DE FASHIONABELE DINEUR.

Voor den man, van wien ik in deze regelen het portret en de

beschrijving wil leveren, weet ik inderdaad geen goeden Hollandschen

naam.

»De fatsoenlijke eter"? Neen! dat drukt niet uit wat hij is.--»De

deftige gast"? Evenmin!--»De tafelvriend van goeden huize"? Misschien

zou die naam iets beter zijn, maar 't is toch de rechte niet. Neen! er

is bepaald in onze taal geen geheel geschikte uitdrukking om aan te

toonen, wat ik met »den fashionabelen dineur" bedoel.

't Is zonderling, maar het mengsel van Engelsch en Fransch schijnt

noodig te zijn om met twee woorden den persoon te kenschetsen, dien ik

op 't oog heb; misschien ligt er wel het bewijs in, dat hij

oorspronkelijk een »niet inheemsch" type is, maar--ik ben er zeker

van--velen van hen, die dit schetsje lezen, zullen hem hier of daar

hebben ontmoet.

Wellicht wisten zij vóór dezen niet, dat de hoogstfatsoenlijke gast,

dien zij aan tafel ontmoeten, mijn model is geweest; misschien komen

zij, na 't lezen van dit opstel, tot de gevolgtrekking, dat de uiterst

beleefde, spraakzame, beschaafde en bovenal vormelijke man, die hun

over- of nabuur was, tot het gild der »dineurs" behoorde.

Valt u dus voor hem een goede kernachtige naam in, geachte lezer,--ik

houd mij aanbevolen om dien over te nemen.

* * * * *

De fashionabele dineur is meestal een man op zekeren leeftijd,

ongehuwd en van goede, dikwijls van aristocratische familie; ik heb er

zelf een gekend, die rechtstreeks van een oud Provinciaal

regeeringsgeslacht afstamde en nooit verzuimde om die

familiebetrekking, in den loop van zijn gesprek, op even handige als

kiesche manier, een oogenblik te laten doorschemeren.

Hij had bepaald een zeker talent om op die afstamming te wijzen,

zonder dat het den argeloozen toehoorder opviel hoe hij het deed. Met

een peinzende uitdrukking op zijn gelaat en een vriendelijk glimlachje

om zijn lippen, kon hij met zijn zacht brouwende stem tegen den een of

ander, die hem geschikt voorkwam, zeggen, zoo natuurlijk mogelijk:

»Hoe meer ik u aanzie, hoe meer 't mij frappeert, dat u sprekend

gelijkt op Jonker Van Daelen, den intiemsten vriend van mijn oom Baron

Van Rompselaar. Of is u misschien inderdaad familie van de Van

Daelens?--Niet? O! maar de gelijkenis is bepaald buitengewoon

frappant, kolossaal!"

Een tweeden niet onhandigen »truc" gebruikte hij, wanneer er geen

gelegenheid was om van de toevallige gelijkenis partij te trekken. 't

Is niet moeilijk om aan tafel het gesprek langzaam aan tusschen de

soep en den pudding zoodanig te leiden, dat men eindelijk komt waar

men wezen wil. Zoo wist hij het dikwijls, door verschillende

wendingen, op liefdadige instellingen te brengen, en als hij 't op de

hoogte had, waar hij zijn moest, begon hij met een zeker pathos:

»Liefdadige instellingen, Mevrouw?--Ik acht en vereer ze; maar! ....

mij hebben ze drie ton gekost.--U lacht? Neen! 't is parôle d'honneur,

de zuivere waarheid. Voor een jaar of twaalf was ik, of werd ik

beschouwd als de eenige erfgenaam van Barones Van Bronkenhorst,

geboren Freule Sprang van Schramade, de eenige zuster van mijn moeder.

Zij was weduwe en kinderloos; ik was haar petekind.--Wat blijkt nu na

haar dood? Ze heeft haar geheele vermogen aan liefdadige instellingen

vermaakt, behalve een klein legaat aan mijn neef Jonkheer Van

Brijnen,--notabene om daarvoor een hondenasyl te stichten!

