De zon staat reeds hoog aan den hemel, als Guy de oogen opent. De
storm van den vorigen avond is bedaard, en de zon schijnt vroolijk,
als om den spot te drijven met de arme boeren en landlieden in de
naburige polders, die nog altijd in wanhoop verkeeren over hun vee,
dat verdrinkt, en over het water, dat nog altijd niet valt. Chester
kan, onder het kleeden, zich eenigszins een denkbeeld maken van de
aangerichte verwoesting; want zijn kamer ziet uit op de rivier, en
daarin drijven nog steeds doode schapen, koeien en varkens, en zelfs
lijken van menschen.
Doch in de stad schijnt men zich daar weinig om te bekommeren. De storm
heeft uitgewoed en nu maken de schepen zich gereed, om de Schelde af
te zakken naar de Indiën en de Middellandsche zee; de kooplieden hebben
hun waren in veiligheid gebracht; de handel van die dagen, zoo min als
die van heden, laat zich door den strijd van het menschdom ophouden.
Het geraas en rumoer dringt door tot in Guy's kamertje van de
Schoenmarkt en Eierstraten. Al de gilden van Antwerpen zijn heden
druk in de weer en zien er tevreden uit, behalve dat van de slagers;
dezen toch hebben menigen vetten os verloren, die graasde op de
uitgestrekte weiden aan den Kowensteinschen dijk.
Daar het niet vroeg meer is, zijn de gasten, die de belendende
kamertjes in gebruik hadden, reeds vertrokken. Guy, die, op
zeemanswijze, halfgekleed te bed is gegaan, kan zich dus ongestoord
verder aankleeden; alleen naast hem snorkt nog een dronkaard zijn
roes uit.
Vervolgens begeeft hij zich naar het waschhuis van het logement in
de benedenverdieping, waar hij kort proces maakt en voor een stuiver
een ongebruikten handdoek machtig wordt.
Als hij zich heeft gewasschen, gaat Chester uit; hij voelt zich luchtig
en opgewekt, niettegenstaande hem opnieuw het plakkaat onder de oogen
komt, waarin men een prijs voor zijn hoofd uitlooft, en vervolgt
haastig zijn weg door de vuile stegen van het lage gedeelte der
stad naar de Wolstraat. Daar hij zich bij de familie Bodé Volckers
tevergeefs om inlichtingen heeft aangemeld, en hij onderstelt,
dat een herhaald bezoek hem niets verder zal brengen, besluit hij
nogmaals naar den Franschen barbier te gaan, om te beproeven, of hij
van dezen iets naders omtrent zijn huurder kan te weten komen. Want
het is zaak, spoed te maken, daar een langer verblijf in de klauwen
van zijn vijanden hem noodlottig kan worden; hij loopt toch ieder
oogenblik gevaar, herkend te worden, want er houden zich altijd vele
Vlaamsche handelaars uit Zeeland en Holland in de groote koopstad
op, van wie eenigen den "Eerste der Engelschen" misschien van aanzien
kennen en sommigen zeker niet te goed zouden zijn, om voor drie duizend
Carolus-guldens alles ter wereld te verkoopen, zichzelven inbegrepen.
Als hij het huis van Jacques Touraine bereikt, wacht hem daar een
aangename verrassing. De woordenrijke kleine Franschman komt hem reeds
tegemoet en roept uit: "Hij verlangt al naar u, ik heb hem verteld,
dat gij naar hem hebt gevraagd!"
"Hij--wie?" vraagt Guy.
"Wel, de schilder Antony Oliver. Hij is van morgen uit Brussel
gekomen. Hij verlangt even sterk naar u, als gij naar hem."
Maar de laatste woorden gaan verloren voor den Engelschman, die de
twee steile trappen opsnelt naar het bovengedeelte van het huis,
waar zich onder de dakpannen, tusschen de zwaluwnesten, de woonkamer,
die tevens dienst doet als atelier, bevindt van Antonius Oliver, in
de wandeling Antony genoemd, vervaardiger van geographische kaarten,
heraut en bij wijlen tweeden secretaris van Alva, onderkoning der
Nederlanden. Het inkomen van Antony is niet groot, zijn betrekking, al
is het een post van vertrouwen, niet zeer hoog, ofschoon hij daardoor
dikwijls in directe aanraking komt met den grooten Hertog. Want Oliver
heeft er met al zijn vermogen naar gestreefd, het vertrouwen van zijn
meester te winnen.
