De klok, in 't keukentje, riep "koekoe", één keer. Alfons werd half
wakker. Hij vroeg zich even, in onduidelijk denken, af, of het soms
reeds de echte vogel buiten was, en niet de klok. Hij kon 't niet
ophelderen; hij sliep dadelijk weer snurkende in.
Toen scheen het hem dat iemand aan zijn venster tikte, en dat een
welbekende stem zijn naam riep. Hij wilde opstaan en gaan kijken, maar
de slaap van zwaar-drukkende vermoeidheid hield, als met duwende
vingers, zijn oogleden dicht, en doofde de inspanning van zijn geest in
soezing weer uit.
Toen hoorde hij het eindelijk heel duidelijk: het driemaal bonzen op
zijn vensterraam, en de stotter-stem van boer Kneuvels, zijn baas, die
riep:
"A... Alfons... 't es ien! Toe,... ge... ge moet opstoan!"
Opeens was hij klaar wakker en wipte uit zijn bed.
"Zij-je 't gij, boas?" riep hij werktuigelijk. En meteen, waggelend op
zijn nog onvaste beenen, was hij bij het raampje en trok het open.
De heerlijk-frissche zomernacht-lucht woei hem als een adem van frisch
leven in 't gezicht, en vulde met een gulle teug van nieuwe krachten
zijn benauwde longen.
"Ghááá!... zuchte hij, diep ademhalend. En in de duisternis zag hij den
boer daar buiten staan, een donkere, vaag omlijnde gestalte, tegen
zwart-blauwen, flonkerenden sterrenacht.
"Dag Al... Alfons," hakkelde de boer. "Goe... oe weere te weege. Wi...
ilt... e gij de Van Doalens goan roepen, 'k zal ik o... om d'ander
goan?"
"Joa ik, boas," antwoordde Alfons, die zich reeds aan 't aankleeden was.
Hol en luid klonken hun stemmen in de stilte van den nacht. Als een
donkere schaduw trok de boer zich terug, en helderder flonkerden in 't
vierkant van het open raampje de levend-tintelende sterren aan het
donkerblauw uitspansel. Alfons stak 't hoofd naar buiten. De boer was
reeds onzichtbaar. Heel in de verte blafte hol en dof een hond.
Hij rilde en hoestte even van de frissche lucht, en sloot weer dicht het
raampje. Hij stak een nachtpit op en kleedde zich verder aan. Naast zijn
kamertje was dat van zijn oude moeder. Stiller ging hij nu te werk om
haar niet te wekken. Maar zij hoorde hem toch, en haar stem klonk lijzig
en klagend als die van een zieke:
"Zij-je 't gij, Fons?"
"Joa ik, moeder."
"Hèt den boer om ou geweest?"
"Joa hij, moeder."
"Hoe loat es 't?"
"Koart noar den ien; sloap moar gerust."
"Zilt-e de deure goed op slot doen?"
"Joa ik, moeder, ge meug gerust zijn."
"Ge moet zeker om de Van Doalens goan?"
"Joa ik, moeder."
Hij hoorde een zucht en een gekraak van 't bed, waarin ze zich scheen om
te keeren. Hij was aangekleed, nam zijn klompen in de hand om geen
lawaai te maken, blies 't lichtje uit, verliet zijn kamertje en opende
in de duisternis de voordeur.
Een stil geruisch van ritselende bladeren, zacht-zijïg schuivend door
elkaar onder den ademtocht van een windje dat nergens vandaan scheen te
komen, zweefde als een heimelijk gefluister door de hooge kruinen der
nabije popels; en ergens in de buurt kraaide plotseling schel een haan.
Hij kraaide een tweede maal. Toen weer de groote, donkere,
sterrenflonkerende stilte, en heel héél in de verte 't hol geblaf van
waakhonden met zware stemmen. Alfons trok de deur op 't nachtslot en
stak den sleutel in zijn zak.
Geen schim van dageraad was nog in 't Oosten te bespeuren. Het was de
volle, stille zomernacht met zijn miljoenen en miljoenen aan den
somber-blauwen hemeltrans flonkerende sterren, en heel laag op den
horizon een scheef hellende sikkelmaan, die langzaam aan, van gloed
verdoovend, in het westen aan 't verdwijnen was.
Met vlugge schreden, den kraag omhooggetrokken en een weinig huiverend,
liep Alfons langs het smalle kronkelpaadje naar den breeden, mullen
zandweg. De zware popels om zijn huisje suisden hem nog even droomerig
na, en dadelijk daarop was hij in 't volle veld, tusschen de rechts en
links golvende, rijpende korenvelden. De hooge halmen, over het paadje
gebogen, gleden hem met de klam-kille streeling hunner bedauwde aren
over de handen en 't gezicht, en geurden zoet en frisch naar landelijke
heerlijkheid.
Hij dacht aan Rozeke. Gisteren, en ook al de laatste vorige dagen had
hij aan haar gedacht, omdat hij wist dat hij haar nu terug zou zien, dat
hij één dag, een ganschen vollen dag met haar zou mogen doorbrengen.
Maar een ontstemmend gevoel fronste plotseling zijn wenkbrauwen: er was
er nòg een die naar haar verlangde en haar den ganschen dag zou zien:
Smul, boer Kneuvels' paardenknecht!
Hij bromde iets tusschen zijn tanden en vlugger nog, als in gejaagde
haast, liep hij door. Hij voelde reeds de nachtelijke frischheid niet
meer en sloeg den kraag van zijn wambuis weer over. Smul,... dat was de
vijand; hij kon hem niet uitstaan. Telkens wanneer hij een dag op de
hoeve kwam werken, moest hij zich met wilskracht bedwingen, of het zou
tot een uitbarsting, tot een vechten gekomen zijn. Dat was nu al vanaf
dien Kermisdag, twee jaar geleden, toen Smul zoolang met Rozeke gedanst
had. Zij had niet bepaald durven weigeren met hem te dansen, zij wou het
alleen maar heel kort maken; doch eenmaal in zijn bezit had hij haar
niet meer losgelaten, haar met geweld doen meedraaien, oneindig lang,
tegen haar zin, tot zij eindelijk niet meer kon, en huilend in zwijm
bijna, uit de armen van den woestaard in elkaar gezakt was. Hij, Alfons,
was dreigend in het midden gekomen, had hem met geweld het meisje,
--bijna zijn meisje--uit de handen willen rukken; maar Smul was veel
sterker dan hij, en weinig had 't gescheeld of het liep uit op een
gevecht waarin Alfons zonder twijfel een deerlijke nederlaag zou geleden
hebben.
Hij joeg die nare herinnering van het verleden uit zijn gedachte, en
even kwam een glimlach op zijn lippen. Rozeke hield van hem, hij voelde
't, hij wist het, al had ze 't hem nog niet gezeid. Hij zag dat telkens
in haar oogen, hij hoorde 't in haar woorden, al deed ze soms ook nog
wat stug en vreemd met hem; en hij had pret in zichzelf omdat hij het
zoo handig met boer Kneuvels had weten te schikken, dat niet de boer
noch zijn paardenknecht, maar wel hij de Van Dalens dien ochtend zou
gaan wekken. Hij eerst, vóór alle anderen, zou Rozeke zien en met haar
spreken. Hij zou met haar, en met haar broeders en haar zuster, in de
vertrouwelijke duisternis van den nacht, den tamelijk langen weg
afleggen van hun huisje naar de hoeve, en daarna van de hoeve naar den
vlasgaard. Ook Smul zou haar zien, en met haar spreken, zeker, dat kon
ook niet anders, doch eerst later, als hij al ruim tijd en gelegenheid
zou gehad hebben, om haar te zeggen en te vragen, dàt wat hij reeds zoo
lang van plan was en nu eindelijk brandde van verlangen haar te zeggen
en te vragen.
Hij was op een breeden, zandigen landweg gekomen, volgde dien een
eindje, stak dwars een steenweg over bij een kruispunt waar een eenzaam
huisje stond, volgde weer de kronkelige baan tusschen het hooge koren.
De doodstille zomernacht droomde. De geurende korenvelden stompten zich
aschgrauw gelijk twee vage muren aan beide kanten van den landweg af, en
daarover heen was niets dan één hooge, donkerblauwe oneindigheid,
tintelend van levend-gouden sterren. Hij zag geen boomen en geen huizen
meer: het was de volle nachtelijke eenzaamheid der heerlijk vruchtbare
landouwen.
Zoo liep hij enkele minuten door, in zachte opgewektheid van gedachten.
Op den onzichtbaren kerktoren van het dorpje klopte kort en hel één
slag: half twee. Een ander dorpje galmde tegen, heel héél zwak en verre,
als een kinderstemmetje dat antwoordt op een mannenstem. Vleermuizen
fladderden geruischloos om hem heen, muggen gonsden droomerig in de
groote stilte, en zijn eenzame schreden klonken in kadans, dof-klompend
door het mulle zand. Weldra draaide en kronkelde de weg in een reeks van
grillige bochten tusschen slooten en boomen, en eindelijk kwam hij op
een klein gehucht met spitse, bleeke geveltjes naar den straatkant, en
reuzen-populieren, die hun donkere kruinen, hoog in den blauwen
sterrennacht, over de stille daakjes uitspreidden. Dáár was het. Zijn
klompen, galmend in de doodsche stilte op het smal plaveisel tusschen de
huisjes, deden plotseling de honden blaffen. Hij telde de woninkjes:
twee, drie, vier,... in donkere, gesloten rust achter de boomgaardjes;
en vóór het vijfde hield hij stil, tilde den sluitboom van het hek op en
stapte over 't smalle paadje door het gras naar het woonhuisje toe.
Zijn hart klopte gejaagd. Hij wist niet waar ze sliep: voor of achter.
Alleen wist hij dat rechts van de deur het keukenraampje was, en links
daarvan een slaapvertrek. Hij hoopte, zonder eigenlijk precies te weten
waarom, dat zij aan den voorkant sliep, en dat hij aan het raampje van
hààr kamertje zou tikken.
Hij stond vóór 't raampje, de luikjes waren dicht. Hij trok er zachtjes
aan. Zij boden weerstand. Toen tikte hij, driemaal, niet hard, met de
kneukels op het hol-klinkend hout.
Iemand bewoog zich in een bed daarbinnen. Hij wachtte even. Toen tikte
hij opnieuw, twee maal, zachter.
"Wie ès er doar?" vroeg plotseling een zware, slaperige mannenstem.
De teleurstelling deed hem 't antwoord even schuldig blijven. Hij had
zóó gehoopt aan Rozeke's venster te tikken.
"Ès er doar iemand?" vroeg opnieuw de stem, norsch-wantrouwend en nu
heelemaal wakker.
"'k Ben 't ik, boas Van Doalen," antwoordde Alfons eindelijk, "'k Kom
ulder opkloppen veur de slijtinge."
"Haha!" knorde de stem gerustgesteld. "Wacht'n beetsen, 'k zal open
doen."
Alfons trok van het raampje weg, en kwam bij de voordeur, terwijl vader
Van Dalen, opgestaan, nu met groot geluid daarbinnen zijn familie wakker
maakte.
"Roze, La, Miel, Dolf, ala toe, opstoan! 't es tijd!" hoorde Alfons hem
roepen. En dadelijk was hij aan de deur, waarvan hij ratelend den
grendel wegschoof, en spoedig openmaakte.
Alfons trad binnen. Vader Van Dalen, barrevoets, in broek en hemdsmouwen,
begroette hem met een gullen "goên dag" en ging hem voor in 't keukentje,
waar hij een lichtje opstak.
"Zet ou 'n beetsen;--wa veur 'n weer es 't buiten? scheun slijting-weer,
hè?" praatte hij met luid-galmende stem, alsof hij op den akker was; en
opgewekt ging hij daarover door, bewerend dat 't een zomer was die al de
boeren rijk zou maken, als dat prachtig weer nog maar enkele weken
aanhield. Hij had het lichtje ietwat hooger opgedraaid, en Alfons zag
hem nu zooals hij hem sinds lang al kende: middelmatig van gestalte, met
sterk afgeteekende, vriendelijke gelaatstrekken, het rechter-oog
fel-levendig en helder, het linker als een doffe witte bal, uitgedoofd
en doodgegaan in een ziekte, jaren geleden.
Binnendeuren gingen open, en van rechts en links kwamen de zonen en de
dochters met een korten ochtendgroet te voorschijn. De gezichten stonden
vermoeid, de oogen waren nog beneveld door slaap, de bewegingen loom en
langzaam. Miel en Dolf, de eerste lang, blond en mager, de tweede kort,
donker en dik, met groote, zwarte, te wijd van elkaar staande oogen,
kwamen van de zoldertrap, en La en Rozeke verschenen samen uit de kamer
rechts.
