Hoezee! daar jaagt het heksenspan

Der dolle regenbenden an!

Ze dragen sneeuwen hoozen,

Een rok van waterrozen,

Een schel blazoen, een felle speer,

Aan ied're steek een raveveer....

Ze blikken op noch omme,

Lijk een bezeten dromme

Ze suizen over struik en blom

En slaan de bange boomen krom....

Berg weg, berg weg uw leven!

Het is haar àl om 't even.

En wilt ge niet, al goed, al goed,

Ze rijde' u schaat'rend onder heur voet!

De vaart schiet zwarte vlerken aan,

Wil uit zijn donker bed vandaan

En heft zich boven 't gele riet

En huilt zijn eigen zegelied

En werpt zijn brosse schuimen

Lijk uitgewaaide pluimen

En steigert aan den steilen wal

En slaat terug in boozen val

En dindert op in stroomen

En kan niet hooger komen;

De rosse ruiters daav'ren rond

En springen in zijn zwarten mond

En dansen op zijn duister oog

En spannen hem een zilverboog

En roetsen voort en verder

Lijk kudden zonder herder....

De luchte leeft van perelsop,

Het klettert van heur speren op,

Ze klirren met heur sporen

Weerszijên van den toren

En steken hem in éénen klap

In grauw-geweven nonnekap.

En voort en voort geschuierd!

De molen moet gesluierd!

O zie dat kleene huisken staan!

Het krijgt een wollen buisken aan.

Hoor hoor dat druischen, drusten

Lijk opgebarsten fusten....

Hoessa! de appel ploft terneer:

Een bobbel bloed in 't regenmeer.

Hoessa! de peer scheurt van den tak:

Een klompe goud in 't parelvlak!

Hoessa! de noot is 't verste,

Zij tuimelt blankgebersten....

En immer immer holder aan;

Daar is geen tijd voor stille staan!

Ze donderen maar schots en schol

En plonderen de grachten vol,

Verdrinken kruid en zode

En rennen zich ten doode;

Ze zuigen in het taaie slik

En juichen er heur laatsten snik.

VERZEN VAN CAREL SCHARTEN

HET SMEULEND VUUR[*]

Ik min u, smeulend vuur,

ik min uw stille dichtheid,

waarin het sluim'rend licht leit

te wachten op zijn uur!

Ik min u in de morgen,

die in het Oosten staat

met aarzelend gelaat

en houdt haar gloed verborgen.

Ik min u in den avond,

die sterft in lang verbloeden,

met diepe en diep're gloeden

zijn duistren moorder lavend.

Ik min u in den zang,

die in zijn klare kracht

betóómt de zware pracht

van Hartstochts hoog verlang.

Ik min u in de kleuren,

beslagen van den gloed

die hen versmelten doet;

en 'k min u in de geuren,

die zweemen van een mond,

dat rood en vochtig ooft,

wanneer Zij om mijn hoofd

de schuchtere armen rondt....

Ik min u, smeulend vuur,

ik min uw donker branden,

dat achter bleeke wanden

waakt en wacht op zijn uur!

1910

[Voetnoot *: Voorzang tot den gelijknamigen cyclus.]

ZOMER-MORGEN IN DEN JARDIN DU

LUXEMBOURG (fragment)

"Hangt niet ons' Liefde door dien frisschen tuin?

Vonkelt zij niet in 't waai'rend water-waas,

dat sproeit het glanzend gras, en dóór dat gaas,

verstuivend in den wind, glijdt zij niet schuin

in ijle regenbogen en wuift op

en wiekt een lichtend-groene boomgrot binnen,

waar wazig-druiveblauwe duiven minnen?

Die rukken hunne snavels, dan vliegt op

't duikende duifje en klapwiekt blanker wiek

de doffer, 't klaar geblaârte slaand!... Zie, bloesems

vallen voor uwen voet! o, in ons' boezems

is 't schoon gebeure' een tint'lende muziek!

Ligt niet die Liefde als een zonne-damp

over 't smaragd gazon, waar zwart-fluweelen

merels de perels dauw het gras af stelen,

gloed en vocht vindend in dien weel'gen kamp?

