De openstelling van de havens van Sual, Iloilo en Zamboanga voor
den vreemden handel, was natuurlijk bestemd om de locale belangen te
ontwikkelen van de noordelijke, centrale en zuidelijke gedeelten van
den Archipel; de gekozen plaatsen schenen de grootste aanmoediging
aan te bieden, en toen het besluit van het Spaansche Gouvernement
bekend werd, beval de Engelsche consul te Manilla de benoeming van
Britsche vice-consuls te Sual en Iloilo aan, en zeker kon geene betere
keus gedaan worden, dan men bij die gelegenheid deed, daar de meest
geschikte heer in elk der havens werd gevestigd.
Het rapport van den heer Farren, dat aan het Parlement werd voorgelegd,
geeft getrouw de eischen van de nieuwe havens en hare onderhoorigheden;
ieder had zijne bijzondere aanbevelingen. De bevolking van de
noordelijke afdeeling, Pangasinan, de beide Ilocos (noordelijk en
zuidelijk), Abra en La Union omvattende, kan onder de nijverste,
rijkste en intelligentste op de Philippijnen gerekend worden. Cagajan
produceert de grootste hoeveelheid tabak van de fijnste kwaliteit.
De centrale afdeeling, die de digtst bevolkte van allen is, heeft
sedert lang Manilla eene groote hoeveelheid van haren uitvoer
verschaft, die in den loop der tijden ongetwijfeld direct uit de
havens van productie naar die van consumptie zal gezonden worden;
terwijl de zuidelijke, en de minst belovende op dit oogenblik, ieder
element bevat dat grond en klimaat kunnen bijdragen om de kultuur aan
te moedigen van groote plekken gronds, die tot hiertoe niet bereikt
waren door de beschavende krachten van handel en kolonisatie.
De bevolking in de noordelijke afdeeling is talrijk. In Ilocos
(noordelijk en zuidelijk) zijn 12 steden met 5000 à 8000 inwoners;
7 met 8 à 12,000; 7 met 12 à 20,000 en 3 met 20 à 33,000 inwoners. In
Pangasinan vindt men 9 steden met 5 à 12,000, 7 met 12 à 20,000 en 3
met 20 à 26,000 inwoners. De hoofdstad (Cabazera) van Cagajan telt
meer dan 15,000 inwoners. Het midden-gedeelte vertegenwoordigt een
nog grooter aantal volkrijke plaatsen. Zebu telt 14 steden met 5000
à 10,000 inwoners en 9 steden met 10 à 12,000 inwoners, terwijl
men in Iloilo 7 steden met 5 à 10,000 inwoners vindt; 14 steden
met 10 à 20,000; 7 met 20 à 30,000; 2 met 30 à 40,000 en 1 (Haro)
met 46,000 inwoners.
Deze statistiek voor 1857 toont eene belangrijke vermeerdering der
bevolking aan sedert de opgaven van den heer Farren, en bewijst
dat de opheffing van beperkende bepalingen gunstig op het algemeene
welzijn heeft gewerkt, hoe onvoldoende de emancipatie moge geweest
zijn. Er kan geen twijfel bestaan dat meer gunstige vooruitzigten
tot de uitbreiding van eene vrijzinnige staatkunde zou leiden en
dat mijnen van ongeëxploiteerde en niet-ontwikkelde schatten in de
hulpbronnen van den landbouw en van den handel dezer streken zouden
gevonden worden. Het belang van direct verkeer met vreemde landen
wordt vergroot door het feit, dat gedurende verscheidene maanden van
het jaar de moussons de communicatie van de meer afgelegene districten
met de hoofdstad afbreken. De oude geest van monopolie weigerde den
producent niet alleen het voordeel van hooge en den consument dat
van lage prijzen, maar de handel zelf viel noodwendig in handen van
niet-ondernemende en smokkelende kooplieden, wien die ondernemingsgeest
geheel ontbrak, welke het primum mobile is van den vooruitgang van
den handel. Het is toch het gevolg, de vloek en de veroordeeling van
het monopolie, dat terwijl het het vooruitzien beperkt en den geest
benevelt van den monopolist, het de groote handelsbelangen van den
handel aan de hoede overlevert van eene lagere klasse van handelaren;
terwijl het die hoogere klassen uitsluit, welke in handelsondernemingen
gewikkeld zijn, als hij op den wijden oceaan van moedige en volhardende
energie dobbert. Hoe kan de boom zijn vollen groei en ontwikkeling
verkrijgen, wanneer zijne takken voortdurend worden afgehaald, tot
dat de schaduw verdwijnt en zijne vruchten ten voordeele vallen van
anderen, in plaats van den eigenaar?
