GEËMANCIPEERDE VROUWEN IN 1573.

Guy en Haring worden met zooveel vreugde begroet, als alleen

belegerden, tot wanhoop gedreven en van alles afgesneden, bij het

zien van vrienden uit de buitenwereld, aan den dag kunnen leggen.

"Brengt gij tijding van naderende hulp?" roept een Hollandsche burger

van de wacht hun toe.

"Is de vloot van den Prins bijna gereed?" fluistert een ander met

angstige lippen. "Wij hebben door een postduif bericht gekregen,

dat hij troepen uitrust te land."

"Vertel mij van mijn vrouw in Delft, Margriet Enkhuysen--gij hebt

haar toch gezien, nietwaar?" vraagt een ander.

Zij deelen de reden hunner komst mee en leveren hun drie zakken af,

waarna zij de stad in worden geleid door de Schalkwijker poort. Men

heeft niet noodig Guy te vertellen, dat hij in een stad is, die reeds

weken lang belegerd wordt en waar de nood op het hoogste is gestegen.

De straten zijn in duisternis gehuld, er branden geen lichten, behalve

in de Groote Kerk, nu gebruikt voor hospitaal, en in het Stadhuis,

waar Ripperda, de commandant, krijgsraad houdt met zijne officieren.

Het is onnatuurlijk stil in de stad. Men hoort geen blaffende honden,

men ziet geen katten, zij zijn alle opgegeten. Het eenige geluid in

de straten is de geregelde stap van patrouilles, die elkaar aflossen,

of van compagnieën, die naar de wallen trekken. De stemmen van de

schildwachten klinken hol en zwak van den honger.

Guy verlaat Haring bij _De Zwaan_, waar nu geen gelukkige burgers

zitten en waarbinnen alles donker is, om zich te begeven naar het

groote ravelijn tusschen de St.-Jans- en de Kruispoort teneinde Pieter

Kies te zoeken, die, zooals hem gezegd is, daar de wacht heeft.

"Waarom hebt gij de dochter van Niklaas Bodé Volckers niet uit de

stad gezonden, voordat zij belegerd werd?" vraagt Guy verontwaardigd.

"Omdat wij haar noodig hadden."

"_Haar_ noodig hadden? Hoe zoo? Zij is een vrouw, een non-combattante."

"Vrouwen zijn hier geen non-combattanten. Hadden wij de vrouwen niet,

dan zouden wij mannen de stad niet kunnen houden."

"Gij wilt toch niet zeggen, dat Mina vecht?"

"Neen, zij vult zandzakken en naait die dicht, maar er zijn anders

vrouwen genoeg, die vechten. Vechten, evengoed als mannen. Vrouwen

zijn hier mannen! Neen, zij zijn meer dan dat, zij zijn engelen van

barmhartigheid en--engelen van den dood, die met dezelfde handen

den eenen dag de gewonden verplegen en den anderen de Spanjaarden

dooden. Daar hebt gij bijvoorbeeld de weduwe Kenau Hasselaer,--de

Spanjaarden vluchten voor haar veel eerder, dan voor menigen man van

het garnizoen."

"Alles goed en wel," zegt Guy, "maar ik heb mijn vriend, den beminde

van het meisje, beloofd, haar veilig buiten Haarlem te brengen."

"Hoe zoudt gij dat kunnen?" vraagt de burger grimmig.

"Dat is mijn zaak, als zij het er op wagen wil."

"Zie dan, dat gij den commandant Ripperda te spreken krijgt. Als hij

zijn toestemming geeft, is het mij ook goed. Weigert hij, dan weiger

ik ook. Zij is hier veiliger. Meent gij, dat wij van plan zijn,

ons over te geven? Niet zoolang wij nog iets te eten hebben."

