HET GEHEIM VAN HET STANDBEELD.

Daar hij thans zelf gebrek aan ammunitie heeft, is Guy genoodzaakt,

zich nog eenige dagen in Engeland op te houden. Doch de vlugge kleine

_Dover Lass_ heeft niet lang werk, om naar Nederland over te steken,

zij zet alle zeilen bij en vroeg in April bevindt Chester zich opnieuw

aan den mond van de Schelde. Als hij Vlissingen in zicht krijgt, heeft

hij redenen om zich te verwonderen maar ook om zich te verheugen,

want de oranje-blauw-witte vlag van den prins van Oranje wappert van

den toren.

"Wel verd....!" roept hij zijn eersten officier toe, "de Geuzen zijn

in Vlissingen geland en hebben er bezit van genomen! Voor ons uit

zeilen twee schepen met de Oranjevlag in top. Haal ze in en zie er

eens alles van te weten te komen, Dalton."

In een halfuur heeft de _Dover Lass_ de schepen ingehaald, die onder

het commando staan van kapitein De Rijk van Amsterdam. Van hem verneemt

Guy, dat de Geuzen niet alleen Vlissingen hebben ingenomen, maar ook

den Briel. Hun succes is de vonk geweest, die de vaderlandsliefde in

Holland en al de Noordelijke Nederlanden heeft doen ontbranden. De

eene stad vóór, de andere na verklaart zich voor den prins van Oranje

als den stadhouder van Philips II en tegen Alva, want zoo groot was

de eerbied, dien men in die dagen voor het koningschap koesterde, dat

Oranje zich nog altijd den vazal van den Spaanschen koning noemde,

ofschoon hij tegen hem streed met alle wapenen, die hem ten dienste

stonden.

Tot groote verbazing van Guy, heeft De Rijk, die Engeland een

weinig later heeft verlaten dan de andere Geuzenschepen, vijfhonderd

Engelsche vrijwilligers aan boord, die Guy op echt Engelsche wijze

begroeten. Want Burleigh is door Elizabeth's liefelijke opmerkingen

wel een weinig bang geworden voor zijn hoofd en helpt de Watergeuzen

op alle mogelijke manieren.

De _Dover Lass_ en de twee Geuzenschepen stevenen nu te zamen, door

een zacht koeltje voortgedreven, naar de haven van Vlissingen. Juist

als zij daar landen, bemerken zij, dat er iets ongewoons gaande is

in de stad. Een kwartier geleden hebben zij een kleine pinas met

een enkelen mast gezien, die van den kant van Antwerpen kwam en de

haven even vóór hen binnenliep. Drie heeren in een zwierige kleedij,

naar het uiterlijk Spanjaarden, zijn uit dit vaartuigje lachend aan

land gestapt en de stad ingewandeld.

Juist als De Rijk en Chester aan wal gaan, komen deze drie zelfde

heeren haastig de stad weer uitsnellen in de richting van de haven,

achtervolgd door zulk een joelende en tierende menigte, als Vlissingen

nooit te voren zag. Het is een troep Watergeuzen, dronken van bloed,

met hun aanvoerder, den grommigen Dirk Duyvel, tot de tanden gewapend

met pistolen en pieken, zwaarden en haakbussen.

"Weg met de Spaansche bloedhonden!" schreeuwen sommigen. "Hangt ze

op, aan de hoogste galg, gezwind!" krijschen anderen. "In de zee

met Alva's beulen!" gilt de rest,--dit alles gekruid met Hollandsche

vloeken van de krachtigste soort.

