien lente ontvlood --
Zoo is het leven -- --
[Hierbij slaat Mei de armen vóór zich uiteen, den stengel echter zoo
houdend, dat de pluisbol boven hem en den grijsaard blijft, -- hij buigt
dan het hoofdje achterover en blaast in den pluisbol, waaruit een gedeelte
wegdrijft -- -- dan weer voor zich uitziende, zingt hij den laatsten
regel:]
Zoo is de dood --!
DE KINDERS
[als een zachte, bijna fluisterende echo]
Zoo is het leven -- --
Zoo is de dood --!
[Mei en de grijsaard komen thans iets naar voren, in welke beweging de
andere groepen deelen.]
MEI
Menig stam, die al zucht
En al bladerloos wankelt,
Om wiens kruin nog een vlucht
Groene loovertjes sprankelt.
Die daar blinkende beven
Aan een wuivende loot --
Zoo is het leven -- --
[als boven]
-- -- -- -- -- -- --
Zoo is de dood --!
DE KINDERS en DE JONGEREN
[als een zachte echo]
Zoo is het leven -- --
Zoo is de dood --!
[Mei met den grijsaard en, in verhouding daarmede, de groepen komen weder
enkele stappen naar het voorplan.]
MEI
Op de bloeiende zee
Van die ruischende blâren
Wiegt hij zwijgende mee
Als een mast op de baren --
En, ten hemel geheven,
Duikt hij zacht in heur schoot --
Zoo is het leven -- --
[als boven]
-- -- -- -- -- -- --
Zoo is de dood --!
DE KINDERS, DE JONGEREN en DE GEHUWDEN
[als een echo]
Zoo is het leven -- --
Zoo is de dood --!
[Bij zijn laatste woorden heeft Mei den leeggeblazen pluisbol in het gewas
ter zijde geworpen en is thans met den grijsaard op het voorplan, vlak voor
den takkenbos gekomen, te midden van den halven kring der groepen,
waarnaast de heuvel zelf buiten het volle licht blijft.]
DE GRIJSAARD
[sprekend]
Ik kom met kleinen Mei verlegen naar uw feest
Om er mijn beetje groen bij al dien bloei te dragen, --
Want boven bloemen, boven 't hooge loover zagen
Mijn oude oogen naar die schemerende dagen,
Waarin het alles -- alles anders is geweest.
MEI
[droomerig sprekend]
Vertel ons vader die herinneringen, --
Ik was er bij en wist het eenmaal wel,
Maar ik vergat alweer die verre dingen,
En 't lijkt zoo lang geleê, -- vertel -- vertel --!
DE KINDERS
Vertel --!
[De naastbijzijnden, links en rechts, vlijen zich aan de voeten van den
grijsaard, de daaraanvolgenden knielen op een knie, met de hoofdjes en
armpjes op elkaars schouders rustend.]
DE JONGEREN
Vertel --!
[Links, -- de voorsten knielen als de kinders, de volgenden staan met de
armen om elkanders schouders geslagen en het hoofd ter zijde gebogen toe te
luisteren, de achtersten vóór den voet van den heuvel, welke zelf buiten
het tafreel blijft.]
DE GEHUWDEN
Vertel --!
[Rechts, -- met de armen op elkanders schouder geleund en daar overheen
gebogen toeluisterend. -- De deugden, de Liefde in het midden, terwijl de
twee opvolgenden aan haar beide zijden de lichtende schalen als caryatiden
op het hoofd houden, scharen zich inmiddels hand in hand in een halven boog
op het tweede plan, achter den grijsaard. -- De grijsaard zet zich op den
takkenbos te midden van den kring, terwijl Mei met zijn stafje rechts, iets
ter zijde achter hem blijft staan.]
DE GRIJSAARD
[voornamelijk tot de kinders sprekend]
Er was een tijd, voordat het daagde op de aarde,
Voor zich der menschen ziel met 't licht heelal verbond,
Dat ieder schepsel door een blinden doolhof waarde
En geen het goede woord -- den weg ter zonne vond. --
Er was een tijd, waarin geen jonge kinderkoren
Als blijde wijde rei van bloemen in het veld
Op de aarde ontwaakten, maar die ieder nieuw-geboren,
Verwonderd, teeder wicht te midden van 't geweld
Dier wilde wereld stil een krans van zwarte zorgen
Om 't droomig hoofdje leî. -- Toen groeiden zij op steen,
In steenen kelders als in kuilen weggeborgen,
Met steenen boven hen, en steenen om hen heen, --
Zoo diep -- zoo diep daarin, dat zelfs de zonnestralen
Maar vaag iets wisten van die hartjes daar beneê.