Hij is geboortig uit Bergen, dicht bij de Fransche grenzen, en heeft
gedeeltelijk Fransch, gedeeltelijk Vlaamsch bloed in de aderen. Op het
oogenblik is hij bezig het stof der reis van zijn gezicht te wasschen;
Chester vindt hem zonder zijn wambuis en met een handdoek in de hand,
als hij, na te hebben aangeklopt, binnentreedt.
"Ah!" roept hij, met een glimlach van vreugde op het gelaat, "ik ben
blij u te zien, mijn vriend, mijn Guido."
"En ik niet minder, dat ik u thuis vind, Antony, mijn jongen,"
antwoordt Guy, hartelijk zijn hand uitstekend. Want enkele weken van
samen doorgestaan gevaar hebben tusschen deze twee mannen een hechten
vriendschapsband geknoopt.
"Ik ben blij u te zien," vervolgt de Vlaming, "en toch ook weer
niet." Dan fluistert hij: "Gij weet van den prijs op uw hoofd?"
"Ja, ik heb het gezien," antwoordt Guy kortweg.
"O, misschien in uw herberg?"
"Neen, in de wachtkamer van de Citadel."
"Mon Dieu! Zijt gij dan gearresteerd en ondervraagd?" brengt de
schilder angstig uit.
"Neen, ik kwam er als cavalier van een hooggeplaatste dame!" lacht
de Engelsche zeeman. "Daarvoor ben ik bevorderd tot kolonel bij
Romero's musketiers!"
"Onmogelijk! Vertel mij uw avontuur!"
"Natuurlijk," zegt Guy, "hangt het samen met de zaak, die mij in
Antwerpen brengt."
"Ja," antwoordt de ander nadenkend, "die zaak moet wel hoogst
belangrijk zijn, dat gij u weer zoo waagt."
"Het is als altijd voor mijn Koningin!" fluistert Guy; "is er niemand
in de buurt?"
"Neen, ik heb mijn leerling, Achille, uitgezonden met een verre
boodschap, daar ik u verwachtte en u alleen wenschte te spreken."
"Welke verre boodschap?"
"Ik zond hem uit om wijn, brood, kaas en vleesch _op crediet_ te
koopen. Achille is een wakkere jongen, en als ik hem het geld had
meegegeven, zou hij in een half uur terug zijn." Vervolgens de deur
grendelend en er een zwaar gordijn vóór schuivende, zegt Oliver:
"Vertel mij nu alles."
"Kunt gij deze brieven ontcijferen, waaraan, naar ik vermoed, het
welzijn, ja zelfs het leven van mijn Koningin hangt?" fluistert de
Engelschman. En terwijl hij het pakje voor den dag haalt, dat hij den
vorigen avond aan het lijk van den verdronken Italiaan heeft ontnomen,
vertelt Guy den schilder zijn zonderling wedervaren. Zijn verhaal wordt
afgebroken door uitroepen van verwondering en levendige belangstelling,
zelfs nu en dan door een luid gelach van zijn Vlaamschen toehoorder.
Als de Engelschman geëindigd heeft, neemt de schilder het woord.
"Ei!" roept hij uit, de documenten nauwkeurig bekijkend, "hebt gij deze
gevonden op het lijk van den secretaris Chiapin Vitelli?" Dan voegt
hij er aan toe: "Ik ben een der weinige personen, die ze zou kunnen
lezen. Zij zijn geschreven in het bijzondere cijferschrift, dat op
het geheime correspondentiebureau van mijn meester, mijn weldoener,
in gebruik is; van hem, die mij mijn jaargeld betaalt, den man, wiens
hand ik kus,--den Hertog van Alva!" Er komt een vreemd licht in zijn
oogen, als hij spreekt van zijn weldoener. "Het is heel gemakkelijk
te ontcijferen, als gij den sleutel hebt, dien ik van buiten heb
geleerd en in mijn hoofd heb--ik durf hem nergens anders bewaren."
"Deel mij dan den inhoud van deze brieven mee!"
"Zeker," zegt de artist. "Gij kunt u intusschen onledig houden met
het bekijken van mijn schetsen."