Als zij bemerken, dat hun de terugtocht naar het schip door de

manschappen van De Rijk wordt afgesneden, komt de voornaamste van

de drie Spanjaarden haastig op De Rijk af, en een buiging voor hem

makend, trekt hij van zijn vinger een prachtigen zegelring en laat

dien den aanvoerder der Geuzen zien, hijgend uitroepend: "Ik--ik

geef mij aan u over.--Ik--ik wist niet, dat de stad in handen was van

de--de oproerlingen. Laat deze ring mij behoeden voor een overhaasten

dood. Ik ben een edelman. Ik kan een groot losgeld betalen. Ik ben

Alva's ingenieur." Hij stoot deze woorden in den grootsten angst,

naar adem hijgend, uit, want de menigte zit hem dicht op de hielen.

Guy herkent met verbazing in den man Paciotto, den grooten militairen

ingenieur van Alva, dien hij te Antwerpen aan diens zijde heeft gezien.

"Gij kent mij?" brengt Paciotto met moeite uit.

"Maar al te goed!" schreeuwt de menigte, die nu de hand aan hem slaat.

"Maar al te goed!" herhaalt De Rijk. "Ik zal u echter voor een

onmiddellijke executie bewaren," en hij en Guy en nog een paar

andere officieren beschermen met getrokken zwaard de drie mannen,

die anders het volgend oogenblik in stukken gehakt zouden zijn door

de Watergeuzen. Want dezen zijn, nadat zij den Briel hebben ingenomen,

dronken van bloed en dorsten naar wraak op de Spanjaarden, voor al de

wreedheden, die door hen de vijf laatste jaren gepleegd zijn. Ieder

heeft een familielid te wreken, deze een vader, die wreed vermoord

is, een tweede een broeder, die den brandstapel beklommen heeft, een

derde de beleediging, zijn vrouw aangedaan, en dit alles maakt hen

even onmenschelijk als hun vijanden. Welke kans op lijfsbehoud heeft

een officier van Alva bij zulke mannen? Guy heeft spoedig begrepen,

dat Paciotto niet eens de keus zal worden gelaten, hoe hij ter dood

zal worden gebracht.

Terwijl De Rijk en hij den Italiaan behoeden voor onmiddellijke

geweldpleging, hebben een aantal Geuzen het kleine Spaansche schip,

waarmee Paciotto is gekomen, bestormd, en de weerlooze bemanning om

hals gebracht, onder woeste kreten van vreugde en triomf.

Een oogenblik later wordt de Italiaan naar het Raadhuis gesleept,

waar Treslong, die het bevel voert, beraadslaagt met den burgemeester

en andere overheidspersonen, in tegenwoordigheid van zijn meeste

kapiteins.

"Bij onze martelaren," roept de Hollandsche vice-admiraal uit, "wij

hebben geluk. Daar is ons een van Alva's voornaamste gunstelingen in

handen gevallen.--Een krijgsraad voor den Italiaanschen edelman!"

"Ik roep het krijgsrecht in, Willem van Bloys, graaf van Treslong,"

zegt Paciotto op hoogen toon, ofschoon de wanhoop op zijn gelaat te

lezen staat.

"Hetzelfde krijgsrecht, dat Alva toepaste, toen hij mijn broeder

met zeventien andere edellieden liet terechtstellen op de markt te

Brussel," antwoordt de Hollander.

"Ja, gerechtigheid en barmhartigheid," spot een der andere

officieren. "Dezelfde gerechtigheid, die Alva mijn vader deed

wedervaren, toen hij om genade smeekte te Jemmingen. Dezelfde

barmhartigheid, die Bossu nu twee dagen geleden te Rotterdam in

practijk bracht."

"Met zulke rechters ben ik vooruit veroordeeld," zucht de Italiaan, als

Van Treslong en zijn officieren plaats nemen rondom een groote trom.

Als de krijgsraad den eed heeft afgelegd, merkt de Hollandsche

vice-admiraal, die veel doorzicht heeft, op: "Wij moeten den

burgemeester in onzen krijgsraad opnemen. Dat zal hem voorgoed aan

onze zaak verbinden. Hij zal Vlissingen tot het uiterste verdedigen,

omdat hij daarmee zijn eigen hoofd tegenover Alva verdedigt."

