HET DRINKGELAG IN HET GESCHILDERDE HUIS.

Deze vraag schijnt den schilder te doen ontstellen. Hij herhaalt

weifelend: "Hoe?" en zegt dan: "Laat mij even nadenken. Ik ken de

gebruiken van dit land," en hij overlegt in zichzelven met gefronste

wenkbrauwen.

Na een oogenblik peinzens roept hij uit: "Ik heb het probleem

opgelost."

"Hoe?" vraagt de Engelschman levendig.

"Hoe? Wel, het is het gebruik bij deze drinkgelagen, dat, als het

feest zijn toppunt heeft bereikt, verschillende vrienden der deelnemers

hun, ter eere van Bacchus, groote drinkbekers vol fijnen wijn met hun

complimenten zenden. Vasco de Guerra is een aanbidder van mademoiselle

Bodé Volckers, de schoone Mina, die ik bemin. Dat zal zijn ondergang

zijn. Na het tiende rondje,--het zou niet voorzichtig zijn, het

eerder te doen, misschien was het in dit geval beter, te wachten tot

na het vijftiende,--zal ik hem een beker wijn zenden met _dit_ er in,

het vergift van de Antillen," hier klopt hij op het fleschje, dat de

Engelschman hem gegeven heeft, "met de complimenten van Wilhelmina Bodé

Volckers. De Guerra zal een beker, vergezeld van zulk een boodschap,

niet weigeren, en daarna--daarna--zouden gij en ik," hij fluistert

het laatste, "mijn beste Guido,--in ieder rustig, gelukkig, vredig

land moordenaars worden genoemd; maar bij het spel, dat wij spelen,

gaat het eenvoudig op leven of dood. En nu tot de zaak."

Het tweetal werkt zijn plan verder uit met de koele berekening van

menschen, die, als zij eenmaal tot een besluit zijn gekomen, hun

voornemen ook onmiddellijk ten uitvoer leggen.

"Het drinkgelag begint om twaalf uur. Het is nu tien uur. Ik denk

niet, dat De Guerra reeds is opgestaan," zegt Guy, "maar ik zal op

hem letten en er voor zorgen, dat hij de herberg niet verlaat, om ons

geheim aan iemand anders mee te deelen. Als hij van plan schijnt dit

te doen, zal ik hem op de een of andere wijze zien op te houden; in

dien tijd kunt gij naar de Citadel gaan, om Dona Hermoine te spreken

en een ontmoeting mogelijk te maken, die niet alleen noodig is voor

mijn veiligheid, maar ook voor mijn liefde."

Chester steekt nu de brieven van Vitelli en den sleutel, dien de

schilder hem heeft verschaft, bij zich en bergt met nog meer zorg

het miniatuur-portret en den brief van zijn beminde op zijn borst,

terwijl Antony Oliver zich wapent met zwaard en pistolen en er zich

van vergewist, dat het scherpe Italiaansche stilet, dat hem nooit

verlaat, in het bereik van zijn hand is.

Als zij hiermee gereed zijn, gaan zij samen uit, en Oliver zegt

den barbier, dat zijn zoontjes, als zij thuis komen, hun maaltijd

alleen kunnen gebruiken, maar dat Achille hen in den namiddag in

_Het Geschilderde Huis_ moet opzoeken. Vervolgens begeven zij zich

door nauwe stegen, waar de zon eerst op dit uur doordringt, naar het

ruimere, het schoonere gedeelte van de stad.

Hier neemt de schilder afscheid van den Engelschman, fluisterend:

"Verlies Vasco niet uit het oog."

"En gij bezorgt mijn boodschap?" antwoordt de Engelschman.

"Zeker. Ik heb een goed voorwendsel voor mijn onderhoud met Dona

Hermoine. Haar vader verlaat Brussel hedennamiddag. Alva kan niet

hier zijn vóór vanavond laat en wilde, dat ik dit zijn dochter zou

doen weten," antwoordt Oliver, den weg naar de Esplanade inslaande,

waarachter de Citadel ligt.

Chester begeeft zich opnieuw naar _Het Geschilderde Huis_, dat nu

het tooneel is van veel leven en beweging.

De gelagkamer is zóó vol, dat hij nauwelijks een plaatsje kan

veroveren, om zijn ontbijt te bestellen, daar zijn honger op dit

oogenblik de overhand heeft over zijn liefde.

Het gelukt hem op handige wijze, van den knecht, die hem bedient, te

weten te komen, dat de man, dien hij zoekt, eerst om drie uur in den

morgen naar bed gegaan en nog niet opgestaan is, zeker in de meening,

dat afzondering en rust hem het best kunnen sterken voor den ernstigen

strijd, die hem wacht.

Het gesprek aan de tafeltjes rondom hem loopt natuurlijk over het

aanstaande drinkgelag. De kamer is vol burgers en artisten, eenigen

zijn gekomen om te genieten van den triomf van den schilder, anderen

om zich te bedroeven over den man, die zijn talent te gronde laat

gaan in den wijn. Er zijn ook een aantal van zijn schuldeischers,

met angst in hun hart en op hun lippen, want Frans Floris' leven

vertegenwoordigt voor hen een groote som, daar zijn schilderstukken

altijd vlug van de hand gaan; Frans Floris' dood daarentegen zou hun

groote schade berokkenen, en zij vreezen, dat hij zich te eeniger tijd

zal dooden door de enorme hoeveelheid wijn, die hij naar binnen slaat,

om zijn mededingers onder de tafel te werken.