Hiermee gaat Guy heen. Doch Ripperda, de commandant, heeft het druk

en is niet te spreken; Chester begeeft zich dus naar _De Zwaan_, naar

Haring; de herberg is zindelijker dan ooit; eigenlijk te zindelijk,

want er is niets, wat haar vuil kan maken--er is niets te eten,

behalve een soep, gekookt van het gras uit de straten. Daarom spreekt

het tweetal dan ook maar zijn eigen voorraad aan, dien zij uit voorzorg

hebben meegebracht.

Doch de reuk van de gezouten haring is zoo sterk, dat de kinderen

zich aan de deur verdringen, en de weduwe Hasselaer, die juist van de

wallen komt en zich van haar borstkuras ontdoet, woedend uitroept:

"Laffe kerels, wat doet gij? Zulke lekkere beetjes zijn voor de

gewonden!" En zij grijpt den Spaanschen wijn, den brandewijn, het brood

en de haring en alles wat zij hebben en loopt er, zoo vlug als zij kan,

mee naar de kerk, nu een hospitaal, ofschoon zij zelve watertandt bij

het zien van zulke ongekende lekkernijen,--gevolgd door de kinderen,

die snikken en smeeken om een stukje haring--een heel klein hapje,--of

om er tenminste even aan te mogen ruiken.

Doch Kenau Hasselaer is onverbiddelijk en de gewonden krijgen de

haring.

Guy en Haring kijken elkaar verbluft aan. "Wij zullen ons morgen

vroeg," zegt de Engelschman, "moeten melden om op rantsoen gesteld te

worden. Het is, geloof ik, een half pond beschimmeld brood, gemaakt

van zemels."

"Voor den duivel!" bromt de Hollander. "Wij moeten hier zien uit te

komen, zoolang wij nog krachten hebben. Als dat satansche wijf ons

tenminste den brandewijn nog maar gelaten had!"

Zij besluiten maar naar bed te gaan en vallen weldra in een diepen

slaap, daar zij geheel en al op zijn door de inspanning van den

vorigen nacht.

Zij worden echter al spoedig gewekt door het gekletter van wapenen,

het luiden van de klokken van de Groote Kerk en de kleinere klokken,

vermengd met het gedonder van het geschut.

Bovendien worden zij heen en weer geschud door de onzachte hand van

vrouw Hasselaer.

"Wordt wakker, luilakken," roept zij uit, "en vecht voor uw

leven! Op! Ik zal u den weg wijzen."

Wel wetende, dat de Spanjaarden ook hen zullen ombrengen, als zij de

stad innemen, grijpen Guy en zijn metgezel haastig naar de wapenen en

spoeden zich met de weduwe door de donkere straten, welke nu vol mannen

zijn, die uittrekken, om voor hun bedreigde haardsteden te vechten.

Als zij zijn aangekomen op den wal ten Oosten van de Kruispoort,

die in een blokhuis is herschapen, zien de beide mannen, die aan de

oorlogstooneelen gewoon zijn, zich verplaatst te midden van een strijd,

zooals zij nog nooit hebben bijgewoond. Want zij bevinden zich hier

bij de vrouwen-afdeeling.

"Hel en duivel! Er is hier geen enkele man. Wij met ons beiden zullen

hier niet veel uitrichten," roept Haring uit.

"Gij niet?" roept Kenau Hasselaer uit; "nu, wij wel. Vrouwen van

Haarlem, toont dezen knapen, wat vechten is!"

Zij doen het en maken Haring, die een held is, evenals Chester,

den wakkeren Engelschman, bijna beschaamd door haar daden van

dapperheid--Kenau Hasselaer en andere zestiende-eeuwsche Amazonen.

"Duivels! Katten moeten voor haar onderdoen!" roept Haring uit, als

hij ziet, hoe zij de Spaansche veteranen ontvangen, die aanrukken in

de meening dat de stad reeds in hun macht is; want het is een aanval

bij verrassing geweest en hij zou bijna geslaagd zijn.

