Eenige uren later is Chester te Vlissingen, waar 't Zeraerts nu bevel
voert in naam van den prins van Oranje.
Hij verlaat de haven weer spoedig, als hij bemerkt dat de _Dover
Lass_ nog niet is teruggekeerd van Ierland,--echter eerst na eenige
moeielijkheden te hebben gehad met de auroriteiten, die de _Esperanza_
wilden bemachtigen, totdat Guy zich bekend maakte als den "Eerste
der Engelschen" en broeder-Geus.
Hij haast zich nu, zijn belofte aan Dona Hermoine te vervullen
en het aan zijn zorgen toevertrouwde meisje naar Haarlem te
brengen. Allereerst hijscht hij de Oranjevlag en werpt in den loop van
den volgenden dag het anker te Zandvoort uit. Nadat hij zich met de
sloep aan land heeft laten zetten, neemt hij tien van zijn matrozen
mee en heeft een voorspoedigen tocht van vijf mijlen door de met
bosschen bedekte duinen naar het Spaarne en verder naar Haarlem; de
zon beschijnt vroolijk de straten en de burgers, die zich bedrijvig
voorwaarts spoeden; de klokken van de Groote Kerk luiden, als om
triumfantelijk de zegepraal van het protestantisme te verkondigen;
de vrouwen lachen, de kinderen spelen voor de nette woningen met hun
helder gekleurde gevels.
Als zij de St.-Janspoort zijn doorgegaan, die streng bewaakt wordt
door een burgerwacht, bewapend met haakbussen en bogen, laat Guy zich
brengen bij den commandant van de stad, Ripperda, en als hij zijn naam
noemt, doet hij de ervaring op, dat de "Eerste der Engelschen" goed
bekendstaat in deze Hollandsche stad en als vriend wordt beschouwd. Het
wordt Guy dan ook dadelijk toegestaan, juffrouw Bodé Volckers naar
de familie van haar oom, zekeren Pieter Kies, te geleiden, die zijn
fortuin heeft gemaakt met zijn bleekerij.
Na den avond in den kring van de rijke, gastvrije Hollandsche familie
te hebben doorgebracht, laat hij de schoone Mina gelukkig en tevreden
achter, ofschoon zij vol zorg is over het lot van den man, dien
zij liefheeft.
"Als gij iets van Oliver hoort, laat het mij dan weten, indien gij
tenminste kunt," smeekt zij, en vervolgt met een trillende stem:
"God zegene u, dat gij mij in uw hoede hebt genomen. Oliver zal
u voor zichzelven dankzeggen, als hij tenminste nog leeft, en u
wederziet," en daarna glimlacht zij: "Gij zijt niet, wat gij schijnt
te zijn. Gij zijt niet de Spaansche kapitein, gij zijt een patriot,
zooals mijn aanstaande echtgenoot, en toch,"--zij kijkt hem vlak in
de oogen,--"zijt gij de verloofde van Alva's dochter!" En als zij
bemerkt, dat Guy schrikt, voegt zij er op geruststellenden toon aan
toe: "Vertrouw mij, ik zal uw geheim bewaren, want ik weet, dat gij
voor iederen kus van Dona Hermoine uw leven op het spel zet."
Het staat Guy volstrekt niet aan, dat een ander achter zijn geheim is,
en eenigszins ontstemd begeeft hij zich naar de nette kleine herberg
_De Zwaan_. Daar brengt hij een aangenamen nacht door tusschen schoone
lakens (want de Hollandsche herbergen waren veel beter dan die te
Antwerpen) en is zeer tevreden over den jongen waard, Hasselaer
genaamd. Deze en zijn moeder, een weduwe van ongeveer veertig jaar,
weten _De Zwaan_ flink in orde te houden.
Den volgenden morgen gaat Chester, na een smakelijk ontbijt,
opnieuw naar Ripperda en vraagt een pas voor zichzelven en zijn
tien volgelingen.
"Zeker," antwoordt de forsche Hollandsche commandant, "het verheugt
mij iemand van dienst te kunnen zijn, die zooveel voor onze zaak
heeft gedaan. Ik hoop, dat gij hier nog eens terug zult keeren,
als wij gelukkiger dagen beleven."
"Wat kan meer van geluk getuigen dan dit?" antwoordt Guy, terwijl
hij kijkt naar het aardige schouwspel, dat de drukte van nering en
hanteering aanbiedt.
