HET GEVECHT OP SCHAATSEN.

Oliver komt zenuwachtig uit den mast naar beneden en fluistert: "Ik

kan den toren van de Groote Kerk in Haarlem zien. Wij zijn nog slechts

twintig mijlen gescheiden--van--de vrouw, die ik liefheb,--haast u."

"Als het blijft doorvriezen," mompelt Guy, "zullen wij zeker eerder

in de andere wereld komen dan in Haarlem. Er rest ons niets dan hier

te blijven en op onze schepen te sterven. De Spanjaarden zullen over

het ijs komen, om ons aan te vallen. Wij zullen moeten bezwijken voor

hun overmacht."

"Wij moeten met de andere Geuzen overleggen, wat ons te doen staat,"

zegt 't Hoen. "Kunt gij schaatsenrijden, 'Eerste der Engelschen'

ga dan mee."

"Goed," antwoordt Guy, "is het ijs sterk genoeg?"

"Ja, nu reeds voor voetvolk, en dezen nacht ook wel voor de Spaansche

kanonnen."

De mannen binden hun schaatsen onder, vliegen over de spiegelgladde

Zuiderzee en zijn na eenige oogenblikken bij de schepen der Geuzen. Na

een korte beraadslaging besluiten de gezagvoerders, om zich tot het

uiterste te verdedigen, onverschillig hoe groot de overmacht van de

Spaansche zijde ook moge zijn; overgave staat gelijk met zelfmoord.

Vervolgens overleggen zij, hoe zij zullen vechten, en als zij Guy

tot hun opperbevelhebber hebben gekozen, neemt deze terstond zijn

maatregelen. Binnen vijf minuten is niet alleen de bemanning van

de _Dover Lass_ op het ijs, doch ook de bemanning van de andere

Geuzenschepen, alles en allen vijfhonderd man, en zij werken zoo hard

als zij kunnen, omdat zij weten, dat hun leven er van afhangt, met

ijshaken, breekijzers, ijszagen, met elk werktuig, dat zij slechts

kunnen gebruiken, en hakken een geul open van de drie Geuzenschepen

naar de _Dover Lass_ om deze bij de andere te kunnen brengen.

Met bijna bovenmenschelijke inspanning gelukt het hun binnen drie

uren, niet alleen de _Dover Lass_ een veiliger ligplaats bij de andere

schepen te verschaffen, maar ook om het ijs om de schepen geheel weg

te hakken, zoodat zij als in een klein meer liggen, omringd door ijs.

Vervolgens brengen zij de schepen in den vorm van een parallelogram,

binden ze aan elkaar vast en maken van de naar den buitenkant gekeerde

zijden een drijvende citadel. Daarna slaan zij kleine ankers in het

ijs en sjorren de schepen vast met kabeltouwen om te beletten, dat

zij tegen het ijs drijven en den vijand in de gelegenheid stellen,

aan boord te komen.

"Pardieu!" roept Oliver uit. "Dat is een nieuw idee. Dat kan ons

redden."

"Geen vijandelijk soldaat kan aan boord komen, als de kabels sterk

genoeg zijn en wij het water open kunnen houden," antwoordt Guy.

Zij werken nu met vereende krachten, om het ijs te verbrijzelen;

het is een zwaar werk, want de koude wordt heviger en het ijs dikker.

Groote vreugde wekt dan ook het bericht van den man op den

uitkijk: "Zij komen!" en werkelijk zien zij nu ook allen ongeveer

vijftienhonderd man Spaansche en Waalsche voetknechten over het gladde

pad aankomen, om hen af te maken.