Haastig begint hij aan zijn werk, terwijl Guy zijn tijd doorbrengt met
het bezien van een aantal studiën in houtskool op doek en paneelen,
blijkbaar het werk van den jongen Vlaming. Aan de eene zijde van
het vertrek bevindt zich een marmeren plaat om verven te wrijven,
waarop een aantal penseelen, een palet en eenige kleine blazen met
grondverf, zooals de artisten in dien tijd gebruikten. Op een ezel
staat het onvoltooide portret van een blondharig, blauwoogig Vlaamsch
meisje, een werkelijke schoonheid, ofschoon van een iet of wat boersch
type. Dit is geteekend in den trant der Venetiaansche school, op wat
men toen noemde: een rooden grond. Op den achtergrond van het vertrek
hangt een groot gordijn, dat een meer belangrijk werk schijnt te
verbergen, het is tenminste even breed als de geheele muur der kamer.
"Schuif het niet weg," zegt de schilder opkijkende, als hij hoort,
dat Guy het gordijn nadert. "Ik heb nog een aardige verrassing voor u
in petto," en ophoudende met lezen, kijkt hij den Engelschman snaaks
aan. "Iets, wat u bijzonder zal interesseeren, naar ik meen; gij kondt
het gelaat van de schoone uit de barge niet onderscheiden?" Want
Guy heeft in zijn beschrijving van het avontuur van den vorigen
nacht, met de aangeboren kieschheid van den edelman en den minnaar,
opzettelijk geen woord gesproken over de ontmoeting in het huis van
de gravin van Mansfeld met de dame, die hij bevrijdde.
"Wat bedoelt gij?" vraagt Guy levendig. "Wacht een oogenblik," en een
half onderdrukte kreet van verbazing roept Guy aan de zijde van den
schilder, die blijkbaar in hevige gemoedsbeweging is gebracht door
het ontcijferen van het geheimschrift.
Ongeduldig staat Guy daar te wachten op den uitslag van het onderzoek
der documenten.
Een oogenblik later kijkt Oliver op en zegt: "Ik kan u nu in hoofdzaak
zeggen, wat de inhoud der brieven is."
"En wat behelzen zij dan?" vraagt Guy ongeduldig.
"Het zijn twee brieven, geschreven door Chiapin Vitelli, Alva's
vertrouwde, en waarschijnlijk aan zijn secretaris gegeven--zoo groot is
hun waarde--om ze persoonlijk te overhandigen aan een zekeren Ridolfi,
een Italiaan, die bankier is in Londen."
"Ridolfi? Ja, ik heb wel van hem gehoord. Hij moet groote zaken doen
met Italië; hij is goudsmid zoowel als bankier en woont op Cheapside,"
zegt Guy. "Maar wat heeft hij er mee te maken?"
"Wel, dit is blijkbaar één brief uit een reeks van brieven, van welke
eenige beantwoord moeten zijn, waarin Alva onderhandelingen voert met
Ridolfi, waarschijnlijk de agent van den hertog van Norfolk, den man,
die plannen maakte voor een huwelijk met de Koningin van Schotland
en die zich nu in Elizabeths handen bevindt--onderhandelingen, welke
betrekking hebben op het vergiftigen der Koningin van Engeland."
"Mijn vorstin vergiftigen! Groote God!" brengt Guy met moeite uit. Een
oogenblik later vervolgt hij, zich tot kalmte dwingend: "Ja, geruchten
van dit of een dergelijk complot zijn reeds ter oore gekomen van
Lord Burleigh, den eersten minister. Gij weet, dat ik, juist om dit
nader te onderzoeken, hierheen ben gezonden, ofschoon verloochend
door mijn Koningin, die voor het oogenblik schijnbaar met Alva vrede
wenscht, maar die op haar beurt afrekening zal houden,--een Engelsche
afrekening, dat kan ik u verzekeren,--met uw Spaanschen tyran!"