Alle bosschages houden heerlijk wijd

hun blâren-volten in de lucht! beneden

ligt warmte-bevend om hun voet gegleden

een vloed van gloênde bloeme', o! teederheid!

En het geboomte steekt zijn kruinen in

elkanders kruin, dat duizend blaren strijken

elkaar, 'wijl op den wind de takken wijken

streelend dooreen in zwijmelende min ..."

1903

MEI-AVOND IN DEN JARDIN DU LUXEMBOURG

De meidoorns staan met hun beschroomde rood

zoo teeder

te blozen,

en d' avond, bleek van liefde en zedig bloot

koost weder

hun broze

en bruidelijke rood.

De mei-maand kwam, en alle kleuren minnen

den schemer

zoo zoel,

en uit der bloemen innig-teêrste binnen

daar zwemen

Zoo zwoel

de geuren tot de zinnen.

De rozen hangen open op de lucht,

aanhaal'ge

monden,

uit welker diepte 't zoet geheim verzucht

der zaal'ge

wonde

en zwijmelend genucht.

En gij, mijn Lief, gij glimlacht mij zoo lief

uw teêr-

-heid toe!

Maar onze erinn'ring krenkt die ééne grief

en zeer

en moe

laat ons die schaam'le dief.

Door dezen tuin van lust en schemer staren

den nacht

wij in

En in onze eenheid nochtans eenzaam, sparen

wij lach

en min

en garen ons den weemoed....

1904

DE REIS DOOR DEN NACHT

Ver was de reis door den nacht,

Den dicht-besneeuwden nacht,

De trein doortrok met donker gezang de winterlijke bergen

Nu, in den duisteren na-nacht,

Blind in de spelonk van het rijtuig,

Hooren we enkel het bellen-gerinkelvan 't neder-dravende span.

Gedoken in 't voort-ijlend hokje,

Zij, mijn Lief, en ik, en het kind,

Het in zoelen slaap verzonken kind in 'n witwollen doekje gewikkeld,

Hooren we enkel 't gerinkel der bellen

Over de ruischlooze wegen der nacht

In het zuidelijk bergland langs 't zuiver-wijd fluist'rende meer--

En het is als een heuglijke vlucht,

Stil en snel bij het bellen-gerinkel

--Rein is de nachtlucht en reukig van bloemen, ongezien--

En 'k denk aan Jozef en Maria met het Kind

Vluchtende door den winternacht,

Den kouden, zoetrokigen nacht van het Oosten ...

Lugano, 1906.

DE GROOTMOEDER

De rozen glanzen in de maan

En onderdoor een donk'ren boom

Waar glimp-geschijn in schilfert,

Zie ik de verre bergen staan

In fijnen droom

Verzilverd.

De rozen glanzen zijig, 't is

Alsof zij zelve stralen,

Een teêrgeurende lichternis

Hoog in de zilvren zale....

Een vrouwe-hoofd als was zoo wit,

't Ivoren voorhoofd blinkend

In 't maanlicht, en om 't grijze haar

Een wit-zij sluiertje, zoo zit

De oude voor dit teêr altaar

Van berge' en witte rozelaar

In zilvren nacht verzinkend....

Zij rust en peinst, het kindeke is te slapen,

Maar in haar zuiv'ren geest lacht het, herschapen,

Bij zil'vren nacht als bij den gouden dag.

Zij zegt: gelukkige ik, dat ik dit Leven zag,

Dat ik dit Leven zie in al mijn oude droomen,

De jonge gouden vreugd, die is tot bloei gekomen

Onder mijn zil'vren stam ... Vermolme dien de Dood,

Ik leef en bloei opnieuw in deze teed're loot.

Lugano, 1907

ISOLA MADRE

Isola Madre, waar uw geel kasteel

Met blinde ramen hoog in zuid-zon gloeide,

Was 't dat de bark aan rots'ge trappen roeide

En we uit den droom van vloeiend-blauw juweel

Zoo wijd en ijl, opstegen in uw veel

Zwaarder en zoeter droom, waar purper bloeiden

Bloemen uit Cashmir, grijze ceed'ren schroeiden,

Tropische aromen broeiden door 't struweel....