Om voorbereidingen te treffen voor den grooten uitval, in vereeniging

met Oranje's aanval van het meer uit, die door middel van postduiven

de stad is aangekondigd, zijn de wachten verzwakt op het ravelijn, het

groote vestingwerk juist achter de gracht, dat loopt tusschen de Kruis-

en de St-Janspoort, vlak tegenover het hoofdkwartier van Don Frederik.

Dit ravelijn is platgeschoten en vernield onder het onafgebroken vuur

van de zware Spaansche batterijen, in den nacht is de gracht haastig

overbrugd door pontons, die er door Vargas zijn overgeworpen.

De veteranen van Romero, De Billy en Vargas zijn er overgetrokken en

hebben kalm postgevat aan den voet van het ravelijn.

Nadat zij een oogenblik hebben uitgeblazen, heeft hun voorhoede de

bressen beklommen, en eer de Hollandsche schildwachten, die uitgeput

waren door nachtwaken, honger en vermoeienis, wisten wat er met hen

gebeurde, hadden zij de meesten hunner gedood en bezit genomen van het

verdedigingswerk, dat de Spanjaarden voor den sleutel der stad houden.

Bovendien hebben zij het groote blokhuis bij de Kruispoort vermeesterd

en heeft Romero de St-Janspoort bezet.

"Slaat er op in! Houwt dood--Haarlem is ons!" is de kreet, die Don

Frederik's gelukkige ooren bereiken, als hij beveelt versterkingen

te zenden, om zijn succes te verzekeren.

Doch op hetzelfde oogenblik, dat de Spanjaarden dwars over het

ravelijn denken binnen te stormen, doen zij een ontdekking, die hun

minder aangenaam verrast.

Terwijl het geschut, week aan week, het ravelijn heeft gebeukt,

hebben de belegerden, voornamelijk de vrouwen en de kinderen, er vlak

achter een hulpravelijn opgericht, van zakken zand en aarde, die beter

bestand tegen het geschutvuur en even moeilijk te beklimmen is als

het ravelijn. Ze was onzichtbaar voor de Spanjaarden en zij hebben

er dan ook niets van bemerkt, eer zij, na de eerste versterking te

hebben beklommen, de tweede voor zich zien oprijzen.

Terwijl Alva's krijgslieden een oogenblik verrast blijven staan, wordt

het hulpravelijn bezet door de gealarmeerde bevolking van de naburige

straten. Een oogenblik later worden de verdedigers versterkt door de

Duitsche troepen van het garnizoen, en met den kreet: "De Spanjaarden

komen!" begint het gevecht.

De zwakste plaats in Haarlem's muur is die, vlak bij het blokhuis

aan de Kruispoort, die nu bezet is door Vargas' veteranen. Deze

verschansing wordt verdedigd door Kenau en haar medestrijdsters. Dit

is een eerepost, en Ripperda, de bevelhebber der stad, weet, dat hij

dit zwakke punt aan niemand beter kan toevertrouwen dan aan haar,

die hij er heeft geplaatst, en hij heeft toch veteranen onder zijn

bevel, die menige campagne hebben meegemaakt, en achthonderd dappere

Schotten, die nu zijn teruggebracht tot anderhalf honderd, alsmede

de Fransche compagnie onder Courie.

Want deze vrouwen vechten niet alleen voor al hetgeen waarop

een man prijs stelt, maar bovendien om zich te vrijwaren voor

martelingen. Allen zonder uitzondering, meisje, vrouw of weduwe,

rillen als zij denken aan de Spaansche barmhartigheid tegenover de

hulpelooze vrouwen van een veroverde stad.

Alva's veteranen schrijden thans weer vol vertrouwen voorwaarts. Zij

hebben zich van den eersten wal meester gemaakt, waarom zouden zij

nu ook den tweeden niet nemen?

Zij beklimmen de helling met de kreten: "Philips!" en: "Don

Frederico!" om op den top een hartelijk welkom van Sorosis te

ontvangen.