Zoo wordt de burgemeester, tegen wil en dank, lid van den krijgsraad

en wordt er over Paciotto gerecht gehouden.

"Waarvan beschuldigt gij mij?" vraagt de ongelukkige man. "Dat ik

een goed onderdaan ben van uw koning, Philips van Spanje? Welnu,

aan die misdaad verklaar ik mij schuldig."

"Bah!" antwoordt Van Treslong, "gij zijt de rechterhand en de

vertrouweling van Alva, onzen beul. Daarom begeeren wij uw leven. En

ook, omdat gij voor hem zijn geduchte sterkte, de Citadel van

Antwerpen, hebt gebouwd."

"Als ik daarom den dood heb verdiend, executeer mij dan," mompelt

de Italiaan met heesche stem. "Maar ik smeek u, laat mij dan sterven

door het zwaard."

"Halt!" roept Guy, wiens ridderlijk gemoed medelijden krijgt met de

onderliggende partij. "Ik zal u als uw militaire advocaat voor deze

rechtbank verdedigen."

"Verspil uw woorden niet voor mij, senor," zegt de Italiaan op

treurigen toon. "Deze Vlaamsche honden lekken hun baard reeds om

mijn bloed."

Guy stoort zich echter niet aan die tegenwerping, maar begint voor den

ongelukkigen Spaanschen officier te pleiten, op zijn hartstochtelijke

manier, in het vuur zijner rede zulke weinig vleiende woorden voor

Paciotto's rechters bezigende, dat de Engelschman, als hij niet zelf

den Geuzenpenning had gedragen en, wat nog meer zegt, als hij niet de

man was geweest, die hun de vier schepen met kruit en ammunitie had

bezorgd, het er zelf wel eens niet zonder kleerscheuren had kunnen

afbrengen voor dezen krijgsraad van de Watergeuzen.

Ondanks Chester's warm pleidooi, maken de Geuzen korte metten, en

in minder dan vijf minuten op de tikkende hangklok aan den muur,

veroordeelen zij den Italiaanschen ingenieur niet tot den dood door

het zwaard, maar tot den dood door den--strop.

Als het vonnis is uitgesproken, roept de Italiaan plotseling uit: "Hoe

lang is het geleden dat uw vloot zich voor Vlissingen heeft vertoond?"

"Ongeveer drie dagen," antwoordt een Geuzen-aanvoerder. "Doch wat

kan dat u schelen, daar gij binnen drie minuten zult sterven?"

Het antwoord van Paciotto klinkt vreemd en wonderlijk; hij slaat zijn

handen in elkaar en toorn vlamt er in zijn oogen, zijn wanhoop maakt

plaats voor verontwaardiging en hij roept uit:

"Mijn God! Opgeofferd! Heilige Maagd! Gedood ter wille van mijn

geheim!" En zich tot Guy wendend, fluistert hij: "Zijt gij de 'Eerste

der Engelschen'?"

"Ja."

"Vraag dan aan de Hollandsche officieren, of zij mij nog tien

minuten willen toestaan, om mij met God te verzoenen; alleen in uw

tegenwoordigheid, want aan den rozenkrans, dien gij om uw hals draagt,

zie ik, dat gij van mijn geloof zijt."

Dit verzoek wordt door Treslong met een norsch: "Ja!" beantwoord.

Hierop wordt Paciotto, nadat zijn handen gebonden zijn, in een

aangrenzend vertrek gebracht, waaruit hij onmogelijk kan ontvluchten

en waarin Chester, bewogen door de smeekende oogen van den Italiaan

en misschien ook door nieuwsgierigheid gedreven, hem volgt.

"Sluit de deur," fluistert de Italiaan. En hij vervolgt gejaagd:

"Gij zijt de eenige, die goed voor mij is geweest in het laatste uur

van mijn leven. Ik ben in staat u dit te vergelden! Ik kan u den weg

wijzen om in rijkdom gelijk te worden aan de vorsten dezer aarde."