Wij daalde' in koelte van laurieren-dreven

En dwaalde' omhoog door een hoog, Oostersch woud

Van glans-zwart bamboes, blinkende magnolen,

Tot we, op 't terras, dien teêrsten droom in-dolen t

Ver over 't meer-azuur het doomend goud

Der eeuw'ge sneeuw, in 't lucht-azuur versteven!

Lago Maggiore, 1909

DE ZANG VAN NACHT EN TIJD

Raadsel van 't Oogenblik!

Met mijne heete handen

op 't wit papier,

zoo zit ik hier

in dezen herfstnacht, aan de afbrokkelende stranden

van 't Heden.

Water van 't meer,

ik hoor uw golven spoelen

aan duist'ren wal--

En fluist'ren zal

de onsterfelijke zee des dooden Tijds en woelen

aan dit Zelf.

Nacht, zwart en dicht,

stil en ontastbaar boven

d'onstilb're golven,--

Zoo blind bedolven

is mijn wild leven onder 't donkere verdooven

der Toekomst.

Moeder, Vader, Vrienden,

Waarom uw vragende oogen,

en door den nacht

waarvóór uw zacht

geklag? Mijn hart is wond, ik hèb u niet bedrogen,

de Tijd gaat--

Vrouw, die mij houdt

in uw goud-lighte leven

omhuld, o Uw

is 't gulden Nu.

Voed de uren als een durend vuur,--wee, dat het bléve

het Oogenblik.

En, ongeboren Tijd,

Nacht!--laat ons één licht venster

in uw zwaar zwart:

dat daar mijn hart

veilig een hoofdje wist en roodgoud haar-geglinster,

mijn Kind!

Lago Maggiore, 1910.

DE ONZICHTBARE

Ik wil tasten den Boom, die in den nacht

Verrijst van de wazige aarde ...

Ik zie hem niet; ik zie de duizend bloesems lichten

Flonkerend op de winde-zuchten,

Die fluisteren door de koude, zwarte gaarde.

Ik wil áánraken den duisteren Boom,

Die stijgt uit de wereld, en den hemel

Vult met zijn zachte takken-gewemel,--

Ik wil grijpen den tronk en schudden dit wonder,

Opdat ik wierd bedolven onder

Die bloemen van lucht en van goud, een droom

Van hemelsch vuur in glinsterend sneeuwen ...

Maar die Boom, hij is ver in de verten der eeuwen ...

Mijn handen strekken zich in 't ledig waar hij leeft!

De tintlende starren, zij vallen niet,

Lachende neder uit den hooge

Naar dit kind, het eeuwig bedrogen

Menschkind dat streeft

En tast en niet ziet,

Verlángt, en lacht 't Verlangen aan,

zijn tranen-ruischende Schoonheid.

DE BLINDE DICHTER

_Aan W.L. Penning Jr. op zijn zeventigsten jaardag,

10 November 1910._

Altijd zal ik uw blinde beeld bewaren,

Jeugdige grijsaard, die mijn oude jeugd

Met uwe teng're sterkte hebt verheugd

En met uw rust mijne onrust deedt bedaren.

Een fijne blos verjongde uw strakke kaak,

Uw maag're roode hand koelde in de mijne;

Toen, frisch als blos en vingerdruk, ging schijnen

't Licht uwer vroolijke en vrome spraak.

Wij zaten, vreemden, en alleen zaagt gij

Mijn stem, die schromend tot u uit kwam breken;

Maar 't gloorde als een herkennen door ons spreken

En, o schoone ochtend! vrienden, scheidden wij!

Doch 't allerschoonst zal mij d'erinn'ring blijven,

Hoe, blinde, gij mij vóórgingt naar beneên,

De armen los neerhangend langs u heen,

Geheven 't blinde hoofd, rechtop van lijve!

Zoo schreedt gij onbezorgd de steilte omlaag,

Gansch aarzelloos en zonder steun noch tasten.

Zoo schrijdt uw ziel met hare zware lasten

Stil door den schemer tot de laatste Vraag.

Gij scheent m'een Wonder, oude, blinde Vriend,

Als die het vuur doorwaadden zonder vreezen,

Naar wij het in de Heilge Boeken lezen;

Gij waart m'een Teeken: ík was blind, gíj ziend!