Achter den wal is een groot vuur aangemaakt, waarover een reusachtige

ketel hangt vol kokende pekel. Eerst wordt de vijand met een salvo

begroet, zoodat hij een oogenblik terugdeinst, iedere vrouw vuurt _à

bout portant_ haar musket af op den naderenden vijand, die aarzelt

onder die slachting.

"Spoel die Spanjaarden weg!--vooruit met het water!" roept de weduwe

uit, en terwijl zij den eersten emmer met het kokende vocht grijpt,

werpt zij den inhoud in het gelaat van een Italiaanschen kapitein,

wiens wapenrusting, hoe solide ook, hem toch niet kan bewaren voor

vreeselijke brandwonden. Terwijl hij het uitbrult van pijn, maakt

zij hem af met haar zwaard.

En haar gezellinnen storten de kokende pekel met vlugge handen over

de Spanjaarden uit, die brullen en schreeuwen en zich wringen van pijn.

Maar anderen, van achteren opdringende, nemen hun plaats in; de

vrouwen gaan dezen te lijf met slagzwaarden. Daar zij geen vrees voor

den dood kennen, dragen zij geen schild, doch zwaaien haar groote

wapenen met beide handen, en tegen de kracht van zulk een slag baat

geen handigheid in het pareeren.

"Piekeniers vooruit!" schreeuwt De Billy, doch een oogenblik later

wordt hij gewond en van het tooneel van den strijd weggedragen en de

piekeniers rukken niet snel genoeg aan, want Kenau Hasselaer veegt,

aan het hoofd van haar vrouwen, het hulpravelijn schoon en drijft

iederen Spanjaard, die nog leeft, in het blokhuis bij de Kruispoort.

Daarna lacht zij schor: "Wij hebben het gevuld. Nu, vrouw Jannaps--uw

taak!"

En een vrouw, die geduldig heeft gewacht op den top van het

hulpravelijn, springt naar beneden en roept, als zij een oogenblik

later terugkomt, uit: "Ik heb de lont in het kruit gestoken!"

Deze woorden worden bijna op hetzelfde oogenblik bevestigd en het

groote blokhuis aan de Kruispoort, dat vooraf met ongeveer twintig

vaten kruit in gereedheid was gebracht voor zijn Spaansche bezoekers,

vliegt in de lucht, met honderd man Waalsch voetvolk van De Billy en

een detachement van Vargas' veteranen.

Daarna drijven zij de laatste nog niet gewonde Spanjaarden terug over

de kleine brug, en ofschoon Romero met zijn compagnie de St.-Janspoort

bezet houdt, aan den anderen kant van het hulpravelijn, kan niet

één der schildwachten zijn hoofd ongestraft naar buiten steken, door

de hevigheid van het vuur uit de nabijgelegen huizen en van twee of

drie kleine kanonnen. Voor deze ontvangst trekt Romero, die een oog

bij het gevecht heeft verloren, zich met zijn manschappen terug,

dat wil zeggen, met degenen die er nog toe in staat zijn, want nu

komt het verschrikkelijkste van alles.

Het voorbeeld volgend van den vijand, die zich berucht heeft gemaakt

door zijn wreedheden, dringen de Hollanders vooruit, en langzaam en

in koelen bloede, zooals slagers te werk gaan, maken zij de Spaansche

gewonden af, die tevergeefs om genade smeeken.

Gedurende het gevecht zijn Guy en Haring steeds aan de zijde van Kenau

Hasselaer gebleven. Zoo vaak de vrouwen een uitval hebben gedaan,

hebben de twee mannen er aan deelgenomen, en als zij terugkomt,

klopt zij hen op den schouder, uitroepend: "Goed zoo jongens, gij

hebt u flink gehouden, haast zoo flink als wij vrouwen! Gij hebt den

moed om te vechten; hebt gij ook den moed om met ons den hongerdood

te sterven?"