Ridicuul!--Ja, zij was altijd excentriek, hoogst excentriek."

In de meeste gevallen zou de fashionabele dineur een Mr. voor zijn

naam hebben gehad, wanneer hij niet met een onoverwinnelijke vrees en

afschuw voor examens ware ter wereld gekomen, een vrees, die hij trots

jaren van studie, niet kon overwinnen en die hem noodzaakte om vóór

het »summa cum laude" afscheid van de universiteit te nemen. Familie

en vrienden deden alles wat zij konden om hem te doen vergeten, dat

hij nooit kon slagen in het vinden van een voor hem passende

betrekking; 't was ook zoo moeilijk, want hij kon en mocht, om zijn

afstamming, niet maar 't eerste 't beste baantje aannemen.

Een huwelijk uit berekening mislukte hem evenzeer als een verbintenis,

die hij uit zuivere genegenheid trachtte te sluiten, en daarom werd

hij, bewust dat zelfs het pogen grootsch is in 't worstelperk des

huwelijks, als célibatair te oud om zich nogmaals aan Amors grillen te

wagen. Misschien ook hielden andere redenen van meer ingrijpenden aard

hem terug van Hymens boot; hij was immers lang »jongeheer" geweest

en...... Niemand zou hebben kunnen of willen zeggen wàt hem

terughield, maar iets of meerdere ietsen kunnen soms geldige

beletselen zijn om..... Neen! laten we niet verder vragen: de man is

te fashionabel om zoo onbescheiden te zijn.

Niemand zal, wanneer hij een fashionabelen dineur voor 't eerst

ontmoet, in hem een man vermoeden, die met een verleden heeft te

kampen gehad, om eindelijk op meer dan rijpen leeftijd door 't

onverbiddelijke noodlot te worden gedoemd, om, zooals men 't wel eens

vulgair uitdrukt, »zijn kostje hier en daar op te halen."

Toch is het de waarheid: want rijk is hij nooit, behoeftig zelden, arm

nog minder. Zijn vermogen staat eenvoudig niet in evenredige

verhouding tot zijn eigen stand en afstamming, en evenmin past het bij

de maatschappelijke stelling van hen, bij wie hij dineert.

Meestal bestaat hij van een kleine lijfrente, die hem door een of

anderen aristocratischen oom of tante is nagelaten; in 't adresboek

komt hij daardoor onder de rubriek »particulieren" of »renteniers"

voor. Zoodra ge hem ziet, zegt ge dadelijk: dat is een hoogst

fatsoenlijk man, goed verzorgd in alle opzichten, wat kleeding en

vormen betreft; en als ge hem hoort spreken, wordt ge aanstonds

overtuigd, dat alles wat naar 't ordinaire zweemt, hem volkomen vreemd

is. In den loop van het gesprek, zal hij u voortdurend in verbazing

brengen door den onmetelijken schat van gemeenplaatsen, die hem ten

dienste staan. Hij vertelt u met een beminnelijk glimlachje, dat hij

gestudeerd heeft, ten minste dat hij student is geweest; en met een

zekeren weemoed fluistert hij u in, zoodra hij na een of ander

familie-diner de pianino ziet openen, dat hij »au beau milieu de sa

jeunesse" veel aan muziek heeft gedaan, maar dat, door alles wat hij

ondervonden heeft, zijn stem niet meer is wat ze eenmaal was. Soms is

die vertrouwelijke mededeeling een verkorte bede om hem tot zingen(?)

te verleiden.--Wee u, zoo ge u laat vangen!

»J'ai dit la romance", vertelt hij aan een ieder, die 't hooren wil;

en wanneer hij dat zachte woordje: »dit" met een soort van zoetelijken

glimlach over zijn min of meer gastronomisch ontwikkelde lippen, doet

suizelen, herinnert hij u onwillekeurig aan den troubadour van

voorheen, die aan de minnehoven, voor adellijke jonkvrouwen en

burchtdames stem en speeltuig liet klinken.