"Ach, mijnheer Dirk Coornhert, wat een treurige dag," merkt een dikke

burger op, wiens kleeren nog een moutlucht verspreiden, wat hem als

een brouwer doet kennen.

"Ja," antwoordt een ander, blijkbaar iemand van artistieken smaak

en opvoeding. "Hebt ge het gedicht gelezen, dat ik heb uitgegeven,

om Floris te waarschuwen voor het gevaar, dat zijn ongeregelde

levenswijze na zich sleept, niet alleen voor zijn talent, maar ook

voor zijn leven? Ik heb het hem gisteravond voorgelezen. Het was

een ingeving, ingekleed als een droom, waarin de geest van Albrecht

Dürer mij verscheen en op een zwaarmoedigen, somberen toon sprak

over de droefheid, die zich zelfs nu nog, nadat hij reeds honderd

jaar in de andere wereld was geweest, van hem had meester gemaakt,

omdat een artist, zoo begaafd als Floris, een dronkaard was geworden."

"En heeft het hem bekeerd?" spot de ander.

"Hem bekeeren!" roept Dirk Coornhert uit. "Neen, hij zwoer, vandaag

te zullen drinken op de gezondheid van Albrecht Dürer's geest en

hij lachte mij in mijn gezicht uit: 'Als ik dronken ben, dan ben ik

gelukkig, dan vergeet ik mijn schuldeischers. Als ik nuchter ben,

zorgen mijn schuldeischers er wel voor, dat ik hen niet vergeet.'"

"Vervloekt! En ik ben er ook een," bromt de brouwer. "Twee duizend

Carolus-guldens voor bier, in zijn huis verteerd. Een schilder, die

het grootste paleis in Antwerpen bouwt! Boven den ingang heeft die

verwaande lap zichzelf geschilderd; hij houdt het penseel in zijn hand,

en de muzen dalen uit den hemel neer, om hem te kronen. En iederen

dag rijdt hij in staatsie uit met vier witte paarden, terwijl iedereen

den hoed voor hem afneemt, zijn schuldeischers het diepst. Als ik niet

vreesde, dat het volk mij zou vermoorden, zou ik hem laten gijzelen. En

dan zijn vrouw! Lieve hemel! Airs, alsof zij een gravin was."

"Ja, zij heeft hem geruïneerd," mompelt de drukker. "Het is juist

iets voor vrouwelijke eerzucht, om te willen wedijveren met den adel,

wat immers onmogelijk is voor een schilder, ofschoon sommige burgers

zich verbeelden, het wel te kunnen. Daar hebt gij bijvoorbeeld dien

onnoozelen Bodé Volckers! Hebt gij van zijn dochter gehoord? Men zegt,

dat de schoone Wilhelmina er naar streeft, met den adel te verkeeren,

en dansles heeft genomen van een Franschen dansmeester, en dat zij

speelt op een klavier en een spinet en zingt met trillers en hooge

gillende tonen als zoo'n Italiaansche gemaskerde. Ja, de tijden

veranderen hier in Antwerpen. Wat zou haar goede moeder daar wel van

zeggen? Ook de oude Niklaas is er alles behalve over gesticht en hij

zweert, dat zijn dochter achter de toonbank zal staan en zijn zijde

en satijn zal verkoopen, zooals haar moeder deed, ofschoon men hem

op meer dan een millioen kronen taxeert."

"Alle duivels!" valt de brouwer uit, "wat beteekent een millioen of

zelfs twee millioen kronen in dezen tijd--het is enkel maar zooveel

meer voor dien vervloekten tienden penning!"

"Ja, God sta ons bij," stemt de drukker toe. "De tiende penning zal

alles verslinden, wat wij nog bezitten."

En de brouwer schudt treurig het hoofd over zijn kroes zwaar Vlaamsch

bier en de drukker slurpt zijn Rijnwijn zwijgend, want Alva heeft juist

zijn beruchten tienden penning geheven, een belasting, die bepaalt,

dat men bij elken omzet van koopwaren in de Nederlanden een tiende

van het bedrag zal afstaan aan de koninklijke schatkist, telkenmale

dat een handelsartikel wordt gekocht of verkocht. Dit beteekent

natuurlijk bij een levendigen handel binnen korten tijd algeheele

inbeslagneming en volslagen ruïne voor den grooten handelsstand in

Brabant, Vlaanderen en Holland.

Deze tiende penning is niet juist geschikt, om bij het volk genegenheid

te wekken voor de blufferige Italiaansche en Spaansche officieren

van het garnizoen, die met kletterende sporen en rinkelende zwaarden

rondslenteren, er bitter weinig om gevende of zij de burgers op

de teenen trappen, en hun trotsch opgestreken knevels bij iedere

gelegenheid in bekers Spaanschen wijn steken, terwijl de waard en zijn

helpers hen met de grootste onderscheiding en nederigheid bedienen;

want geheel Antwerpen wringt zich en kreunt, maar laat zich toch nog

vertrappen onder den ijzeren voet van de Spanjaarden,--edelman zoowel

als boer, koopman zoowel als visscher.