In dat laatste hebben noch Haring noch Guy veel lust; zij zijn

buitendien ook met een bepaald doel hier gekomen. Guy zoekt dus

Ripperda op, die op den wal staat, omringd door zijn officieren, en

vraagt hem verlof, om de dochter van Bodé Volckers buiten de stad te

mogen brengen.

"Ik ben zeer verheugd, u weer te zien, 'Eerste der Engelschen', en

ik dacht, dat gij bij ons wildet blijven," antwoordt de Hollandsche

bevelhebber.

"O, gij hebt geen gebrek aan soldaten, mannen noch vrouwen," antwoordt

Guy. "Gij hebt reeds te veel eters in de stad."

"Gij denkt toch niet, dat de vijand de stad zal innemen?"

"Niet door geweld van wapenen," antwoordt de Engelschman. "Daarom zeg

ik, hoe minder monden er zijn om te voeden, hoe beter. Eenige booten

met meel zouden u beter te pas komen dan een duizendtal veteranen."

"Gij hebt gelijk," antwoordt Ripperda, terwijl zijn gelaat

betrekt. "Doch ik en de mijnen, wij blijven hier, zelfs met zoodanige

verschrikkingen onder onze oogen--kijk!"

Het is nu dag geworden, en voorzichtig door een schietgat kijkend,

uit vrees voor de Spaansche kogels, ziet Guy voor zijn oogen het beeld

van een Hollandsche stad, belegerd door de Spanjaarden. Vóór hem het

hulpravelijn bezaaid met dooden, de gracht er mee gevuld. Daartegenover

staat een andere wal, die door de Spanjaarden is genomen en nog door

hen bezet wordt gehouden. Daarachter de gracht, gevoed door het water

uit het Spaarne, bewaakt door de Spaansche batterijen.

Links groepen boomen en het Leprozen-hospitaal; daarachter en overal

in het rond de tenten van de belegeraars, die de ongelukkige stad

afsnijden van vrienden en voedsel.

Chester kan op dezen afstand het wapengekletter hooren der compagnieën,

die ter aflossing naar de versterkingen trekken.

Verspreid over dit tooneel staan een half dozijn windmolens, en vlak

tegenover hen een ander gevaarte, dat Chester als krijgsman de tanden

op elkaar doet klemmen van verontwaardiging.

Het is een reusachtige galg, waaraan twintig lijken bengelen, eenige

aan het hoofd, andere aan de voeten opgehangen.

En nu komt, als allergrootste verschrikking, de Spaansche beul met zijn

helpers, om opnieuw zijn werk te verrichten. Zij voeren op ruwe wijze

eenige wanhopige schepsels met zich mede, die aan handen en voeten

gebonden zijn. Zij nemen de dooden af, om de levenden op te hangen,

die in het gezicht van hun kameraden en stadgenooten de lucht met

hun doodskreten zullen vervullen.

Een kreet van woede en smart stijgt van den wal omhoog--deze

gemartelden zijn buren, waarmee men nog den dag te voren heeft

gesproken, die bij een uitval in de handen der Spanjaarden zijn

gevallen. En één der vrouwen gilt: "Barmhartige God, ik zie hem--zij

hangen mijn Klaas op!" en kreunend valt zij neer.

"Wij zullen hetzelfde doen," roept Ripperda, "hoofd om hoofd! Roep

den provoost-geweldige!"

Weldra bengelen ongeveer twintig Spanjaarden op de wallen, als een

afgrijselijk antwoord op de wreede uitdaging.

Dit wekt opnieuw de woede van Alva's manschappen op en zij werpen

van het naburige ravelijn iets in het Hollandsche hulpravelijn.

Het valt bijna aan de voeten van Guy en Ripperda.

De Hollandsche bevelhebber bukt zich, om het te onderzoeken en

mompelt plotseling tot Guy: "Er is een plakkaat aan het hoofd

bevestigd. Kapitein Oliver van Bergen."

"Groote God!" en ontzet kijkt Guy nog eens, en nu voor het laatst,

in het gelaat van zijn dooden vriend.