»De romance moet niet _gezongen_ worden", beweert hij; »il faut la

dire." Wees voorzichtig, dat ge niet in den lach schiet, want hij zou

't u hoogst kwalijk nemen, al zou het timbre van zijn stem u ook

dadelijk »volkomen vergeving van zonden" verzekeren. Ge kunt u immers

zonder gerechte vroolijkheid uit zijn Lucullisch ontwikkelden mond

geen »Rêve parfum au frais murmure" voorstellen, evenmin als ge u

verbeelden kunt, dat de opgepofte, korte handjes van den min of meer

dikbuikigen heer, die u met diepen ernst van zijn talenten staat te

vertellen, ooit citersnaar of pianotoetsen hebben gestreeld.

Natuurlijk houdt ge uit beleefdheid uw gelaat in bedwang; bovendien,

de man is geen gewone bluffer of ophakker. Integendeel, hij is door en

door fijn, fatsoenlijk en net; alle gewone ploertigheid is hem vreemd.

In zijn spreken, uiterlijk en manieren is en blijft hij »een

gentleman" van top tot teen. Of niet nu en dan door de poriën van zijn

volmaakt fashionabel omhulsel een klein reukje van bekrompenheid en

bescheiden grootspraak heenwasemt, wil ik niet beslissen, maar in

allen gevalle wordt dat toch belangrijk gewijzigd door den geur van

Jockey-club of New-mown-hay-essence, die u uit zijn zakdoek

tegenwaait, wanneer hij dien met voorname deftigheid even in de hand

neemt, om daarmee voorzichtig zijn veelal iets te hoog voorhoofd af te

betten, als hij, na de vermoeiende bezigheid van het dineeren, van

tafel opstaande, u plechtig verzekert, dat hij »gecharmeerd is van uw

alleraangenaamst gezelschap".

Met tact weet hij des winters na 't diner, zonder dat iemand hem ook

maar in de verste verte van onbescheidenheid zou kunnen beschuldigen,

het beste plaatsje aan den open haard te bezetten, en met echte

virtuositeit kiest hij in een ondeelbaar oogenblik uit het kistje

Regalia-comme-il-faut, dat men hem aanbiedt, de beste sigaar. Terwijl

hij zijn koffie »savoureert", geniet hij »als kenner" die Havana,

zonder te dampen als een stoomboot en daardoor een ander overlast aan

te doen. Hij zou iemand »lastig zijn?" O, foei! dat is onmogelijk. Hij

is--vraag het maar aan al de dames, die hij kent--de meest galante, de

beleefdste en voorkomendste cavalier, die zonder onderscheid voor alle

vrouwen--mits fatsoenlijke--een kleinen dienst overheeft, een dienstje

soms zóó klein, dat een »gewoon heer" het niet zou durven bewijzen.

Daardoor nemen de dames hem dan ook algemeen »en amitié". Hij zegt het

zelf en derhalve zal het wel waar zijn, want--jokken, neen! daarvoor

is hij veel te fashionabel.

Komt het eens voor, dat hij een enkele maal van 't een of ander een

niet geheel juiste voorstelling geeft, dan doet hij dat alleen, omdat

het volstrekt onvermijdelijk, noodzakelijk is om--»en amitié" te

blijven; waar 't doel goed is, wordt ook voor hem 't middel spoedig

heilig.

Eigenaardig is het, dat hij dit goede doel nooit uit 't oog verliest

bij families, waar hij zijn »vasten dag" heeft, en treffend is het om

te aanschouwen, hoe hij op die »vaste dagen" prijs stelt. Ontvalt hem

zoo'n steunpilaar van zijn bestaan, oogenblikkelijk ziet hij rond naar

een plaatsvervanger. Gewoonlijk vindt hij dien, door zich bij vrienden

van vrienden in te leiden met een: »Veroorlooft u mij Mevrouw, dat ik

u eens een visite kom maken? Ik ben zoo gecharmeerd van uw aangenaam

gezelschap, dat...."

Meestal gelukt hem die manoeuvre, want 't is voor veel familiën, die

nogal eens diners geven, wel iets waard iemand »au besoin" te hebben:

meestal toch doen de heeren opgeld.