Onder deze militaire bluffers treedt niemand overmoediger op dan de

vaandrig De Busaco. Als hij Guy ziet, komt het krijgshaftige fatje

op hem af, en den Engelschman kameraadschappelijk op den schouder

kloppend, roept hij uit: "Op wien wedt gij, capitan Guido? Ik wed op

de Drinkebroers van Brussel."

"Dat is niet heel ridderlijk," zegt Guy, "zes drinkebroers tegen

één. Maar ga zitten en denk aan uw belofte van gisteravond, om een

beker met mij te drinken."

"Gracios, senor capitan," antwoordt de jonge officier, en weldra

zitten hij en Guy te babbelen bij het druivensap.

"Gij zijt zeker uit Middelburg gekomen," merkt de Spanjaard op, "voor

de achterstallige soldij. Wij hebben in maanden geen stuiver gezien

en ik veronderstel, dat het u niet beter gaat. Maar de tiende penning,

mijn jongen, zal de kas van den betaalmeester voor ons openen. En als

hij het niet doet,"--hij kijkt woest in het rond,--"zijn wij van plan,

ons zelf recht te verschaffen. Dit is een rijke stad, nietwaar? Hier

is buit te vinden, schatten van de Indiën en Peru slechts voor het

grijpen! Op een goeden dag zullen wij de burgers wel klein krijgen

en hun goederen en huizen en vrouwen en dochters een paar dagen voor

hen in bewaring nemen! Buit en schoonheid!"

"God zij hun genadig," denkt Guy, terwijl hij zijn oogen in het rond

laat gaan en als het ware een visioen krijgt van die afgrijselijke

"Spaansche furie", die een paar jaar later in Antwerpen zal

uitbreken. Hij geeft echter een andere wending aan het gesprek,

zeggende: "Natuurlijk hebben ook wij geen soldij ontvangen, maar ik

heb nog een paar goudstukken in mijn zak!" en hij roept: "Jongen,

nog een kan wijn!"

Het gesprek loopt nu verder over het drinkgelag, en de Spanjaard

vertelt den Engelschman, dat, hoewel Floris bekendstaat voor den

grootsten drinkebroer van de wereld, men toch algemeen gelooft,

dat "de Zes Drinkebroers van Brussel" een list hebben bedacht om

hem te verslaan, tenminste, zoo wordt er gefluisterd, en dat, als

capitan Guido geld heeft om te wedden, hij het niet op den schilder

moet zetten.

"Zij zullen winnen, mijn jongen," lacht de vaandrig. "Ik heb zelf

gezien, dat de kleine Tomasito achttien kannen wijn dronk en geen spier

vertrok. Stel u nu eens voor, wat hij zal doen, als zijn dorst wordt

geprikkeld door het prachtig feestmaal, dat hier wordt gegeven," hij

wijst in de richting van de groote bruiloftszaal achter de gelagkamer,

"en in het vooruitzicht van een winst van vijfhonderd gulden,

behalve het geld dat de weddenschappen hem opbrengen. Buitendien is

De Guerra de laatste dagen recht in zijn nopjes en hij lacht nooit,

dan wanneer hij de guldens maar voor het grijpen heeft. Maar ik

denk, dat ik een weddenschap zal kunnen winnen van Valdez van ons

regiment. Hij heeft Floris zien drinken en zweert, dat geen man op

aarde hem evenaart. Excuseer mij daarom een oogenblik," en vaandrig De

Busaco staat op en begeeft zich naar een troepje Spaansche officieren

aan het andere einde van de kamer, zeer tot genoegen van Guy, want hij

heeft den schilder Antony Oliver in het oog gekregen, die hem zoekt.

Zoodra de Spanjaard ver genoeg weg is, wenkt Guy den Vlaamschen artist,

die bij hem komt en fluistert: "Ik heb uw boodschap gedaan."

"Zij komt natuurlijk?"

"Ja, maar het heeft mij veel moeite gekost. Zij was eerst zoo

ongenaakbaar als een rots, en vroeg mij, hoe ik zulk een vermetele

boodschap durfde overbrengen."

"En toen?" vraagt Guy ongeduldig.

"Toen gaf ik haar den ring en zeide haar, dat het voor uw veiligheid

noodig was, dat zij tot u kwam, daar gij u in gevaar hadt gebracht

om harentwille, want dat gij u nu zonder verlof hier bevondt."

"En vervolgens?"

"Toen zeide zij op onverschilligen toon: 'Ik zal vandaag om drie uur

bij den burger Bodé Volckers komen. Mijn duena, de gravin De Pariza,

heeft reeds haar wensch te kennen gegeven, om de dochter van den

koopman nog eens te zien dansen.'"

"Niets anders?" vraagt Guy teleurgesteld.