Zóó worde uw beeld een voor-beeld den vervaarden,

Die, ziende, deinzen voor huns levens graf:--

De blinde Dichter, gaand de treden af

Met kalm gelaat, waarlangs het zonlicht klaarde ...

HET SCHOONE STERVEN

Als in de stemm'ge stad het herfst-tij weeft

Zijn gouden waas over de oude grachten

En onder 't gulden loof een stemming zweeft

van sterven in deze oude en gouden prachten,--

Dan denk ik, hoe 'k den dood graag zoude wachten

Gelijk een herfstdraad die in 't goud-licht beeft

En henenzweeft in de eerste koude nachten

waarin alleen één zilvren stemklank leeft:

De stem, die in de hooge eenzaamheden

Zingt en weerklinkt en zingend meet den Tijd

En aan den hemel aarde's Schijn doet hooren,

Terwijl de ziel, in 't eeuwig Zijn verloren,

Het torenlied een laatsten glimlach wijdt

En lichtende verglijdt in 't tijdloos Eden.

Utrecht 1916

BIJ DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR TE AMSTERDAM

VERSCHENEN IN DE ACHTERSTAANDE RUBRIEKEN DE VOLGENDE WERKEN

GEDICHTEN

A. NEDERLANDSCHE

FRANS BASTIAANSE, _Gedichten_ (2e dr. 6/11e duizend)

I. 0.55 C. 1.05

"Het in aanleg grootsche dat we hier aantreffen, is verrustigd,

verklaard en verteederd door de zachte droomerigheid die waarlijk

kenmerkend voor dezen dichter is." _Hofstad_.

* * * * *

S. BONN, _Wat Zang en Melody_, met een woord tot inleiding van L.

Simons.

I. 0.55

...."Bonn is een vogel, die een wijsje kweelen moet als de zon schijnt,

het landschap lacht."

_Zangen van Hoop._

I. 0.75 C. 1.25

"Bonn is een socialistisch dichter. Z'n gedichten zijn rood. De zangen

van dezen bundel zijn 'n verheerlijking van opstand en vrije liefde."

_Het Centrum_. "Er leeft een sterk optimisme in het hart van dezen

dichter, wiens boekje weldadig aandoet." _Het Tooneel_.

* * * * *

RENé DE CLEKCQ, _Van Aarde en Hemel_. (De Appel-

Hemelbrand--Afaasvar--Doemsdag).

I. 0.75

_Uit Zonnige Jeugd_.

C. 1.05

"Er gaat door dezen bundel de jolige lach van een jeugdig snuiter, die

zijn levensvreugde uit in zang en lied en rhythme. _Utrechtsch Dagblad_.

* * * * *

P.N. VAN EYCK, _De Getooide Doolhof en andere gedichten_.

I. 0.55 C.1.05

_Gedichten_. (Het Ronde Perk--Lichtende golven)

L 0.75 C. 1.25 L. 1.40;

"Zoowel lichte, eenvoudige liedjes, als gedichten even zwaarmoedig van

stemming als zwaar van zegging, breed voortschrijdend in het sterke

rhytme." _Nieuws v.d. Dag._

* * * * *

P.A. DE GENESTET, _Complete Gedichten_, voorzien van portretten van De

Génestet en mevrouw De

Génestet-Bienfait. Ingeleid en van een aantal belangrijke noten

voorzien door Dr. H.L. Oort (5e dr. 25/27e duizend)

I. 1.40 C. 1.90 L. 2.05

* * * * *

JACOB ISRAEL DE HAAN, _Het Joodsche Lied_.

I. 1.20 C. 1.70 L. 1.85

"Hier geen opervlakkige oogenblik-indrukken, haastig verklankt, maar

woorden, komend uit het diepst van een gemoed, waarin de waarheid, met

moeite verkregen, met smart gelouterd, rust als een onuitputtelijke

schat." _Avondpost._

* * * * *

PROSPER VAN LANGENDONCK, _Verzen_,

I. 0.55 C. 1.05

"v. L. is een echte Vlaming, in hem leeft de trek naar tooneelachtig

gebaren en galmende rethoriek tezamen met een kinderlijke teederheid en

een ware grootheid van opvatting." _Maasbode_.