Geen wind waaide van 't veld en fluisterde verhalen
Van de'ijlen hemel -- en de vogels -- en de zee, -- --
En, zelf een bleeke vlek, heeft menig nooit geweten
Hoe groen de wereld was. -- Veel werden maar een knop,
Veel werden door het lot vertrapt en stukgereten,
Veel vroeg geplukt, -- en veel -- groeiden ondelgbaar op! --
Ik zelf was één van hen --!
DE KINDERS
Zoo'n kleine bloem in donker --?
DE GRIJSAARD
[voornamelijk tot de jongeren sprekend]
Donker --?-- ja donker wel, waar zelfs de warme glans
Der blijde liefde maar een weifelend geflonker
In 't arme leven was, -- een bang-gewachte kans
In 't blindelingsche spel -- een hoop -- een heete wonde --!
Hoe beefde liefde als de laatste dunne snaar
Van een gedoofd akkoord, -- hoe leefde zij als zonde:
Een worstelende greep --! en nooit dat wijd gebaar
Van wie een wereld aan zijn warme hart wou drukken! --
Ach 't leven was een woud, een schemer zonder dag.
Een duisternis van strijd en eeuwig onderdrukken,
Waar slechts de sterke wies, -- tot hij de sterren zag.
En toch: -- hoeveel dat klom, dat bloeide in 't verborgen,
Dat ál maar schoonheid beurde uit die verdoemde laagt' --
Dat bouwde in den nacht en wachtte op den morgen -- --
Totdat de roode dag voor allen heeft gedaagd --!--
Zij bloeiden boven mij --!
DE JONGEREN
Zoo vele liefdeloozen --?
DE GRIJSAARD
[voornamelijk tot de gehuwden sprekend]
O -- liefde tóch! -- welk hart, dat haar nimmer beleed?
Ook zij droegen haar toom -- doch zelden met de rozen,
Die vroeg ontbladerde' op den bodem van hun leed.
En als de lente ging -- wat doornen die hen wachtten
Aan 't zwart-getrapte pad: -- de mannen, gauw berooid
Van allen bloei, -- de vrouwen, ledig van gedachten --
Zelfs door geen vaal verdriet met tranen meer getooid.
O -- liefde tóch! -- hoe heeft zij hen door 't leed gedragen,
Wier hart het lichtend beeld van 'n leven in zich droeg,
Dat ze als een witte ster boven den einder zagen, -- --
Totdat hun staf 't licht uit de donk're bergen sloeg,
En door de grauwe weerld 'n zondvloed van liefde welde,
Waarin de oude aarde eind'lijk ging bestaan --!
O -- liefde was wel de bezieling van die helden,
Die voor ons vochten, -- die hebben gedáán -- gedáán --!--
Ik was nog maar een bloem --!
DE GEHUWDEN
En weet gij nog die jaren --?
[Het tooneel wordt langzaam iets donkerder, zoodat vooral de schalen
schijnen te lichten.]