"Wist gij dat hij dood was?" vraagt Ripperda.

"Ja," mompelt Guy, "maar ik kon het hier niet vertellen, uit vrees,

dat zijn verloofde het zou hooren."

"Ja, dat meisje, Mina, zou met den patriot trouwen!" zucht de

bevelhebber. Daarna vervolgt hij op schorren toon: "Neem haar met u,

als gij haar levend weg kunt krijgen. Breng haar snel van hier; vertel

haar niets, eer zij deze verschrikkingen achter zich heeft. Vaarwel,

mijn Engelsche vriend. Als wij elkaar weer ontmoeten, zal Haarlem

vrij zijn van Spaansche moordenaars."

En de beide mannen nemen afscheid, vol eerbied voor elkaar.

Guy begeeft zich naar Pieter Kies en zegt: "Ik heb het verlof van

den commandant. Breng mij bij Mina Bodé Volckers!"

Als het meisje, dat vermagerd is door honger en angst, de kamer

binnentreedt, snikt zij: "Gij zijt gekomen om mij bij Antony te

brengen. Ik weet het. Ik lees het op uw gelaat."

"Ja," antwoordt Guy met veel inspanning.

"Waar is hij? Waarom kwam Antony niet met u mede?"

"O hij--hij wacht ons," stamelt Guy en gaat met Haring mee, om de

toebereidselen voor de reis te treffen.

De eenige kans, om het meisje uit de stad te krijgen, is, den weg

over het meer te nemen. Daartoe moeten zij 's nachts ontvluchten.

Terwijl zij Mina door de Schalkwijker poort naar buiten brengen, langs

de korte lijn van versterkingen en verschansingen op den linkeroever

van het Spaarne, waardoor de belegerden nog gemeenschap met het meer

hebben, bereiken zij het fort aan den oever, waarvan de Oranjevlag

waait, en wachten den nacht af, terwijl zij hun boot gereedmaken.

De nacht komt, doch voor hen veel te langzaam, want zij hebben zulk

een honger. De duisternis echter is bevorderlijk aan hun onderneming.

Vijf Spaansche galeien bewaken de Fuik. Er worden zeilen gezien in

het Zuid-oosten. Vier van de galeien breiden haar zeilen uit, gaan op

verkenning en als het nacht is, zijn zij nog niet teruggekeerd. Er

blijft dus slechts één galei over, die zij hebben te verschalken,

schoon zij twee patrouille-booten uitzendt.

"Ik denk dat ik met deze vervloekte schepen, die ons van proviand

verstoken houden, eens goed zal afrekenen," zegt de Hollandsche

bevelhebber van het fort. Hierop maakt hij drie booten gereed, om de

patrouille-booten der Spanjaarden 's nachts te overvallen.

Terwijl deze uittrekken, begeven ook Chester en Haring zich in hun

sloep op weg, en de galei ontsnappend, die nu in een gevecht is

gewikkeld met de Haarlemmers, zijn zij weldra op het open meer,

en zeilen naar het Zuiden.

Vóór de dag aanbreekt, hebben zij de Kaag bereikt en gaan verder naar

Delft; den volgenden avond heeft Guy aan zijn eed voldaan.

Nadat hij het geredde meisje onder dak heeft gebracht en goed verzorgd

weet in de herberg genaamd _De Vergulde Toren_, begeeft Chester zich

naar de gelagkamer en heeft daar een wonderbaarlijke ontmoeting. Een

man, wiens oogen wild in hun kassen rollen, staat op als hij hem ziet,

en mompelt klappertandend: "Hel en duivel! Dat is een doode!"

Het is de koopman Bodé Volckers, die zich reeds maanden lang in Delft

ophoudt, om den prins van Oranje te smeeken, zijn dochter te redden.

"Dat ben ik niet," fluistert Guy, en voegt er norsch aan toe: "Houd

op met dat klappertanden, totdat gij mij hebt aangehoord," en Niklaas'

arm nemend, brengt hij hem naar een afzonderlijk vertrek.