* * * * *

JAN LUYKEN, _Jezus en de Ziel_, ingeleid en toegelicht door F. Reitsma,

met reproducties naar de oorspronkelijke prenten.

I. 0.95 C. 1.45 K. 2.20

"Zou het niet jammer zijn als zulke prachtige dingen verloren gingen?" _Het Volk_.

* * * * *

V. DE LA MONTAGNE, _Gedichten_, met inleiding van Emm. de Bom (3e

vermeerderde dr. 6/8e duizend in W.B.-uitgaaf) I. 0.55 C. 1.05 L. 1.20

K. 1.80

* * * * *

FRANQOIS PAUWELS, _Enkele Verzen_.

I. 0.55 C. 1.05

"Een gauw gevoelig hart, een fijn muzikaal versgehoor,--ziedaar de bron

van Pauwels' welluidende liedjes...." _Van onzen Tijd_.

* * * * *

J. REDDINGIUS, _Johanneskind. Gedichten_. (2e vermeerderde dr. 6/8e

duizend) 0.55 C. 1.05 _Regenboog en Jeugdverzen_. I. 0.75 C. 1.25 L.

1.40

" ... Bij Reddingius is aanwezig allereerst: het wezenlijke, innige

natuurgeluid van den dichter." _Is. Querido_.

"Voortaan kan Reddingius, in zijn eigen genre, veilig bij de besten

onzer dichters worden geteld." _Willem Kloos_.

* * * * *

ANNIE SALOMONS, _Nieuwe Verzen_.

I. 0.55 C. 1.05 Keurband f 1.80

"Als een bundel zuivren schoonheidszang nemen we deze Nieuwe Verzen mee

ons verder leven in. A joy for ever." _Utrechtsch Sted. Dagblad._

* * * * *

DE SCHOOLMEESTER, _Gedichten van_--met al de oorspronkelijke

illustraties, en de voorrede van Mr. J. van Lennep, 3e druk, 9e-11e

duizend.

I. 1.20 C. 1.70

* * * * *

JULES SCHüRMANN, _Uit de Stilte_ en andere gedichten. Met voorrede van

Willem Kloos.

I. 0.80 K. 1.60

"Dit is wel het hoofdkenmerk van Schürmann's verzen dat zij zoo

eenvoudig weg uit een ziel schijnen uitgestroomd, als waren zij geen

menschenwerk, maar de uiting van een magische kracht." _De Avondpost_.

* * * * *

NiCO VAN SUCHTELEN, _Verzen_, dramatisch, episch, lyrisch.

I. 0.95 C. 1.45 L. 1.60

"Er zingt door den ganschen bundel heen een krachtige levenswind, nu

zacht--als de zuidewindsadem over de lentebloemen--dan forsch en

mannelijk--als de zeewind over de duinen." _Onze Eeuw_.

* * * * *

HELENE SWARTH, _Roemeensche Volksliederen en Balladen_, naar de Fransche

proza-vertaling van Hélène Vacaresco.

I. 1.20 C. 1.70 L. 1.85

"Heel de natuur leeft, handelt, denkt en voelt met de menschen mee in

deze verzen van een, tot rooden hartstocht, maar ook tot sneeuwblanke

teederheid vormende poëzie van landbouwers. _N. Rott. Crt_.

_Verzen_.

C. 1.05

... "Een prachtige bundel ..."

_Dr. Walch_ in _Het Vaderland_.

_Nieuwe Verzen_.

I. 1.20 C. 1.70 L. 1.85

"Altijd opnieuw welt de dichterlijke muziek uit haar hart." _Onze Eeuw_.

"Rijpe verzen van iemand die het leven tot in de kern heeft doorproefd."

_Delftsche Courant_.

* * * * *

J. WINKLER PRINS, _Gedichten_, met portret van den dichter. Verzameld en

ingeleid door J. Reddingius.

I. 0.95

"Prins is in meer dan één opzicht een zeldzame verschijning geweest in

de letterkunde van Nederland." _De Volksstem_.

ALBERT VERWEY, _Inleiding tot de Nieuwere Nederlandsche Dichtkunst_

(1889-1890) met aanhalingen uit de voornaamste werken (5e dr. 21/23e

duizend)

L 1.40 C. 1.90

* * * * *

B. BUITENLANDSCHE

ELISABETH BARRETT BROWNING, _Portugeesche Sonnetten_. Vrij bewerkt naar

het Engelsch door Hélène Swarth.