Ook als »_veertiende_" komt de »dineur" niet zelden uitmuntend te

stade; terwijl hij als »chapeau" voor dames van een zekeren leeftijd,

die niet in de termen vallen om door de jongelui te worden begeleid,

veel dienst kan doen, als de kruier te vroeg of in 't geheel niet

komt.

* * * * *

't Is inderdaad een genot om hem te zien dineeren; want hoewel hij een

lekkerbek is in den overtreffenden trap, een epicurist, die met

ongeloofelijke juistheid op de punt van zijn tong den jaargang der

wijnen weet te schatten en onfeilbaar vast elke afwijking in geur of

smaak van een of ander gerecht ontdekt, is hij, zoodra hij in zijn

hoedanigheid van »dineur" optreedt, volkomen optimistisch gestemd. Hij

verzekert u met zooveel plechtige overtuiging, dat de ossenhaas »om te

zuigen" is, dat ge waarlijk meent een trouweloosheid van uw gebit te

ontdekken, als ge zelf met moeite die vezelachtige zelfstandigheid

vermaalt.

Zoodra hij met een zekere, aandoenlijke beslistheid verkondigt, dat de

doperwtjes »superber" en »délicaat" zijn, schaamt ge u, dat ge een

oogenblik den moed hebt gehad er iets aangebrands aan te proeven.

Wanneer ge gevoel hebt voor de kunst van dineeren, gaat ge, bijna

zonder het zelf te weten, hem navolgen in de meesterlijke wijze,

waarop hij de punt van zijn servet in de holte tusschen adamsappel en

halsboord steekt; hij doet dat zóó handig, zóó zorgvuldig en »chic",

dat ge onmiddellijk beseft, hoe hoog de man staat als »Dineur", hoe

ver hij het heeft gebracht in de kunst van hoogst fatsoenlijk

dineeren. Let op! hoe hij vork en mes hanteert; 't is met volkomen

meesterschap. Zie naar hem, als hij, tusschen duim en wijsvinger, zijn

wijnkelk opneemt. Doet hij het niet juist alsof hij een bedauwd

rozenblaadje aanvat? Geef u de moeite op te merken, hoe keurig hij

zijn lepel in evenwicht houdt, en met hoeveel sierlijke zorgeloosheid

hij met zijn stukje brood weet te spelen, als er niets gewichtigers

voor hem te doen is. Aan 't dessert zoekt hij zijn wederga in 't

ontkleeden van een Chinaasappel, waarvan hij de schil tot allerlei

aardige doeleinden weet te gebruiken; niemand dan hij, ontdoet, met

zooveel innige toewijding en snelheid, een sappige perzik van haar

donzig huidje, maar ontegenzeggelijk is hij een phoenomeen, als ge

ziet hoe hij noten ontleedt en bereidt in de perelende »Oeil de

Perdrix", die hem steevast een vriendelijken glimlach om de lippen

toovert. In dat gewichtig oogenblik geeft hij gewoonlijk één of, als

de champagne bijzonder goed is, twee »uien" van zijn répertoire ten

beste. Uit beleefdheid en omdat hij toch waarachtig zoo'n »uitstekend

nette vent" is, lachen enkele gasten die hem kennen om die anecdoten,

al zijn ze ook even oud als zijn gewoonte om vóórdat hij begint te

vertellen te zeggen: »Misschien kennen de heeren en dames deze

aardigheid al, maar..."

Verlies hem geen seconde uit het oog, want ge kunt ontzaglijk veel van

hem leeren; hij verstaat het »dineeren", zooals niemand anders. Geen

wonder: 't is ook het eenige wat hij met voorliefde doet, het eenige

waarmee hij zijn leven verslijt--neen! in stand houdt.

