En zij zegt: "Gij _moet_!"

"En waarom?"

"Om deze reden." Zij spreekt nu op smeekenden, weemoedigen toon. "Ik

meende--ik stem nu toe, mijn Guido, ten onrechte--dat gij mijner niet

waardig waart. Als ik, de dochter van den Viceroy--"

"Boete!" roept Guy uit, bijna werktuiglijk, en in een oogwenk verdwijnt

de trots van de dochter van den Viceroy en van het gewonde hart van

Hermoine de Alva voor het liefdebevel. Hij drukt zijn lippen weer op

de hare, de lippen, waarnaar hij zoo heeft gehunkerd, haar zachte

armen omklemmen hem,--de armen, waarnaar hij heeft gesmacht. En op

dit oogenblik gevoelt Chester, dat hij, ofschoon hij omringd is door

zijn vijanden, zal overwinnen, en hij vreest den haat van den vader

niet meer, nu hij zeker is van de liefde der dochter.

"Foei," roept het meisje uit, moeite doende om zich vrij te maken. "Wat

houdt gij er een mooie logica op na! Gij noemt mij trouweloos en gij

wilt mij niet toestaan mijn mond te openen, om mij te verdedigen."

"Wat is logica vergeleken bij uw trouwe oogen?" fluistert Guy,

"ik verlang kussen van deze lippen, geen woorden."

"Geen kus meer, eer ik mij verdedigd heb."

"Waarom niet?"

"Omdat, ofschoon gij mij kust, alsof--gij mij liefhadt," antwoordt

het meisje, vuurrood wordend, "er toch nog jaloezie in uw oogen te

lezen is en ik niet wil, dat gij jaloersch zijt, mijn Guido, want

daarvoor hebt gij geen reden. Gij zijt heengegaan en hebt mijn hart

meegenomen. Mijn geschenk, mijn portret was in uw handen. Ik was

nog geen week in Brussel, of men vertelde in de stad, op zulk een

wijze, dat het mij ook wel ter oore moest komen, dat in plaats van

zóó te leven, dat gij spoedig den rang zoudt verwerven, die u tot den

mijne zou maken, gij vergeten waart dat--ik u mijn hart had gegeven,

en dat gij leefdet--niet als--als een edelman, maar als een losbol,

nog erger dan dat, als iemand, die niet om mijn liefde gaf. Hetgeen

iedereen zeide,--ik kende u niet langer dan twee dagen,--bracht mij

aan het twijfelen. Toen informeerde ik naar u,--in zoover als een jonge

dame naar een jongen man kan informeeren, van wien men veronderstelt,

dat hij haar onverschillig is,--en ik kreeg hetzelfde antwoord.--'Gij

waart dapper, zelfs roekeloos--_maar uw leven was een beleediging

voor mijn liefde_.'" Zij kijkt hem treurig aan. "Toen wist ik door

mijn invloed bij den gouverneur van Middelburg te bewerken, dat aan

majoor Guido Amati geen verlof zou verleend worden, om naar Brussel

te gaan, zoodat hij mij niet meer zou kunnen bepraten en maken, dat

ik hem vergaf,--zooals gij nu hebt gedaan! Heilige Maagd, Guido! als

gij mij bedrogen hebt, dan--"

"Verdien ik, dat gij nooit de mijne wordt," roept Guy uit. "Maar

ik ben u trouw, ben u altijd trouw geweest. Goede hemel! denkt gij,

dat ik zooveel lieftalligheid binnen een week zou kunnen vergeten,

binnen een maand, binnen een jaar--mijn geheele leven? Gij zijt de

dochter van den Viceroy--"

"Boete!" lacht het meisje, bloost echter terstond en tracht weg

te loopen.

"O, ik zal ze betalen, zelfs tienvoudig." Hij neemt haar weer in

zijn armen.

Plotseling zegt zij, verbleekend: "Gij zijt weer afwezig zonder

verlof."

"Ja, dat is uw schuld!" Hij zegt dit op achteloozen toon, doch schrikt,

als hij ziet, hoe zij het zich aantrekt.

Zij fluistert met witte lippen: "Desertie uit het leger, terwijl

Middelburg omringd is door vijanden,--dat wordt niet gestraft met het

verlies van uw rang--maar met het verlies van uw hoofd. Mijn vader

handhaaft streng de tucht."

"Wat geef ik daarom!" antwoordt Chester, "het was immers mijn eenige

kans, om u te zien."