I. 0.55 C. 1.05 L. 1.20

"Het is de vertaalster gelukt, zeer veel van de diepe en teedere

schoonheid, die Mrs. Browning in hare verzen wist te leggen, te

behouden." _De Tijdspiegel_.

* * * * *

DANTE, _De Goddelijke Comedie_, uit het Italiaansch vertaald door Dr. H.

Boeken.

I. _De Hel_ (5e druk in bewerking)

C. 1.45 L. 1.60

II. _De Louteringsberg_ (3e dr. 9/11e duizend)

I. 2.--C. 2.50 L. 2.65

III. _Het Paradijs_ (3e dr. 9/11e duizend)

C. 2.50 L. 2.65

_De drie deelen tezamen in één keurband_

6.45

* * * * *

_Het Nieuwe Leven (Vita Nuova)_ Uit het Italiaansch vertaald door Nico

van Suchtelen. Met Inleiding, Aanteekeningen, Aanhangsel en Portret.

C. 1.25 K. 2.25

"Deze uitgave van "La Vita Nuova" is geworden tot een kostelijk stuk

literatuur-studie." _Avondpost_.

"Wij mogen volstaan met aan den met zoo merkwaardig fijnen takt en zoo

groote congenialiteit volbrachten overzettingsarbeid van. den

Nederlandschen dichter die waardeering toe te wenschen welke zijn kunst

verdient." _Onze Eeuw_.

* * * * *

Prof. HENRI HAUVETTE, _Dante_. Inleiding tot de studie van de Divina

Commedia.

C. 1.70 L. 1.85 K 2.70

"Er gaat een sterke aansporing van uit om Dante's onvolprezen kunstwerk

te gaan lezen." _Dr. J.L. Walch_.

* * * * *

DANTE-PAKKET. _De Goddelijke Comedie, Het Nieuwe Leven en het werk van

Hauvette_, alle in keurband, tezamen voor f 10.--in carton f 8.--.

* * * * *

MILTON, _Het Paradijs Verloren._ Metrische vertaling van Alex.

Gutteling. (Zes zangen)

I. 0.75 C. 1.25 L. 1.40

"_Miltons_ epos van _Het Paradijs Verloren_ is een dier werken die de

letterkunde der 17e eeuw beheerschten. Een van die werken, die men

behoort te kennen naast _Vondel's Lucifer."_

* * * * *

ALFRED DE MUSSET, _De Nachten_. Vertaald en ingeleid door Hélène Swarth,

met portret van den schrijver.

I. o.55 C. 1.05 L. 1.20

"Rythme en klank van De Musset's verzen hebben bij déze overbrenging in

het Hollandsch al zeer weinig geleden." _De Telegraaf_.

* * * * *

WALT WHITMAN, _Grashalmen_ (Leaves of Grass). Vertaald door Maurits

Wagenvoort. Met portret van den dichter.

I. 0.55 C. 1.05 L. 1.20

"Het is een bloemlezing van het belangrijkste uit den bundel "Leaves of

Grass" van dezen zeer oorspronkelijken Amerikaanschen dichter, wiens

werk een zoo sterken invloed heeft gehad en nog heeft op het opkomend

geslacht."

* * * * *

BLOEMLEZINGEN

BILDERDIJK, _Willem Kloos, Bloemlezing_, met inleiding en portretten (2e

dr. 7/9e duizend)

I. 0.75 C. 1.25 L. 1.40 K. 2.--

"Kloos' Bloemlezing uit Bilderdijk, met de uitvoerige voorstudie van den

dichter, is terecht veelvuldig geprezen,"

* * * * *

RHEINVIS PEITH, _Bloemlezing_, met inleiding door Willem Kloos. Met drie

portretten.

I. 0.95 C. 1.45 L. 1.60

"Kloos wekt op tot rustig bestudeeren en indringend beschouwen van

Feith's werken. Dat loont!" _N. Courant_.

* * * * *

_Gedenkboek der Wereid-Bibliotheek_ 1905/1915 met tal van bijdragen en

portretten.