* * * * *

Zijn gesprekken aan tafel zijn ongetwijfeld voor den opmerker uiterst

leerrijk en belangwekkend, ten minste wanneer die opmerker te gelijk

leeren wil, hoe men onder 't eten zijn dame moet bezighouden. Opéra's,

concerten enz. bezoekt de fashionabele dineur, uit den aard van zijn

beurs en vak, niet of hoogst zelden, maar toch weet hij er met tact

over te babbelen; hij put zijn gunstig of ongunstig oordeel, zonder

dat iemand het merkt, uit de kranten, die hij elken avond van a tot z

leest, en zonder aarzelen geeft hij zijn meening te kennen over deze

of gene zangeres of acteur, soms zelfs zóó apodictisch, dat men

dadelijk begrijpt dat zijn geoefende voelhorens hem hebben

medegedeeld, dat hij naast of over iemand zit, die er nog minder

verstand van heeft dan hij zelf. Zijn onderhoud met anderen, regelt

zich altijd naar de geaardheid en gezindheid van hem of haar, die het

toeval naast hem plaatst. Mevrouw X, zijn tafelbuurtje, is streng

orthodox; oogenblikkelijk dweept hij met dominé Heiler of vindt de

preeken van den zendeling Indicus overheerlijk en dierbaar. Is de

coquette, maar min of meer bekrompen en oppervlakkige juffrouw Y hem

als dame toebedeeld, dan verbaast hij u door zijn kennis van »robes

Présidente, coiffure à la Japonnaise" en »plissés en biais;" wanneer

ge hem met haar hoort, praten, zoudt ge--indien ge hem niet als

»medegast" kendet, oogenblikkelijk uw neus er onder willen verwedden,

dat hij een dameskleedermaker is of een confectie-magazijn bestuurt.

Doet hij--in veel gevallen gebruiken bijgeloovige families den braven

man daarvoor--als veertiende gast dienst en plaatst het toeval hem

niet naast een dame, maar naast een heer, dikwijls nog wel een heer,

op wien 't minder aankomt, dan is hij politicus, maar altijd

occasie-politicus, dat wil zeggen: hij verkent eerst zorgvuldig zijn

nevenman, en al naarmate deze behoudend, radicaal, liberaal of

clericaal is, sympathiseert hij beurtelings met een dier richtingen;

hij verandert als een kameleon van kleur, zoodra de omstandigheden het

gebieden.

Over whisten, omberen en trekjes redeneert hij met grondige kennis en

niet zonder recht, want hij speelt fijn, uiterst oplettend en meestal

zóó gelukkig, dat hij minstens de fooi van meid of knecht verdient; 't

hoort ook geheel en al bij zijn vak, want bij veel families wordt 's

winters, na 't diner een kaartje gelegd. Ligt zijn naamkaartje op het

servet, naast het slabbetje van een der kleinen, dan is hij dadelijk

een hartstochtelijk kindervriend; maar vindt hij het nevens dat der

kinderlooze Mevrouw A, dan is hij het oogenblikkelijk volkomen met

haar eens, dat kinderen heel aardig kunnen zijn, maar dat het toch

oneindig veel beter is: er géén, dan zoo »plebeïsch veel" te hebben.

Alle richtingen, alle gezindheden, liefhebberijen, voorliefden en

hekels zijn in hem vertegenwoordigd, en daarom vindt iedereen hem »een

aangenaam welopgevoed mensch", namelijk zoolang men hem aan eet- en

speeltafel ontmoet.

Zoodra de tafel is opgeheven, kunt ge den man, dien ge nog slechts

voor de helft hebt gezien en leeren kennen, geheel bestudeeren.

Met een glimlach van voldaanheid, overtuigd dat hij naar plicht en

geweten, als een ridder zonder blaam of vrees, heeft gedaan wat zijn

mond vond om te doen, kunt ge hem dan rond zien kijken met een blik,

die beter dan woorden zegt: »Ik tart een ieder om mij te overtreffen."

Beschouw hem nu eens goed. Zaagt ge ooit een beter pas gesneden en

zorgvuldiger afgewerkten zwarten rok dan den zijnen? Namelijk als 't

groot diner is; bij meer huiselijke maaltijden verschijnt hij in een

zwart lakensche sluitjas van goed fatsoen en voldoende qualiteit. Zijn

overhemd is altijd onberispelijk wit en gesteven evenals zijn staande

boord, en een beter gemaakte pantalon dan de zijne hebt ge nooit

ontmoet.