Dit grieft haar geducht, doch toont tevens, hoeveel zij van hem houdt,

want zij wordt bleek en stamelt: "Gij hebt uw leven dus gewaagd om

mijnentwille. Beloof mij, dat gij dit niet weer zult doen. Beloof mij,

dat gij vandaag naar uw post zult terugkeeren. Ik heb u een verzoek

te doen. Terwijl gij voor uw eigen veiligheid zorgt, kunt gij meteen

die arme koopmansdochter in veiligheid brengen. Haar vader zegt mij,

dat gij een schip te uwer beschikking hebt."

"Zooals ook mijn leven te uwer beschikking staat!" antwoordt

Chester. "Laat deze zaak geheel aan mij over. Al hadt gij het mij

niet verzocht, dan zou ik toch de beminde van mijn vriend voor die

vernedering hebben bewaard."

Hij begrijpt eensklaps, dat het beter is, niet verder met Hermoine

over Oliver te spreken, doch zij zegt: "Ja, die verrader was uw

vriend!" en zij vraagt met angstige lippen: "Hoe was het mogelijk,

dat gij zoo bevriend waart met een vijand van Spanje?"

"Uw vader vertrouwde hem, waarom zou ik het dan niet hebben

gedaan?" antwoordt de Engelschman, die altijd terstond met een antwoord

gereed is; maar hij voegt er treurig aan toe: "Het spijt mij, dat ik

na het gebeurde genoodzaakt zal zijn, dezen Oliver overhoop te steken."

En met deze leugen op zijn lippen, keert Guy zich om, want Bodé

Volckers klopt aan de deur. Als hij ze heeft geopend, spreekt hij

op zulk een kalmen toon den burgemeester aan, dat de oude man hem

verwonderd aankijkt en niet weet, wat hij er van moet denken.

"Op verzoek van Dona de Alva heb ik op mij genomen, uw dochter in

veiligheid te brengen. Geef bevel, dat uw twaalf kisten met goederen

terstond aan boord van de _Esperanza_ worden gebracht."

"Dat is reeds geschied," mompelt Bodé Volckers, Guy met verbaasde

oogen aanstarend; en hij stamelt: "Gij zijt toch--gij zijt immers

wel nuchter genoeg voor deze zaak?"

"Diablo! Nuchter genoeg om u aan te durven," snauwt Guy, zich eensklaps

zijn rol van dronken losbol herinnerend. "Stuur een voldoende som geld

aan boord, om de uitgaven van uw dochter te kunnen bestrijden--en de

mijne ook!"

Deze woorden zijn typisch voor den Spaanschen officier Amati, en

Niklaas slaat, aan diens beruchtheid als doordraaier denkende, zijn

handen ineen en smeekt: "Ik ben genoodzaakt haar aan uw hoede toe

te vertrouwen. Zij is mijn lievelingskind. Gij kunt alles van mij

krijgen, mijn geld, mijn leven, doch spaar mijn kind. Als het water

mij niet aan de lippen stond, denkt gij dan, dat ik mijn lam onder

de hoede van den wolf zou stellen?"

Bij deze vleiende opmerking klemt Guy zijn tanden op elkaar, slaat

hooghartig als een hidalgo, zijn hand aan het zwaard en sist:

"Maldito! Heb ik haar, de dochter van den Onderkoning, niet gezworen,

de kleine heks in veiligheid te brengen, waarheen gij haar wenscht te

zenden? Naar welke stad, die zich voor Oranje heeft verklaard en waar

een Hollandsche bezetting ligt, moet uw dochter gezonden worden? Noem

de plaats, en het zal geschieden."

"Haarlem!" antwoordt de oude man, "ik heb vrienden in Haarlem,"--later

had hij zich om dat gezegde de tong wel willen afbijten.

"Goed," zegt Guy. "Breng uw dochter terstond hier."

"Zoo aanstonds. Mina pakt."

"Pakt? Idioot! Meent gij, dat zij fraaie kleeren zal noodig hebben

in het Spinhuis? Haast u en behoed den blanken rug van uw dochter

voor de geeseling. Vlug!"

Vol ontzetting over dit beeld, snelt de burgemeester heen en Guy bijt

half en half ontevreden op zijn knevel, want hij voelt, dat het zijn

plicht is, den ouden man tot spoed aan te zetten, maar hij weet ook,

dat hij daardoor een onderhoud bekort, waarvoor hij zijn leven zou

willen geven, om het te rekken. Nu keert hij zich om en kijkt naar

Hermoine de Alva.

Deze heeft hem den rug toegekeerd en schijnt met haar hand in haar

boezem ijverig naar iets te zoeken.

Als Guy de deur sluit, slaakt zij een zucht van verlichting, alsof

zij heeft gevonden wat zij zoekt, en als hij zijn armen om haar heen

slaat, fluistert zij: "Die arme Bodé Volckers zal dadelijk terugkomen

en dan moet gij gaan. Ay de mi! de tijd is kort. Maar aan mijn vinger

heb ik weer den ring, die mij aan u zal doen denken."