"Dat weet ik. Daarom juist help ik u," mompelt de schilder. "Op
Elizabeth alleen is de hoop der Nederlanders gevestigd. Wij zijn
verslagen en vernietigd te Jemmingen, de prins van Oranje, naar
Duitschland gevlucht, leeft in ballingschap; Frankrijk wordt geheel
in beslag genomen door zijn eigen zaken, Coligny en Condé kunnen
ieder oogenblik slaags raken met de Ligue, en op hun bijstand valt
dus niet te rekenen,--van Engeland alleen kan nog redding komen. Als
zoodanig heb ik u verwelkomd als den 'Eerste der Engelschen', om de
Nederlanders bij te staan. Gij zult niet de _laatste_ zijn--ik weet
het! Maar,"--en het gelaat van den schilder wordt bezield door een
patriotisch vuur,--"wijzelven moeten ook handelen. Daarom heb ik mij
veroordeeld, om te leven onder de vreeselijkste onrust, waarin iemand
kan verkeeren,--een verrader in de naaste omgeving, in het bureau
van den Spaanschen onderkoning, om Lodewijk van Nassau en Willem den
Zwijger op de hoogte te kunnen houden van zijn plannen. Ontdekking
staat gelijk met--nu, dat weet gij!"
Hij lacht, maar het is een akelige lach, en hij vervolgt fluisterend:
"Wat zou Alva, die menschen levend roostert, omdat zij op Vrijdag
vleesch eten; die vrouwen onthoofdt, omdat zij haar eigen mannen een
schuilplaats verleenen; die zijn troepen veroorlooft om te branden,
te rooven en te plunderen; wat zou hij doen met een ontmaskerd spion
in zijn eigen omgeving? Zijn er wel genoeg pijnbanken, duimschroeven
en takkenbossen voor zoo iemand te vinden?" Hij huivert, doch voegt er
daarna vastberaden bij: "Maar ik trotseer alles voor mijn vaderland!"
"En ik voor het mijne," antwoordt Guy. "Op mijn hoofd is een prijs
gezet als zeeroover, maar ik waag het voor mijn Koningin. Elizabeth
schenkt mij haar glimlachjes, als ik aan haar hof verschijn, noemt
mij haar dapperen vrijbuiter en vertelt toch aan den ambassadeur
van Philips van Spanje, dat ik hier voor mijn eigen rekening ben;
zij verloochent mij, ofschoon zij weet, dat het om harentwille is,
om haar leven te beschermen, om zulke verfoeilijke samenzweringen
als deze te ontdekken, dat ik mijn leven waag! Buitendien," vervolgt
hij met een onheilspellende flikkering in zijn oogen, "houd ik niet
van Spanjaarden."
"Persoonlijk," merkt de Vlaamsche schilder op, "heb ik eenige zeer
aangename menschen onder hen aangetroffen; ofschoon er in Alva's leger
een ontelbaar aantal schurken zijn. Maar het is voor mijn vaderland,
dat ik een leven vol onrust leid, met het zwaard van Damocles steeds
boven mijn hoofd."
Guy behoeft den schilder slechts aan te zien, om te weten, dat hij de
waarheid spreekt. De man is klein van persoon en ziet er nietig uit,
al is hij ook welgebouwd en vlug en veerkrachtig; maar hij heeft
zachte, denkende oogen, bijzonder fijn gevormde, beweeglijke lippen
en een hoog, schrander voorhoofd. Chester is er van overtuigd, dat
Antony Oliver een moedig man is. En hij weet nu tevens, dat diens
zenuwgestel is aangedaan door de vrees voor ontdekking, waarin hij
aanhoudend verkeert.
Toch komt hij rond voor zijn meening uit.
"Ik haat iederen Spanjaard, edelman of boer, omdat ik een broeder heb,
die in de gevangenis van de Inquisitie op Hispaniola zit.
"Arme jongen!" mompelt de schilder met een lichte huivering. "Op
Hispaniola! dat is een heel eind weg!"
"Niet voor een Engelschen zeeman. Zeven jaren geleden zeilden Dick
en ik, beiden vol jeugdig vuur, met kapitein Ned Lovell naar de
Spaansche bezittingen en dreven daar handel met de Dons van Hispaniola
en woonden daar, omdat wij katholiek waren, ongemoeid in de stad
Haytien en verwierven rijkdommen. Toen keerde ik met onze klinkende
munt naar mijn geliefd Engeland terug, Dick achterlatend, om de rest
van onze koopwaren in goud om te zetten, en mij daarna te volgen. Een
jaar verliep. Geen Dick, maar Hawkins bracht bij de thuiskomst van
zijn derde reis het bericht mede, dat Dick verliefd was geworden op
een Spaansch meisje, dat zijn medeminnaars hem hadden aangeklaagd
als een Engelschen ketter, en de--Inquisitie--" Hier begeeft hem de
stem, er staan tranen in zijn oogen, ofschoon zij gloeien van een
wild vuur. "Dat was voor mij genoeg, om de Spanjaarden te haten en
mij ter beschikking van Koningin Elizabeth te stellen," zegt Guy,
na een pauze op somberen toon, "en als vrijbuiter in haar dienst,
kwam ik ook in het bezit van dit miniatuur."