Dáár sliep ze dus, dacht Alfons met kloppend hart; en zijn oogen bleven
als betooverd op haar gevestigd.
La-tje, blond als vlas en mollig als een poesje, groette hem met een
lieven glimlach en een vriendelijken blik van haar lichtblauwe oogen;
Rozeke, ietwat grooter en tengerder, met zacht krullend bruin haar en
frissche wangen, begroette hem slechts met een vluchtigen blik en een
haastig, als 't ware bedeesd "dag Fons", haar heel-kleine klompjes in de
hand, haar grauwe werkschort en blauw-linnen zonhoed aan den arm.
"Wilt g' iets drijnken?" vroeg vader Van Dalen op aanmoedigenden toon
aan Alfons.
Maar hij had geen zin, hij dankte, ietwat onthutst door Rozeke's koel
onthaal; en zij vertrokken met hun vijven, door den vader tot aan 't hek
gevolgd.
De zomernacht was onveranderlijk zacht-geurig-frisch van landelijke
aroma's, met de oneindige, donker blauwe sterrenkoepel over de
grauw-duistere uitgestrektheid van de stille, nachtelijke velden. Zij
liepen in een dichtgeschaarde groep, hun klompen dof-klopperend in het
zand, allen even-huiverend met opgetrokken schouders onder de eerste
aanvoeling van koele frischheid. De jongens zetten hun kraag op, de
meisjes sloten haar borstdoek dicht om den hals, en liepen
klappertandend, met haar handen in de mouwen. Maar na een poosje hadden
zij het ook lekker warm; de schouders zakten en de kragen vielen neer en
zij begonnen over het werk van den dag te praten.
"Weet-e gij, Fons, mee hoevele da we zillen zijn?" vroeg Miel.
Alfons noemde op: Bros Cnudde, Drieske Nijpers, Miel Pese, Sies de
Seissekoker, Vaprijsken en de Krommen Bulcke als mannen: Sieska
Verhelle, Fietje Cleemens, Maaie Troet, Irma Pese, Liza Cloet, Mietje
Moor en 't Geluw Meuleken als vrouwen; dat was dus samen, met hun vijven
meegerekend, achttien.
"'t Es drei man te weinig, we'n zille véúr den negen van den oavend nie
gedóan hèn," bromde Dolf, Rozeke's jongste broeder.
Allen waren 't met hem eens; het was te weinig, eigenlijk wel vijf, zes
man te weinig voor zulk een uitgestrekten vlasgaard als dien van
Kneuvels. En duchtig begonnen de twee Van Dalens af te geven op den
boer, die stommerik, die hakkelpot, die luiaard, die heele dagen dronken
op zijn hof of in het dorp liep, en zóó slecht op zijn zaken paste dat
hij nooit menschen noch beesten genoeg had om al zijn achterstallig werk
gedaan te krijgen.
"Dat hij Smul, zijne peirdeknecht, nie 'n ha, hij zoe 'em in twie joar
tijd 't hoar deur zijn mutse boeren!" schimpte minachtend Miel.
Dolf en La beaamden die woorden door een goedkeurend gemurmel, maar
Alfons fronste even in de duisternis zijn wenkbrauwen, toen hij Smul,
zijn vijand, aldus door Rozeke's oudsten broeder hoorde roemen. Hij had
zich dicht bij Rozeke geschoven, doch het gelukte hem geenszins, zooals
hij gehoopt had, zich met haar van de anderen af te zonderen. Zij deed
niet mee in 't algemeen gesprek, zij liep zwijgend naast La, die des te
drukker praatte en lachte, en alleen 't geklepper van haar kleine
klompjes, die trouw met de klompen van de anderen in stapkadans
meeklapperden, getuigde dat zij solidair met het gezelschap medeging. In
het duistere van den nacht kon hij niets van haar gezicht zien; en daar
zij niet meer notitie van hem nam als van een vreemde, kropte 't in zijn
keel van ingehouden droefheid, en vroeg hij zich wanhopig af wat hij
haar wel onbewust misdaan mocht hebben, toen zij eensklaps, als 't ware
door zijn stilzwijgen benauwd, het hoofd half naar hem omkeerde, en hem
met een lief zacht stemmetje vroeg hoe het nu met zijn moeder ging.
"O, goed, heul goed," antwoordde hij haastig, met een plotseling gevoel
van innige dankbaarheid en warmte, omdat ze niet boos was op hem zooals
hij vreesde. En eerst nadat hij zoo instinctmatig, op een innigen
juichtoon had geantwoord, wijzigde hij zijn al te optimistisch gezegde
en bekende dat zijn moeder wel iets beter, maar toch nog heel héél
zwakjes was.
"'t Zal beteren as 't weere wa afkoelt; 't hè toch zeu woarm geweest de
loatste viertien doagen," meende Rozeke.
Hij liep een poosje zwijgend naast haar, gansch ontroerd van vreugd,
zijn geest inspannend om nu toch ook weer iets te zeggen dat het gesprek
zou gaande houden. Maar hij kon eensklaps niets meer bedenken; al de
woorden die hem op de lippen kwamen zeiden heel andere dingen dan wat
hij mocht of durfde uitspreken, en hij voelde zich ellendig en onhandig
als een dom, onmondig kind. Hij beet op de lippen en in de duisternis
verkrompen zijn gelaatsspieren als van pijn, terwijl hij haar zoo heel
dicht aan zijn zij zag loopen, zoo heel en al in zijn bereik en lief
gestemd nog, maar inwendig zeker reeds teleurgesteld, omdat hij nu zoo
weinig op haar tegemoetkomende vriendelijkheid inging.
Zij waren bij den ingang van het dorp gekomen en moesten er dwars door
om dan verder weer den weg naar boer Kneuvels' boerderij te volgen. En
nauwelijks kwamen zij tusschen de eerste huizen in het hol gegalm van
hun klompen op het hobbelig straatplaveisel, of daar hoorden zij, van
uit een zijstraat, luide kreten in de stilte van den nacht weerklinken.
Zij hielden even stil en luisterden, en dadelijk wisten zij dat het
andere slijters waren, die ook naar boer Kneuvels' hoeve gingen en bij
het hooren van hun stappen naar hen hadden geroepen, wel vermoedend dat
zij voor hetzelfde doel zoo vroeg van huis trokken.
Het waren twee mannen en twee meisjes: Bros Cnudde en Vaprijsken, met
Liza Cloet en 't Geluw Meuleken. Zij juichten luid toen zij zoo
onverwacht de Van Dalens en Alfons om den hoek der straat ontmoetten, en
in één drukke lawaaiïge groep gingen zij nu samen verder de stille Groote
Dorpsstraat in, reeds opgewonden door 't vooruitzicht van den langen dag
van gemeenschappelijke pret en zwoegen, die nu reeds begonnen was.
Bros Cnudde zette 't in met het traditioneel, luid-galmend geroep:
"Zijn we te goare?"
waarop al de anderen antwoordden:
"Joa w'!"
"Blijven we heul den dag te goare?"
"Joa w'!"
"Goan we bij boer Kneuvels slijten?"
"Joa w'!"
"Goan we veel dzjenuiver drijnken?"
"Joa w'! Joa w'!"
Zoo ging het voort, in allerhande juich-en-nonsenskreten, uit louter
opwinderij, omdat het nu eenmaal de gewoonte was bij 't slijten, dat men
den langen, zwaren arbeidsdag door zooveel mogelijk pret en opwinding
vervroolijkte. Zij gilden en zongen, en stampten met hun klompen op de
klinkende straatkeien, om de rustige, slapende burgers ook eens goed te
ergeren; zij schudden aan de enkele, nog brandende lantarens in de
stille, donkere straat; zij keften tegen de razend-keffende hondjes
achter de gesloten deuren, kraaiden op 't gekraai der hanen, en bootsten
ook het gemiauw van katten na; en midden op de brug van het kanaal
dansten zij hand aan hand een ronde, stampvoetend dat de ophaalketens in
hun hengsels ervan schommelden en klapperden. Zij moesten 't maar weten,
al die vette luilakken van burgers die nu in hun bed lagen; zij moesten
ook maar eens om één uur 's nachts opstaan en mee gaan slijten; en
meneer de pastoor en zijn meid moesten het ook maar weten, en meneer de
notaris en meneer de burgemeester moesten 't ook maar weten; zij waren
slijters en de rest kon hun niet schelen... en verder trokken zij door,
het geheele dorp uit zijn nachtelijke rust opschuddend, schreeuwend,
zingend en klompen-klabbetterend tot zij weer buiten waren, in de
eenzaamheid en stilte van het nachtelijk zomerland.
Daar stond de groote, sombere hoeve, laag en breed uitgebouwd met haar
stallen en schuren, achter de donkere boomen van de oprijlaan en van den
uitgestrekten boomgaard. Twee vensterramen van het woonhuis waren hel
verlicht; de groote waakhonden blaften in het gerinkel van hun
kettingen.
Een vóór een traden zij door de openstaande voordeur en een gangetje
binnen, en kwamen, links, in de helderheid van een groote plaats, de
oogen knippend tegen 't licht, en machinaal "elk ne goên dag" wenschend.
De ruime boerenkeuken met haar glimmend tin en koper boven op den
breeden schoorsteenmantel en alom tegen de muren, was reeds druk gevuld
met mannen en vrouwen, die op twee lange houten banken aan beide zijden
van een lange ruw-houten tafel zaten te eten en te drinken. Alfons
herkende beurtelings Maaie Troet en Mietje Moor, Sieska Verhelle en
Fietje Cleemens, Miel en Irma Pese, Drieske Nijpers, Sies de Seissekoker
en de Krommen Bulcke. 't Was al jong volk, behalve Sieska en de Krommen
Bulcke, en zij juichten allen luid toen zij de bende der Van Dalens
zagen binnenkomen, en schoven joelend op elkaar om plaats voor hen te
maken. De boerin, een jonge, knappe vrouw, met levendige donkere oogen
en zwarte haren, liep bedrijvig heen en weer om allen te bedienen; de
boer, een veertigjarige lummel met paarsrood gezicht, stond, bij den
schoorsteen geleund, tegen de dichtst bij hem zittenden te brabbelen en
te hakkelen.
Alfons merkte, met één enkelen blik, dat Smul, de paardenknecht, in de
keuken niet was.
Hij nam plaats bij de anderen, naast Rozeke, op een der lange houten
banken, en zij gebruikten hun eersten maaltijd: dikke tarwesmouterhammen
met groote koppen slappe koffie. Zij hadden honger van het loopen door
de frissche nachtlucht en aten vlug en zwijgend in het druk gebabbel van
de anderen, omdat zij reeds wat laat waren. De hooge stapels wit brood
smolten als sneeuw op de breede, platte teilen. De ouderwetsche klok in
haar lange eiken kast tegen den achterwand sloeg langzaam twee uur.
Enkele mannen stonden op en staken hun pijp aan; de vrouwen ontplooiden
haar grauwe werkschorten en stroopten lange grauwe mouwen over de
voorarmen.
"Ala k... jongens,... 't... 't zal tijd worden," hakkelde de boer. De
laatst aangekomenen slokten en slorpten met haast de groote brokken en
de lauwe koffie in, en weldra stonden allen klaar. Toen ging de deur ruw
open, en Smul trad binnen.
"Elk ne goên dag!" riep hij bruusk, zonder iemand aan te kijken; en hij
ging naar de tafel, nam een smouterham, schonk zichzelf een kom met
koffie in, en begon nu ook, zonder te gaan zitten, schrokkig te eten en
te drinken.
"Hè... hè hè-je de peirden al gegeên, I... I... Ivo?" vroeg stotterend
de boer.
"Joa ik," antwoordde hij lomp, zonder zijn meester aan te kijken. En
zijn barsche blik bleef eensklaps strak gevestigd op Rozeke, die hij nu
naast Alfons ontdekt had.
Instinctmatig keek zij even met haar heldere oogen naar hem op, terwijl
zij haar mouwen aan 't vaststrikken was, en met een korte rilling, als
van schrik, sloeg zij die dadelijk weer neer, terwijl een lichte kleur
over haar wangen kwam. Alfons merkte het en zijn wenkbrauwen trokken
zich samen. Boos-wantrouwend keek hij den paardenknecht vlak in 't
gezicht. Smul, de wangen kauwend, de lippen aan zijn koffie, staarde, al
over den rand van zijn kom, brutaal onverschrokken, Alfons' blik tegen.