Dit schijnt geen moeilijke taak voor de aanvallende partij--schepen,

vastgevroren in het ijs!--Zij stellen zich blijkbaar voor, de weerlooze

bemanning in koelen bloede over de kling te jagen. En zij rukken

voorwaarts met het zelfvertrouwen, waarmee het Spaansche voetvolk de

Hollanders altijd te gemoet gaat, totdat dezen zich in een harden

strijd van tien jaren gevormd hebben tot even goede soldaten, als

die van een ander land in Europa. En met hun vuurwapenen--halve

achttienponders en falconets--tot aan den mond geladen met

geweerkogels, spijkers en schroot, met hun pieken en strijdbijlen

onder hun bereik, wachten zij met rustig vertrouwen de komst hunner

vijanden af op hun houten citadel, drijvende in het kleine, door ijs

omringde meer.

Deze gracht van ijskoud water zal Alva's veteranen bij het enteren

meer moeielijkheid veroorzaken dan de diepste gracht van eenige

ommuurde stad, die zij in de Nederlanden hebben bestormd. Doch niet

gissende, wat er vóór hen ligt, komen de Spaansche busschutters,

onder het aanheffen van een luiden strijdkreet, nader, terwijl hun

aanvoerder hen blijkbaar tot spoed aanzet.

"Goddank, deze knapen schijnen niet van plan te zijn, ons lang te laten

wachten," lacht Guy, zijn met staal bekleede handen tegen elkander

slaande, "een stalen wambuis en een metalen broek zijn juist niet

aangenaam in dit Decemberweer."

Het is Sir Guy Chester's eerste gevecht sedert hij tot ridder geslagen

is, en hij is in volle wapenrusting: helm, pluimen en vizier,

borstkuras en rugbedekking; zelfs ontbreken de gouden sporen, het

insigne van zijn orde, niet. Dit van het ijs glibberig geworden dek is

niet zoo geschikt voor het pronken met zijn Italiaansche wapenrusting

als de rug van een vurig strijdros op een slagveld, doch het tijdperk

van de ridderschap is nog niet voorbij--ridderschap beteekent nog

militaire adel, de gouden sporen duiden nog blauw bloed en vermetelheid

aan--welke jonge man zou de verleiding kunnen weerstaan om de insignes

daarvan te dragen? Guy Chester tenminste niet. Zijn bemanning ontvangt

hem met gejuich, zij weten het, dat in deze Milaneesche wapenrusting

een aanvoerder steekt, dien zij kunnen vertrouwen en volgen.

"Oho!" schreeuwt Oliver met een hartelijken lach. "Kijk! De Spaansche

honden vallen door de gladheid over en door elkaar. Dat zal een

vermakelijke geschiedenis worden."

"Ja, en ook een bloedige--voor hen," roept Dalton woest, met het

zwaard in de hand.

En zoo is het.

De bemanning der kleine vloot vuurt geen geweer af en laat den vijand

vlak bij zich komen. Doch als het Spaansche voetvolk chargeert, komen

de eerste gelederen eensklaps tot de ontdekking, dat zij in het water

vechten inplaats van op het ijs. En zij moeten, om hun leven te redden,

hun armen uitslaan en zwemmen, wat een koud werkje in December is.

"Wij zullen ze wat opwarmen," roept Guy, en de _Dover Lass_ opent

het vuur met haar geschut aan stuurboord en schiet op de verdrinkende

soldaten. De Hollandsche schepen volgen haar voorbeeld.

Doch Alva's Spaansch voetvolk is te land noch ter zee zoo gemakkelijk

aan het wijken te brengen. De bevelvoerende officier deployeert een

gedeelte van zijn manschappen als tirailleurs en dezen leggen met

hun haakbussen op de schepen aan. Weldra fluiten de kogels over de

verschansingen en door het want van de _Dover Lass_, zoowel in salvo's

als bij enkele schoten.