"Kunt gij mij ook zeggen," vraagt hij plotseling, het miniatuurportret
op ivoor, in diamanten gevat, te voorschijn halend, "wie de dame is,
die hierop staat afgebeeld?"
"Oho!" lacht de schilder met een ondeugende flikkering in zijn
oogen. "Die vraag had ik verwacht, sinds gij mij verhaald hebt van de
dame in de barge. Gaf zij u dit? Is zij ook getroffen door Cupido's
pijlen?"
"Wat bedoelt gij daarmee?" bromt de Engelschman, terwijl hij
verraderlijk bloost onder zijn verbrande huid.
"Ik bedoel," lacht Antony, "dat gij een man zijt, die tot over de ooren
verliefd is. In uw verhaal over de gebeurtenissen van gisternacht
werd telkens door u gewag gemaakt van de 'godin in de barge', de
'schoone onbekende', het 'bevallige wezen in het nachtelijk donker',
de 'feeachtige vormen, die de duisternis niet geheel kon verbergen',
de 'stem zoo zoet als die van een engel', uw gansche wijze van doen
verried, dat zelfs de duisternis geen beletsel voor u geweest is,
om verliefd te worden op de dame, die gij gered hebt uit de handen
der Watergeuzen; en dat, ofschoon zij eigenlijk uw gevangene was,
gij de hare waart. Ging het haar als u? Is zij ook verliefd, dat zij
u haar portret gaf?"
"Neen," antwoordt Guy, "ik geloof, dat ik verliefd ben geweest op
deze beeltenis, sinds ik die drie jaar geleden op zee veroverde."
Dit antwoord brengt den schilder geheel en al in verbazing. Hij
mompelt: "Ik hield de Engelschen nooit voor een romantisch volk, maar
gij leert mij, dat de Italianen slechts stumperds zijn, vergeleken
met de eilandbewoners, waar het hartstocht betreft. _Verliefd op
een portret_?"
"Ja; het kwam in mijn handen onder vreemde omstandigheden," antwoordt
de Engelschman, een weinig gemelijk, want de artist spreekt op een
schertsenden toon. "Op het eind van '68 speelde ik tennis in Londen,
toen de Koningin en haar eerste minister, Sir William Cecil, nu Lord
Burleigh, mij lieten roepen. De schatkist der Koningin was leeg. Vijf
Italiaansche schepen, die een leening van de Genueesche bankiers aan
Alva overbrachten, ten bedrage van achthonderd duizend zilveren kronen,
waren op weg naar Antwerpen--"
"Ja," valt de ander hem glimlachend in de rede, "ik weet het--het geld,
waarmee de Hertog zijn troepen dacht te betalen--"
"En waren in de haven van Southampton gedreven door kapers, afgezonden
door den prins van Condé, die op den uitkijk had gestaan, om den
schat te bemachtigen. De Spaansche ambassadeur had zich tot de
Koningin gewend en schepen gevraagd ter bescherming. Daar men met
Spanje in vrede verkeerde, moest men hem wel ter wille zijn, maar
Elizabeths schatkist was leeg, en zij werd geplaagd door rekeningen
van haar modiste en meer dergelijke vrouwenschulden en besloot dus,
zich den schat toe te eigenen. Cecil had om mij gezonden, omdat hij
wist, dat ik Spaansch sprak, en dacht dat ik de rechte man zou zijn,
om dat zaakje te beredderen. Men had den Spaanschen gezant reeds
verzocht, maatregelen te nemen voor het vervoer van den schat van
Southampton naar Dover over land, waar zich schepen der Koningin ter
bescherming zouden bevinden. Doch terwijl hij zijn toebereidselen
maakte, ontving ik de volgende opdracht: ik moest naar Southampton
gaan en den Franschen kapers tien duizend kronen aanbieden, als zij
hun positie voor de haven niet verlieten, zoodat de Genueesche schepen
niet durfden uitzeilen. Onderwijl won de Koningin inlichtingen in en
vernam, dat het geld geleend was door Italiaansche kooplieden. 'Als zij
Alva kunnen leenen, kunnen zij het mij ook doen,' dacht zij. Volgens
de persoonlijke aanwijzingen van de Koningin van Engeland maakte ik
mij meester van de achthonderd duizend zilveren kronen."