I. 0.75

DR. J. P. HEYE, _Bloemlezing uit de Volksdichten._ (2e dr. 7/9e

duizend)

I. 0.55 C. 1.05 L. 1.20

* * * * *

_Schetsboek_ 1905/1910. Een Keurverzameling uit 't werk van moderne Ned.

auteurs, met portretten.

I. 7.50

Luxe-editie op Jap. papier en kalfsleeren band 25.-

* * * * *

JOOST V.D. VONDEL, _Uit Vondels dramatische Lyriek, _ Bloemlezing door

L. Simons.

I. 0.80 K. 1.60

* * * * *

ZELFKEUR.-Bloemlezing door de auteurs zelf uit het werk van 57 leden der

Ver. Nederl. Letterkundigen. Met talrijke portretten en biografieën.

1e bundel I. 1.20 C. 1.70

2e bundel I. 1.40 C. 1.90

3e bundel I. 1.40 C. 1.90

De 3 bundels in één K. 5.25

"Deze "Zelfkeur" is al heel interessant, en in haar afgeronde fragmenten

biedt zij een aanlokkelijk panorama van onze letteren." _Hofstad_.

"Een vrijwel volledig beeld van de Ned. Letterkundigen die genoemd mogen

worden.... een goede inleiding tot diepere kennismaking." _Avondpost_.

"Het zijn bundels vol kleur en afwisseling." _Den Gulden Winkel_.

* * * * *

BRIEVEN

VINCENT VAN GOGH, _Brieven aan zijn Broeder_. Uitgegeven en toegelicht

door zijn schoonzuster J. van Gogh-Bonger. Met talrijke illustraties. In

drie deelen.

I. 7.50 K. 12.50

"Doch niet alleen tot den mensch, ook tot den kunstenaar brengen de

brieven ons nader. Vele reproducties van teekeningen, in den tekst

opgenomen, en nog vele portretten en illustraties versieren het mooi

uitgegeven werk." _Herman Middendorp_ in _De Tijdspiegel_.

* * * * *

Dr. H. JAPIKSE, _Brieven van Johan de Witt_. I. 0.75 C. 1.25

"Voor de talrijke Nederlanders, die, zonder nu juist aan historische

studiën te doen, toch wel iets willen weten van hunne groote

landgenooten. Dr. Japikse is daarbij een uitmuntende leidsman; hij

koos, uit de Witt's omvangrijke briefwisseling, de stukken die het best

de persoonlijkheid van zijn held doen kennen; en hij geeft daarbij, in

het kort, de noodige historische toelichtingen." _Onze Eeuw_.

* * * * *

MULTATULI, _Brieven_. Bijdrage tot de kennis van zijn leven. (In 10

deelen geïllustreerd).

I. 6.--L. 10.--

_Bij maandelijksche afbetaling van één gulden waarbij men het geheel

onmiddellijk in zijn bezit krijgt, f 0.50 extra_.

* * * * *

TAAL-EN LETTERKUNDE, KRITIEK

Dr. FRANS BASTIAANSE, _Overzicht van de Ontwikkeling der Nederlandsche

Letterkunde_. Met bloemlezing en illustraties.

Deel I. _Middeleeuwen_ (2e dr.)

I. 2.45 K. 3.35

Deel II. _17e en 18e Eeuw_.

I. 2.45 K. 3.25

* * * * *

H. L. BEECKENHOPF, _Kunstwerken en Kunstenaars_. I. 1.20 C. I:70 L. 1.85

"Pittig en frisch werk van den zoo bekenden muziekkritikus."

* * * * *

Dr. J.D. BIERENS DE HAAN, _Goethe's Faust_. Een studie.

I. 0.55 C. 1.05

"Zoo heeft dr. Bierens de Haan deze dingen gezien, zoo heeft hij ze aan

ons gegeven en wij mogen hem dankbaar zijn...." _K. C. Bouman-Winkler_

in _De Gids_.

* * * * *

EMMANUEL DE BOM, _Het Levende Vlaanderen_. (Met 29 illustraties).

I. 1.40 C. 1.90 L. 2.05

"Schetst ons het geestelijk leven van Vlaanderen als een machtig brok

volkscultuur, een cultuur die door geen macht ter wereld is ten onder te

brengen."