"O ja, zij merkte ook nog terloops op, dat haar duena waarschijnlijk

eenigen tijd zou besteden, zooals zij gewoonlijk deed, met de kanten en

de zijden en fluweelen stoffen in het magazijn van den burgemeester te

bekijken en zich te vermaken met de talenten van de bevallige senorita

Wilhelmina. 'Gij zult er toch zeker ook zijn, senor Oliver?' lachte

zij, 'en de heer misschien ook, wiens afgezant gij zijt. Hebt gij

mijns vaders dienst verlaten voor dien van capitan Guido?'" Hierop,

zegt Oliver met een glimlach, had ik de stoutmoedigheid te antwoorden:

"Misschien blijf ik dan toch in de familie," en verliet ik haar,

zoo rood als de robijn, dien zij in de hand hield.

Ook Chester bloost bij deze woorden van vreugde, en hij vindt de kamer,

die hem bij de eerste woorden van den schilder duister en somber had

toegeschenen, nu zeer zonnig en vroolijk.

En het wordt nog lichter om hem heen als Oliver vervolgt: "Ik zag

Hermoine de Alva nog nooit blozen bij het hooren uitspreken van den

naam van een man. En ik betwijfel het zeer, stoutmoedige jonge man,

of er iemand op de wereld is, wien zij een samenkomst zou toestaan,

behalve haar eigen vader. Maar ik zou u raden, met drinken uit te

scheiden," valt hij zichzelf in de rede, "of men zal u nog houden voor

een van 'de Zes Drinkebroers van Brussel', en wij hebben gewichtiger

dingen te doen dan aan een drinkgelag deel te nemen. Kom, daar gaan

zij naar binnen, ik zie mijn vijand, die mijn lot in zijn handen

heeft." En hij kijkt met een angstigen blik naar het eind van de

kamer, waar Vasco staat, omringd door zijn vijf kornuiten, die allen

het wapen van Brussel op hun wambuis dragen.

Als de Guerra's oogen die van Oliver ontmoeten, flikkert er een

glimlach van wreeden triomf in, en met een vlugge, misschien onbewuste

beweging, steekt hij de hand in zijn boezem, als om er zich van te

verzekeren, dat hij zeker kostbaar voorwerp nog bij zich heeft.

"Ziet gij die beweging?" fluistert Guy tot Antony. "Die brieven

zullen uw verderf worden als gij ze niet nog heden in uw bezit weet

te krijgen!"

"Dat zal ik," zegt de schilder op vasten toon, ofschoon zijn hand

licht beeft, als hij van zijn kant er zich van overtuigt, dat het

vergift der Antillen nog in zijn bezit is.

En nu mengt het tweetal zich onder de menigte, die in de groote,

geschilderde zaal stroomt, waarin de voorname bruiloften van Antwerpen

worden gevierd. Deze is nu gereserveerd voor het feestmaal, dat gegeven

wordt, om het drinkvermogen van het Antwerpensch talent te vergelijken

met dat van het Brusselsch clubje tot bevordering van matigheid, dat

zijn doel bereikt, door zelf al den wijn van de wereld op te drinken.

Een oogenblik later klinkt luide de kreet: "Hij is gekomen!" en

de menigte stroomt uit de eetzaal naar de voordeur, om De Vriendt,

den schilder, te zien, gezeten op zijn wit paard en gevolgd door zes

zijner leerlingen.

Zoo komen Guy en Oliver gemakkelijk in de feestzaal, een hoog vertrek

met fraaie, gesneden balustrades en balkon, de muren gedecoreerd

met schilderstukken en fresco's, waarvan sommige door den aan het

drinkgelag deelnemenden kunstenaar zelf geschilderd zijn.

In het midden staat een groote eikenhouten tafel, met stoelen voor

zeven personen; de tafel is overladen met allerlei eetwaren, om

den dorst op te wekken,--zoute visch, kaviaar, vleesch, in olie

gedoopt,--alles zoo keurig mogelijk versierd en opgezet; met een

menigte bloemen en een krans van rozen voor den overwinnaar. Het geheel

is een afschuwelijk mengelmoes van kunst, middeneeuwsche pracht en

barbaarsche losbandigheid.

Zes stoelen om de tafel worden ingenomen door "de Drinkebroers van

Brussel". Vasco de Guerra zit aan het benedeneind als de aanvoerder

dezer drinkersbende. Ieder heeft vóór zich staan een kolossalen

zilveren Frankforter beker, die een hoeveelheid wijn inhoudt,

zóó groot, dat een matigheidsgenootschap er stuiptrekkingen van

gerechtvaardigde verontwaardiging van zou krijgen.