DE GRIJSAARD
[voor zich heen starend]
Ik weet nog vaag hoe men toen samenkwam en zong, --
Ik zie nog vaag die donk're -- lange -- lange scharen
Met kleinen Mei voorop -- -- doch Mei is eeuwig jong; -- --
Maar, als het zomert, meen 'k die stemmen soms te hooren,
Is 't of mijn oog op eens die verre wereld ziet, -- --
Dan groeit dat groot visioen -- dan ruischt weer in mijn ooren
De zachte echo van een lang-vergeten lied -- -- --
[Bij de laatste woorden klinkt gedempt van verre de muziek van een bekenden
revolutionnairen zang, -- allen luisteren met den grijsaard mede. -- Met
het einde van de eerste strophe ziet de grijsaard op naar den man en de
vrouw, die bij het laatste gedeelte van zijn verhaal allengs uit hun
luisterende houding zijn teruggezonken op den heuvel en onder de eerste
tonen der muziek zijn ingesluimerd, in juist dezelfde houding als bij den
aanvang, -- allen zien mede op naar het slapende paar. -- Dan legt de
grijsaard den vinger op de lippen, rijst op en schrijdt langzaam heen, met
den groenen staf in zijn rechterhand en aan zijn linker de kleinste van de
kinders, waarachter de anderen volgen en met de zachter klinkende muziek de
aftocht begint: -- Velen der kinders en der jongeren werpen het sluimerend
paar kushandjes toe, anderen houden een vinger op de lippen, of wijzen nog
omziende elkander naar het paar, allen gaan zachtjes, als op de teenen,
voorbij; de stoet gaat links vóór den heuvel om en wendt zich dan naar het
rechter-achterplan, waar hij in 't gewas verdwijnt. -- De deugden zijn voor
het begin van den aftocht geheel op het achterplan teruggetreden en blijven
daar geschaard in denzelfden caryatidenstand. -- Op het voorplan blijft Mei
alleen over: hij werpt bij de laatste tonen van het al verderaf klinkende
lied den beiden slapenden een kushand toe, zwaait met zijn stafje in het
rond en slaat op den heuvel -- waarbij plots het volle licht terugkeert,
hij zelf op de plaats, vanwaar hij verscheen, weer in den heuvel verdwijnt,
en de man en de vrouw ontwaken te midden der lichte stilte. -- Zij zien
naar den bloeienden meidoorntak, die nog op hun schoot in hunne handen
ligt, dan omhoog tot den bloeienden struik naar hen heen gebogen;
verwonderd kijken zij rond, wrijven zich de oogen uit en zien elkander aan;
dan rijzen zij op, geven elkaar glimlachend de hand en dalen, de man thans
links, de vrouw rechts, ieder met een loot van den tak, den heuvel af naar
het voorste plan, waar de beide zijgordijnen langzaam achter hen
dichtschuiven.]
ACHTSTE TOONEEL
EPILOOG
[Eenige stappen van elkaar af staande, ten halve tot elkander gewend, zien
de man en de vrouw eerst nog mijmerend voor zich uit.]
DE MAN
't Is of de droom van blonde weelde,
Die straalde uit de lentelucht,
Op eens, met al zijn blijde beelden,
Den hemel weer is ingevlucht.
DE VROUW
Ach, laat ons aan het droomen blijven --!
Hoe zoet om naar dat droomenland
Van 't wilde leven weg te drijven,
Als bloemen aan den waterkant.
DE MAN
[tot haar tredend en zijn linkerhand op haar rechterschouder leggend]
Neen! -- schooner is 't waarachtig leven,
Schooner dan droomen is de strijd!
En meer dan droomen kunnen geven
Geeft ons de groote werklijkheid.
DE VROUW
[haar rechterhand op zijn linkerschouder leggend]
Dan zal de droom ons leven sterken.
Waar wij te zamen, hand in hand,
Aan eene nieuwe wereld werken
En vechten voor 't beloofde land.
[Zij laten elkander nu los en komen naast elkaar vlak voor het voetlicht,
vanwaar zij zich tot de toeschouwers wenden.]
DE MAN
Zij onze droom voor uwen geest
De schoonheid, die ge in 't leven leest --!
[Bij de laatste woorden werpt hij een handvol bloesems van den meidoorn
over de toeschouwers.]
DE VROUW
Ons spel is maar een droom geweest --
Ontwaakt gij tot een waarlijk feest --!