De rosse stekels van zijn snor stonden als 't ware dreigend overeind;
zijn kleine oogen glinsterden, staalblauw en hard. Geen van beiden sprak
een Woord, maar in hun zwijgenden kruisblik lag al de haatdragende wrok
van hun oude vijandschap.
"'t Zal zomer zijn van doage!" riep enkel Smul op een toon van
uitdaging, als gold het een schimpende hatelijkheid die een ieder wel
begrijpen moest; en meteen zette hij ruw zijn kom op de tafel neer, en
drong met groote, haastige schreden, door de drukke groep heengaande
slijters naar de deur.
"Loast an 't eten, iest an 't wirken!" hoorde men hem nog even buiten
roepen, terwijl hij in het donker deurgat van den paardenstal verdween.
* * * * *
De slijters stonden allen buiten op het erf nu, en als een dichte,
grauwzwarte groep, gingen zij, luidruchtig pratend, onder dof
klompengetrappel, naar het openstaande hek. De boer volgde, met onder
iederen arm een groote flesch jenever. Woest blaften de waakhonden, en
de hanen, ontwaakt, begonnen schril te kraaien. De sterren blonken hier
en daar als gouden punten in het pikzwarte loovergewelf der dubbele rij
boomen van de lange oprijlaan, en een heel zacht windje ging suizend
door de ritselende kruinen. Weer zwijgend nu in 't drukke praten van de
anderen, liep Alfons naast Rozeke. Zijn hart was zoo vol, uren en uren
lang had hij met haar wel willen spreken, en nogmaals vond hij geen
woord. De tegenwoordigheid van al die anderen hinderde en benauwde hem,
maakte 't hem onmogelijk haar iets te zeggen, hoewel hij instinctmatig
voelde dat ze naar zijn woorden wachtte. Had hij de uitdrukking van haar
gezicht maar kunnen zien, had hij maar eerst zwijgend kunnen spreken met
zijn oogen, dan zou het zich wellicht van zelf in hem ontboezemd hebben;
maar hij zag niets dan die vage, donkere gestalte naast zich, en hij
voelde wel dat alles wat hij zeggen zou misplaatst en wanluidend zou
klinken. Hij keek haar van terzijde aan, tersluiks, met schuwe oogen;
wachtend op hij wist niet wat in zijn toenemende bedeesdheid, wachtend
op een woord van haar, op een toevallige aanvoeling, op een gezegde van
een ander, dat hem aanleiding zou geven om ook te spreken en uit zijn
onuitstaanbaar-drukkende knelling verlost te zijn. Hij voelde zich
bespottelijk worden, het suisde in zijn ooren, hij moest, hij zou iets
zeggen, om 't even wat, al was het nog zoo dom, en hij opende reeds
machinaal zijn lippen, toen plotseling, aan zijn andere zij, in het
geraas der drukke bende, een schelle stem opging, een lachende
scherts-stem, die plagend vroeg:
"Wa scheelt er aan dat-e gulder tegen mallekoar nie 'n spreekt? Zie-je
mallekoar nie geirn mier dan?"
Als onder een schok keerde hij zich om en herkende in de duisternis de
struische gestalte van Irma Pese. Onopgemerkt was ze naast hem komen
loopen. Haar oogen glommen van ondeugende pret in 't donker, en even zag
hij, als een kleine lichtstreep in haar vaag gezicht, de witte
schittering harer tanden.
"Wa vertelt-e gij doar!" riep hij gansch onthutst, en meteen keerde hij
zich naar Rozeke, en staarde haar peilend in de duisternis aan.
Het kwam hem voor of haar gelaat, tot nu toe door het grauwe van den
nacht omneveld, zich plotseling met bijna duidelijk omlijnde trekken
bezielde. 't Was als een vage, teere straling om haar fijn profiel, een
glimlach als van zoete stille vreugd, een uit de duisternis opleven en
hem te gemoet komen van gansch haar zacht en ietwat tenger wezentje. Hij
voelde eensklaps als een tinteling heel zijn lijf doorstroomen, en het
ontsprong als van zelf uit zijn lippen, het borrelde en bruiste op als
't water uit een bron, terwijl hij zich, met snel-hamerend hart en
jagenden adem, weer tot de dikke vroolijke deerne wendde:
"Of ik heur nie geirn mier 'n zie! Joa ik, zulle, 'k zie heur zeker nog
geirne!"
Hij hijgde en stokte. Daar!... daar had hij 't plotseling gezegd, alles
en nog meer zelfs dan hij zeggen wilde! Het was er uit! Ze wist het nu!
Hij duizelde even van zijn waagstuk, hij hoorde, als in een droom, de
dikke Irma luidop schaterlachen, en Rozeke, beschaamd en half verwijtend
stamelen: "Ah moar Fons, wa peist-e toch!" Maar hij hàd het gezegd,
het was er uit, er uit!... en hij juichte inwendig, en voelde een
gewaarwording van licht geluk, alsof een ondraagbaar-zware last hem
eensklaps van het hart genomen was.
Met stralende oogen, zonder acht te geven op 't schertsen der heele
bende, die met de ondeugende Irma om zijn onverwacht antwoord
medelachte, durfde hij nu Rozeke onbevangen aankijken, en 't kwam hem
voor alsof zij, in het schemerduister, onder zijn langen liefdeblik,
meer en meer vast-levende vormen kreeg. Hij zag nu duidelijk iets van
haar gelaat: haar kleinen mond, haar fijnen neus, de vage bleekheid van
haar voorhoofd en haar wangen, de donkere golving van haar haren, den
stillen glans van haar op hem gerichte oogen... En eensklaps zag hij
heel haar tengere gestalte duidelijk omlijnd uit de grauwheid van den
nacht oprijzen, en even om zich heen starend zag hij ook de duidelijker
wordende gestalten van al de anderen, en het alom lichter worden van den
grauwen nacht. Een fijn, kort vogelgezang kweelde ergens in de nabijheid,
een haan kraaide, een zacht-zingend geluid klonk in de verte: het
duidelijk hoorbaar slijpen van een zeis. Het duizelde in zijn geest,
en 't was of hij nog maar half wakker was en nog droomde, tot hij met
heel de bende op een breeden, mullen zandweg stond, dichtbij een
uitgestrekte, nevelige vlakte, die leek een zwaar en dicht begroeid stuk
weiland.
Zij stonden vóór den grooten, rijpen vlasgaard die dien dag geoogst
moest worden, en 't schemerig schijnsel, dat meer en meer aan alles zijn
vaste, duidelijke vormen gaf, was 't zacht en stil geboren-worden van
den zomer-dageraad.
* * * * *
Boer Kneuvels trad naar voren en hield glimlachend zijn beide flesschen
jenever in de hoogte.
"A... allo, jongens, ne nen dreupel om te beginnen!" stotterde hij.
"Ie ie iest d' ouwste."
Een dof rumoer van pret ging op, en de Krommen Bulcke, die de oudste
was, kwam naar hem toe. Hij nam de tabaksprop, waaraan hij reeds aan
't kauwen was, uit zijn mond, en spuwde links van zich af.
"Ik ben den ouwsten!" riep hij. Maar Sieska Verhelle snelde toe en
beweerde dat zij de oudste was. Er werd even gekibbeld en gelachen. Zij
moesten hun geboorte-jaar zeggen en toen het bleek dat de Krommen Bulcke
werkelijk de oudste was, kreeg hij het eerste glas. Hij dronk en gaf het
leege glas aan Sieska. Maar zij noemde hem "ouwen Buck" en veegde eerst
het glaasje schoon aan haar schort omdat het stonk naar zijn tabaksprop.
Om de beurt dronken zij nu, de mannen en de vrouwen, allen uit hetzelfde
glas, tot de twee flesschen leeg waren. Dat was de eerste prikkel voor
den langen zwaren arbeidsdag, die zonder veel jenever nooit zou
uitgehouden worden; en eer ze nu aan 't werk gingen was er een korte
stilte, en maakten zij allen een kruis. Dat riep Gods zegen over hun
werk, en hoog en vroolijk galmde dadelijk daarop de kreet:
"Goan we beginnen?"
"Joa w'!"
en zij schaarden zich op één lange rij, bukten neer, en rukten in de
grijze schemering de kille, natbedauwde stengels uit, met volle grepen.
De mannen rukten uit, de vrouwen legden de stengels in pakjes van een
handvol over elkaar, beurtelings met de zaadkorrels omhoog en omlaag, om
ze dan later, bij de verdere bewerking weer in afgepaste handvollen
terug te vinden. Iedere twaalf of vijftien pakjes werden met een strik
van enkele vlasaartjes tot een bundel saâmgebonden, en op reke
neergelegd. Niemand sprak of schertste meer; allen werkten onverpoosd,
zonder opkijken door, zoo vlug zij konden, enkel bezorgd om vooral in
het begin goed op te schieten. Men hoorde geen ander geluid meer dan dat
van het aanhoudend uitgerukte vlas, en het klonk bijna pijnlijk in de
stilte van den nacht, als iets dat klagend en zuchtend, onder lastig
zwoegen, van elkaar werd gescheurd.
Zij rukten en bonden, warm reeds en bezweet van den vluggen arbeid, en
om hen heen ontwaakte stil, zonder dat ze 't haast merkten, de teere
heerlijkheid van een frischgeboren zomerdag. Alles werd doorschijnend
wazig-grijs, heel licht, heel teer en ijl, als had nog niets zijn vaste
stevigheid van vormen en van kleuren. De lange vochtige vlasstengels van
vage tint plakten zich papperig-week tot slappe bundels samen, de ronde
zaadkorrels ritselden broos tegen elkander als natte, glazen balletjes;
en zij zelven, al die mannen en die vrouwen, stonden in een onreëele
atmosfeer, als wazige groote poppen, die heel licht een dood-eenvoudig
en gemakkelijk kinderwerk verrichtten. Het was iets zoo vreemds, dat zij
af en toe elkander instinctmatig aankeken, als 't ware om zichzelven te
overtuigen dat zij werkelijk levende wezens waren, die werkelijk-reëele
gebaren en bewegingen maakten. Een der mannen, Drieske Nijpers, hield
even op met rukken en stak de hand uit naar zijn buurman Miel van Dalen,
om hem van zich af te duwen, alsof hij hem hinderlijk in den weg stond.
En beiden lachten vreemd om die nuttelooze beweging, want zij stonden
passen van elkaar. De andere keken op en staarden ingelijks verbaasd
naar rechts en links, en dan ook achter zich om, naar de bindende
meisjes. Wat was het zonderling! 't leek of ze allen op een kluitje
stonden, en wanneer zij de handen uitstaken raakten zij elkander niet
aan. Even stonden zij daar allen lachend met wijd-uitgestrekte handen,
als blinden zoekend met onvaste schreden en gebaren, maar dadelijk in
't stevig aanvoelen van elkanders lichaam schaterjoelden de mannen van
uitgelaten pret en poogde de een den ander om te gooien. Zoo kwamen zij
ook op de meisjes af, maar deze vluchtten gillend weg, en eindelijk
omringden zij allen den boer, die vruchteloos tegenworstelde en
stotterde, en eerst verlost werd uit hun dolle knelling op voorwaarde
dat hij dadelijk naar de boerderij twee versche flesschen jenever zou
gaan halen. Zij hadden, volgens oud gebruik, recht op een liter per
hoofd, en de boer stotterend, haastte zich weg, terwijl allen met
vernieuwden moed weer aan den arbeid gingen.
* * * * *
Toen steeg opeens, als een zachtjubelende groet van levenslust en
liefde, een teer en fijn gezang van uit de grijze lucht naar den
langzaam ophelderenden hemel. Het galmde zoo frisch en zoo rein en zoo
zoet, zoo vol ontroerde melodie, het steeg in de geurende atmosfeer als
een zingende extaze tot de laatste, wegbleekende sterren; en zij zagen
't eerste leeuwerikje van den pas-geboren zomerochtend, wervelwiekend in
het trillen van zijn fijne vlerkjes, naar de hooge, ijle, lichtblauw-
wordende lucht. Het steeg en steeg, steeds hooger en hooger, als wou het
aan den verren, doffen horizon iets zoeken, dat slechts van uit de
ontoegankelijkste regionen te ontdekken was. En toen scheen het eensklaps
onbewegelijk te blijven hangen, niet zichtbaar meer voor hen die daar in
't grijs beneden stonden, en alleen zijn gezang parelde nog steeds, heel
fijn nu, als in kristallen droppels op de aarde neer, terwijl ginds heel
héél verre in 't Noord-Oosten, een transparant-geelachtig schijnsel, over
een lange, lage en smalle uitgestrektheid, als de weerschijn van een
eindeloos verren brand den doffen einder kleurde. Het was de dageraad.