"O, zeker, het ziet er aardig genoeg uit," zegt de Hollander,
"maar God weet, wat ons de oorlog zal brengen. Het is hier in de
noordelijke gewesten op het oogenblik overal rustig, maar het is de
kalmte vóór den storm. Alle steden van Holland, behalve Amsterdam,
zijn tegen Alva opgestaan, en met dien aanval in zijn rug door Oliver
in Bergen, waarvan het bericht juist tot ons is gekomen, en met de
hulp van Fransche Hugenoten, die Condé en Coligny ons hebben toegezegd,
zal alles misschien nog goed afloopen--maar God alleen weet het!"
En God weet, wat Ripperda niet weet, want als de dappere Hollander
had kunnen vermoeden, wat hem en den zijnen boven het hoofd hangt,
dat zij weldra het gras uit de straten zullen eten, om ziel en lichaam
bij elkander te houden, en dat zij zich al die ontberingen enkel hebben
getroost, om door Alva's beulen ellendig te worden omgebracht, zou hij
en iedereen, man, vrouw of kind, die nu in de straten van het gelukkige
Haarlem loopt, vluchten, hun bezittingen en de woningen waaraan zij
gehecht zijn verlatende, alsof zij door God vervloekt waren.
Doch alles heeft nu een lachend en gelukkig aanzien, als Chester de
stad door de St.-Janspoort verlaat en naar Zandvoort terugkeert, waar
een sloep op hem ligt te wachten; daarop zet hij met de _Esperanza_
weer koers naar Vlissingen, waar de _Dover Lass_ reeds is aangekomen.
"Gij hebt de Spanjaarden allen veilig en wel in Ierland
achtergelaten?" vraagt Guy aan Dalton.
"Ja, iedere Don is veilig onder dak gebracht bij een O'Toole. Zij
kunnen nu zeker reeds Iersch spreken," antwoordt de gevraagde.
Chester wordt begroet met drie luide hoezee's van de bemanning van
de _Dover Lass_--uit vreugde over de behouden terugkomst van hun
commandant, want als hij er het leven heeft afgebracht, heeft hij
natuurlijk ook geld.
"En nu de schat!" roept Dalton levendig uit, doch zijn verweerd gelaat
betrekt, als Guy antwoordt: "Voor het oogenblik nog geen schat."
Ook de manschappen zijn zeer teleurgesteld, want allen meenden, toen
zij zagen, dat hun commandant nog leefde, de twintig beloofde gouden
dubloenen reeds in handen te hebben.
Buitendien is Guy nog genoodzaakt, eerst weer naar Engeland te zeilen,
om geld voor zijn bemanning te halen, en om er de sleutels te laten
maken.
Ofschoon hij te Londen de sleutels der schatkamer van den Onderkoning
bij drie verschillende bekwame slotenmakers gemaakt krijgt, om
ze daarna zorgvuldig weg te bergen in de hut van de _Dover Lass_,
blijven de geldkisten van zijn eigen land voor hem gesloten.
Het gelukt hem niet, een leening te sluiten met bankiers en
zilversmeden, want hij wil niet zeggen, waar de buit, waarvan hij
spreekt, zich bevindt, en de meeste denken, dat het in West-Indië
is,--dat de onderneming dus een langdurige zeereis zal vereischen,
gepaard gaande met groot gevaar voor schipbreuk en gevangenschap.
Hij kan geen hulp van Elizabeth krijgen, die haar hand toornig tegen
haar zak slaat, als hij om geld vraagt, en zegt: "Sir Guy Chester, gij
moogt van geluk spreken, dat gij er uw hoofd afbrengt! Wie beroofde
mijn arsenalen van kruit? Wie anders dan gij en die zwakhoofdige
Burleigh? Als die Hollanders het mijn vriend Alva nu niet zoo lastig
maakten, dan had het, dunkt mij, veel van hoogverraad."
Guy, die de geschiedenis van den schat van den Hertog niet durft
vertellen, zit dus erg in de klem, temeer daar eenige zijner matrozen
hem gaan verlaten voor kapiteins van andere schepen, die vooruit kunnen
betalen. Hij begeeft zich op zekeren dag vol wanhoop naar Lord Burleigh
en zegt tot hem: "Evenmin als ieder ander, versmaadt gij het geld."