"Hoe dan?"

Doch de Italiaan geeft daarop geen antwoord, doch mompelt:

"Opgeofferd! Ik ben een kind des doods,--door toedoen van Alva die

nooit iemand spaart, als zijn belang meebrengt, hem uit den weg te

ruimen. Deze stad werd reeds drie dagen door den vijand bedreigd! Hij

wist dus van den aanval der Geuzen,--hij wist dat Vlissingen een

hoogst gevaarlijke plaats zou zijn en hij zond mij hier kwansuis heen

om de vestingwerken na te zien, maar inderdaad opdat zijn geheim met

mij zou sterven. Want ik ben de eenige man in de Nederlanden, die het

kent." En op hartstochtelijken toon vervolgt hij, heesch fluisterend:

"Men heeft mij verteld, dat gij er weinig om geeft, uw leven te

wagen. Zoudt gij, met de kans om enorme schatten te verwerven, een

stout waagstuk willen ondernemen, om mij op mijn vijand te wreken?"

"Voor die schatten zou ik mijn leven willen wagen--ja, haast mijn

zaligheid op het spel willen zetten," antwoordt Guy levendig, want

sinds hij de liefde van Alva's dochter heeft gewonnen, is het zijn

eenige gedachte, aanzien, macht en geld genoeg te verwerven, om haar

den staat en den luister te kunnen verschaffen, die toekomen aan de

dochter van een onderkoning.

"Dan, 'Eerste der Engelschen', zijt gij de man, dien ik noodig heb

voor mijn _post-mortem_-afrekening met Alva, gij, die den moed hadt,

Antwerpen te bezoeken; ik herinner mij, u daar gezien te hebben,

den Onderkoning vrij in het aangezicht kijkend, zijn proclamatie

met den prijs op uw hoofd bijna vlak boven u aan den muur. Gij zijt

de man om mij te wreken. Luister, en ik zal u het geheim van het

standbeeld meedeelen."

"Alva's standbeeld!" roept Guy uit, terwijl Oliver's woorden hem weer

te binnen schieten.

"Stil! Val mij niet in de rede. Mijn tijd is zeer kort. Dit groote

standbeeld, dat de Hertog heeft opgericht tot zijn verheerlijking, is

gedeeltelijk bestemd voor een ander doel! Om den schat te beschermen,

dien hij heeft verzameld met zijn tienden penning en dien hij naar

Spanje denkt mee te nemen voor zijn eigen gebruik en voordeel. Het

voetstuk--"

"O, ik herinner het mij. Het voetstuk is van buitengewonen omvang,--het

bevat den buit van de Nederlanden," fluistert Chester.

"Bah! Neen, daarvoor is Alva veel te slim. Het standbeeld en het

voetstuk bevatten _niets_."

"_Niets_?"

"En toch," zegt de Italiaan, "is _het standbeeld_ de bewaarplaats

van Alva's schat."

"Hoe dan?"