Een frisch, bijna kil windje kwam even aangewaaid, en stierf meteen, als
't ware zuchtend, uit: en plotseling stonden al die mannen en die vrouwen
in 't wezenlijk grijs-roze licht van alle vroege ochtenden, en lachend
groetten zij elkaar nog eens "gôen dag", als kwamen zij maar pas elkander
te ontmoeten.
Reeds keerde de boer met de twee volle flesschen jenever terug, en
opnieuw dronken zij, de mannen en de vrouwen, ieder twee borrels, uit
het eenig, om de beurt van hand tot hand gaande glaasje. En dadelijk
bukten zij met inspanning weer neer over den ruwen arbeid, de mannen
rukkend en de vrouwen bindend, in een van lieverlede weer opkomende roes
van drukte en lawaaiigheid. Vliegensvlug ging het werk vooruit nu, zij
trachtten elkander de loef af te steken; de mannen rukten om de meisjes
te overstelpen, en de meisjes bonden en slingerden de bundels om zich
heen en kwamen in hollende haast de stengels tot onder de voeten der
mannen oprapen. Zij grabbelden en schaterden en lachten, geen van allen
wou voor een ander onder doen, en 't ging zoo voort tot zij eindelijk
niet meer konden en hijgend en blazend allen te gelijk even ophielden,
en afgemat, met druipende gezichten en hangende armen, op den vlasgaard
neerzakten.
De Krommen Bulcke en de oude Sieska bromden. Was dat nu werken! 't leek
wel jongensspel! Maar al de anderen hadden uitgelaten pret, en zij
hielden de twee oudjes voor den gek en stelden spottend voor hun een
tafeltje en een paar stoelen te halen. Doch de ochtend vorderde en de
nog te bewerken oppervlakte was ontzaglijk groot, en weer gingen zij aan
't werk, kalmer nu, in een gelijke, vlugge rythme zonder overhaast. Zoo
moest het gaan, zoo zouden zij ook klaar komen; en in die gelijkmatigheid
van arbeid kwam een soort gezelligheid, met lust tot praten en tot zingen.
Alfons, stilzwijgend in 't geraas der anderen, hield tersluiks Rozeke in
't oog. Zij stond schuins achter hem en deed ook slechts van verre in de
jool der anderen mee, maar af en toe, terwijl hij vluchtig naar haar
omkeek, kruiste zijn blik zich even met den hare. En het zong van geluk
in zijn ziel, terwijl hij, in 't geroezemoes der drukke bende, alleen
met zijn gedachten en zijn nu vaststaande plannen, aan de zacht-heerlijke
toekomst dacht. Te lang had hij met haar getalmd; thans was hij vast
besloten haar te vragen; zij zouden trouwen en voorloopig hun intrek
nemen bij zijn oude moeder, in het bouwvallig, maar gezellig huisje met
de kleingeruite raampjes en het grauwe stroodak, onder het lommer van de
hooge, zacht-ruischende populieren. Hij was vol illuziën, hij zou voor
haar werken en zij zou voor zijn oude moeder als een dochter zorgen; zij
zouden zoo gelukkig en zoo vreedzaam met hun drieën leven, en in de soms
drukkende kleurloosheid van zijn eenzaam bestaan zou zij plotseling
verrijzen als de zachte, warme lentezon, die alles opfleurt en
verlevendigt.--Hij peinsde verder, dieper de toekomst in: moeder, op
gevorderden leeftijd gestorven, door Rozeke's teedere zorgen omgeven, en
zij beiden voortaan alleen in het huisje, met hun kinderen. Hard werken
zou het dan wezen, maar het geluk gaf moed en kracht; daarvoor was hij
niet bang. Zij zouden wel ieder jaar zien rond te komen en zelfs een
klein beetje op zij kunnen leggen, voor later. En dan, ja, wie kon het
weten, zijn oude nicht Begijntje, die te Gent in 't Klein Begijnhof
woonde, liet hun ook misschien iets na! Daar dacht hij plotseling aan
met diepe emotie, als iets dat bijna mòèst gebeuren. Zijn moeder, en na
zijn moeder, hij, was 't eenig familielid, die nicht Begijntje nog
bezat. Zij had geld, veel geld, beweerde men, en ieder jaar, in Januari,
ging hij haar met zijn moeder in 't Begijnhof een nieuwjaar wenschen, en
kreeg tien frank van haar. Zonder twijfel zou nicht Begijntje in haar
testament wel heel veel van haar vermogen aan 't Begijnhof achterlaten,
maar zou er ook niet iets voor moeder en voor hem, haar eenige
bloedverwanten, overblijven? En eensklaps dacht hij dat hij vooral niet
vergeten mocht nicht Begijntje's goedkeuring te vragen om met Rozeke te
trouwen. Gelukkig dat hij daaraan nu plotseling dacht! Wat zou nicht
Begijntje wel zeggen indien hij daar zoo opeens met Rozeke vóór haar
stond, en zei: "Nicht Begijntje, ik ben getrouwd en hier is mijn vrouw."
Wat zou ze 't hem kwalijk nemen en wellicht nooit vergeven, als hij haar
zoo schandelijk miskende!
Overal nu, hoog boven alle de velden, hingen de zachte leeuwerikjes
onverpoosd te orgelen, in de ijle, teere, wazig-blauw geworden lucht.
't Was als een aanhoudende melodie zonder begin en zonder eind, als de
rythme zelf van de ontwakende natuur. En alles om hen heen kreeg nu ook
meer en meer zijn vaste vorm en kleur: het vlas waarin zij zwoegden lag
scheef en schots geslagen door de laatste zomer-onweersregens, als een
reusachtige vacht van levende, ongekamde, geel-groene borstelharen; de
blonde korenakkers er omheen bogen hun rijpende halmen naar den grond;
de aardappel-landen lagen somber-groen, met al de rechtopstaande witte
trosjes van hun bloeisel als zoovele zilverwit brandende kaarsjes; de
nog grijs-groene haver trilde door al haar miljoenen bepareldauwde
klokjes, en de bloeiende klavervelden vlamden alom als paarse en roze,
plat ten gronde uitgestrekte vlaggen, tusschen die schitterweelde van
smaragd en goud. Aan den einder, boven de kruinen van de verre vage
boomen, verrees de zon in een chaos van oranje en grijze wolken, als een
boudeerende godheid, als een groot en machtig wonder, dat zich
ongenaakbaar achter nevelen verborgen houdt. 't Begon reeds benauwd warm
te worden.
"Onweer of regen van doage!" voorspelde de Krommen Bulcke, even
opkijkend en blazend.
"Onweer in ou broek!" spotte Vaprijsken. En allen moesten schaterlachen.
Op het veld, langs de eenzame wegen, begon langzamerhand leven en
beweging te komen. Karren dokkerden in de verte, hanen kraaiden overal,
roepstemmen galmden. Onzichtbare maaiers waren ergens aan het werk en in
de ijle, stille lucht, hoorde men af en toe de zeisen slijpen. Heel in
't verschiet roffelde dof een trein, met rythmisch zuchten van stoom en
lange nadreuning over metalen brug.
"Hoe loate zoe 't al wel zijn?" vroeg eensklaps een der mannen. En als
een antwoord begon het juist op den kerktoren te slaan en zij telden
vier langzame slagen. Vier uur; 't was volop dag. Zij keken om naar het
reeds afgelegde werk en voelden zich tevreden. Met nieuwen moed bukten,
rukten, bonden zij, al pratend en zingend. De schrille neusstemmen der
vrouwen galmden in fausset-klank tusschen 't zacht en puur gekweel der
leeuwerikjes; de zware keelstemmen der mannen bromden mee in ondertoon.
Een hondenkar bespannen met vier groote honden kwam ratelend in wilden
ren en woest geblaf over den steenweg aangereden, en in de verte,
tusschen de boomen der oprijlaan, zagen de slijters boer Kneuvels met
twee versche flesschen jenever aankomen. Zij juichten hem met rauw
geschreeuw van verre te gemoet, zwaaiend met hun petten en hun
handen....
* * * * *
De leeuwerikjes hadden al een tijd als dol gezongen, en het was zeven
uur en de grootste helft van den vlasgaard was uitgerukt en lag in
geelgroene bundels verspreid over het plat-getrapt veld, toen de lucht,
die sinds een poos steeds grijzer en somberder werd, plotseling in een
overweldigende, lauwe regenbui losbarstte. Het duurde niet lang, maar
zij konden nergens schuilen, en in enkele minuten waren zij allen
doornat. De druipende mannen zagen er uit als uit het water gehaalde
honden, en de vrouwen zaten allen "in de zij" gestoken, zooals ze 't
schaterlachend noemden: al hun kleeren plakkend om het lijf gegoten, met
natten weerglans als van fijn-glimmende zijde.
"Kijk ne kier! Kijk ne kier! 'k zit in de zijë en 'k droage ne sleep!"
giegelde Irma Pese, met doorgezakte knieën en wringingen van heel het
lijf haar morsigen rok over het veld heen en weer dweilend. Maar de
mannen keken minder naar haar rok dan naar haar bovenlijf en dijen, waar
de volle vormen zóó rond afgegoten waren, dat het alles meehuppelde en
trilde in de dolheid van haar wispelturige bewegingen. Drieske Nijpers
en de Seissekoker staakten alle twee het werk om haar met begeerig-
glinsterende oogen aan te kijken, en plotseling vloog de Seissekoker
als gek op haar af, greep haar met zijn beide armen in het middel dat
zij er bijna van omsloeg, en drukte haar een hartstochtelijk-wilden zoen
op den mond. Zij worstelde zich giegelend los en sloeg hem zonder
boosheid van zich af; en allen schaterden en gilden om het meest,
terwijl ieder van de mannen nu op een der meisjes afvloog. Het vocht en
schreeuwde en schaterde even alles door elkaar, enkele vrouwen boos, de
meeste jolig, als een wilde bende uitgelaten jonge dieren. Zelfs de oude
Krommen Bulcke wilde meedoen, en vloog waggelend op zijn scheeve beenen
naar de oude Sieska toe, de eenige werkelijk booze, die hem met een
ruwen vuistslag van zich afweerde; maar wat hen allen bij het eindigen
der dolle pret nog 't meest deed lachen, was het vreemd gezicht van
Alfons en van Rozeke, die als 't ware aaneengebonden nog steeds in
elkanders armen stonden, nadat al de anderen elkaar reeds hadden
losgelaten. Bij 't eerste sein der wilde uitspatting was hij recht op
haar afgesneld, zoodat geen ander haar kon nemen, en daar stond hij nog
zooals hij haar had vastgegrepen: de rechterhand beschermend om haar
middel, de linkerhand over haar schouder en zijn blik in smachtende,
biddende liefde op haar aangezicht gevestigd. Zij hield de oogen neer en
wachtte, een warme kleur over haar wangen, de losse bruine krulletjes om
't voorhoofd en de slapen door glinsterende regendroppels nat-bepareld.
Hij zou en wilde 't haar nu eindelijk in duidelijke woorden zeggen, maar
plotseling zag en hoorde hij het spotgelach van al de anderen, en rood
van spijt en schaamte liet hij haar weer los zonder nog een enkel woord
te kunnen vinden.
Maar er kwam afleiding opdagen. De paardenknecht der hoeve was in
aantocht om de eerste vracht groen vlas naar de rooterij te vervoeren.