"Dat is zoo," antwoordt Burleigh, zich in de handen wrijvend.
"Ik kan u niet vertellen, waar ik dat geld vandaan haal, maar er is
een schatkamer te plunderen door iemand, die bereid is, er zijn leven
voor te wagen. Die man ben ik. Ik weet, waar die schat is."
"Waar dan?"
"Dat zal ik nooit zeggen. Doch gij weet, dat, als ik eens mijn woord
heb gegeven, ik het ook houd. Buitendien heb ik uw naam als staatsman
gevestigd."
"Gij hebt mijn naam als staatsman gevestigd?"
"Ja, door mijn raad met betrekking tot de Geuzen, men noemt u nu den
wijzen, den vèrzienden, den loozen vos Burleigh."
"Ja, en ik loop er gevaar door, mijn hoofd te verliezen," antwoordt
de Lord norsch. "Gij wildet mij echter over geld spreken?"
"Ja! Schiet mij zes duizend kronen voor en als ik levend terugkom,
zal ik u zestig duizend teruggeven--tien voor één. Nog beter, geef
mij tien duizend en gij krijgt honderd duizend terug. Het is als een
dobbelspel. Ik waag mijn leven, gij uw geld."
"Ik stel mijn tien duizend kronen op hooger prijs dan gij uw leven,"
antwoordt de Lord en zendt hem weg.
Doch juist in die dagen komt Francis Drake terug uit de Spaansche
wateren, zijn schip zwaar beladen met staven goud van een buitgemaakt
galjoen, en daar Guy heeft uitgestrooid, dat zijn schat ook uit
West-Indië moet komen, ontbiedt Zijn Lordschap hem en zegt, dat hij
het geld niet persoonlijk kan voorschieten, maar dat hij wel eenige
Londensche kooplieden kan bewegen, de tien duizend kronen te leenen
op de voorwaarden van afbetaling, die Guy heeft aangeboden.
De jonge man neemt het aanbod onmiddellijk aan en als hij het geld in
handen heeft, tuigt hij zijn schip opnieuw op, vult zijn bemanning
tot een voldoende sterkte aan, hetgeen niet moeilijk is, omdat
de beste zijner manschappen, met Dalton en Corker aan het hoofd,
hem niet hebben verlaten, en gaat onder zeil naar de Nederlanden,
niettegenstaande het winter is, en komt vroeg in December te Vlissingen
aan. Nauwelijks heeft hij het anker laten vallen, of hij wordt op
een aangename wijze verrast.
Er nadert een sloep van den wal en Achille, die nu als kajuitsjongen
fungeert, komt schreeuwend door het luik naar beneden: "Monsieur
Oliver! Mijn meester, de schilder Oliver!"
Met één sprong en met een kreet van blijdschap is Chester op het
dek, en laat toe, hoezeer het hem als Engelschman ook stuit, dat hij
omhelsd en gekust wordt, nog wel ten aanschouwe van zijn grinnekende
matrozen, want de man, die hem zoo teeder begroet, is Oliver, de als
uit den dood herrezene,--immers Alva heeft Bergen heroverd en een
groot gedeelte van de verdedigers dier stad doen ombrengen.
"Kom in mijn hut en vertel mij uw lotgevallen. Gij zijt nu geen
schilder meer, gij zijt enkel soldaat," zegt Guy, de hand van den
schilder krachtig drukkend en met iets als een traan in zijn oog,
als hij Antony aankijkt.
"Vertel gij eerst;--wat weet gij van de vrouw die ik liefheb?" roept
de schilder uit.
"Veilig."
"Goddank!"
"Ga nu mee naar beneden, ik zal u alles vertellen."