Tot zijn onuitsprekelijke vreugde ziet Guy, dat zij den ring met den

brillant opnieuw aan haar ringvinger heeft.

"Zweer nu, steeds aan mij te denken als uw trouwen ridder, wat men

ook van mij moge uitstrooien," fluistert hij.

"Ja," antwoordt het meisje, "als men mij zegt, dat gij mij ontrouw

zijt, zal ik tot mijzelve zeggen: het is een leugen. Als men mij zegt,

dat gij een dronkaard zijt, zooals die oude, onnoozele Bodé Volckers

mij vertelde," zij kijkt met oogen, vlammend van verontwaardiging,

naar de deur, waarachter de burgemeester verdwenen is, "zal ik zeggen:

mijn Guido heeft mij eens bewezen dat het een leugen was, nu weet

ik, dat het altijd een leugen is.--Maar zult gij wel ooit tot mij

terugkeeren?" vervolgt zij nu op treurigen toon. "Ik weet, dat gij

nu naar uw post terug moet. Er is slechts één plaats, als er oorlog

is tegen de vlag van Spanje, waar de verloofde van Alva's dochter

zich behoort te bevinden, en dat is op het oorlogsveld! Slechts daar

kunt gij roem en glorie verwerven, groot genoeg om naar mijn hand

te dingen."

"Twijfel daaraan niet, ik zal dáár te vinden zijn, waar de strijd het

hevigst is," mompelt Guy grimmig, "en het is voor u, dat ik vecht,

al waardeert Alva ook misschien mijn streven niet."

"Mijn vader beloont steeds dapperheid en goed gedrag, onthoud dat,

majoor Guido Amati de Medina,--dapperheid en goed gedrag. Gij moogt den

moed van een paladijn hebben, het zal u niet in rang doen stijgen, als

gij geen hersens bezit. Mij dunkt, gij hebt overvloed van beide," lacht

zij, de krullen van Guy's hoog voorhoofd wegstrijkend, en roept opeens

opgewonden uit: "Wel, gij hebt het voorhoofd van een schaakspeler!"

"Ja, het spel waarin de ridder [3] de koningin neemt," fluistert Guy.

"Dan moet hij zeer galant en teeder en bescheiden voor zijn gevangen

koningin zijn," roept het meisje blozend uit, met een teederen blik in

haar oogen. Want de ridder heeft naar zijn woord bezit genomen van de

koningin van zijn hart, en wel op een buitengewoon hartstochtelijke

wijze, en voor een oogenblik komt de verzoeking bij hem op, haar met

geweld te ontvoeren.

Het volgend oogenblik begrijpt hij echter, dat het nu de tijd niet is,

om dit voornemen uit te voeren of moeite te doen, om Hermoine over te

halen, hem vrijwillig te volgen, want hij zou voor niets ter wereld

den goeden naam van haar, die hij zoo hoog stelt, in gevaar willen

brengen, en buitendien klopt de burgemeester ook reeds aan de deur.

"Herinner u--"

Zij spreken het gelijktijdig uit en met een kus beletten zij elkaar,

den zin aan te vullen. Het is hun laatste omhelzing, eer Guy met

een kloek besluit de deur opent en Niklaas binnenlaat, gevolgd door

juffrouw Wilhelmina, die er beklagenswaardig uitziet in haar meer dan

eenvoudige kleeding, zonder iets van de luxe, die zij vroeger in haar

toilet ten toon spreidde.

De sporen van tranen zijn nog op haar wangen aanwezig, zij ziet zeer

bleek, doch haar oogen schitteren zenuwachtig en verleenen een vreemde

schoonheid aan haar gelaat.

"Haast u! er staat een rijtuig voor de deur," mompelt de

burgemeester. "Ik heb zooveel bagage, als ik kon vinden, naar het

schip gezonden. Uw kamenier gaat mee."

Mina valt hem echter in de rede en gaat op Hermoine de Alva af,

die haar treurig aanziet, als zij vraagt:

"Vertel mij wat van hem!"

"Hem--van wien?"

"Mijn Oliver. Is hij in veiligheid?"

"Voor het oogenblik, ja."

"Goddank!"

"Ja, de verrader Oliver is den vorigen nacht uit Brussel

gevlucht. Dezen morgen kregen wij bericht dat hij Bergen had ingenomen

met acht man."