[Bij de laatste woorden werpt zij eveneens een handvol bloesems. Zij
strooien daarna de overige bloesems naar de toeschouwers, leggen dan den
vinger op de lippen, nemen elk een slip van de dichte gordijnen en halen
deze langzaam, op de teenen loopend, naar weerszijden open; met de eene
hand het gordijn ophoudend, wijzen zij met de andere daarna de toeschouwers
met uitgestrekten vinger op het tafreel daarbinnen: -- Allen zijn, als een
nog sluimerend toekomstbeeld, op hunne beurt in slaap gezonken; in het
midden, tegen den takkenbos geleund, zit Mei, met het hoofd ter zijde op
den linkerarm gebogen en in de rechterhand nog het schuin-gevallen stafje
ophoudend, terwijl de grijsaard languit, met het witte, groenomloofde hoofd
dwars in Mei's schoot rustend en den gezonken groenen staf nog naast zich
in de hand, schijnt te sluimeren; aan beide zijden liggen de kinders, de
jongeren en de gehuwden, allen neergevlijd en in slapende houdingen; achter
Mei en den grijsaard liggen de deugden geknield op eene knie, met de
lichtende schalen omhooggeheven, (de Liefde in het midden houdt in iedere
hand met de naastknielenden een schaal op, deze houden met den anderen arm
de beide naast hen geknielden wederzijds bij de schouders omstrengeld,
welke met de beide uitersten wederom een schaal omhooghouden). --
De man en de vrouw schuiven de gordijnen weder dicht, en treden bij het
sluiten nu tevens zelf daarbinnen.]
* * * *
DIT BOEKJE IS GEZET UIT DE HOLLANDSCHE MEDIÆVAL DER LETTERGIETERIJ
"AMSTERDAM", ONTWORPEN DOOR S. H. DE ROOS
* * * *
VAN C. S. ADAMA VAN SCHELTEMA IS VERSCHENEN
DE GRONDSLAGEN EENER NIEUWE POËZIE Uitverkocht
EEN WEG VAN VERZEN Uitverkocht
UIT DEN DOOL Uitverkocht
VAN ZON EN ZOMER 3e druk f 0,60, geb. f 1,10
ZWERVERSVERZEN 3e druk f 0,60, geb. f 1,10
EENZAME LIEDJES 3e druk f 0,60, geb. f 1,10
UIT STILTE EN STRIJD 2e druk f 0,60, geb. f 1,10
EERSTE OOGST f 0,90, geb. f 1,50
MEIDROOM f 0,60, geb. f 1,10
LEVENDE STEDEN: I LONDEN, II DUSSELDORP, III AMSTERDAM
per deel f 0,60, geb. f 1,10
Enkele exemplaren op geschept Holl. papier per deel f 2,50
VOLLEDIGE TITELOPGAVE VAN ALLE WERKEN VERSCHENEN BIJ W. L. & J. BRUSSE TE
ROTTERDAM EN IN IEDEREN BOEKHANDEL TE VERKRIJGEN. JULI 1912.
[Illustration: WHEN ADAM DELVED AND EVE SPAN
WHO WAS THEN THE GENTLEMAN]
Verkleinde illustratie uit William Morris
Kunst en Maatschappij.
BELLETTRIE. VERZEN. KUNST.
REISBESCHRIJVING.
LIEDJES WIJZEN EN PRENTJES.
WERKTUIGKUNDE.
WETENSCH. ONDERWERPEN.
WIJSBEGEERTE.
KINDERBOEKEN.
OPVOEDING, ONDERWIJS ENZ.
BELLETTRIE.
Mr. Antonio
NIEUWE SCHETSEN UIT DE TWEEDE KAMER ONDER HET MINISTERIE-KUYPER. Met 60
karikaturen van Dirk Nijland. Prijs gecart. f 2,25.
Piet van Assche
MARCUS EN THEUS. Met omslag- en bandversiering van D. Nyland. Prijs ing.
f 2,90, gebonden f 3,50.
M. J. Brusse
HET ROSSE LEVEN EN STERVEN VAN DE ZANDSTRAAT. (De Rotterdamsche "Polder"
gesloopt.) Met tal van historische afbeeldingen naar teekeningen en
fotografieën uit deze internationaal vermaarde nachtbuurt, haar bevolking,
en wat de sloopers er van hebben gemaakt. Prijs f 0,90 gebonden f 1,25.
M. J. Brusse
BOEFJE. Naar het leven verteld, 11e en 12e druk, met een naschrift: "Zeven
jaar later". Goedkoope uitgaaf. Prijs f 0,90, geb. f 1,25.