Als zij in de hut zijn gekomen, brengen zij elkander beurtelings
in verbazing door het nieuws, dat zij beiden hebben mee te
deelen. Oliver verhaalt van de verrassing van Bergen, hoe hijzelf
bij het aanbreken van den dag den poortwachter neerstiet, terwijl
zijn acht metgezellen, in marktkarren onder groenten verborgen, de
stad werden binnengebracht; hoe Lodewijk van Nassau, die buiten in het
bosch wachtte met vijfhonderd ruiters, ieder met één voetknecht achter
zich, daarna de stad binnentrok, terwijl Oliver en zijn acht helden
de poort zoolang tegen het Spaansche garnizoen verdedigden, tot zij
de ophaalbrug waren overgetrokken. Vervolgens de bijzonderheden van
de belegering door Alva; hoe zij op ontzet hoopten, daar hun hulp uit
Frankrijk was beloofd; toen het bericht van het feest van Catharina
de Medicis, de afgrijselijke slachting in den St.-Bartholomeusnacht,
die het bloed der edelste Hugenoten door de straten van Parijs deed
stroomen en waardoor hun geen hulp meer kon geworden van den vermoorden
Coligny; hoe Oranje's poging om hen te ontzetten, mislukte; hoe ten
slotte hij, Oliver, Lodewijk van Nassau en eenige anderen aan Alva's
klauwen ontsnapten, en hoe nu de Onderkoning, daar hij niets meer van
Frankrijk heeft te vreezen, een groot leger verzamelt, om Holland te
heroveren, Amsterdam daarbij tot centrum kiezend, als de eenige stad,
die nog in zijn handen is.
"Apropos," zegt Guy, "nu wij toch over Spanjaarden spreken: hebt gij
soms ook iets gehoord van onzen vriend, majoor Guido Amati?"
"_Kolonel_ Guido Amati."
"Te drommel,--alweer bevorderd?"
"Ja, gij zijt de dochter van den Onderkoning alweer een stap nader
gekomen," lacht Antony. "Hebt gij het niet gehoord? Toen Mondragon
een maand geleden het beleg van Goes ophief, trok majoor Guido Amati
's nachts aan het hoofd van het Spaansche voetvolk over de verdronken
gronden van Zuid-Beveland, waar het zetten van één schrede naast
den weg gelijkstond met verdrinken, waar een uur vertraging in den
overtocht van vier uren gelijkstond met verzwolgen te worden door
het wassend tij, en zoo verraste hij, als uit de lucht gevallen,
in den vroegen morgen 't Zeraets' soldaten, nadat hij een plaats
was overgetrokken, die, naar men meende, enkel voor de visschen en
de vogels toegankelijk was. Ter belooning droeg Mondragon majoor
Guido Amati ter bevordering voor. Op zijn aanbeveling werd dadelijk
beschikt, terwijl het anders gewoonlijk een jaar duurt. Gij ziet dus,
dat gij u loffelijk gedragen hebt. Mij dunkt, dat Dona de Alva zeer
trotsch op u kan zijn."
"Goddank," lacht Guy, "dat mijn bandelooze naamgenoot weer aan het
vechten is gegaan, en ik mij dus goed zal gedragen; hebt gij niets
van haar gehoord?"
"Neen, behalve dat zij nog altijd even schoon is, doch veel
hooghartiger en kouder. Zelfs Noircarmes, vertelt men, fronst het
voorhoofd en bijt op zijn knevel, als de naam van Dona de Alva genoemd
wordt. Vertel mij nu van mijn beminde."
Hierop geeft Guy een verslag van dien merkwaardigen morgen in Antwerpen
en hoe hij Mina Bodé Volckers op bevel van Dona de Alva heeft bewaard
voor geeseling en vernedering, waarop Oliver met tranen in de oogen
uitroept: "God zegene haar en vervloeke haar vader! Hoe kan zulk een
edel meisje een dochter van Alva zijn?"
En dan vraagt hij een weinig angstig: "Waar hebt gij Mina
heengebracht?"
"Naar Haarlem."
"_Haarlem_?" Het klinkt als een kreet van ontzetting. "Groote God,
waarom deedt gij dat?"
"Haar vader zond haar daarheen naar haar oom, Pieter Kies."
"_Haarlem_!" De schilder is verstijfd van schrik. "Het is bijna
ingesloten!" kermt hij. "_Haarlem_! en Alva heeft gezworen,
dat hij geen man, vrouw of kind levend uit die stad zal laten
ontsnappen. Haarlem! Haarlem! Mijn God! Is zij daar nog?"
"Dat weet ik niet. Ik verliet haar daar veilig en weltevreden,
wachtend op u,--haar laatste woorden waren voor u."
"Haarlem! Wij moeten er heen. Wij moeten beproeven haar te redden. Het
is bijzonderlijk voorgeschreven, dat alle uitgewekenen, die zich in
de stad bevinden, niet alleen ter dood gebracht maar ook gepijnigd
moeten worden. Mina is een uitgewekene. Help mij, Engelschman,--gij
hebt mijn beminde den dood in de kaken gevoerd--help mij er haar
weder uit verlossen!" kreunt Oliver, die in zijn angst bijna geen
rede meer verstaat.