Een ander gedeelte van de Spanjaarden kruipt over het ijs en tracht

bij de kabels te komen, die de schepen vasthouden, om hun kabeltouwen

af te snijden, opdat zij naar de een of andere zijde van het meertje

zullen drijven, waardoor het mogelijk wordt, ze te enteren. Als Guy

dit bemerkt, gaat hij vooruit naar den bak, om zijn manschappen te

bevelen, hun dit met hun haakbussen te beletten, en hij ondervindt

daarbij het voordeel van zijn ridderlijke wapenrusting. Zonder zijn

stalen borstkuras zouden de Spaansche scherpschutters hem spoedig het

licht hebben uitgeblazen. Twee kogels stuiten af op zijn wapenrusting

en één strijkt langs de pluim van zijn helm.

Maar de kabels blijven ongedeerd, en zij, die zich opnieuw wagen aan

de wanhopige poging om ze af te snijden, worden allen neergeschoten,

en de stuurboord-batterij van de _Dover Lass_ dondert nog voort,

het ijs met kogels overdekkend.

Aan de andere zijde van het drijvend fort gaat het niet zoo goed;

met groote inspanning en veel verliezen slagen de Spanjaarden er

ten laatste in, een der Geuzenkabels af te snijden; niet in staat

de sterkere spanning uit te houden, laat een ander anker los, en de

houten citadel drijft tegen de sterke ijsmassa aan.

Nu zijn de Spanjaarden in het voordeel; in een oogwenk hebben zij hun

stormladders tegen het schip gezet, van welks dek men over den boeg

van de _Dover Lass_ heenziet, want zij is een veel kleiner vaartuig.

Terwijl de Spanjaarden de ladders opstormen, om zich al vechtende

een weg te banen op het dek van den Hollander, roept Guy zijn

enterafdeeling, en zij snellen hun bedreigden kameraden te hulp,

terwijl de andere Geuzenschepen eveneens manschappen naar het dek

van dit schip zenden, dat nu het middelpunt van den strijd wordt.

Een oogenblik gelukt het den Spanjaarden door hun overmacht, het

halfdek van het Hollandsche schip te veroveren en zij denken, terwijl

zij luide triumfkreten aanheffen, reeds gewonnen spel te hebben, doch

de moorddadige stukken van den bak van het schip en twee van den boeg

van de _Dover Lass_ overstemmen dezen kreet met hun gebulder, bressen

schietende in de juichende massa. Daarna wordt het dek heroverd met

een flank-aanval van de andere schepen, doch slechts gedeeltelijk,

daar Alva's veteranen vechten, alsof zij nooit verslagen konden worden,

en alsof hun aanvoerder betooverd en onkwetsbaar was.

Tweemaal hebben Guy en hij hun zwaarden gekruist, doch zij zijn weer

van elkaar geraakt door het gedrang.

De kanonnen van het besprongen schip zijn nu van weinig nut, en de

vuurmonden van de andere schepen kunnen aan deze zijde niet deelnemen

aan het gevecht--het ziet er kwaad uit voor de Watergeuzen.

Doch al vechtende denkt Guy na, en eensklaps naar zijn eigen schip

terugkeerend, roept hij uit: "Laadt twee achttienponders met zware

kogels en brengt ze naar den bak."

Als dit door Corker en eenige anderen gedaan is, richt Chester deze

kanonnen niet op de Spanjaarden, maar op het ijs, waarop de Spaansche

stormladders steunen.

De eerste losbranding werpt vijftig man en hun ladders in het

water. "Wij zullen ze gauwer verdrinken, dan doodschieten!" gillen

de Engelsche matrozen--en een paar andere losbrandingen beslissen de

zaak, het ijs is vernield onder de voeten van de Spanjaarden en in

het ijskoude water spartelen een honderdtal veteranen.

De anderen geven het op. De door ijs omringde citadel geeft hun een

te harde noot te kraken.

Daar hij wel begrijpt, dat hij de zaak slechts erger kan maken door

vol te houden, geeft de Spaansche bevelhebber, oogenschijnlijk nog

niet gewond, bevel om terug te trekken en zijn veteranen voldoen

hieraan langzaam en maken rechtsomkeert in de richting van Amsterdam,

hun lichtgewonden meenemend.