Keurige manchetten kijken uit zijn mouwen en de gouden knoopen van

circa 2 centimeters middellijn schitteren als kleine zonnen boven het

sneeuwwit linnen, dat zijn goed verzorgde handen omvat.

't Is een lust om zijn »au fainéant" of »au chinois" gegroeide en

gesneden nagels te bekijken. Wit gebrabd aan den uitersten rand,

gepolijst op de ronding en rozig getint aan den wortel, passen ze

volkomen bij zijn dikke vleezige handjes, die door haar blanke

reinheid, zoowel als door haar week, zacht uiterlijk zijn trots

uitmaken. Ze bewijzen duidelijk, dat zij geen ander werk kunnen doen

dan 't onvermijdelijkste bij het toilet van haar meester of 't

allernoodigste aan de speeltafel. Nauwelijks kan men gelooven, dat

zulke ronde, weeke, wasachtige vingers onschuldige pianinotoetsen zoo

onbarmhartig kunnen martelen.

Wáár de »dineur" zich scheren laat, wordt zeker met opzet niet

bekendgemaakt, want ongetwijfeld zou de barbier, die zulk een

kunstwerk kan verrichten, _al te veel_ te doen krijgen, immers met een

loep zelfs is geen stoppeltje aan kin en wangen te ontdekken; en waren

de aristocratisch gesneden bakkebaarden niet op 's mans gelaat als

tegenbewijs te zien, niemand zou willen gelooven, dat hij ooit aanleg

had tot een baard.

Dat hij »rouge de théâtre" of »carmin des bayadères" gebruikt, is niet

met grond aan te nemen, al schijnen zijn lieve bolle koontjes het u

ook lachend toe te blozen. O! neen, hij heeft geen hulpmiddelen der

kunst noodig, want de vriendelijke natuur goot dien dageraadschijn

over de verhevenheden van zijn vleezig gelaat, zoodat de

maanlichtachtige bleekheid der overige meer vlakke gedeelten evenals

de kleine, maar helderblauwe oogen er grillig bij afsteken. Als het

alpengloeien in den avondstond, spelen na het diner rozige tinten op

de punt van zijn regelmatig gevormden neus, en om de zinnelijk

gesneden lippen van zijn meestal te grooten mond.

Als hij eet of lacht, ontwaart ge twee en dertig tanden, die door hun

buitengewone regelmatigheid en witte kleur u een oogenblik in

verlegenheid brengen, omdat ge niet weet of moeder natuur, dan wel een

mannelijk tandheelkundig individu uw bewondering verdient. 't Zwarte

haar, dat hij eenmaal in overvloed bezat, is nu voor het grootste

gedeelte ergens anders. Zijn voorhoofd is daardoor buitengewoon hoog;

maar aan de slapen en soms ook bij den eersten halswervel is nog haar

genoeg overgebleven om het bewijs te leveren, dat de goede man

inderdaad met eere grijs wordt. Een paar volle zware, zwarte

wenkbrauwen trachten intusschen het tegendeel te betoogen, tenzij de

kapper, die de eer heeft hem te bedienen, uit de school wou klappen of

de »teinture capillaire", die hij verkoopt, wel overal met even goed

gevolg aan te wenden is. Op zijn neus, en afwisselend op zijn vest ter

hoogte van zijn fraaie horlogeketting, vertoont zich een pince-nez,

die er »gedistingeerd" uitziet; en wanneer ge den »fashionabelen

dineur" over het mollige tapijt in de kamer langzaam en deftig ziet op

en neer wandelen, blinken zijn verlakte schoenen, behoudens hier of

daar een enkel spatje bovenop, u zoo nieuw en krakend tegen, dat ge

onmiddellijk begrijpt, dat ze voor deze gelegenheid expresselijk

vervaardigd of bewaard zijn en door gutta-percha overschoenen in

plaats van door een rijtuig weldadig beschermd werden.