De stoel aan het hoofd van de tafel is opengelaten voor den man,

die alleen strijdt tegen de zes anderen; de glorie van Antwerpen;

het groote genie, dat bezig is zijn talent te vermoorden; den grooten

slemper, die voor de eer van zijn stad en voor een weddenschap van

vijfhonderd gulden, op het punt staat, de zes andere nathalzen onder

de tafel te drinken; terwijl rondom dien feestdisch, gewijd aan de

gulzigheid en aan Bacchus, een bonte mengeling staat van mannelijke

ingezetenen der stad, van den Spaanschen generaal Vargas tot den

vaandrig De Busaco; van den welgedanen vorstelijken koopman tot den

gespierden en vleezigen vertegenwoordiger van het slagersgilde;--ja

zelfs ziet men er den kleinen Achille Touraine, die tusschen de

beenen van de omstanders doorkruipt, om bij zijn meester te komen,

terwijl hij zich menigen stoot en duw moet laten welgevallen van de

fatterige officieren, wier uniformen hij in wanorde brengt.

"Daar ben ik, zooals gij hebt bevolen, monsieur Oliver," roept

hij. "Dat wil zeggen, een gedeelte van mij--een van de officieren heeft

mij met zijn sporen een aderlating bezorgd, zooals vader zijn patiënten

doet ondergaan, en mijn gezicht is met krabben bedekt, als dat van de

klanten, die door hem geschoren worden. Maar ik--ik kon niet eerder

komen, Marvédie en ik waren niet eerder klaar met onze duivenpastei."

Hier wordt de stem van den jongen overstemd door het gejuich,

dat de komst van den schilder begroet. Als De Vriendt binnenstapt,

zijn bleek Vlaamsch gelaat en zachte blauwe oogen verhelderd door een

vriendelijken glimlach, roept hij, zijn hoed ter begroeting zwaaiend:

"Welkom, broeders slampampers van Brussel!" en neemt plaats aan het

hoofd van de tafel.

Dit wordt beantwoord door den kleinen, vriendelijken Tomasito, die

zegt: "Gegroet, broeder-zwijn van Antwerpen." Een middeleeuwsche

geestigheid, die de menigte doet brullen van het lachen, ofschoon

Floris het pijnlijke van de vernedering gevoelt en rood wordt--doch

slechts voor een oogenblik.

Op het volgende heeft hij alles vergeten, behalve het genot, dat

de wijnbeker hem verschaft, want een knecht plaatst vóór hem een

enormen Frankforter beker met den zwaarsten Markobrunner, en zijn

liefde voor het druivensap maakt er hem onverschillig voor, of hij

de achting van zijn vrienden en stadgenooten verspeelt. Opstaande

van zijn stoel, roept hij uit: "Laat ons beginnen, Drinkebroers van

Brussel! De bepalingen van de weddenschap zijn vastgesteld. Ik drink

u allen onder de tafel en laat u daar liggen."

"Dat zijn de bepalingen, senor Floris," antwoordt De Guerra met

een onderdrukten lach en de zes pimpelaars staan op, ieder op zijn

plaats en ieder met een beker in de hand, gevuld tot aan den rand

met denzelfden zwaren wijn, als die in den beker van De Vriendt.

"Nu, daar gaat hij dan!" schreeuwt Floris, en ieder slaat zijn portie

naar binnen, smakkend van genot, waarop de menigte bravo roept.

Maar nauwelijks zijn de kampioenen weer gezeten en hebben zij geproefd

van de kaviaar, de haring of de ansjovis, als de knechts de bekers

ook reeds weer gevuld hebben en Floris uitroept: "Nogmaals!"

Wederom staan zij op en naar binnen vloeit de Rijnwijn; daarna werpen

zij zich weer op de spijzen,--want met dronkenschap gaat gulzigheid

gepaard.

Zoo gaat de slemppartij voort, gadegeslagen door de menigte, op

wier gezichten zeer verschillende gewaarwordingen zijn te lezen. De

opgewondenheid stijgt; maar niemand is opmerkzamer dan Guy Chester en

Antony Oliver, want niemand, zelfs niet de grootste dobbelaar van de

stad, heeft zooveel gezet op dezen reuzenstrijd aan het altaar van

Bacchus, als dit tweetal.

Intusschen groeit de menigte aan, en honden sluipen snuffelend

naar binnen,--zij hebben het feest geroken en loeren op beentjes

en kruimels,--en men onderscheidt zelfs kleederen van vrouwen op de

groote galerij, die bij bruiloften wordt ingenomen door de muzikanten;

en vrienden zenden bekers wijn met hun complimenten en goede wenschen

aan de verschillende deelnemers.

Dezen drinken echter telkens allen tegelijk en op hetzelfde

oogenblik--ofschoon nu en dan het merk van den wijn wordt veranderd om

den lust tot drinken op te wekken. Rothenberger heeft den Markobrunner

gevolgd en maakt op zijn beurt plaats voor Hochheimer.

Het is het tiende rondje. De inhoud uit zeven enorme zilveren bokalen,

de zwaarste Rijnwijn, stroomt juist over de lippen en door de kelen

van de dronkaards.

"Bij de vijftiende bokaal," fluistert Oliver.

"Waarom nu niet?" zegt Guy vlak aan zijn oor.

"Neen, het zou niet voorzichtig zijn vóór de vijftiende," antwoordt

de schilder. "Niemand zou gelooven, dat tien bekers het hem zouden

kunnen doen."

Een paar minuten, en het twaalfde rondje is voorbij, en nu wankelt

een der drinkebroers, de kleine uitgedroogde Italiaan Guiseppe Pisa,

als hij tracht op te staan en zakt heel zachtjes onder de tafel.