Als 't Hoen bemerkt dat vele zijner vijanden uitglijden op het ijs,

begint hij te lachen en roept plotseling uit: "Wij moeten geen enkel

man van hen laten ontsnappen. Hen na, op schaatsen!" schreeuwt hij

tot de bevelhebbers van de andere Hollandsche schepen.

Dit voorstel wordt door alle Hollanders gretig aangenomen; de

Engelschen, die in staat zijn zich vlug op het ijs te bewegen, voegen

zich bij hen, en in minder dan vijf minuten stelt Guy op het gladde

terrein bij zijn schip een vijf en twintig man van de _Dover Lass_

op, ieder gewapend met haakbus en zwaard of piek en strijdbijl en

ieder met Friesche schaatsen onder de voeten.

Zelfs Oliver, die op schaatsen nauwelijks overeind kan blijven,

vergezelt hen. De Hollandsche bevelhebbers hebben over een grooter

aantal te beschikken, daar al hun mannen bedreven zijn in de nationale

liefhebberij van Holland.

De Spanjaarden, die er volstrekt niet op bedacht zijn, vervolgd

te zullen worden, gaan langzaam naar de stad terug en kijken zelfs

niet om, want het gezicht achter hen van verdronken of gedoode en

gewonde kameraden, die voortkrabbelen en bevriezen op het ijs, is

niet aangenaam.

"De gekwetsten kunnen ons niet ontsnappen," roept Maarten Merens,

een van de Hollandsche bevelhebbers, "wij zullen ze later wel op ons

gemak afmaken. Voorwaarts, hen achterna, die nog ongedeerd zijn,"

en de Geuzen spoeden zich voort, als zwaluwen in haar vlucht.

En zoo gebeurt het, dat de Spaansche bevelhebber plotseling achter zich

een krassend geluid hoort, veroorzaakt door de schaatsen op het ijs,

en omkijkend ziet hij vier- of vijfhonderd Hollanders en Engelschen,

niet de helft van het aantal krijgslieden, dat hij terugvoert, als

een zwerm vogels op hem afkomen.

Hij beveelt zijn manschappen zich om te wenden en zich op te stellen

teneinde den aanval af te wachten, doch zij doen dit niet snel

genoeg. Met hun vlugge schaatsen stormen de Hollanders en Engelschen

op hen in alsof het een charge van ruiterij was, het gladde ijs beneemt

hun hun kalmte en in een oogenblik is de Spaansche slagorde uit elkaar

gedreven, en het ijs wordt het tooneel van honderd afzonderlijke

gevechten, waarbij de Hollanders en Engelschen in het voordeel zijn,

daar zij aanvallen wien zij willen en zich terug kunnen trekken,

zoodra het hun behaagt.

Het is een kluchtig tooneel, ofschoon het bloed als water vloeit,

en mannen sterven schuddend van het lachen, hun lach met doodskreten

vermengd. Guy zelf moet, terwijl hij een man neervelt, lachen, als

het lichaam zonder hoofd een bokkesprong op het gladde ijs maakt. Een

Spanjaard, die vervolgd wordt door een Hollander, werpt zich in zijn

wanhoop plat op het ijs, en de Hollander rolt languit over hem heen,

doch vlug ter been als hij is, geeft hij zijn vijand een goed gemikten

trap in het oog met zijn Friesche schaats, en de Spanjaard is dood,

eer de Hollander weer goed op zijn beenen staat.

Nu de eerste woede van den strijd wat bedaard is, zoekt Guy den

aanvoerder op; deze ziet wederkeerig naar hem rond.

Tot op dit oogenblik heeft de Castiliaan zwijgend gevochten, elkeen

doodend, die onder zijn bereik kwam; ofschoon hij niet gewoon is,

zich op het ijs te bewegen, is zijn bedrevenheid in het schermen zoo

groot, dat twee of drie Hollanders gewond zijn neergezonken en een

Engelsch matroos zijn moeder nooit zal weerzien, door toedoen van

zijn Toledaansch zwaard.