Zij zagen van verre het tweespan met den wagen komen, hobbelend in
gestrekten draf door de lange oprijlaan der boerderij, met Smul rechtop
van voren, de beenen wijd-opengeschraagd, de zweep snel-klappend-
slingerend in de lucht. Alfons fronste de wenkbrauwen: daar kwam de
vijand aan. Maar al de anderen keken met een soort van eerbied en
bewondering en 't deed hem leed dat Rozeke ook iets van dien eerbied en
bewondering scheen te voelen. O die Smul, wat wist hij met de paarden om
te gaan! Zij sidderden en snoven zoodra ze zijne stem maar hoorden of
zijn hand aan de leidsels voelden. Ja, gelukkig voor Kneuvels dat hij
zulk een "boever" had; anders was hij al lang boer-af, met zijn heele
godsche dagen zwadderen en drinken!--Smul, rechtop met uitgesperde
beenen op den ratelend-hotsenden wagen, kwam als een rukwind uit de
oprijlaan gestoven, zwenkte zonder zijn wilde vaart te stremmen links
om, kwam recht als een kogel, in daverenden draf, op den vlasgaard
aangerukt. De blonde manen van zijn sterke vossen wapperden als
rook-en-vlamme-tongen in den wind, en groote brokken modder-aarde vlogen
wentelend met de wielen op. Blijkbaar was hij prat over die gapende
bewondering van allen, en vlak vóór den vlasgaard hield hij met een
plotsen ruk zijn paarden in, sprong af en greep ze alle twee bij de
gebitten vast, schuddend en duwend, terwijl de jagende beesten
steigerden en hinnikten, met snuivende, schuimende bekken en
angstig-wild draaiende oogen.
"Hierrr zilt-e stoan, peirden van luxe!" bulderde hij, ze met een
laatsten, ruwen wrong twee passen achteruitduwend; en trotsch omdat
ze gedwee en bevend als lammeren gehoorzaamden, klopte hij hun even
vriendelijk op den hals, wipte weer op den wagen en tilde een zware
mand in de hoogte, nu roepend tot de slijters:
"Allo, hier!... uldere fricot!"
Hij had hun tweede ontbijt meegebracht, en bij dit zicht straalden de
oogen, en allen voelden plotseling den scherpen honger, waarvan zij tot
nog toe, onder het harde werken, den knagenden prikkel hadden
onderdrukt.
"Joa moar, iest mijne woagen loan!" eischte Smul, hun de mand
overhandigend.
"Ha moar Ivo jongen, loat ons iest eten, we zien scheel van den honger,"
smeekte de oude Krommen Bulcke.
Doch er was geen zeggen aan. Smul ging aan 't vloeken, sprong weer
beneën en begon zelf de groene bundels op den wagen neer te ploffen.
Toen hielpen zij hem allen en in enkele minuten was de zware vracht
opgeladen.
"Jue, nondedzju!" bulderde Smul.
Zijn zweep klapte als razend, en de twee paarden, rillend als van schrik
tegen elkaar gedrongen, spanden hun krachtige lenden dat het harnas er
onder kraakte, en rukten eindelijk den wagen met zijn ingezakte wielen
uit den kleverigen moddergrond op.
"Och Hiere, die biesten moeten toch trekken!" riep de oude Sieska
meewarig.
"Ze'n trekken aan mijn hoar niet!" brulde Smul; en weg was hij, in
gestrekten pas nu, hangend aan de leidsels die hij ruw op de gebitten
snokte, aanhoudend schreeuwend, vloekend, en klappend met zijn lange
zweep over de glimmend-gespannen ruggen der paarden, die trokken en
trokken, alsof de dood hen op de hielen zat.
"Nondedzju!" riep een der slijters, pal van bewondering.
Alfons zei geen woord. Hij keek naar Rozeke. Haar strakke oogen volgden
een poos den aftrekkenden wagen, en toen keerde zij zich om en huiverde,
als van kou. Haar blik viel op hem, en zacht en teeder staarde zij hem
zwijgend even aan, en in zijn ziel juichte 't hoog op van zalige
ontroering. Neen neen, zij hield niet van dien woesteling en bewonderde
hem ook niet. Zij hield van hem, alleen van hèm, en zou de zijne
worden!...
* * * * *
Even vóór tien uur hadden zij, onder uitbundig gejubel, de laatste
stengels van den ontzaglijken vlasgaard uitgerukt en tot een laatsten
bundel in elkaar gebonden. Nu lag het gansche naakte veld bezaaid met
groene bundels, en daar waar 't hooge, rijpe vlas stond, schemerde nog
nauwelijks, vlak bij den grond, als een dons van grauwachtig groen, het
fijne wortelloof, dat, tegelijkertijd met 't vlas gezaaid, eerst nu zijn
vrije beurt van wasdom zou krijgen. Het eerste gedeelte van hun zwaren
arbeid was volbracht; en zij verademden even en dronken weer een borrel
uit de flesschen die de boer voor de zooveelste maal van de hoeve had
gehaald. Zij waren nog niet dronken, maar enkelen toch begonnen vreemd
te doen. Irma Pese had van Vaprijsken een gevulde pijp gekregen en
rookte met gulzige smakken, veel te gauw, als een kwajongen vóór hij
rooken kan. La, Mietje Moor, Maaie Troet, het Geluw Meuleken en nog een
zestal mannen en vrouwen omringden haar en moedigden haar spottend aan.
Alleen Vaprijsken, die de pijp gegeven had, stond onbewegelijk en
sprakeloos, als 't ware wachtend op haar te staren, een stillen glimlach
op zijn bleek, effen gelaat met gelen baard en gele snor, waarin de
kleine, bruingerookte schimp-mond als een donker putje lag.
Plotseling rukte Irma ruw de pijp uit haar lippen en gooide die tegen
den grond, terwijl ze met een "pouah" van walging spuwde.
"Wa scheelt er dan? Deugt den toebak niet?" giegelden de vrouwen.
"Pouah! de smeirlap! hij hêt er papier in gestopt!" walgde Irma met een
verwoeden blik op Vaprijsken.
"Papier nog al!" deed deze, zich onnoozel houdend en de pijp oprapend.
"Kijk kijk, 't es tòch woar! wie mag da gedoan hên?" En onder algemeen
schatergelach haalde hij, kalm glimlachend in zijn gelen baard, een
vieze prop half versmeuld papier uit den bak.
Bij dit zicht werd Irma groen en ijlings keerde zij zich om. Haar
schouders hikten even krampachtig op en neer, en plotseling zakte zij
klagend ineen met het hoofd tegen een bundel vlas.
De anderen lieten haar maar liggen. Zij hadden nu pret met Krommen
Bulcke en oude Sieska, die beiden half dronken, elkaar ter wille van een
oude veete, heftig aan 't uitschelden waren. De Krommen brabbelde en
viel over zijn woorden, heelemaal overstelpt door het razend gekwebbel
en geschreeuw van Sieska, die hem eensklaps voor "ouwe smeirlap"
uitmaakte, en dat scheldwoord herhaalde: tien keer, twintig keer, dertig
keer, tot het werd als een blaffen en snauwen, zóó wild en dol, dat al
de anderen weldra begonnen mee te gillen en te blaffen, en ten slotte
hand aan hand een woeste ronde om de kijvers dansden, die aldoor maar
razend bleven doorschelden, de Krommen in verwarde klanken brabbelend en
stotterend, de oude feeks aldoor haar "smeirlap! smeirlap! smeirlap!"
krijschend, in zulk een furie dat het schuim haar op de lippen kwam.
Eensklaps rukte ze zich om en stak als uitersten hoon, met half
opgetilde rokken haar achterste naar hem uit, zóó woest-geweldig, dat
zij op den glibberigen bodem uitgleed en met 't gezicht tegen den grond
neerstortte. De mannen brulden 't uit en de meisjes gilden schrille
kreten, als werden zij door twintig handen te gelijk gekitteld, terwijl
de Krommen Bulcke, eerst even als verbluft staande, plotseling in een
reusachtig, onbedaarlijk, zegevierend schoklachen uitbarstte, zijn oogen
stralend op het schouwspel, zijn tandeloozen mond wijd open, zijn beide
grove handen beurtelings als biddend in de hoogte en dan wild-juichend
neerpletsend op zijn knokkelige, natte, kromme beenen, als een kind in
óverdolle uitgelatenheid. Hij hoorde niet eens het woedend geschreeuw
van Smul, die, intusschen met zijn wagen terug gekomen, hem bijna omver
reed; hij stond daar nog een heele poos te proesten, nadat Sieska,
bevend van woede, weer opgestaan en met de anderen aan het laden was;
hij zwenkte eindelijk weg, gelukkig voor den ganschen dag, wat er
voortaan ook gebeuren mocht.
Smul, recht op den wagen, stond geducht te brommen en te vloeken. Wat
dachten ze wel met hun lanterfanten en hun gekheid maken? Meenden ze
misschien dat hij tot laat in den nacht met zijn paarden heen en weer
zou rijden! Dadelijk moest de helft der mannen en der vrouwen naar den
rootput met hem mee om het vlas te helpen lossen en aan 't reepen en
rooten te gaan. De andere helft moest op de partij blijven en de bundels
aan den rand van den landweg brengen. Hij sprak en beval alsof hij de
baas was, en toen een der slijters hem vroeg of de boer het zoo geschikt
had, antwoordde hij vloekend dat de boer al met een stuk in zijn kraag
liep en dat hij nondedzju zijn broek veegde aan den boer. De wagen werd
opnieuw geladen en de slijters bespraken even onder elkaar wie mee zou
gaan en wie zou blijven.
Alfons kwam heimelijk naast Rozeke geschoven.
"Wat doe-je gij?" vroeg hij fluisterend.
"Lijk of ge wilt," antwoordde zij zacht.
Wat vond hij 't lief van haar, dat zij háár besluit van 't zijne liet
afhangen.
"Ik blijve," zei hij.
"Ik ook," murmelde zij. En beiden gingen achteraan staan.
De meesten wilden trouwens mee, om de verandering en de pret. De meisjes
wipten giegelend midden in de groene bundels op den wagen, de mannen
zouden loopen. Met een woedenden blik keek Smul Alfons en Rozeke even
na. Zij hoorden hem wat pruttelen van "verdomsche leeggangers" maar
trokken 't zich niet aan. Hij zweepklapte en rukte aan de leidsels, en
de schichtige paarden stoven vooruit, met wreed-blikkerend wit van oogen
en overeind-wuivende manen. De rootput lag verre, in een weiland, aan de
andere zijde van het dorp. Het was een heele sjouw om al dat vlas
daarheen te vervoeren. Het was er geen mindere de zware bundels van het
verste einde der partij naar voren aan den weg te brengen; en zonder
verder talmen gingen de overblijvers weer aan 't werk.
De heete zon priemde af en toe met scherpe schichten door de grijze
wolken en kroop het oogenblik daarna, als verstoppertje spelend, weer
achter sluiers weg. De leeuwerikjes orgelden steeds onvermoeid in 't
hooge van de lucht, en bijwijlen galmden nu ook in de verte de zwaardere
contralto-stemmen van wielewaal en koekoek. Stil fladderden soms gele en
witte vlinders rond, loom zwenkend als vermoeide wezens; en heele kleine
kapelletjes: bruinroode, met zwarte stippeltjes, of louter azuurblauwe
zonder een vlekje, zaten roerloos op de lichte, schrale wortel-kruidjes,
nu eens met schitterende open vlerkjes in de heete zon te genieten, dan
weer met doffe, mes-fijn dichtgeknepen vlerkjes in de schaduw te rusten
of te slapen. De Krommen Bulcke, die op 't veld gebleven was, keek nu en
dan gebogen-luisterend naar den einder, en beweerde dat het in de verte
donderde.
Om de drie kwartier keerde Smul met zijn leegen wagen terug. Zij zagen
en hoorden hem komen van verre in de woestheid van zijn rennen, en in
vliegende haast werden de bundels opgeladen. Telkens keek Alfons hem
even vluchtig aan. Hij nam geen bizondere notitie van Rozeke, hij keek
naar niemand, hij schreeuwde maar, in onstuimige drift, als tegen een
troep beesten, dat ze zich moesten haasten; en terwijl zij laadden ging
hij naar de jeneverflesch en dronk groote borrels, soms twee drie na
elkaar.
Toen sloeg het op den onzichtbaren kerktoren twaalf trage slagen, en te
gelijkertijd klingelde schel het klokje boven op het dak der
boerenwoning, de arbeiders naar 't noenmaal roepend. Zij lieten dadelijk
de bundels vallen en trokken in groep naar de hoeve. Weer voelden zij
plotseling allen een knagenden honger, en 't leek hun of de dag nu reeds
zóó lang geduurd had dat het wel avond moest zijn. Zij waren moe en beu
van werken en van drinken, zij hadden maar één gedachte, één verlangen
meer: eten, en daarna gaan liggen op den boomgaard in het gras, onder de
frissche schaduw der fruitboomen. Bijna te gelijkertijd kwam ook het
volk der rooterij op het boerenhof aan; en in de ruime keuken, waar de
karnemelkpap dampend in vier groote aarden kommen op de lange,
ruw-houten tafel klaar stond, namen allen haastig plaats, sloegen een
kruis, deden een kort gebed, en gingen met de houten lepels aan het
scheppen. Borden hadden zij niet: allen aten met hun lepels uit de
groote kommen. De magen rammelden. Zij hadden honger, honger!... Zij
voelden eerst hoe groot hun honger was, nadat zij gulzig een paar lepels
hadden ingeslurpt. In enkele minuten waren alle vier de reusachtige
kommen leeg, de boerin nam ze weg en zette de tweede schotel: vier
enorme platte teilen aardappels met kaantjessaus in de plaats. De gele,
vet-besausde knollen glommen in hooge stapels, en de korte ijzeren
vorken prikten in den tas, telkens een vollen, heet-dampenden aardappel
naar den mond brengend. Hun honger scheen nog toe te nemen en zij aten
overdadig; de lekkere geur der vettige ui-en-speksaus krinkelde diep in
de neusgaten en deed hun 't water in den mond komen. Het was stikwarm in
huis en 't zweet brak uit op de gezichten.