"Een uitgave van beteekenis, die waarlijk in staat is ons te toonen wat

Vlaanderen kan en wat het is," _Vragen v. d. Dag_.

* * * * *

M. H. VAN CAMPEN, _Over Literatuur_. Critisch en Didactisch.

I. 1.20 C. 1.70 L. 1.85

"Deze prachtige, wijze woorden.... zij zijn een program en één waaraan

dit buitengewoon zuivere, critische werk, _boeiend en belangwekkend als

sinds Busken Huet zijn literarische fantasieën uitgaf, geen werk "over"

literatuur is geweest,_ ten volle beantwoordt," _Rott. Nieuwsblad_.

* * * * *

DESIDERIUS ERASMUS, _Een twaalftal Samenspraken, _ uit het Latijn vert.

door Dr. N. J. Singels. Met portret en inleiding van Cd. Busken Huet

(uit "Het Land van Rembrandt") (2e dr. 6/8e duizend)

C. 1.45 L. 1.60 K. 2.20

_Eene tweede twaalftal Samenspraken_. Vertaald door Dr. N. J. Singels,

met twee afbeeldingen.

I. 0.75 C. 1.25 L. 1.40 K. 2.--

_Lof der Zotheid_. Vertaald door Mr. dr. J.B. Kan; inl. en

aanteekeningen door dr. A.H. Kan. Met Hobein's oorspronkelijke

illustraties (3e druk)

I. 0.95 C. 1.45

* * * * *

JACOB GEEL, _Onderzoek en Phantasie_. Ingeleid en met aanteekeningen

voorzien door dr. C.G.N. de Vooys.

I. 0.75 C. 1.25 L. 1.40

"Een boek als dit is een zeldzaamheid op onze tafels," _Annie Salomons_.

* * * * *

G. KAPTEYN-MUYSKEN, _Levensrichting van dezen Tijd,_ met portret van Fr.

Hebbel.

I. 0.75 C. 1.25

"Een belangrijk en zeer interessant werk, dat in 't bijzonder gewijd is

aan den duitschen dichter Friedrich Hebbel, Bovendien behandelt de

schrijfster, in verband met den huidigen alles-verwoestenden oorlog, de

grondslagen van een Nieuwe Ethiek."

* * * * *

C.R. DE KLERK, _Kultuurbeschouwende Inleiding tot Vondels Spelen_. (In

Band I v. Vondels Spelen)

I. 1.20 C. 1.70

_Vaderlandsche Nieuw-Klassieke Beschouwingen_.

K. 4.75

"Werk van een autodidact, die er behagen in schept zijn eigen

onbevoegdheid te onderstrepen, maar die in de klassieke philologie den

weg weet als een vakman en zijn Augustinus en zijn Plotinus kent als

waarschijnlijk geen tweede in Nederland".... _Dr. J.H. Gunning Wzn._

* * * * *

E. D'OLIVEIRA, _De mannen van '80 aan het woord,_ (Van Deyssel, v.

Eeden, Kloos, Verwey, Emants, Netscher, August Vermeylen), met oude en

nieuwe portretten (3e dr. 9/lle duizend)

I. 1.60 C. 2.10

"Het zijn smakelijk ineengezette stukjes, waarin de schrijver de auteurs

van zichzelven, hun wezen, hun werken, hun wenschen en bedoelingen laat

vertellen." _N. Rotf. Courant_.

"_De Jongere Generatie_". (Vervolg op "De Mannen van '80") met

portretten (2e druk) 7/9e duizend)

I. 2.45 C. 2.95

Dit boekje geeft gesprekken met: _Johan de Meester-Karel van de

Woestijne-Josine A. Simons-Mees-Cyriel Buysse-Frans Bastiaanse-Herman

Robbers-Is. Querido-Carel Schorten-Adama van Scheltema-P. N. van

Eijck-Dr. J. D. Bierens de Haan_.

.... "De levende persoonlijkheid der schrijvers, die d'Oliveira

blijkbaar met een fijn apperceptie-vermogen heeft weten vast te houden

en weer te geven ia de hier geboden bladzijden".... _Den

Gulden-Winckel._

Van vijf moderne dichters · 第 2 / 3 段