"Luister. Terwijl ik als hoofdingenieur bezig was de Citadel

van Antwerpen te veranderen en te verbouwen, ontdekte ik een

onderaardsche gang, aangelegd om uitvallen te kunnen doen. Zij liep

van het groote bastion van den Hertog onder de gracht door naar

een plaats van uitgang in de stad zelve, een huis, vlak achter de

Esplanade gelegen. Volgens geheime aanwijzingen van den Onderkoning

zelf, liet ik aan het einde van de gang aan de zijde van de Citadel

dertig voet onder den grond een vertrek uithouwen. Dit vertrekt

dient tot bergplaats van Alva's schatten. Het soliede metselwerk

van het groote bastion van den Hertog staat er vlak boven. Men zou

weken lang moeten graven, om er van de Citadel in door te dringen,

en men zou om het te laten springen, zooveel kruit noodig hebben,

dat het geheele bastion in de lucht zou vliegen. Dus kan men het

vertrek van uit de Citadel niet bereiken. Maar van de stadszijde is

het toegankelijk, hoewel alleen voor hem, die het geheim kent, want

het is op de meest vernuftige wijze voorzien van ieder mechanisme,

dat Giovanni Alfriedo, een vindingrijk Italiaan uit Venetië, tot

bescherming er van heeft kunnen uitdenken. En toch is het gemakkelijk

en spoedig te bereiken voor hen, die in het bezit zijn van het geheim,

en ik ben de eenige man, behalve Alva, die dat nu kent--daar Giovanni

op zijn terugreis naar Venetië vermoord is geworden door zeeroovers,

misschien wel op last van iemand en met een geheime bedoeling."

"Uw tijd is om!" roept Van Treslong uit, op de deur bonzende.

"Nog tien minuten voor de ziel van een stervende," smeekt Paciotto.

"Ja, tijd, opdat hij in de vertroostingen zijner kerk moge sterven,"

roept Guy uit, die nu brandt van nieuwsgierigheid om achter Alva's

geheim te komen.

Men staat hem nog vijf minuten toe, niet uit barmhartigheid, maar

om een beul te zoeken. Want de stadsbeul is naar Middelburg, en daar

Treslong dit nu eerst verneemt, verheft hij zijn stem tot de menigte

vóór het stadhuis en looft een vrij aanzienlijke som uit voor hem,

die het beulswerk wil verrichten.

Doch niemand wil zich met dit vernederend werk belasten,--tot er

zich eindelijk iemand voor aanbiedt, die, hoorende, dat Paciotto

een Spanjaard is, uitroept: "Ik durf dat karreweitje wel aan! Ik zal

den Spanjaard wel netjes ophangen! Ik moet echter permissie hebben,

iedereen van kant te maken, die mij uitjouwt, omdat ik de beul van

een Spanjaard ben geweest," en hij maakt zijn toebereidselen met touw

en ladder.

Terwijl men een beul voor hem zoekt, fluistert Paciotto haastig Guy

in het oor: "De ingang bevindt zich in een huis, nu bewoond door

een oude doofstomme vrouw, senora Sebastian. Zij weet van niets,

men heeft haar het huisje tegen een lagen prijs verhuurd, toen het

werk was afgeloopen. Gij neemt vier steenen op, midden in den kelder,

en gij hebt den ingang voor u. Maar deze gewelfde gang wordt op twee

plaatsen, voordat ge aan de gracht komt, afgesloten door ijzeren

deuren, zóó sterk, dat zij alles kunnen weerstaan, behalve kruit. Elke

deur wordt geopend door vernuftig uitgedachte sloten. Overeenkomstig

het eigenaardige systeem van dezen bekwamen ingenieur, heeft men

voor elk slot drie sleutels noodig, die in een bepaalde volgorde

moeten gebruikt worden. Wijkt men af van die volgorde, dan weigeren

de sloten. Elke poging om de ijzeren deuren te laten springen, zou

de gang zelf vernielen en het Scheldewater naar binnen doen stroomen

en hem, die het beproefde, doen verdrinken."

"Maar hoe staat het standbeeld daar nu mee in verband?" fluistert Guy.