De werkers der rooterij beweerden dat zij nu te veel vlas kregen op den
dem[1] en drongen er op aan dat de achterblijvers op den vlasgaard thans
ook mee zouden helpen om den te grooten voorraad te reepen en te wateren
vóór het overige vlas gehaald werd. Anders kwamen zij stellig vóór
middernacht niet klaar. De boer, die heel den ochtend in de herbergen
van 't dorp gezeten had, kwam aangeschoten, met vuurrood gezicht en
waterige oogen binnen, en hakkelde ook dat er te te te te veel volk was
op den vlasgaard en te te te weinig op den dem; kortom er werd besloten
dat zij na de noenstondrust allen samen naar den dem zouden gaan, en
eerst later, nadat zij daar goed opgeschoten waren, de laatste bundels
van den vlasgaard weghalen. Zij waren klaar met eten, zij deden weer een
kort gebed en sloegen een kruis, en toen haastten zij zich allen naar
den boomgaard en vielen er doodmoe in het malsche, koele gras, onder de
frissche schaduw der heerlijke fruitboomen neer. De meesten sliepen
dadelijk in; anderen babbelden nog even door en enkele mannen kittelden
de bloote enkels van de meisjes met stroohalmen en graspijltjes. Alfons
lag naast Rozeke's broeder, Rozeke zelf lag tusschen haar zuster La en
't Geluw Meuleken. Af en toe klonk een kort gelach der mannen of een
geknor der gesarde meisjes. Alfons richtte zich even, geprikkeld en
jaloersch, half overeind, vreezend dat de mannen ook Rozeke kittelden.
Maar zij had haar voorzorgen genomen, haar rok nauwsluitend om haar
beenen opgerold. Zij sliep reeds, en dat stelde hem gerust. Hij hoorde
nog even het gegiegel van de dikke Irma Pese, die wat hooger dan de
andere gekitteld werd, en toen sliep hij ook loodzwaar in. De lucht was
effen grijs en stil, benauwd en broeiend; de vliegen zwermden sarrend.
Glanzend-rood hingen de rijpe kersen in het zachte groen te blozen. In
de verte hoorde men af en toe vaag en zwaar dondergeroffel.
* * * * *
Klokslag twee waren zij allen op den dem. 't Was in een groot stuk
weiland, midden in een lang en smal verschiet van andere weilanden,
rechts afgebakend door den met hooge boomen beplanten berm van een
onzichtbaar, diepliggend kanaal, links door een zanderigen landweg,
waarachter de rijke akkers van vruchtbaarheid geleidelijk naar de ruime
vlakte opgolfden. Op korten afstand rees de ouderwetsche slanke
dorpskerktoren boven de lage, roode huisdaken, als een fijne naald van
grijsgeel steen met gothisch kantwerk van boogramen; en even verder, aan
de andere zijde van de weilanden, lag een groote boerderij midden in
haar boomgaard als een rotsig eilandje in vlakke, stille zee. Nòg verder
was een donker eikenbosch, en daarachter puntten scherp ten hemel de
hoektorentjes van het kasteel. In enkele weiden graasden vreedzaam bonte
kudden koeien en paarden; in andere zag en hoorde men de vroolijke
bedrijvigheid van maaien en van hooien. 't Was overal de volle
zomerdrukte, wanneer de lange dagen nog te kort zijn voor het
overweldigend-vele dat verricht moet worden.
Op den dem, vlak bij den rootput, naast een kolossalen stapel
lichtgroene vlasbundels, waarin hier en daar een meegerukte klaproos als
een bloedspat vlekte, waren de vier "reepen" volop aan den gang. Het
waren vier stevige, zware, twee voet breede en zes voet lange, plat op
den grond liggende planken, met dwars door het midden een dichte rij
lange, stevige, rechtopstaande ijzeren punten. De reepers, rechts en
links met de voeten naar voren tegen de punten geschraagd en plat ten
gronde op de planken neergezeten, sloegen de vlasstengels met volle
grepen tusschen de scherpe ijzeren tanden, rukten uit al hun kracht, een
keer, twee keer, soms drie keer, tot al de zaadkorrels er af geritst
waren, gooiden de stengels op zij, namen een andere volle greep, rukten
opnieuw. De vrouwen holden om hen heen en weer, brachten de bundels aan,
bonden ze los, namen ze, ontdaan van de korrels op, bonden ze weer tot
bundels, en gooiden ze dan van hand tot hand naar de rooters, die in en
om den rootput stonden. Met een plons gingen de bundels in het water
onder, de een boven den ander, en naarmate zij in dikke lagen heel de
diepte van den bodem vulden, werd er stroo over uitgespreid en boven op
het stroo zware graszoden gelegd, om het geheel goed in elkaar gedrukt
onder water te houden. Dat reepen en rooten was het echte harde sjouwen
van den ganschen ruwen vlas-arbeid. Het uitrukken en op de wagens laden
was slechts kinderspel daarbij vergeleken.
Nu was het hijgen en zweeten zonder ophouden; nu was het beulen als
afgejakkerde lastdieren. De haren van de vrouwen hingen in natte,
slordige verwarring om haar vuurroode gezichten; de mannen, hemdsmouwen
en broeken opgestroopt tot over de ellebogen en knieën, waren beslijkt
en bemorst als hadden zij in een modderpoel ondergeduikeld. En echte
vreugd klonk er niet meer in hun af en toe nog gewilde uitgelatenheid:
de oogen stonden dof en hol, de wangen waren ingevallen, de knieën
knikten en de handen beefden. Maar de drank, de slechte jenever, werd
bijna aanhoudend rondgeschonken, en dat hield de krachten nog op, en gaf
aan de bedrijvigheid haren bedriegelijken schijn van levenslustige pret.
Zij snakten allen naar den avond, naar het einde van het afmattend
gebeul. De zon was weer even tusschen grijze wolken doorgeschoven en
straalde met goudende tinten over de groene weilanden, over het rijke
vee, over de rijpende korenakkers en de hooge, grijsgele kanteelen van
den kerktoren. En zij keken op en zuchtten; de zon stond nog zoo hoog,
zoo eindeloos-wanhopig-hoog; het zou zoo lang nog duren vóór die weiden
en akkers bronsrood werden, vóór dat rustig-grazend vee wegsmolt in
avondnevelen, vóór die oude, grijze kerk, rood-laaiend als een vuurtoren,
het laatste licht van den ondergaanden stralenbol opving. De klokkeslag
der lange trage uren was zoo gauw geslagen: drie uur, vier uur; 't was
of de langzame dag niet voortschreed en nooit eindigen zou.
De maaltijd van vier ure: spek met roggebrood en koffie werd in gedrukte
afgematheid gebruikt, en eerst toen ze weer aan den arbeid waren, en de
jeneverflesch nog eens was rondgegaan, begon de trapsgewijze afkoeling
van den druk-benauwden dag hen eenigszins op te fleuren. Allen samen
zongen zij een liedje en 't leek wel of het werk eensklaps gemakkelijker
ging in het eentonig rythmeerende wiegen van het deuntje, en toen het
uit was zongen zij er nog eentje, vroolijk en opgewekt, en toen een
derde, een schuin-ondeugend, dat hen allen lachen deed. Weer werd de
stemming goed, weer haalden zij hun grapjes uit. Om vijf uur barstte
plotseling opnieuw een korte, maar geweldige plasbui los, en voor de
tweede maal werden de vrouwen "in de zij" gestoken. Die tegenspoed, in
plaats van hen ter neer te slaan, verfrischte en verlevendigde hun pret.
Zij waren nu toch eenmaal morsig en nat, het kon hun niet meer schelen,
zij zouden nu maar kletsnat blijven, van binnen en van buiten nat,
giegelden zij, en voor de zooveelste maal ging de flesch rond. De boer,
die sinds een paar uren bij de slijters niet gekomen was, verscheen
plotseling op den zandweg, in zulk een toestand, dat de heele bende wild
begon te proesten en te gillen. Hij zwenkte waggelend over de gansche
breedte van den weg, 't gezicht paarsrood, de armen hangend, en toen hij
op het glooiend weiland kwam namen zijn knikkende beenen van zelf een
aanloopje, recht op den rootput af. Twee mannen sprongen toe om hem nog
bij tijds tegen te houden, en hij plofte als een doode massa in den hoop
zaadkorrels tusschen de twee eerste reepen neer, klanken brabbelend
waarvan geen enkel mensch een woord verstaan kon. De boer van de
nabij-gelegen hoeve, die op zijn akker stond en hem van verre had zien
aanzwenken, kwam langzaam en glimlachend naar de slijtersbende toe,
drong door de spotlachende menigte, tilde Kneuvels onder de schouders op
en sleepte hem mee naar zijn huis om er wat bij te komen.
* * * * *
De slijters waren nog volop aan 't praten en aan 't lachen over het
geval, en de langzaam dalende avondzon brak opnieuw schitterend door de
wolken, toen zij aan de overzijde van het weiland, op den berm van het
kanaal, een groepje menschen zagen: drie dames en een heer, die van
verre met belangstelling naar hun werk stonden te kijken.
"Wie zijn datte!" riep Irma Pese.
Niemand herkende ze.
"Datte!... da zijn liefs veur ons!" schertste Vaprijsken. En hij wenkte
ze van verre tot zich, vrijpostig roepend:
"Ala toe, meiskes, kom moar hier; we zillen ulder ne kier tegen onz'
onderveste trekken."
"Ha moar zwijg toch, gie kalf!" riep Rozeke eensklaps een vurige kleur
krijgend. "Zij-je nie beschoamd! 't zijn iefers van 't kastiel!"
Rozeke had plotseling jonkvrouw Anna, de dochter van 't kasteel herkend,
die veel in 't veld ging wandelen en haar reeds meer dan eens op
vriendelijke wijze aangesproken had.
Haar uitroeping tegen Vaprijsken bracht als bij tooverslag een
benauwende stilte onder de slijters te weeg. 't Kasteel, dat was de
almacht waar zij allen bang voor waren; en nu hadden zij allen ook
eensklaps mejonkvrouw Anna herkend. Zij vreesden dat de jonkvrouw
Vaprijskens onbeschoft geroep gehoord had, en hun vrees steeg plotseling
tot ontzetting en schrik, toen zij de vier personen, na een korte
aarzeling, beslist naar hen toe zagen komen.
"Z'hén ou g'heurd zille; ge zilt er van goan krijgen, Vaprijs,"
fluisterden zij bevend, terwijl zij allen met inspanning en
schuw-neergeslagen oogen weer aan 't werk gingen.
De vier bezoekers waren reeds op 't weiland. De slijters, in hun werk
verdiept, keken al onder op met zijlingsche blikken en zagen ze bedaard
onder kalm gepraat over het groene gras naar hen toeschuiven. De dames
waren in lichte zomerkleeren: wit, geel en roze, met schitterende
parasols; de heer, in 't donkerblauw met gelen stroohoed, zwaaide met
een bruinen wandelstok. De reepers rukten aan de stengels, de vrouwen
holden met de bundels heen en weer, de rooters plonsden in het water.
Geen woord werd meer gesproken, geen oog durfde meer opkijken.
"Mogen we ne keer komen zien?" klonk eensklaps een jonge, heldere,
vriendelijke stem.
Als bij tooverslag, het hart van een zwaar pak verlost, keken al de
slijters op.
"Zeker, mejonkvreiwe, zeker," klonken bedeesd een paar stemmen.