"Dus hebt gij mij herkend?" vraagt de Engelschman met gedempte stem.

"Ja, maar gij zijt dood. Reeds maanden geleden kwam het bericht in

Antwerpen, dat kolonel Guido Amati gedood was in het gevecht op het

ijs door den 'Eerste der Engelschen'!"

"Neen, ik ben hersteld van mijn wonden!"

"Dan, ongelukkige man, zijt gij, als zij u, een kolonel in het

Spaansche leger, hier ontdekken, er nog erger aan toe, dan dat gij dood

waart. Ik zal u echter niet verraden," mompelt Bodé Volckers. "Gij

hebt mijn kind eens gered, al hebt gij haar ook naar een plaats

gebracht, waar haar nog grooter gevaar wachtte." En eensklaps roept

hij uit, zijn handen wringend: "Red haar opnieuw, mijn Mina! Zij is

in Haarlem! In de oogen der Spanjaarden een uitgewekene, omdat zij

zich aan de justitie onttrokken heeft. Als zij de stad innemen, is

zij verloren. Gij staat bij Alva in gunst, smeek hem om genade voor

haar. Gij hebt invloed bij zijn dochter, spreek tot haar!"

"Dat is onnoodig," antwoordt Guy. "Ik heb uw dochter reeds in

veiligheid gebracht!"

"Hoe is dat mogelijk? Er waar is zij dan?"

"Hier, in _De Vergulde Toren_!"

"Hier? Goddank! Hebt gij haar uit Haarlem bevrijd? Breng haar bij mij,

mijn Mina, die verloren was--mijn Mina, die teruggevonden is!"

En de oude man is als krankzinnig van vreugde, grijpt Guy's hand en

overlaadt hem met zegenwenschen.

Het volgend oogenblik wil hij heensnellen om zijn kind te zien, voor

wie hij zooveel angst heeft uitgestaan, maar Guy houdt hem terug en

zegt: "Eerst moet ik u iets zeggen."

"Wat is het? Houd mij niet tegen."

"Het is slechts terwille van haar," antwoordt hij en doet verslag van

Oliver's dood, er fluisterend aan toevoegend: "Deel het haar mede--ik

heb het trachten te doen, maar ik kon het niet."

Chester is nu genoodzaakt, om in zijn verhaal te laten invloeien,

wie hij werkelijk is, en dit schijnt Bodé Volckers zelfs nog meer te

treffen, dan de dood van den schilder. Hij brengt verwonderd uit:

"Gij! De 'Eerste der Engelschen'! Gij? En gij zijt in Antwerpen

geweest--heeft een sterveling ooit zoo iets durven wagen? Tien duizend

kronen staan nu op uw hoofd, sinds het gevecht op het ijs. Hoe hebt

gij zoo uw leven kunnen wagen?" Maar nu roept hij plotseling uit:

"O! Bij den hemel! Gij zijt verliefd op Alva's dochter!"

"Ja," zegt Guy, die voelt, dat hij dezen man op zulk een wijze aan

zich heeft verplicht, dat zijn geheim veilig bij hem is. "Zij is mijn

verloofde, ik hoop met de dochter van den Hertog te trouwen."

"Dan moet gij u haasten, jonge man, dan moet gij u haasten," zegt

Bodé Volckers op plechtigen toon.

"Waarom?"

"Omdat--o, nu vermoed ik ook de reden!--het was na den dood van Guido

Amati--omdat zij vroom is geworden. Men zegt, dat zij non wil worden."

"Non!" krijt Guy. "Omdat zij gehoord heeft, dat Guido Amati dood

is! Dat is een zonderling wreede scherts!" en hij barst terwijl hem

het hart in de schoenen zinkt, in een afgrijselijk gelach uit en

bespot zichzelven, terwijl Bodé Volckers heensnelt om zijn dochter

in zijn armen te sluiten.

Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572 · 第 52 / 73 题