De Spanjaard roept nu uit: "Kom op, ik ken u. Gij zijt de 'Eerste

der Engelschen'. Kom op, en al hebt gij vleugels, toch zal ik u

wel kortwieken!"

Op deze wijze van uitdaging is de Engelsche ridder wel verplicht

acht te slaan. Het is een manier, die in zwang was in de dagen van

de ridderschap en nog niet geheel verdwenen is in Engeland, en Guy

neemt haar aan.

En de twee strijders gaan op elkaar af; het reusachtig zwaard van den

Engelschman kan niet halen bij de veel scherper gepunte Toledosche

kling, en was Guy niet bekleed met zijn harnas, dan zou deze dag zijn

laatste zijn geweest.

De Spanjaard heeft een stalen polsgewricht en hij hanteert zijn zwaard

volgens de regels der beste Italiaansche school, maar Guy redt telkens

door de vlugheid zijner voeten zijn hoofd. Dit verbittert den Spanjaard

en hij knarst op zijn tanden--terwijl Guy een schaatsenrijderskunstje

in practijk brengt, dat hem in staat stelt, om den Castiliaan heen te

draaien en hem een paar houwen te geven, die zelfs diens bekwaamheid

in het schermen niet kan pareeren.

Den volgenden keer, dat hij een halven cirkel om zijn vijand

beschrijft, verwondt Guy hem licht. Doch vooruitschietend, terwijl hij

een houw doet, blijft een van Sir Guy's riddersporen in zijn schaatsen

haken, en hij zou verloren zijn geweest, als hij niet door een vlugge

beweging op zijn hurken was gaan zitten en zich op zijn beide schaatsen

uit de nabijheid van zijn tegenstander had laten wegglijden.

Hij is wel een vijftig el van hem af, eer hij zich omkeert, en bevindt

zich nu vlak tegenover den kleinen vaandrig De Busaco, die het hard

te verantwoorden heeft gehad en reeds gewond is; zijn hooge laarzen

belemmeren zijn bewegingen op het ijs.

Chester komt juist bijtijds om den kleinen Spaanschen vaandrig

in bescherming te nemen en zijn leven te redden, daar twee of drie

Watergeuzen hem bijna bereikt hebben, en De Busaco er in het volgende

oogenblik om koud zou zijn geweest.

Guy herinnert zich, dat zij in Antwerpen goede vrienden waren, en het

zou hem onmogelijk zijn, den vaandrig nu aan zijn lot over te laten;

met zijn rechterarm slaat hij dan ook twee pieken naar beneden, die op

den vaandrig gericht zijn, en hij roept hem toe: "Geef u aan mij over;

geef u aan mij over, dwaas!" Want de kleine Spanjaard verweert zich,

met getrokken zwaard, al wat hij kan.

Doch op hetzelfde oogenblik, terwijl hij weer een een uitval doet,

glijden de beenen onder den armen jongen weg en bonst zijn hoofd

met een geweldigen smak op het ijs, waardoor hij het bewustzijn zou

verloren hebben, als hij geen stalen helm op had gehad.

"Hij is de mijne!" zegt Guy, de zwaarden terugduwend. "Hij is mijn

gevangene. Geef u over, gij stijfkop van een Busaco!"

"Ik verklaar mij overwonnen," zegt Busaco somber. Maar eensklaps

glimlacht hij en roept uit: "Mon Dieu! Kapitein Guido Amati! Ja,

ik geef mij aan u over. Welk losgeld verlangt gij van me? Gij wilt

mij immers niet dooden, wel?"

"Neen, Busaco, gij zijt veilig. Tweemaal hebt gij mijn leven gered,

al wist gij het niet. Nu red ik het uwe."

"Ja," zegt de ander, "dat was vreemd, nietwaar, _kapitein Guido

Amati_? Naar de vlag te oordeelen, die van uw mast waait, wordt gij

nu den 'Eerste der Engelschen' genoemd."