"En dat maakte Alva bijna razend! Ik zie hem nog voor mij," lacht de
schilder, "op den morgen, dat hij het bericht ontving, in blinde woede
aan de beide punten van zijn baard rukkende. En van dat oogenblik af,
heeft hij uw Koningin gehaat en u niet minder, die hem dwong, den
Nederlanders zijn tienden penning op te leggen, om zijn troepen te
kunnen betalen. Doch wat heeft de diefstal der Koningin van Engeland
te maken met uw miniatuur-portret, zeg, vrijbuiter?"
"Slechts dit," antwoordt Guy. "Het eenige, wat ik van het Genueesche
schip, toen ik het prijs maakte, voor mijzelven hield, was deze
beeltenis. Te oordeelen naar de aanwijzing op het pakje, waarin
het portret zich bevond, moest de dame, die het voorstelt, in de
Nederlanden wonen. Hoogst aangenaam was mij dus de persoonlijke
opdracht van Koningin Elizabeth, om naar hier over te steken en in
haar belang zeeroover te worden; wel wist ik, dat ik daardoor mijn
leven in de waagschaal stelde, maar ik wist ook, dat het mijn eenige
kans was, om ooit in werkelijkheid het gelaat te aanschouwen, dat ik
heb liefgehad van dien dag tot op heden. Noemt gij dat romantisme? Mij
goed! Maar zeg nu, wie zij is."
"Wel," antwoordt de schilder, "mag ik u als antwoord een ander portret
laten zien?"
"Van wien? Wat geef ik om portretten, behalve dit eene? Gij kunstenaars
denkt altijd aan kunst--ik denk aan vleesch en bloed, die winnen het
van kunst."
"Winnen zij het ook van dit?" lacht Oliver, en het gordijn op den
achtergrond wegtrekkend, onthult hij een kolossaal altaarstuk,
onafgewerkt behalve de hoofdfiguur, de Madonna. Guy is een en al
verbazing, want het is de beeltenis van de vrouw, wier lippen hij
den nacht tevoren heeft gekust, wier miniatuur-portret hij in de
hand houdt; beurtelings staart hij nu van dit naar het prachtige
altaarstuk, op de figuur van de Moeder Gods. Het moet een werk zijn,
dat door de liefde geïnspireerd is.
De Engelschman wordt vuurrood, daarna doodsbleek, en mompelt:
"Gij bemint haar dus ook!" terwijl hij zijn vermeenden medeminnaar
afgunstig aanziet.
"Neen," antwoordt Antony, "ik bemin de dame niet, al bemin ik
mijn schilderij. Gij behoeft niet jaloersch te zijn, mijn waarde
Engelschman, de vrouw, die ik bemin, is veel meer dan deze een
wezen van vleesch en bloed--juffer Wilhelmina, dochter van den
oud-burgemeester Bodé Volckers. Haar blonde beeltenis staat op dien
ezel. Ik aarzel niet u mijn geheim toe te vertrouwen, zooals gij
mij het uwe deedt. Maar _dit_," hij kijkt teeder naar het doek,
"is een werk van liefde, liefde voor mijn kunst. Hierop heb ik al
mijn hoop gebouwd, om een naam in de wereld achter te laten. Als
ik mijn altaarstuk kan voltooien, eer de tijd komt, dat de hand,
die mij bedreigt, mij in haar ijzeren greep vermorzelt, hoop ik in
de herinnering te blijven voortleven--niet als de patriot, maar als
de kunstenaar!"
"En, bij den hemel! dat zult gij," roept Guy uit, die natuurlijk niets
liever wenscht, dan aan de beeltenis van de vrouw, die hij liefheeft,
een onvergankelijken roem beschoren te zien, "want gij hebt niet alleen
een Madonna geschilderd, maar een godin, waardig de Moeder Gods te
zijn." Hier maakt hij eerbiedig het teeken des kruises en beschouwt
opnieuw het schilderstuk, dat zijn bewondering voorzeker ten volle
verdient, niet alleen om de liefelijkheid van het model, maar ook om
de oorspronkelijkheid van opvatting en den rijkdom van koloriet.