"Verwijt het mij niet," antwoordt Guy. "Ik heb voor haar gedaan,
wat ik meende, dat het beste was. Doch ik zal u helpen, om haar te
bevrijden--ik zal er mijn leven voor wagen."
"God zegene u," roept Oliver uit. "En uw bemanning?"
"Zij volgt mij."
"God zegene hen!"
En zijn schat vergetende en nog eens zijn zielsbeminde, naar wier
bijzijn hij hunkert, den rug toekeerend, vertrekt Guy met zijn vriend,
die nu geen schilder meer is, doch geheel en al krijgsman is geworden,
om het waagstuk te beproeven, dat, zal het slagen, geen uitstel
kan lijden.
Dalton waagt de opmerking, als hij orders ontvangt, om het anker binnen
te halen en naar het Noorden te zeilen: "Dat is eigenlijk niet mooi
tegenover hen, die u met geld geholpen hebben, commandant."
"Vriendschap vóór handel--het geluk van mijn vriend vóór het geld van
Engelsche bankiers en woekeraars!" antwoordt zijn commandant. "Dalton,
gij hebt een meisje in Engeland; wat zoudt gij doen, om haar te
beveiligen voor Alva's troepen?"
"Vechten, tot ik dood neerviel."
"Nu, man, mijn vriend heeft het zijne in Haarlem!"
"Dan zal ik ook voor zijn meisje vechten," roept de ruwe zeeman uit;
en de manschappen wetten hun hartsvangers en strijdbijlen en zingen
daarbij Britsche liederen, ter eere van hun liefjes thuis.
Den volgenden dag bereiken zij Delft en vernemen daar, dat zij
Haarlem niet over Leiden kunnen bereiken. Hier hooren zij ook
van het afgrijselijke bloedbad te Naarden--vijfhonderd burgers
vermoord in de kerk, de rest van de inwoners eveneens grootendeels
omgebracht. Bijzonderheden ontbreken, daar de verschrikte boeren
de plaats niet durven binnengaan, waaruit het gekerm van vrouwen
en kinderen opstijgt, dat men mijlen ver kan hooren. Het is de
Hollandsche stad overgeleverd aan de genade van Spaansche soldaten,
prijsgegeven aan plundering, moord en vernieling; het is hetzelfde
verhaal als van Mechelen en Zutfen, hetzelfde verhaal als van iedere
stad, waar Alva's veteranen als overwinnaars binnendringen.
Oliver is de wanhoop nabij. Hij huivert bij hetgeen hij hoort en
fluistert Guy met bleeke lippen toe: "Er blijft ons niets anders over
dan te zien, of wij de Zuiderzee kunnen bereiken en vandaar uit het IJ,
zoodat wij van den noordkant binnen Haarlem kunnen komen. Die weg is
nog vrij."
"Misschien!" antwoordt Guy, twijfelend. "Doch het is een wanhopige
onderneming. Wij moeten beide keeren Amsterdam passeeren, waar Alva's
geheele legermacht zich bevindt en misschien nog oorlogsschepen
bovendien."
"Mon Dieu! Gij wilt haar toch niet aan haar lot overlaten?" roept de
Fransche Vlaming woest uit.
"Neen, maar ik moet zekerheid hebben, dat zij in Haarlem is, eer ik
het leven mijner mannen voor zulk een dolzinnig waagstuk op het spel
zet. Het is December, er zal spoedig ijs komen."
Chester tracht nu berichten in te winnen en treft toevallig den
laatsten man, die uit Haarlem ontsnapt is, aan, een man, half
krankzinnig van angst, want hij is slechts met moeite ontkomen aan de
Spaansche patrouilles, die met gruwzame wreedheid iedereen ophangen
of doodslaan, dien zij ontmoeten.
Als zij hem ondervragen, antwoordt hij: "Ja, ik kom uit Haarlem--ik
redde ternauwernood mijn leven--Ik heb den rook van het brandende
Naarden gezien, het gekerm gehoord--"
"Maar Haarlem, wat weet gij van Haarlem?" valt Guy hem in de
rede. "Beantwoord vlug mijn vragen en ik zal u geld geven." Want de
arme man is van alles beroofd en moet leven van aalmoezen. "Kent gij
een zekeren Pieter Kies?"