M. J. Brusse
BOEFJE. Naar het leven verteld door M. J. Brusse (10e druk). Op veertien
steenen in prent gebracht en verlucht met bladversieringen en beginletters
door Dirk Nijland. Met een voorrede door Johan de Meester. Gebonden in
perkamenten band met gouden stempels. (33 × 27-½ cM., XX + 166 + 14 × 4
bladzijden. 14 prenten op Japansch papier buiten den tekst). No. 1-100
épreuves d'artiste, gewaarmerkt door den schrijver en den teekenaar met
hunne handteekeningen. Prijs f 47,50. No. 101-300 gebonden in linnen
f 25,-.
[Illustration: portrait] M. J. Brusse.
M. J. Brusse
HET NACHTLICHT VAN DE ZEE. 3e 1000-tal. Met een penteekening van Jozef
Israëls en een omslagteekening van J. B. Heukelom. Prijs f 0,90, geb.
f 1,25.
M. J. Brusse
LANDLOOPERIJ. 1e druk. Met een kopergravure van Prof. P. Dupont. Een
krijtschets van zijn hand is op het omslag gereproduceerd. Nog enkele
exemplaren. Prijs geb. f 2,90.
M. J. Brusse
LANDLOOPERIJ. Zwerftocht van een dagbladschrijver onder stroopers en
schooiers. 4e druk. 5e 1000-tal. Goedkoope uitgaaf. Prijs f 0,90, geb.
f 1,25.
M. J. Brusse
SLAVERNIJ VOOR MOOIE KLEEREN. Uit het leven van de "lijders aan
confectie". Omslagteekening van Johan Briedé. 2e druk. Prijs f 0,10.
H. C. Buurman
BOHEMIEN-WONING. Een roman uit het pension-leven. Prijs f 2,50, geb.
f 3,25.
Frans Coenen
BURGERMENSCHEN. Prijs f 2,90, gebonden
f 3,50.
Henri Dekking
DE GLAZEN GRAAF. Prijs f 3,25, geb. f 3,90.
Henri Dekking
OP DWAALWEGEN. Prijs f 3,25, geb. f 3,90.
Henri Dekking
GETROFFENEN. Prijs f 3,25, geb. f 3,90.
Henri Dekking
WINTERKONINKJE. Prijs f 3,25, geb. f 3,90.
R. van Genderen Stort
IDEALEN EN IRONIEËN. Prijs f 2,90, geb. f 3,50.
Maxim Gorki
SLAAPSTEE. (Nachtasyl). Uit de onderste lagen der samenleving. Tooneelspel
in 4 bedrijven, vertaald door Henri Hartog. 2e druk. Prijs f 1,25, geb.
f 1,65.
L. Hamme
WOLVEN IN MENSCHENGEDAANTE. Roman uit het Woekeraarsleven, met een voorrede
van Mr. Joh. J. Belinfante, Voorz. v. d. Nationale Ver. tot bestrijding van
den Woeker. 400 blz. Prijs f 1,90, geb. f 2,50.
Henri Hartog
EEN EIGENWIJS SCHRIJFSTER. (Anna de Savornin Lohman). Prijs f 0,25.
Henri Hartog
SJOFELEN. Verzameling van de nagelaten werken van den schrijver met zijn
portret. Voorrede van Lodewijk van Deyssel. Omslag- en bandversiering van
Dirk Nijland. Prijs f 2,90, geb. f 3,50.
Krede Ben Heik
ACHMED, GEZEGD DE DORST NAAR HET SCHOONE. Het boek ontluiking.
Oorspronkelijke roman, 2e goedkoope druk met portret van den schrijver.
Prijs f 1,50, in linnen stempelband f 1,90.
Frits Leonhard
VROOLIJKE MAKKERS. Oorspronkelijke roman. Prijs f 2,40, geb. f 2,90.
Frits Leonhard
AAN LAGER WAL. Oorspronkelijke roman. Omslagteekening van J. J. Aarts.
Prijs f 2,40, gebonden f 2,90.
Frits Leonhard
HET KNECHTJE. Oorspronkelijke roman. Omslag- en bandversiering van
D. Nijland. Prijs f 2,90, geb. f 3,50.
Frits Leonhard
KLEINE BANDELOOZEN. Omslag- en bandteekening van D. Nijland. Prijs f 1,50,
geb. f 1,90.
Frits Leonhard
EMIGRANTEN. Tooneelspel in 3 bedrijven. Prijs f 1,25, geb. f 1,60.