* * * * *

Ziehier dan het beeld van den »fashionabelen dineur" geschetst,

wanneer hij in zijn kwaliteit als zoodanig optreedt. Hoe hij er

uitziet en wat hij doet, zoodra zijn plicht hem niet meer roept, zal

ik trachten nog met korte woorden mee te deelen.

't Is reeds lang morgen; bijna is het middag en de zon schijnt

vriendelijk tusschen de franjes door van de neergelaten gordijnen,

voor de vensters der voorkamer, zoodat op het min of meer verschoten

vloerkleed enkele heldere plekken en strepen het patroon doen

herleven. Een vrij goed, maar erg ouderwetsch en met hoezen voorzien

ameublement dommelt in 't gedempte licht, en slaperig, stijf, voornaam

kijken eenige familieportretten uit hun grauwig gouden lijsten u na,

als ge u langs een tafel--waarop eenige boeken liggen, die eertijds in

prachtband werden gebonden--naar de achterkamer begeeft.

Ontbloot eerbiedig uw hoofd, want ge zijt in 't heilige der heiligen!

Ge hebt een drempel overschreden, waarover nog nooit een van de

fashionabele kennissen en vrienden des »dineurs" den voet zette. Ge

zijt er nu eenmaal, maak dus van de aangeboden gelegenheid gebruik, en

zie rond. Nu is hij thuis, dat is te zeggen voor u--omdat ge

onzichtbaar zijt; voor ieder ander sterveling is hij altijd »UIT."

Alleen op zijn verjaardag ontvangt hij eenige belangstellende vrienden

en kennissen; dan zien de meubelen er versch gewreven uit en de

voorname familieleden schijnen op hun portretten te glimlachen over de

advokaten borrel, die hij--ge moet niet zeggen dat ik het u verklapt

hebt--'s morgens zelf heeft gemaakt, »omdat hij dan zeker is dat er

alles in komt." Kom nu met mij mede, zachtjes? Hij slaapt misschien

nog. Neen! het met groen saai omhangen ledikant herbergt hem dien we

zoeken, niet meer. Over een kleerknaap hangt rustend de zwarte rok,

dien gij onlangs zoo mooi vondt, en daaronder droomt het vest,

verpoozend van de uitspanning des vorigen maaltijds. Netjes in tweeën

gevouwen vleit zich de pantalon op den stoel er naast, tegen het

onbesmette overhemd, dat met vermoeide slappe mouwen over de leuning

bungelt, terwijl de manchetten bijna den grond raken en de gouden

knoopen daaraan ondeugend fonkelen in een zonnestraaltje, dat onder de

reet der deur doorsluipt.--Onwillekeurig ziet ge rond naar de eigenaar

van de bottines, die zorgvuldig met een wit doekje bedekt, naast den

stoel verscholen, zich, alleen door één van haar glimmende neusjes

verraden hebben. Ge ontwaart hem niet. Hij staat ook niet voor de

waschtafel, waarop tal van flesschjes en potjes met geheimzinnigen

inhoud u allerlei onbescheiden vragen op de lippen brengen; ook voor

den scheerspiegel op standaard is hij niet bezig; evenmin ontdekt ge

hem zittend aan de kleine tafel, waarop hij boord en das met zijn

horloge en den verderen inhoud van zijn zakken heeft neêrgelegd. Hij

is nergens te vinden. Zou hij reeds weer bezig zijn met het uitoefenen

van zijn...? Stil, laat hij uw vraag niet hooren: ge zoudt hem

plotseling voor goed en geheel onzichtbaar maken. Houd u

dood--doodstil en volg de kleine lichtschemering die u, uit een tot

nog toe niet opgemerkte zijdeur, wenkt.

Hij is in het allerheiligste van het heilige der heiligen, en waant

zich onbespied. In 's hemelsnaam voorzichtig. Houd uw adem in, indien

ge hem zien wilt, want, bemerkt hij uwe nadering ook maar bij

instinct--als met een tooverslag zoudt ge hem geheel en al zien

verdwijnen; en .. 't is heusch de moeite waard om hem gade te slaan.