"Natuurlijk, lid van den gemeenteraad."
"Is hij nog in de stad?"
"Ja."
"Woont er bij hem in huis een blond meisje met groote blauwe oogen?"
"O, gij bedoelt de beminde van den patriotschen schilder, die nu den
eerenaam heeft gekregen van Oliver van Bergen?"
Nu hebben zij zekerheid. Oliver begint op zijn luidruchtige Fransche
wijze te jammeren: "Nom de Dieu! Mina is reddeloos verloren, zij
zal gefolterd worden, omdat ik haar liefheb," en op heeschen toon
smeekt hij Guy: "Red haar, Engelschman! Als gij u mijn vriend noemt,
red haar dan."
"Ik zal alles doen, wat een man vermag."
"Gezwind dan! Licht het anker en zet koers naar de Zuiderzee! Spoed
is haar eenige redding."
"Ik moet voor deze zaak toch eenige voorbereidingen treffen," antwoordt
Chester, die ernstig twijfelt aan den goeden afloop van dit avontuur.
"Voorbereidingen? Hebben wij dan geen wapenen en kruit? Haast u,
doe het voor mij, haast u!" smeekt Oliver.
Aangespoord door de wanhopige woorden van zijn vriend, doet Guy
in allerijl proviand op voor den tocht. Hij ziet eerst om naar een
loods, die bekend is met de binnenwateren, welke hij moet bevaren,
en is zoo gelukkig er spoedig een te vinden in den persoon van den
Frieschen vrijbuiter 't Hoen. Deze geeft aanstonds order, de _Dover
Lass_ zooveel mogelijk te lichten.
"Zes duim meer of minder diepgang, daar kan in de Zuiderzee met haar
ondiepten ons leven van afhangen," zegt 't Hoen, die bij al zijn
woestheid een ervaren zeeman is.
De _over Lass_ wordt nu ontlast van al het overtollige; zij bergt
nog alleen proviand, water en ammunitie.
Daarna vraagt 't Hoen, zich niet storende aan de spotternijen der
zeelieden: "Hoevelen van u kunnen schaatsenrijden?"
"Welzoo, het wordt dus een winterbuitenpartij met dames en vuurwerk
op het ijs?" lacht de bootsman.
Zonder hem met een antwoord te verwaardigen, gaat 't Hoen heen en
koopt voor iederen man, die er mee weet om te gaan, een paar Friesche
schaatsen. Als hij ze aan boord heeft gebracht, zegt hij tot Chester:
"Commandant, wij zullen die moeten gebruiken om weg te loopen, als
wij al te zeer in de klem geraken," waarop Corker een leelijk gezicht
trekt, daar het denkbeeld, zijn schip te verlaten, al is het om zijn
leven te redden, hem tegen de borst stuit.
Deze voorbereidselen zijn door Chester en zijn manschappen met
zooveel spoed gemaakt, dat zij zich nauwelijks vier uren in Delft
hebben opgehouden.
Den volgenden dag bereiken zij reeds de Zuiderzee en vernemen te
Enkhuizen, dat de Spaansche bevelhebber bezig is, Haarlem aan alle
kanten in te sluiten.
Tegen den avond in de buurt van Amsterdam aangekomen, blijven zij daar
op en neer varen, gereed om over het IJ de stad voorbij te zeilen,
als de duisternis zal zijn gevallen, en om den volgenden morgen
Haarlem te bereiken vóór het geheel is omsingeld, en het meisje voor
het gevaar van een beleg te bewaren.
Doch de Voorzienigheid is dien nacht niet met hen. Er komt een koude
wind uit het Noorden, die vorst meebrengt en het water met een ijslaag
bedekt. En toch is de wind niet sterk genoeg, om hun een weg door
het bevriezende water te banen.
Den volgenden morgen zitten zij vast in het ijs en met hen drie
andere Geuzenschepen, gelukkig alle vlak bij elkaar en misschien met
een zelfde doel hier. Zij zijn nu hulpeloos, zij kunnen noch voor-,
noch achteruit.
De stad Amsterdam, met Alva's leger binnen zijn muren, _is slechts
vier mijlen van hen verwijderd_.