"Doe het nu," fluistert Guy.

"Ik durf niet--nog niet," antwoordt Oliver.

Het dertiende rondje is gedronken onder gelach en gespot, en als De

Guerra zijn beker aan de lippen zet, wordt Oliver's gelaat krijtwit

en dat van Guy eveneens, want tot hun schrik zien zij, dat de man,

dien zij van plan waren te vergiftigen bij het vijftiende rondje,

nu reeds wankelt en bewusteloos onder de tafel valt.

"Te laat! Mijn God, hij is mij ontsnapt," stamelt Antony.

"Wij kunnen hem de brieven toch nog ontnemen, als het drinkgelag uit

is," fluistert Guy, die zich het eerst herstelt.

"Ja, maar dat is slechts uitstel van mijn ondergang. Vasco's

achterdocht is gaande gemaakt,--de pijnbank wacht mij. Ik zal moeten

vluchten. Ik zal aan de taak, die ik mij had opgelegd, niet langer

kunnen arbeiden." Dit laatste komt nauwelijks hoorbaar van zijn

witte lippen.

Maar daar stijgen alweder juichkreten op uit de omringende menigte;

bij het veertiende rondje vallen twee van de overblijvende Drinkebroers

van Brussel neer. Nu blijven er nog slechts twee over, om het met

den schilder uit te vechten, maar deze twee zijn taai. De Vriendt

glimlacht triomfantelijk; zijn Vlaamsch gelaat, ofschoon rood en

opgezet, heeft nu een spottende uitdrukking, hij staat echter niet

zoo heel vast meer op zijn beenen.

Weer vier rondjes, de vijfde der Drinkebroers zoekt zijn kameraden

onder de tafel op. Nu komt alleen de kleine Tomasito nog op voor de

dukaten, die zijn vrienden op het zestal gewed hebben en voor de eer

van de hoofdstad. Guy,--die het hoofd heeft afgewend en enkel op de

gelegenheid wacht, om bij het einde van het drinkgelag De Guerra van

zijn papieren te berooven, daar hij er weinig om geeft wie het zal

winnen,--voelt zich plotseling aan de mouw trekken en ziet, omkijkend,

het ontdane gezicht van Antony met uitpuilende oogen.

"Hij komt weer bij!" fluistert deze.

"Wie?"

"Vasco! Kijk! Hij staat alweer op zijn beenen. Hij wil de weddenschap

winnen. Het is een streek, een gemeene streek van hem, om zoodoende

eenige bekers bij Floris ten achteren te komen."

Dat is ook het gevoelen van Floris' vrienden; en als De Guerra nog

wankelend uitroept: "Een nieuwen beker wijn voor de Drinkebroers van

Brussel," komen zij tusschenbeiden en protesteeren op heftigen toon.

Maar De Vriendt zegt: "Laat hem maar begaan, ik geef hem vijf bekers

voor en speel het toch wel met hem klaar."

Men zal tot een nieuw rondje overgaan, maar nog vóór het gedronken

wordt, ploft de kleine Tomasito neer, alsof hij door een kanonskogel

was getroffen; De Guerra en Floris blijven nu alleen als kampioenen

over en kijken elkander uitdagend aan, de een met den kalmen glimlach

van den Vlaming, de ander schuimbekkend van woede als een echte

Spanjaard, die, als hij opgewonden raakt, woest hartstochtelijk

wordt,--woest hartstochtelijk in den oorlog en bij het spel.

Ieder giet zijn beker naar binnen en Floris begint te wankelen.

"Nu is het uw laatste kans," fluistert Guy.

Een bediende roepend, zegt Antony: "Een beker van uw zwaarsten

Rijnwijn, maar spoedig."

Terwijl De Vriendt en de Spanjaard zich weer versterken voor het

volgende rondje, de een door wat kaviaar te verslinden en de ander

door met gezouten vischlever zijn maag te prikkelen, is het oogenblik

om te handelen voor Oliver eindelijk gekomen.

Als de knecht den wijn uit de flesch in den beker heeft gegoten,

gaat hij heen en een oogenblik later ontzegelt de gehaaste schilder,

die bijzonder handig geworden is door het dagelijksch omgaan met

zijn fijne penseelen, vlug het kleine fleschje en giet onopgemerkt

een gedeelte van het sterke vergift in den beker.

"Geef hem vooral genoeg," fluistert Guy, die voor zijn vriend is

gaan staan, om hem tot scherm te dienen, ofschoon het gedrang zoo

groot is en de opgewondenheid zulk een hoogte heeft bereikt,--daar er

weddenschappen twee tegen één op den Spanjaard worden gedaan,--dat het

niet eens zou zijn opgemerkt, al hadden zij die voorzorgsmaatregelen

niet genomen.

Bij deze aansporing giet Oliver een dubbele dosis in den beker. Daarop

reikt hij hem aan Achille over, die zijn tijd nuttig heeft besteed met

het eten van sinaasappelen, welke door de onvaste en bevende handen

der zwelgers van de tafel zijn geworpen, en fluistert: "Breng dit

aan den Spanjaard Vasco de Guerra."