Stil dus! sluip, onhoorbaar zacht, nader. Ziet ge hem nu? Niet?--Wat

ziet ge dan? Zeg 't mij maar zachtjes, ik ben bescheiden, zoolang het

noodig is.

Een man gehuld in een emeritus kamerjapon, die wanhopige pogingen doet

om, behalve een beverschen borstrok met witbeenen knoopen en een dito

onderbroek met loshangende bandjes, twee somber afhangende sokken te

verbergen, omdat zij treurig over neergetrapte pantoffels zakken.

Een geelig witte nachtdas begrenst van onderen een slaperig gelaat,

dat over 't voorhoofd den met gaatjes gebreiden rand van een gruwelijk

burgerlijke pluimmuts voelt streelen.

Maar dat is immers de man niet, dien wij zoeken? Ja zeker! hij is het

wel, maar ge hebt hem nog niet anders dan »in zijn vak" ontmoet en in

huisgewaad ziet iemand er, gemeenlijk, eenigszins anders uit dan in

»gala." Hij is pas opgestaan; ge kunt het hem niet kwalijk nemen, 't

diner bij de Verhovens duurde gisteren buitengewoon lang en de

Bourgogne was erg zwaar; hij drinkt ze gaarne, maar voelt er zich

nooit »heel lekker" op den volgenden dag--'t kan echter niet anders,

zijn vak brengt dergelijke kleine »misères" mede.

Houdt u nog een oogenblik bedaard en zie naar 't geen hij doet.

Hij gaapt. Hemel! wat gaapt hij leelijk, lang en lui. Welk een minimum

van tanden, en hoe waterig kijkt hij uit zijn oogen! Hij rekt zich

uit, met de armen omhoog en gaapt nog eens. Wat doet hij nu? Hij kijkt

naar een petroleumtoestel dat op het aanrecht--waarachtig! we zijn in

een keukentje verzeild--staat. Hij draait de pitten wat op en ziet met

alle aandacht naar het water dat hij warmt om zich te kunnen

scheren....?

Neen! dat denkt ge maar. Kijk dan ook oplettender s. v. p.: hij heeft

immers geen keteltje, maar een pannetje boven de vlam staan....

Wat zou daarin zijn? Wellicht het een of andere chemische preparaat;

wie weet! misschien is de »fashionable dineur" een verkapt alchimist

die, in zijn vrijen tijd, naar »'t levens Elixir" of naar »den steen

der wijzen" zoekt.

St! ziet ge hem nu naar dien donkeren hoek van keukentje sluipen? 't

Is alsof hij vreest dat men hem hooren zal, zoo zachtjes loopt hij.

Ha! dáár bewaart hij zijn ingrédiënten, dáár in dat geheime kastje in

den muur. Laten we nu goed toekijken, misschien komen we er achter,

hoe hij goud maakt. Hebt ge opgemerkt, dat hij een zwart geheimzinnig

uitziend fleschje in de eene hand heeft genomen? Ziet ge wel dat hij

in de andere een blikken busje houdt?

Hoe jammer! daar draait hij zich om en staat met den rug naar ons toe;

nu kunnen we niet zien welke bestanddeelen hij in 't pannetje

werpt.--Ga een eindje met mij achter uit. 't Mocht eens gevaarlijk

goed zijn, dat ontploft en uw gelaat zengt, en.....

Groote Goden! hij neemt een lepel, steekt dien in 't pannetje en ....

heusch! hij proeft van--de hemel mag weten, wàt--hij kookt.

Onnoozele, begrijpt ge nu nog niet, wat ge daar ziet?

Och 't is zoo doodeenvoudig. Kijk maar eens even op den scheurkalender

in de voorkamer.

Nu, welken datum?

Acht en twintig Maart!

Juist, 't is in 't laatst van de maand: dan houdt hij om geldige

redenen niet van restauratie of table d'hôte en--toevallig heeft hij

heden geen uitnoodigingen.

Papieren Kinderen: novellen en schetsen · 第 42 / 47 题