Het zijn dwaze woorden en zij komen hem bijna duur te staan, want

de Engelschman weet, dat als zijn gevangene dit overbrengt aan het

Spaansche hoofdkwartier, hij geen kans meer heeft, om als Guido

Amati samenkomsten te hebben met Alva's dochter. Hij zegt: "Ja, de

'Eerste der Engelschen', maar geen losgeld voor u."

"Geen losgeld," mompelt De Busaco, "dus wilt gij mij dooden, omdat

ik uw geheim ken?"

"Neen! Zweer mij bij alles wat u op aarde dierbaar is, dat gij mij

nooit zult herkennen als den 'Eerste der Engelschen', al stond ik ook

in Alva's eigen paleis voor u. Er staan vijf duizend kronen op mijn

hoofd; zweer echter, dat gij mij nooit zult kennen als den 'Eerste

der Engelschen', doch enkel als Guido Amati."

"Ik zweer het bij dit kruis, dat mijn moeder mij gaf," zegt de kleine

vaandrig, het crucifix aan zijn lippen brengend. Daarna lacht hij en

voegt er aan toe: "De eed was overbodig. Ik wist het reeds."

"Wanneer--hoelang?"

"Sedert drie weken, toen ik den _werkelijken_ kolonel Guido Amati

zag. Gij zijt bevorderd, zooals gij misschien weet."

"En gij hebt er nooit over gesproken, zelfs niet tegen Amati zelf?"

"Neen--tegen niemand!"

"Waarom niet?"

"Santos! het was een geheim van een dame."

"God zegene u," zegt Guy, zijn gevangene aan het hart drukkend. "Het

zou misschien den goeden naam, maar niet de eer van een dame kunnen

schaden."

"O, iedereen weet, dat Dona de Alva een heilige is. Dwaas, dat zij

juist u moet beminnen. Zonderling--"

Doch zij hebben geen tijd, om verder over de zaak te spreken. Chester

neemt den jongen man bij de hand, trekt hem met zich mede over

het ijs en vergezelt hem voor meerdere veiligheid tot dicht bij

Amsterdam. Daardoor brengt Guy bijna zijn eigen leven in gevaar,

want er komen hun reeds Spaansche troepen te gemoet, hij verlaat dus

den vaandrig met een handdruk en een: "God zegene u. Denk er aan!"

"Vertrouw op mij. Ik heb gezien, hoe zij u aankeek. Ik weet, dat zij

u bemint en niemand zou haar verdriet kunnen aandoen--maar pas op,

daar komen mijn kameraden!" roept De Busaco.

Zich omkeerend, rijdt Guy naar zijn schip terug, waar hij Antony

en een paar anderen vindt, gebogen over het lijk van den Spaanschen

officier, met wien Guy het tweegevecht heeft gehad, dat zoo plotseling

werd afgebroken.

"Zij hebben hem gedood, nadat gij waart weggegaan," zegt Oliver. "Ik

heb hen terwille van u van zijn lijk afgehouden. Hij was een dapper

soldaat."

"Terwille van mij?" roept Guy uit. "Denkt gij soms, dat ik zal treuren

over een gevallen held? Als ik geen kleinen tegenspoed had gehad,

zou ik hem vermoedelijk zelf het licht hebben uitgeblazen, ofschoon

hij meesterlijk met het zwaard wist om te gaan."

"Dat zou verschrikkelijk zijn geweest," zegt de schilder.

"Waarom?"

"Gij zoudt _zelfmoord_ gepleegd hebben."

"_Zelfmoord_! Wat bedoelt gij daarmee?"

"Ik bedoel, dat de oogen van haar, die gij liefhebt, weldra zullen

weenen, als de dood van dezen man haar wordt bericht."

"Kerel, wat bedoelt gij toch?"

"Ik bedoel, dat dit kolonel Guido Amati is, de man, voor wien Hermoine

de Alva u houdt."