"Ja."

"Vergis je niet! De man met den zwarten knevel met die eene grijze

vlok er in!"

"Ja wel, de donkere. Ik ben geen kind!"

"Geef het hem met de complimenten en de goede wenschen van mademoiselle

Wilhelmina Bodé Volckers. Rep je!"

Als de twee kampvechters weer uitdagend tegenover elkander staan voor

een nieuw rondje, de Spanjaard steviger op zijn voeten dan de andere,

want zijn tactiek heeft hem een groot voordeel verschaft, gaat Achille

naar hem toe, overhandigt hem den beker, door de hand van zijn vijand

voor hem toebereid, en fluistert een woord in zijn oor, dat een blos

van verrukking over zijn rood dronkemansgezicht verspreidt.

Den beker, dien hij in de hand houdt, op zijde zettend, roept Vasco

de Guerra uit: "Dit is oude roode Rijnwijn; ik drink dien, mijn

knikkebeenende Floris, op het mooiste jonge meisje van Antwerpen!"

En den beker aan zijn mond brengend, slaat hij den inhoud in een

lange teug naar binnen. En als hij vervolgens naar zijn mededinger

kijkt, komt er een triomfantelijke uitdrukking in zijn oogen, want

de schilder kan, als hij zijn beker heeft geledigd, nauwelijks meer

op zijn beenen staan.

"Vervl ...," fluistert Oliver. "Het vergift werkt niet."

"Wacht maar," antwoordt Guy.

Zij zijn te angstig om verder een woord te spreken, en in ademlooze

spanning staren zij naar de twee drinkebroers, die in hun stoel zijn

neergezonken en de voor hen staande eetwaren opnieuw aanspreken.

Al etende glimlacht de Spanjaard over den schilder, die zijn handen

nauwelijks meer tot zijn beschikking heeft.

Maar hun bekers worden weer gevuld en het tweetal staat opnieuw op,

Floris moet zich met de hand aan de tafel vastgrijpen, daar zijn

voeten alleen hem niet in evenwicht kunnen houden.

"Drink!" zegt De Guerra, en de schilder werkt met moeite zijn portie

naar binnen, terwijl de ander flink rechtop staat en hem bespot.

"Let nu op, hoe ik het doe!" en Vasco neemt vlug, bedaard en

zegevierend zijn beker op, onder het gejuich van diegenen der

omstanders, die op hem gewed hebben.

Doch op hetzelfde oogenblik, dat hij den beker aan zijn lippen wil

brengen, komt er op zijn gelaat een uitdrukking van verbijstering,

zijn hand zakt slap langs zijn lichaam neer, en de beker valt rinkelend

op den grond; dan grijpt hij met beide handen naar zijn keel, alsof

hij geen adem kan krijgen en ploft als een blok hout neer op de

lichamen zijner kameraden, die daar in dronkemansverdooving liggen,

terwijl een triomfkreet wordt aangeheven door hen, die het op Floris

hebben gehouden.

Een oogenblik later gaat De Vriendt, waggelend, strompelend,

zwaaiend, ondersteund door zijn vrienden, naar buiten in de frissche

lucht, die hem nieuwe krachten geeft. Bijgestaan door zijn zes

leerlingen, die hem naar huis en te bed willen brengen, roept hij

uit: "Hallo! nog een beker wijn, zwaren Rijnwijn, waard van _Het

Geschilderde Huis_!" en zijn voet in den stijgbeugel zettend, slaat

hij nogmaals een groote hoeveelheid wijn naar binnen als plengoffer

voor de verslagenen. Vervolgens rijdt hij, heen en weer slingerend,

naar zijn paleis in de naar hem genoemde straat, omringd door zijn

overgelukkige schuldeischers, die zich troosten met de gedachte,

dat zoolang Floris in leven blijft, hij nog schilderijen kan maken,

en dan ook wel eenige zijner schulden zal afbetalen.

De menigte, die thans naar buiten stroomt, schenkt weinig aandacht

meer aan "de Zes Drinkebroers van Brussel", behalve misschien een

enkele, die den schijnbaren lijken, die hem zijn geld hebben gekost,

een paar schoppen geeft.

Zoodra hij viel, hebben Guy en Oliver echter De Guerra, die zwaar

ademt, opgenomen en hem naar de aangrenzende kamer gedragen.

Hier maakt de schilder haastig het wambuis van den Spanjaard open, en

er zijn hand instekend, voelt hij tusschen de voering een klein pakje.

Als hij er dat uit heeft losgetornd, fluistert hij, terwijl hij het

bekijkt: "Goddank! De zes brieven van Lodewijk van Nassau!"

Een oogenblik later legt Guy zijn hand op de borst van hun slachtoffer

en prevelt: "De spion is dood!" En de Vlaming haalt verruimd adem,--een

van de vele gevaren, die hem bedreigen, is tenminste door den dood

van De Guerra afgewend.

De kleur is op zijn aangezicht teruggekeerd en hij lacht: "Uw komst

ter rechter tijd en de duivenpastei hebben mij gered,--tenminste voor

een korte poos, mijn vriend, mijn Guido!"