De vier bezoekers waren heel dichtbij gekomen en mejonkvrouw Anna
groette de arbeiders met een lieven glimlach en een algemeenen "goên
dag." De beide dames die haar vergezelden groetten insgelijks, met
een kort hoofdknikje, en de heer lichtte eventjes den rand van zijn
stroohoed op. Allen antwoordden, stil en nederig: "dag mejonkvreiw
en gezelschap," en gingen druk voort met hun arbeid.
Het kasteelmeisje gaf, in een vreemde taal, uitleggingen aan haar
gezellinnen.
"They begin very early in the morning, I believe at one or two o'clock
and they have to work awfully hard all day, until they have finished,
not often before eight or nine in the evening."
De andere luisterden en glimlachten, met af en toe een "very interesting"
van belangstelling. Zij waren leelijk en mager, met grooten mond en
vooruitstekende kin, en iets hard-mannelijks in haar stijve, houterige
gestalten. Haar rokken waren kort en hare voeten groot, en op haar
rosblonde haren droegen zij, sterk naar voren, gewone mansstroohoeden
met zwarte linten, zonder gratie. Mejonkvrouw Anna, daarentegen, was
een buitengewoon mooie en gracieuze verschijning, lang en slank, een
frisch-roze gezondheidskleur over haar zachte ovale wangen, met schoone
donkere oogen en weelderige zwarte haren onder een licht en lief,
sierlijk gebogen zomerhoedje met witte tulle en roze rozen, die dezelfde
teere kleur hadden als haar doorschijnend japonnetje. De jonge man die
haar vergezelde was groot en blond, stevig gebouwd, met een borstelig-
opgekrulde, blonde snor en iets stugs in de uitdrukking van zijn koude,
grijze oogen. De mannen keken onder het sjouwen af en toe eens schichtig
op, de meisjes waagden, in het heen en weer hollen met de vlasbundels,
zijdsche blikken naar de frissche, lichte zomertoiletjes.
Eensklaps ontwaarde mejonkvrouw Anna Rozeke; en vriendelijk-verrast, als
tot een goede oude kennis, riep zij uit:
"Kijk kijk, Rozeke, zijt gij hier ook aan 't werk?"
"Ha joa ik e-woar: mejonkvreiwe," glimlachte Rozeke, verlegen opkijkend.
En een vluchtig blosje verlevendigde zoo lief en frisch haar moegesjouwd
gezichtje, met de natte, om haar voorhoofd en slapen klevende bruine
krulletjes, dat alle drie de bezoeksters haar even met verteederde
bewondering aanschouwden.
"That's my very dear little friend. Is n't it a pity that she has to do
such a hard, rough work?" zei jonkvrouw Anna tot haar gezellinnen.
"Aoh! too bad, she looks so nice!" antwoordden zij met een aanstellerig
glimlachje.
"That young man behind her, the dark one with his good features, that's
her lover, you know."
"Aoh! really!" riepen de twee Engelsche, eensklaps vol belangstelling
naar Alfons kijkend. De oudste van de twee greep naar haar face-à-main
en nam den jongen man aandachtig op. Vaprijsken en de Seissekoker, die
naast Alfons stonden, zagen de beweging en glimlachten.
De heer, die de drie meisjes vergezelde, was even wat op zij gaan staan
en keek belangstellend naar 't zwaar figuur van Irma Pese in haar
plakkend-natte kleeren.
Mejonkvrouw Anna kwam plotseling naar hem toe en keek hem sprekend met
haar lieve oogen aan, terwijl ze zacht en teeder haar fijne hand op zijn
arm legde.
"Armand, donne-leur quelque chose, leur travail est si dur," streelde
zij.
Hij ging dadelijk in zijn zak, tastte even, haalde een goudstuk van
twintig frank uit.
"C'est trop, n'est-ce pas?" dubieerde hij.
"Mais non, mais non; rend-les heureux, ne fut-ce qu'une fois," smeekte
zij met een ontroerde verteedering in stem en oogen.
Hij stak het glinsterend stukje in de hoogte, en floot even, als om een
hond te roepen.
De slijters keken op en aarzelden, niet goed begrijpende wat hij
bedoelde, niet kunnende gelooven dat hij hun zooveel wou geven.
"Allons donc!" riep hij eenigszins ongeduldig met het stukje wenkend.
Vaprijsken liet zijn bundel vallen en kwam toegesneld. Hij kreeg het
goudstuk.
"Merci, menier den b'ron, merci, gij zijt wel bedankt," zei hij met een
kleur van emotie, die gansch zijn geel gezicht met gelen baard van geluk
deed stralen.
"Nondedzju! twintig fran!" juichte hij stil, met het schitterend stukje
bij de anderen terugkomend. Zij stonden er allen als verbluft van, en
keken bijna bang-bewonderend naar den milden gever.
"Ha ha ha, menier den b'ron, gij gij gij zij nog weird da ge leeft!"
brabbelde plotseling de Krommen Bulcke, onmachtig zijn overweldigende
ontroering langer te bedwingen.
Wild moesten zij eensklaps allen schateren om de gekke woorden en
gebaren van den Krommen Bulcke. Hun eerste schroomvalligheid was voorbij
en de gezichten glommen van vreugd, op de rijke bezoekers bevestigd.
Irma Pese keek den jongen man met glinsterende oogen aan.
"What did he say? Why do they laugh for?" vroegen de Engelsche.
Maar de Krommen Bulcke liet zich door hun spotten niet uit het veld
slaan. Hij was ontroerd en hij was dronken, en plotseling kwam hij
waggelend en hinkend naar het viertal toe, en barstte daar voor hen in
tranen uit, klanken krabbelend, die niet meer te verstaan waren.
"Why does he cry now!" riepen verbaasd de Engelsche.
Maar al de andere slijters lachten en schaterden steeds luider om den
Krommen Bulcke, die niet meer tot bedaren was te brengen, en nu
volstrekt in zijn vuile, natte hand, de fijne hand van den heer poogde
te drukken.
"Hij'n wilt ou smeirige peuten niet!... dat't nog van 'n meiske woare!"
spotte Vaprijsken, die de blikken van den jongen man op Irma Pese wel
gemerkt had. En hij riep naar de dikke deerne:
"Toe, Irma, gee gij hem e-kier 'n handsjen!"
Maar de bezoekers hoorden 't niet; zij trokken zich langzaam voor de
penibel wordende emotie van den Krommen terug, met vriendelijke
glimlachjes en knikjes, als goede vorsten, die hun trouwe onderdanen met
een weldadig bezoek hebben vereerd. Mejonkvrouw Anna klopte Rozeke in 't
voorbijgaan vriendelijk op den schouder en glimlachte ook welwillend en
als 't ware goedkeurend naar Alfons. En ook de twee stijve, magere
Engelsche glimlachten en knikten nog eens apart voor Rozeke en Alfons;
en weg waren ze, voorzichtig schrijdend door de modder, dwars over 't
weiland naar den landweg, in de richting van 't kasteel.
Nauwelijks waren zij uit zicht, of al de vrouwen begonnen verward en
ondereen te snateren. Zij hadden 't tegelijkertijd over de mooie
kleeren, over de twee leelijke, magere Engelsche, over die schoone,
lieve jonkvrouw Anna en over den milden heer dien zij nog nooit te voren
gezien hadden.
"Doar zilt-e van heuren! da es mejonkvreiw Anna's lief!" riep opgewonden
Irma Pese.
"Ge zoe't gij meschien zijn lief wille zijn!" gekte Vaprijsken.
Luid moesten zij allen giegelen en schateren.
"'k Weinsche dat ik 't heure woare!" riep de Seissekoker.
"O gie leulijke vuilbek!" schimpten de vrouwen.
Zij babbelden daar nog druk over na en kwamen tot de conclusie dat het
waarschijnlijk toch wel was zooals Irma zeide: jonkvrouw Anna's lief.
Zij vonden hem een mooien, flinken man, en wat moest hij schatrijk zijn
om zoo maar ineens twintig frank ten beste te geven.
"En ienen die de meiskes geire ziet es 't euk!" riep oude Sieska.
"Joa? joa?... woaraan zie-je gij da, Sieska?" schaterden zij.
"Mijn eugen 'n zitten in mijne zak nie!" schetterde de oude. "'t Es
ienen die 't katsen in 't donker zoe pakken, da zegge 'k ik ulder!"
De mannen proestlachten, de meisjes kronkelden zich en sloegen van de
pret op haar billen.
Vaprijsken, lachend in zijn gelen baard, haalde 't mooie stukje uit zijn
vestzak en hield het in de hoogte.
"Fouitt!" floot hij, het wenkend gebaar van den heer nabootsend.
Allen kwamend joelend om hem staan. Er werd beraadslaagd wat zij er mee
zouden doen.
"Verdrijnken, nondedzju!" riep de Seissekoker.
Maar luide kreten van protest lieten zich hooren. Zij hadden al te veel
gedronken, en er werd besloten dat zij 's avonds 't stukje zouden
deelen.
Vaprijsken stopte 't zorgvuldig weer in zijn binnenzak, en staarde nu
met ondeugend-glimlachende oogen naar Alfons en Rozeke. Hij was in
dol-grappige luim en riep tot de anderen:
"Zeg ne kier, jongens, verstoat-e gulder Fransch en Yngelsch?"
Allen lachten, ontkennend hoofdschuddend.
"Ik wel!" riep Vaprijsken. "Oh yes, écoutez!"
"O gie zot!" giegelden de vrouwen.
Vaprijsken nam enkele vlasstengels bij elkaar, verboog ze tot een soort
van bril en keek er door naar Alfons en Rozeke, zooals een van de
Engelsche gedaan had.
"C'est ça Alfons en Rozeke, die mee malkander vrijen," gekscheerde
hij....
Opnieuw schaterden en giegelden zij allen overluid terwijl Alfons en
Rozeke, hoogkleurend, gegeneerd-glimlachend stonden te kijken.
"Eh bien çé bon, ze zijn getreiwd!" riep Vaprijsken. En vóór ze den tijd
hadden hem te ontwijken duwde hij Alfons zóó ruw tegen Rozeke aan, dat
ze beiden, onder luid gejuich en gegil, in den hoop zaadkorrels omver
vielen.
* * * * *
Maar het werd avond en de lucht betrok alweer met zware, donkere,
goud-omrande wolken. De stapel vlasbundels was spoedig aan het
verdwijnen en sinds een poos reed Smul, geholpen door twee mannen,
opnieuw van en naar den vlasgaard heen en weer, om wat ginder nog
overbleef te halen. Hij kwam juist met den laatsten wagen aan den
rootput, toen de laatste bundel van den voorraad er werd ingedoopt, en
schril gejubel begroette zijn verschijning. In vliegende haast werd de
vracht beneen geworpen, en enkele vrouwen, waaronder ook Rozeke,
sprongen op den wagen om er de laatste stengels af te bezemen.
De lucht was intusschen bijna zwart geworden. Alles kreeg vreemde,
fantastische vormen en kleuren: de rootput lag daar als een donkere,
peilloos-diepe kuil, de weilanden strekten zich als een vale, dorre
vlakte uit, de dichte boomenkruinen langs 't kanaal rezen als sombere
heuvelkammen, de kerktoren stond spierwit, ijl, klein en broos als een
speeltuigje door kinderhanden daar geplaatst, en 't rijpend koren aan
den landweg blikkerde met sulfergele golvingen, als wasemden er
zwaveldampen uit op. De bruingebrande gezichten van de slijters hadden
een ongewone, bijna grijnzende uitdrukking, het grazend vee troepte zich
loeiend ergens samen, en de paarden werden zenuwachtig-ongeduldig, ter
plaatse trippelend, met rillingen over hun klamme huid, als voelden zij,
in bange gejaagdheid, het dreigend naderen van het gansch den dag
verwachte onweer. Zelfs hun vrees voor Smul, die driftig de gebitten
schudde, was niet meer in staat ze te kalmeeren; en haastig gooiden de
mannen reeds met groote schoppen op den nog maar half schoongeveegden
wagen de zaadkorrels welke Smul naar de hoeve zou vervoeren, toen
plotseling een verblindend vuurzigzag, bijna onmiddellijk door een
krakenden donderslag gevolgd, het donker zwerk doorscheurde en
doordaverde. De slijters vluchtten gillend weg, de paarden sprongen op
en schoten toe, en als de bliksem zelf waren zij om en weg, in dolle
vaart achter zich rukkend den ratelenden, hobbelenden wagen, waarop nog
enkele vrouwen en de leidsman woest door elkaar werden geslingerd en
geschokt. De slijters hoorden een korten, schrillen kreet, zagen, in 't
halfduister, een vrouwengestalte uit den wegstormenden wagen springen of
vallen, en toen een tweede en toen een derde, en toen nog een die
springen wilde, maar op 't laatste oogenblik met ruw geweld door twee
mannen-armen,--van Smul--werd achteruitgetrokken en binnen in den wagen
neergesmakt.--Meer zagen zij niet. De wagen was donderend om den hoek
van den landweg tusschen het sulfergeel-blikkerend koren verdwenen, en
plotseling, met rauw gegil, stormden zij hem allen achterna.