Virginie Loveling
ERFELIJK BELAST. Oorspronkelijke roman. Met portret. Prijs f 2,90, geb.
f 3,50.
Virginie Loveling
DE TWISTAPPEL. Oorspronkelijke roman. Prijs f 2,40, geb. f 2,90.
Ernst Lundquist
TALMI. Roman uit het leven te Stockholm. Geautoriseerde vertaling van
F. Lahr Jr. Prijs f 2,10, geb. f 2,50.
Hans Martin
DANSERESJE. Oorspronkelijke roman. Prijs f 3,25, geb. f 3,90.
Hans Martin
ONDER JONGENS EN MEISJES. Prijs f 2,50, geb. in stempelband f 3,25.
J. B. Meerkerk
ADELBERT VAN HOORNE. Oorspronkelijke roman naar het handschrift van wijlen
zijn vriend P. R. Aufetos. schrijver van "Ananda". Prijs ingenaaid f 3,25,
in linnen stempelband f 3,90.
[Illustration: portrait] A. Moresco.
Portret door J. J. Aarts voor Journalistieke Manoeuvres met den
Zedenspiegel.
Pieter van der Meer
LEVENS VAN LEED. Met omslag- en bandversiering van D. Nijland. Prijs
f 2,50, geb. f 3,25.
Johan de Meester
DE MENSCHENLIEFDE IN DE WERKEN VAN ZOLA. Met portret door Steinlen. Prijs
f 0,50.
Victor de Meyere
LANGS DEN STROOM. Prijs f 2,50.
A. Moresco
JOURNALISTIEKE MANOEUVRES MET DEN ZEDENSPIEGEL. Boekversiering van Prof.
J. J. Aarts. Prijs f 1,50, geb. f 1,90.
Marie Schmitz
UIT UREN VAN VERLANGEN. Oorspronkelijke roman. Prijs f 3,25, geb. f 3,90.
J. C. van Wijck Czn.
WERELDLENTE. Roman van hedendaagsche Christelijke Moraal. 280 blz. Prijs
f 1,90, geb. f 2,50.
Serie: EEN BOEK VAN
Bernard Canter
No. 1. TWEE WEKEN BEDELAAR. 4e druk met 2 portretten. 152 blz. f 0,35, geb.
f 0,55.
Frans Coenen
No. 2. DE ZOMERGENOEGENS VAN DE FAMILIE KRAMP. 100 blz. Geb. f 0,45.
M. J. Brusse
No. 3. IN DE NACHTBUURT. 3e druk. 118 bladz. f 0,35, geb. f 0,55.
Henri Hartog
No. 4. IN D'R NIEUWE WONING. Realistische novelle. Met 1 portret. 128 blz.
Ingenaaid uitverkocht. Geb. f 0,50.
Hélène Lapidoth-Swarth
No. 5. LOUISE. Een novelle. 88 bladz. Ingenaaid uitverkocht. Geb. f 0,45.
Richard de Cneudt
No. 6. DE PRIMUS. Humoristische novelle. 96 bladz. Prijs f 0,25, geb.
f 0,45.
Frits Leonhard
No. 7. ZWERVELINGEN. 100 bladz. Prijs f 0,25, geb. f 0,45.
Lute Klaver
No. 8. DE VRACHTRIJDER VAN WARMELO. 152 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
J. H. Speenhoff
No. 9. AVONTUURTJES. 2e druk, 88 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
Richard de Cneudt
No. 10. DE SECRETARIS DER DEKENIJ. 160 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
Mr. M. G. L. van Loghem
No. 11. PROEFKONIJNTJES. 128 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
M. J. Brusse
No. 12. ACHTER DE COULISSEN. 140 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
J. H. Speenhoff
No. 13. FILIPHINA'S WONDERLIEFDE. Met 30 teekeningen van den schrijver. 96
bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
Ina Boudier Bakker
No. 14. EEN DORRE PLANT. 118 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
Jan Feith
No. 15. TER ZONNE. Een sprookje van vruchtloos vliegen. 100 bladz. Prijs
f 0,35, geb. f 0,55.
Anna van Gogh-Kaulbach
No. 16. LIEFDESSPROKE. 118 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
K. T. Nieulant (Dr. J. A. N. Knuttel)