"Acht man! Ah! Dat was een heldendaad! Acht man een bezetting

verrassen! Maar Lodewijk van Nassau zal ongetwijfeld zoo vlug mogelijk

uit Frankrijk de stad binnentrekken. Uw held is veilig, kleine

Mina!" roept Guy uit, geheel zijn rol van Spaansch officier vergetend

in zijn geestdrift over de dapperheid en den roem van zijn vriend.

"Ja, hij is veilig, _voor het oogenblik_," laat nu Hermoine zich

hooren. "Hij is een dapper man en een groot schilder. Ik wil voor

zijn altaarstuk zorgen. Máar, o misericordia!"--zij slaat haar oogen

ten hemel en zegt op angstigen toon: "Ik smeek God, dat mijn vader

hem nooit levend in handen moge krijgen." En zich tot Mina wendend,

vervolgt zij zeer ernstig: "Als gij uw beminde ooit weer moogt spreken,

smeek hem dan, zoo hij tenminste de verschrikkingen van de hel vreest,

_zich nooit levend te laten gevangennemen_! Het is jammer, dat zulk een

dapper en talentvol man mijn vaders brood at en hem verraadde. Toch,

majoor Guido Amati, draag ik, vertrouwende op uw woord van edelman,

u op, dit arme meisje te beveiligen voor mijn vaders toorn."

"Gauw dan, breng haar in het rijtuig," zoo haast Guy den koopman.

En als de burgemeester zijn dochter naar buiten brengt, fluistert

Hermoine de Alva: "Gij ziet nu, dat ik vertrouwen in u stel en hoe

weinig ik geloof, dat gij een losbol zoudt zijn. Dit meisje is mooi

en toch stel ik haar onder uw hoede, want ik geloof in u, evenals de

meisjes uit den ouden tijd het in haar ridders deden."

"Bij Sint George en den draak! gij kunt mij vertrouwen." En zich

bukkende, drukt Chester zijn lippen op den mond, die hem wordt

toegestoken, want hij hoort Bodé Volckers roepen: "Kom dan toch!"

Chester vertrekt en de laatste blik, dien hij opvangt uit de schoone

oogen van zijn beminde, spreekt van onwankelbare trouw, en hij neemt

het bewustzijn met zich, dat, al moge hetgeen men van hem vertelt

gunstig of ongunstig luiden, Hermoine de Alva zal blijven gelooven in

majoor Guido Amati de Medina van Romero's voetvolk, als haar ridder

en haar kampioen.

Bij het rijtuig gekomen, drukt de burgemeester de hand van den

Engelschman en fluistert: "Alles is in orde, rijd rechtstreeks naar

het schip," en voegt er aan toe: "Gij hebt haar in uw handen. Zooals

gij met mijn Mina doet, moge God met u doen. Haast u, het tij is

u gunstig."

Het gaat nu in snellen draf naar de _Esperanza_, en aan boord vindt

Chester Olins met de verlangde papieren. Hij vertoont deze aan een

douane-beambte, die reeds wacht, en als alles in orde blijkt te zijn,

verlaat het schip de haven.

Ongeveer anderhalf uur later is de _Esperanza_ Fort Lillo gepasseerd

en op weg naar den open oceaan, waar de Hollandsche zeelieden thans

Alva's gehuurden krijgsknechten de baas zijn.

Terwijl hij nog een blik achterwaarts werpt, naar Fort Lillo met

zijn grimmig geschut, slaakt Chester een zucht van verlichting. Hij

is opnieuw uit Antwerpen ontsnapt; de schat van den Hertog is nog

onaangeroerd, maar hij heeft honderd kussen veroverd,--waarvoor hij

honderdmaal zijn leven zou gewaagd hebben. Doch zijn manschappen

hebben niets gekregen, en zij toonen lust om te mopperen.

En nu komt de koopmansdochter op Chester af en fluistert: "God zegene

u, dat gij mij gered hebt voor vernedering en de geeselroede."

"Gij stelt, hoop ik, volkomen vertrouwen in mij?" antwoordt Guy en

kijkt het schoone meisje aan, op wier wangen de frissche zeewind een

blosje heeft getooverd.

"Ja! Gij zijt de vriend van Oliver, gij zoudt hem niet verraden. Gij

zijt"--hier begint juffrouw Wilhelmina te stamelen, doch glimlacht

daarbij--"de beminde van iemand, wien niemand ontrouw zou kunnen

worden."

"Par Dios! Wie is dat?" vraagt Guy, op zijn lippen bijtend.

"Dona Hermoine de Alva. Gij herinnert u immers nog wel de koopjes,

die ik haar duena bezorgde, majoor Guido Amati de Medina?" En het

meisje lacht vroolijk, ofschoon zij niet aan de zee gewend is, en

het lachen haar moeielijk begint te vallen.

Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572 · 第 43 / 73 题