Het tweetal begeeft zich naar buiten, en als zij op straat zijn

gekomen, neemt Oliver's gelaat opnieuw een ernstige uitdrukking aan

en hij fluistert: "Alva! Hier, vóór den bepaalden tijd! Hij zou eerst

vanavond komen. Wat heeft hem zoo onverwachts van Brussel hierheen

gebracht?"

Want een cavalcade nadert met groote praal; dertig ruiters in stalen

wapenrustingen met lange lansen, waaraan het vaantje van Vargas

wappert. Op een sterk Andalusisch paard rijdt aan het hoofd een lange,

magere man in een compleete, blinkende, met goud versierde Milaneesche

wapenrusting. Hij draagt over den ringkraag om zijn hals de keten van

het Gulden Vlies, waaraan het Lam Gods hangt, het insigne van die

orde. Dit is gedeeltelijk bedekt door zijn langen, oorspronkelijk

zwarten, doch nu zilveren baard, die in twee eigenaardig gevormde

punten op zijn borst neerhangt; ook zijn kortgeknipt hoofdhaar

is grijs, evenals zijn knevel, die de opmerkelijke lippen bedekt;

de bovenlip is dun en duidt wilskracht en vastberadenheid aan, de

onderlip is zinnelijk, maar toch ook energiek; zijn voorhoofd is

hoog, bleek, blauwgeaderd en buitengewoon intelligent, men herkent

er den militairen mathematicus aan; zijn arendsneus is klassiek,

forsch besneden, zuiver en onbeweeglijk; zijn wangen zijn vaalbleek

en aschkleurig,--het geheel vormt een gezicht, koud als de dood,

waarin twee doorborende, onverschrokken oogen gloeien, slangenoogen;

en toch gelijkt het nu en dan door de eigenaardige uitdrukking, die de

trekken aannemen, zóó sterk op dat van het meisje, hetwelk Guy's hart

den vorigen nacht zoo onstuimig van liefde deed kloppen, dat hij geen

oogenblik twijfelt, of dit is haar vader, en hij fluistert: "Alva!"

De Hertog is in gesprek met Alfonso de Ulloa en Pedro de Paciotto,

zijn grooten vestingbouwkundige, die vlak achter hem rijdt. Allen

zijn met stof bedekt, tengevolge van den haastigen rit.

Terwijl zij voorbij de herberg rijden, kijkt de Onderkoning met zijn

scherpe oogen uit de hoogte op de menigte neer, die hem met den hoed

in de hand nederig groet. Eensklaps houdt hij zijn paard in en roept:

"Oliver! Antonius Oliver!" en de schilder, naar voren tredend, buigt

voor het strijdros van den Hertog.

"Het toeval dient mij, dat ik u zoo spoedig tref. Ga onmiddellijk een

zekeren Vasco de Guerra, ex-kapitein in Ladrono's regiment musketiers,

voor mij opsporen. Zeg hem, dat hij binnen een uur bij mij moet komen,

ik wil hooren, wat hij mij te zeggen heeft. Breng hem maar liever

dadelijk zelf naar de Citadel," beveelt de landvoogd.

"Met verlof,--Uwe Hoogheid," antwoordt Oliver, "de man--de man,

naar wien gij vraagt--"

"Nu, vlug wat. Waarom hakkelt gij zoo?" zegt de Onderkoning, want de

onverwachte vraag naar den man, dien hij heeft vermoord, heeft den

schilder geheel van zijn stuk gebracht, hoe koelbloedig hij anders

ook is.

"Ik wilde zeggen, Uwe Hoogheid, dat deze Vasco de Guerra, die behoort

tot 'de Zes Drinkebroers van Brussel', nu smoordronken in de herberg

ligt, tengevolge van den wedstrijd in het drinken met De Vriendt."

"Wat, met dien in zijn hersens gekrenkten kunstenaar Floris!" zegt

Alva; dan vervolgt hij, op een toon zoo barsch, dat Oliver er

van siddert: "En die dronkaard dacht, dat ik hem zou herstellen

in zijn rang in het leger! Hij wilde mij vandaag een mededeeling

doen,--waarvan de veiligheid van het rijk misschien afhing,--wat

mij vier uur vroeger dan mijn plan was te Antwerpen bracht! Zeg den

provoost-geweldige, dat hij De Guerra terstond in arrest neemt. Ik

wil hem in de gevangenis spreken, als hij ontnuchterd is,--dien zot,

dien dronkaard, dien zuiplap. En toch ben ik benieuwd, wat hij mij

heeft te zeggen.--Voorwaarts, heeren!"

En de Hertog rijdt verder, den schilder bijna even wezen- en ademloos

latende staan, als het lijk in _Het Geschilderde Huis_; want Oliver

weet, dat de dood hem haast even nabij is geweest als zijn slachtoffer,

en hij mompelt, terwijl hij zich weer bij Guy voegt: "Brr! De beul

heeft mij nog nooit zoo dicht op de hielen gezeten, als vandaag!"

Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572 · 第 26 / 73 题