* * * * *
Rozeke, de laatste der vier, op den weghollenden wagen gebleven meisjes,
lag half bewusteloos, plat op den plankenbodem, in de dunne laag
zaadkorrels uitgestrekt.
De wagen sprong en kraakte, bonsde scheef en schots, nu eens als 't ware
schokkend over een berg en dan plots weer neerploffend als in een
afgrond; en in het donderend geratel van het onweer en het flitsen van
de bliksemstralen hoorde Rozeke aanhoudend een reusachtig snuivend en
rythmisch gejaag, alsof een machtige, schor-hijgende stem onophoudelijk,
in overijlend-vlugtellen, de steeds herhaalde getallen: een twee drie!
een twee drie! een twee drie! uitbulkte. Dat was de rythmisch-stormende
galopvlucht der weghollende paarden. Zij slaakte een noodkreet en richtte
zich half overeind, eensklaps tot het volle besef der werkelijkheid
opgeschud, en zag in het halfduister Smul van voren op den wagen staan,
de beide handen aan de leidsels, het lichaam achterover, de beenen van
elkaar gesperd. Hij schoorde zich met beide voeten tegen de op en neer
dansende voorplank, en zijn hoofd, en schouders schokten en zwenkten met
het schokken en het zwenken van den wagen mee, als stond hij er op vast
gespijkerd. Hij hoorde haar noodkreet, keerde fluks het hoofd half tot
haar om, schreeuwde haar toe, in korte, afgebroken woorden:
"Stille!... nondedzju!... liggen!... Bijt... op ou tanden!... anders...
ou tonge!..."
Hij slaakte plotseling een vloekschreeuw van pijn: door zijn roepen had
hij zelf, in 't schokken van den wagen, de tong tusschen zijn tanden
geklemd, en 't bloed spatte uit zijn mond. Hij schoorde zich nog
hardnekkiger met de voeten tegen de voorplank, hing met al de kracht van
zijn zwaar lichaam achterover aan de leidsels....
"Ivo! Ivo! help mij!" schreeuwde zij verwilderd, overeind, op haar
knieën, de oogen uitpuilend van doodsangst, haar beide handen aan de
heen en weer schuddende zijplanken geklemd.
"Nondedzju!... stille!... roep niet!... gemoakt... de peirden...
roazend!" gilde hij tegen.
Maar zij schreeuwde al harder en harder, uitzinnig van schrik, en steeds
woester bruiste, als een sombere verdelgingsmacht, in 't dreunen van het
onweer, de doffe, razend-snelle rythmus van de weghollende paarden,
terwijl de wagen, van den landweg afgedwaald, nu dwars door 't akkerland
over voren en door kuilen schokte, als in blinde stormvaart naar den
dood.
Plotseling was't of hij door ruischend water holde, en meteen stuitte
aanzienlijk de dolle woestheid van zijn vaart. De wilde paarden waren
vlak in een hoog korenveld terecht gekomen. Zij rukten er toch door en
sprongen weer als leeuwen, met vliegende manen door een klaverveld; maar
achter de klaver was nog een partij koren, en daar plofte eensklaps een
der paarden neer en werd de wagen met een krakenden schok tot staan
gebracht. Rozeke bonsde met ruw geweld tegen Smul, die voorover van den
wagen stortte, boven op het neergevallen, spartelend paard.
Met duivelsche snelheid vloog hij weer overeind, rukte en schokte razend
het omgevallen beest weer recht, sprong naar de schuimende gebitten en
liet er zich met beide klauwen, als een klit aan hangen. Hij blies en
hijgde, het zweet droop van zijn vuurrood aangezicht, zijn wreede oogen
stonden uitgepuild, zijn bloedende, bevende lippen vloekten de
afschuwelijkste verwenschingen uit. Hij bezat zichzelf niet meer van
woeste furie, hij liet eensklaps de gebitten los en sprong met beide
klauwen op de snuivende, blazende neusgaten der paarden, en schudde en
kneep ze met het snijdend-scherpe van zijn nagels toe, als om de beesten
te verstikken. Zij hinnikten van pijn en trilden op hun beenen,
plotseling tam als schuwe lammeren, de druipende huid als met een dikke
laag van wit-schuimende zeep bedekt, den staart tusschen hun doorzakkende
schenkels ingetrokken. Eerst toen hij zelf geen kracht meer had om ze te
slaan, te schoppen en te knijpen liet hij ze los, en kwam met een helschen
glimlach van overwinning naar Rozeke toe. Hij veegde met zijn mouw zijn
schuimenden, bloedenden mond af; en vóór ze in haar bevende, huilende
ontsteltenis kon gissen wat hij doen wou, greep hij haar woest in zijn
sterke armen en drukte haar een hartstochtelijk-wilden zoen op den mond.
"Nou... nou of noeit!" brulde hij schor.
Zonder aarzelen, zonder een oogenblik te pogen hem met zachtheid of door
smeeking af te weren, intuïtief en instinctmatig in haar gruwelijken
angst en afkeer, wrong zij 't hoofd op zij, en slaakte een kreet, één
enkele, zoo hard als zij kon:
"Alfons! help mij! meurd! meurd!"
Als een veertje tilde hij haar op, smakte haar omver, stortte met haar
in 't vertrapte koren neer.
Maar de doodsangst en 't gevaar gaven haar eensklaps bovenmenschelijke
kracht en vlugheid. Als een springveer schokte zij zich op, sprong door
het weggeslingerd koren, gilde opnieuw een rauwen kreet, alsof hare keel
er van openscheurde:
"Alfons!... help mij! meurd! meurd!"
Kreten galmden in de duisternis op korten afstand, en 't oogenblik
daarna rukte de hijgende slijtersbende door het hooge ritselende koren
aan, en kwam Alfons huilend en roepend op haar afgevlogen:
"Rozeke!... Och Hiere, Rozeke!... Leeft-e nog? Hé-je geen lied."
"Niets! niets!" juichte zij heesch haar redder te gemoet.
Hij greep haar in zijn armen en zoende haar hartstochtelijk, niet bang
meer voor de opspraak van de anderen, niet aarzelend haar als iets dat
nu van hem was te verdedigen en te beschermen. En toen hij, angstig haar
aankijkend en betastend, eindelijk overtuigd was dat haar niets geen
leed was overkomen, toen barstte hij als een kind in tranen uit, en trok
haar smeekend met zich mee, verre van den akeligen wagen, waar al de
anderen nu in angstig druk gepraat omheen stonden. Gedwee volgde zij
hem, nu ook ineens ontspannen na de heftige emotie, tranen van zachte
herleving weenend, heel zacht tegen hem aangedrukt die plotseling als
haar redder was verschenen, en haar nu zijn leven lang beminnen en
beschermen zou.
Zij kwamen door 't vertrapte koren en de klaver op den landweg, en
zonder op de anderen te wachten gingen zij vooruit, in de richting van
de hoeve. Hij ondervroeg haar nu met angstige, teedere bezorgdheid; hoe
of 't gekomen was? waarom zij ook niet uit den wagen was gesprongen? en
of zij niet gedacht had dat haar laatste oogenblik gekomen was toen de
wilde paarden met haar door en over alles heen wegholden?
Zij wist het niet meer, zij kon niet antwoorden. Alles was zoo
bliksemsnel gegaan; alleen ja, dat wist ze: dat ze nooit gedacht had
levend er van daan te komen. De paarden waren door den donderslag
geschrokken, maar Smul had er toch ook wel schuld aan: hij had zijn
beesten heel den dag zoo wild en woest gejaagd en opgezweept.
"En wat dee Smul as de woagen eindelijk in 't keuren stille stond?"
vroeg hij plotseling.
"Hij..." ze wou het zeggen, maar een plotselinge intuïtie deed haar
zwijgen. Smul was een dierlijke woestaard, maar hij was sterk en moedig,
en zijn onverschrokken koenheid had haar wellicht het leven gered. Zij
was bang, doodsbang voor hem geweest als voor een moordenaar; maar haar
angst en toorn waren over en iets zei haar dat zij hem nu niet te zwaar
beschuldigen mocht.
"Hij hé zijn peirden wried geschupt en geslegen," antwoordde zij.
Hij liet haar los en zij liepen een poosje zwijgend door, als 't ware
elk in zijn eigen gedachten. De duisternis was bijna gansch gevallen
en het onweer trok af, maar aan den grauwen horizon flitsten nog bij
tusschenpoozen scherp-zigzaggende weerlichten, die dan voor een
oogenblik den blonden landweg met zijn kronkelende wagensporen, de
neerbuigende natte korenakkers, de malsche groene en paarse klavervelden
zoo scherp en helder als bij klaren dag verlichtten. De lucht was
heerlijk frisch geworden en de verre donder bromde slechts heel lang na
elken bliksemstraal, in doffe trillingen zwaardreigend over andere
gewesten.
Toen nam hij eindelijk heel zacht weer hare hand, en zoo eenvoudig en
natuurlijk alsof 't niet anders kon, zei en vroeg hij haar met diepe,
kalme, ernstige stem, dàt wat hij maanden lang in kwellende
schuchterheid geaarzeld had te durven zeggen en te vragen:
"Rozeke,... 'k zie ou geiren;... wilt e mee mij treiwen?"
Haar handje had een korte trilling van emotie en verrassing en een teere
zucht steeg van haar lippen.
"Joa ik... 'k zie ou euk geiren," antwoordde zij heel stil, heel
zalig-zacht ontroerd.
Hij legde zijn arm om haar middel en plotseling begon zijn hand hevig te
beven. Hij wilde nog veel meer zeggen, maar kon niet. Zijn droge keel
hikte telkens de woorden van liefde en ontroering diep in zijn binnenste
terug.
"Rozeke... Rozeke..." herhaalde hij enkel met streelende stem; en
vanzelf neeg haar hoofdje naar het zijne, en in de duisternis vonden
zijn zoenende lippen haar frisschen mond....
* * * * *
Zwaar-dreigend trok het verre onweer steeds dieper naar het zuiden af,
en in de schoongeveegde, hoog-donkerblauwe lucht schitterden nu de
stille, gouden sterren.
Zij spraken geen woord meer; zij konden niet meer spreken. Hun ziel was
te vol, te gelukkig. Maar als onscheidbaar hielden zij zich tegen elkaar
aangesloten, in een gevoel van wederzijdsche sterkte en bescherming, die
voortaan alles kon trotseeren.
Daar blonken reeds, in 't kort verschiet, laag bij den grond, de stille
lichten van de groote hoeve; en achter zich aan hoorden zij vaag het
druk gepraat der opgewonden slijters en het dof geratel van den wagen,
die nu in kalmen gang met de getemde rossen terugkwam.
Hij liet haar los en aan den ingang van de oprijlaan voegden zij zich
bij de anderen, die hun korte afzondering niet eens bemerkt hadden.
Allen praatten in driftige verwarring over het geval, en op den drempel
van het woonhuis stond de boerin, angstig roepend van verre wat er toch
gebeurd was.
"Niets,... niemendalle; de peirden die 'n beetsen hoastig woaren om noar
huis te komen," snoefde Smul.
De slijters lachten, en driest, als uitdagend, liet hij zijn zweep boven
de schuddende manen der nog bang-trillende, schuimende beesten knallen.
Als een trage kudde drongen de afgematte sjouwers onder zwaar
klompengetrappel naar binnen.
"Es den boer bij ulder niet?" vroeg de boerin.
"Nien hij, bezinne," antwoordden enkele stemmen.
"O die smeirigen dronkoard!" bromde zij, bevend van gramschap.
In 't helder licht der ruime keuken stonden de reusachtige kommen
"slijtpap" wachtend op de lange, ruw-houten tafel te dampen. Als
uitgehongerden vielen de slijters er op aan. Enkele waren zóó moe dat
hun zware oogleden onder het slurpend eten neerzakten.
Reeds een volle week hadden de meesten dag aan dag bij verschillende
boeren "gesleten"; en morgen vóór het eerste daglicht zouden zij opnieuw
beginnen...
Noot:
[1] Rootveld.
* * * * *