"Goede hemel!" zegt Chester, zich over den dooden man heenbuigend.

"Ik heb zijn kleederen onderzocht en hem zijn kostbaarheden afgenomen;

niet voor mijzelven, maar om ze op de een of andere manier aan zijn

familie ter hand te stellen," voegt de schilder er bij; "deze brief

echter komt u toe."

Als hij het document bekijkt bij het licht van de zon, die in het

Westen neerdaalt, ontstelt Chester hevig. Het is het handschrift,

dat hij kent en waarmee hij dweept, en dat hij zoo weinig onder de

oogen krijgt, ofschoon hij het niet vergeet, en hij leest:

"God zegene u, mijn dappere; gij zijt nu kolonel. Die bevordering is

spoedig gekomen, niet waar? Dat hebt gij aan mij te danken. Een goede

raad aan u, mijn held. Neem den 'Eerste der Engelschen' gevangen

of dood hem en gij kunt er zeker van zijn, dat gij generaal wordt,

en dat brengt u aan de kerkdeur, waar Hermoine u wacht."

"Groote God! Dat is afschuwelijk," mompelt Guy. "Gezonden door de

vrouw, die ik bemin, om mij te dooden! En nu zal zij hem beweenen."

"Ja, en hoe meer zij hem beweent, hoe teederder zij u bemint. Gij zijt

nog niet dood. O, wonderbare gedaanteverwisseling! Stel u de oogen van

Hermoine voor, als zij ziet, dat gij leeft. O God! kon ik slechts mijn

beminde in de oogen zien, die zich dáár bevindt," en Oliver wijst in

de richting van Haarlem. "Guido, help mij, om haar te redden."

Een oogenblik later roept Antony verschrikt uit: "Mon Dieu, wat scheelt

u?" want de Engelschman leunt zwaar tegen hem aan en brengt met moeite

uit: "Een--een kogel moet door mijn kuras heen zijn gedrongen!"

Als de schilder het staal heeft afgerukt, ziet hij, dat dit werkelijk

het geval is, ofschoon de woonde niet diep blijkt te zijn.

Aanhoudend bloedverlies gedurende al dien tijd, dat hij zich zoo

druk heeft geweerd, maakt hem nu zwak en mat, en Chester wordt op

zijn schip gedragen.

De Hollandsche bevelhebbers zijn volstrekt niet op hun gemak; als deze

koude aanhoudt, zal het ijs hun schepen opnieuw insluiten en zullen

zij aangevallen worden door het gansche garnizoen van Amsterdam, dat

hun nooit zal vergeven, vierhonderd van de beste Spaansche soldaten

verslagen te hebben.

"Er moet een wonder gebeuren, om ons nu te redden!" merkt 't Hoen

op. "Het tij moet wassen--de wind moet opzetten--het ijs moet smelten,

alles tegelijkertijd. Het is zeker wel eens gebeurd, doch niemand

heeft het ooit gezien, en ik veronderstel dus, dat Jan Veeder, onze

dominee, het een wonder zou noemen,--Jan Veeder, die de volgende week

een lijkpredikatie voor mij zal houden!"

Doch dienzelfden nacht geeft de Voorzienigheid, die de koude

heeft gezonden, hun een kans om te ontsnappen, de laatste in dien

winter,--want het wonder gebeurt. Een hevige wind en de vloed en de

dooi komen tegelijk, en de vloed is hoog genoeg, dat zij de Pampus

kunnen passeeren. De wind stuwt de zee hoog op, jaagt het broze ijs

uiteen, blaast de zeilen op, en de vier schepen zetten, met alle

zeilen bij, koers naar het Noorden en komen den volgenden morgen

behouden in de haven van Enkhuizen aan.

Doch Chester bemerkt van dat alles niets. Hij ligt buiten kennis,

daar hij wondkoorts heeft gekregen.

Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572 · 第 47 / 73 题