"Ah! Dat is Alva's list om zijn muitzieke soldaten te verschalken. Door

de geheimzinnigheid van den Onderkoning met betrekking tot dit

standbeeld, beschouwt het halve Antwerpensche garnizoen het als

uitgemaakt, dat het standbeeld zelf de bewaarplaats is van Alva's

goud. Dit was zijn bedoeling. Hij vreest niet dat de burgers zijn schat

stelen zullen, maar wel dat zijn eigen soldaten, die in jaren niet

betaald zijn, in opstand zullen komen. Het eerste, waar zij de hand

naar zouden uitsteken, zou de buit van hun bevelhebber zijn. Daarom

zouden zij het allereerst, om zijn goud te vinden, het voetstuk van

het standbeeld openbreken. Maar als zij dat gedaan hadden, werd de

gewelfde gang, die naar de stad leidt, voor iedereen ontoegankelijk,

behalve voor de visschen, want het standbeeld is zóó ingericht, dat als

het beschadigd wordt, zich vanzelf een sluis opent, en de eenige weg

naar Alva's schat door het water van de gracht wordt overstroomd. En al

ontdekten zij daarna ook de bergplaats van het goud, dan zou het zeker

nog een maand duren, eer zij het konden bemachtigen, daarvoor zou men

het bastion van den Hertog in de lucht moeten laten vliegen. In die

maand zou het oproer zeker reeds gedempt en de schat beveiligd zijn."

"Maar de sleutels?" fluistert Guy ongeduldig, want het steeds luider

wordend rumoer van de menigte buiten, waarschuwt hem, dat de tijd

kostbaar is.

"Ik heb hier,--maak mijn wambuis los en snijd de voering open,"

fluistert Paciotto, "want mijn handen zijn vastgebonden,--teekeningen

van elk der drie sleutels met hun nommer, waarnaar gij ze

kunt laten maken, en bovendien een beschrijving van de manier,

waarop zij gebruikt moeten worden; eveneens een teekening van de

onderaardsche gang, die naar den schat van den Hertog voert. Wreek

mij op hem. Gij wilt het beproeven, ik zie het aan uw gelaat,--als

gij slaagt, zal het een merkwaardige verrassing voor Alva zijn. Wat

zal hij aangaan, als hij in zijn leege schatkamer zijn roofgeld

niet meer vindt! De geheele tiende penning verdwenen, waarvoor hij

de gunst van zijn koning op het spel heeft gezet, waarvoor hij de

Nederlanden al die jaren heeft onderdrukt. Geen goud voor Alva--geen

goud--ho! ho!--ha! ha!--hi! hi!" en hij barst uit in een afschuwelijk

wanhopig gelach,--zijn laatsten lach op aarde.

Juist op het oogenblik, dat Guy een klein pakje van hem aanneemt,

zorgvuldig in perkament gewikkeld, wordt de deur opengeworpen en

komen Treslong, De Rijk en eenige andere Geuzen het vertrek binnen.

"Het is tijd!" roept de admiraal.

"En gij kent dus geen genade?" zegt de Italiaan.

"Niet, als het een gunsteling van Alva betreft. Wij behandelen u met

dezelfde genade, die uw meester ons heeft betoond."

En zij grijpen hem aan en sleepen hem naar buiten, terwijl hij

wanhopend uitroept: "Gun mij den dood van een edelman,--niet de galg,

maar het zwaard. Ik ben evengoed edelman als Egmont en Hoorne,--ik

wil sterven door het zwaard, waarop een edelman recht heeft."

Maar het noemen van de namen van Egmont en Hoorne heeft juist een

verkeerde uitwerking; het vermeerdert nog de woede tegen Paciotto en

men duwt hem naar buiten op het plein voor het stadhuis. Daar staat

de ladder tegen de galg, waaraan reeds de twee officieren, die hem

vergezelden, bengelen; hij werpt wanhopige blikken op Chester en

mompelt: "Vergeet niet mij te wreken."

En zoo beklimt Paciotto, de bekwame ingenieur, onder het gelach van de

spottende bende Watergeuzen, de ladder, met het kruis aan zijn lippen,

en al hangt men hem op als een hond, toch sterft hij als een edelman

en een goed Katholiek.

Doch Guy heeft nauwelijks oogen voor den doodsstrijd van den

ongelukkige. Hij ziet enkel Alva's schatten, alles wat de Hertog

aan belastingen den Nederlanders heeft afgekneveld,--de onmetelijke

rijkdommen van den vader, die hij wil veroveren als bruidsschat van

de dochter.

Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572 · 第 37 / 73 题