In tegenstelling met het schilderstuk op den ezel, is dit altaarstuk
geschetst op een parelgrijzen achtergrond, de Madonna is de eenige
afgewerkte figuur, de beeltenis van Guy's beminde.
Het meisje staat daar in maagdelijke schoonheid; haar blanke,
blauwgeaderde voeten rusten licht als die eener fee op een regenboog
van het zachtste zonlicht; de lijnen van haar lichaam bezitten reeds de
schoonheid der vrouw, maar zijn nog maagdelijk bevallig en teer; zij is
gehuld in een eng sluitend wit gewaad, waarover een lange azuren mantel
hangt. Op den blanken hals rust het gelaat van ongemeene schoonheid,
welks zachte en toch schitterende oogen, koraalroode lippen, wangen,
waarop rozen en leliën bloeien, Guy's hart ook nu weer zoo onstuimig
doen kloppen.
Het geheel, vergoddelijkt door de groote ziel, die uit het aanminnig
gelaat straalt, verlicht door zonnestralen en vol van die wonderschoone
effecten van gouden licht en diepe, warme schaduwen, eigen aan de
school van den Venetiaan Tintoretto, is wel geschikt om Guy halfgek
van opgewondenheid te maken; want het is het levend, sprekend portret
van de vrouw, die hij liefheeft, maar toch weer niet geheel en al
aan haar gelijk.
Want het schilderij geeft haar wisselende schoonheid slechts op een
enkel moment te aanschouwen, en den vorigen nacht heeft hij telkens,
als hij haar veranderlijke, beweeglijke, maar altijd edele trekken
beschouwde, een verschillenden indruk van haar gekregen, heeft hij
telkens een nieuwe bekoring in haar ontdekt.
Hij roept ongeduldig den schilder toe: "Gij beantwoordt mijn vraag
niet. Gij laat mij alleen iets zien, dat mijn verlangen, om haar naam
te vernemen, nog meer moet prikkelen. Zeg mij, wie zij is!"
Het antwoord, dat volgt, doet hem ontstellen en ontstemt hem
tevens. "Zij is," zegt Oliver langzaam, "het eenige wezen op aarde,
dat Alva liefheeft!"
"Neen, neen, dat wil ik niet gelooven," brengt Chester met moeite uit.
"Gij moet! Zij is het eenige wezen, dat hij aanbidt, het eenige
wezen, dat de onderkoning van Spanje ooit met een liefkoozenden
naam toespreekt."
"Ik kan u niet gelooven," roept de Engelschman uit, zijn handen als
in doodsangst wringend. "Zij is te rein, om de beminde te zijn van
wien ook en het allerminst van dien duivel."
"Zij is niet te rein," zegt de schilder langzaam, "om zijn dochter
te zijn."
"Zijn _dochter_?! Alle heiligen in den hemel!"
"Ja, Hermoine de Alva is de dochter van den Hertog. Haar moeder,
de gravin De Perugia, een Italiaansche dame van groote schoonheid,
stierf vier jaren geleden. Sedert dien tijd heeft de Hertog Dona
Hermoine bij zich genomen. Zij is de reinste, liefelijkste, edelste
bloem, die Spanje ooit naar de Nederlanden heeft gezonden. Zij bezit
even groote geestesgaven als haar vader, doch haar hart is even teeder
als het zijne wreed is. Toch is zij de dochter van Alva en daarom,
mijn Engelschman, vrees ik, dat uw liefde hopeloos is! Neem u in
acht! Uw broeder beminde een Spaansch meisje!"
Guy antwoordt hierop niets. Hij is diep doordrongen van de waarheid
der laatste vernietigende opmerking van den schilder. Doch weldra
komt de Engelsche onversaagdheid weer bij hem boven en hij roept uit:
"Bij den hemel! Welk een triumf, om datgene, wat hij het meest
liefheeft, aan Alva te ontrooven, om zijn eigen dochter, die hem
dierbaarder is dan iets anders ter wereld, tot de bruid te maken,
de geëerde en gevierde bruid van den man, op wiens hoofd hij drie
duizend Carolus-guldens heeft gezet,--den vrijbuiter,--den 'Eerste
der Engelschen'!" en hij barst uit in een spottenden, triumfeerenden,
maar hartelijken lach.