Maar de waarde van de gunstige veranderingen, die ingevoerd werden,
is grootendeels verminderd door den onvoldoenden aard van de
concessiën. Zij hadden volledig moeten zijn; zij hadden, terwijl
de havens voor den vreemden handel geopend werden, den handel los
van alle banden en volle vrijheid moeten laten. De discussiën, die
daarover intusschen hebben plaats gehad, zijn zeer nuttig geweest, en
het aandeel dat ten opzigte van de handelsvrijheid is genomen door de
heeren Bosch en Loney, beide Britsche vice-consuls, getuigen van hunnen
ijver en van hunne bekwaamheid. Op de Philippijnen is de strekking
van de algemeene opinie voorzeker in de juiste rigting. De tegenstand,
die gedurende zoovele jaren, of zelfs eeuwen, zich verzette tegen de
toelating van vreemdelingen in de koloniale havens, was ongetwijfeld
gegrond op de theorie dat zij minder handel zouden aanbrengen dan
wegvoeren, dat zij zouden deelen in de groote voordeelen van diegenen,
welke het monopolie bezaten, maar deze daarentegen geene voordeelen
zouden opleveren.
De heer Farren toont aan, dat in 1855 «de Britsche handel met
de Philippijnen in waarde overtrof dien van Groot-Brittannië met
verschillende Europesche landen, met dien van elken staat of elke haven
in Afrika; dat hij grooter was dan die van den Britschen handel met
Mexico, Columbia of Guatemala en bijna in de verdeeling tot de tweede
klasse van den nationalen handel met Azië gebragt moest worden, daar
de totale waarde van den in- en uitvoer bijna 3 millioen pond sterling
bedroeg. De uitvoer van suiker naar Groot-Brittannië en zijne koloniën
beliep in 1854 42,000 tonnen; die naar Groot-Brittannië alleen was
langzamerhand van den uitvoer van 1852, die 5,061 tonnen bedroeg,
tot 27,254 geklommen, hetgeen meer is dan de uitvoer naar de geheele
wereld in 1852. De invoer van Britsche goederen en manufacturen,
die in 1845 eene waarde van 427,020 p. st. beliep, bedroeg in 1855
meer dan een millioen pond.» De handel neemt nog steeds in bloei
toe en de opheffing van alle beperkingen, de aanmoediging van alles
wat bevorderlijk kan zijn, zal den vooruitgang doen toenemen en
ongetwijfeld de algemeene welvaart vermeerderen.
Volgens de statistiek van het eiland Panay voor 1857 waren in de
provincie Iloilo 527,970, in Capiz 143,713 en in de provincie Antique
77,639 inwoners, te zamen 749,322 of bijna drie vierde van een millioen
inwoners. De lage landen van Capiz staan aan vele overstroomingen
bloot. Men vindt er eene schoone rivier, waarop de scheepvaart
door eene zandbank aan de monding wordt belemmerd. De provincie is
productief en levert twee oogsten rijst per jaar op. De havens van
Batan en Capiz (de cabacera) zijn veilig voor vaartuigen van tamelijke
grootte. De inwoners van Antique, dat de geheele westkust van Panay
inneemt, zijn de minst industriële van de bevolking van het eiland. De
kust is gevaarlijk. Men vindt er twee pueblos, Bugason en Pandan, met
meer dan 10,000 zielen. De cabacera San José telt minder dan de helft
van dat getal. De wegen der provinciën zijn slecht en de communicatie
met Iloilo moeijelijk. De landerijen zijn natuurlijk vruchtbaar,
doch de Indianen hebben er niet veel voordeel van getrokken. Men
vindt slechts twee-en-veertig mestizen in de provincie. Er bestaat
eene kleine paarl- en schildpadvisscherij en sommige zee-slakken
worden voor de Chinesche markt gevangen.
Iloilo is ongetwijfeld daarom aangewezen als de zetel van het
gouvernement, omdat het vele gemakken aan de scheepvaart aanbiedt,
doch het is kleiner, minder rijk en zelfs minder actief dan vele
steden in den omtrek. De provincie Iloilo is, over het algemeen,
misschien de meest gevorderde van eenige op de Philippijnen,
uitgezonderd de onmiddellijke omstreken van de hoofdstad. Zij heeft
schoone bergachtige landschappen, rijk versierd met bosschen, terwijl
de vlakten zeer vruchtbaar zijn. Alle tropische producten schijnen er
te bloeijen. De fabrieknijverheid der vrouwen is er karakteristiek
en is in andere plaatsen overgebragt, vooral met betrekking tot
de buitengewone schoonheid van het pina-fabrikaat. Mallat geeft de
volgende beschrijving van de wijze van bereiding van het fabrikaat:
«Uit de bladen van den pijn-appel--de plant, die zulke uitmuntende
vruchten oplevert--worden de witte en fijne draden getrokken, die de
onbewerkte stof zijn van de nipis of pina-stoffen. De spruiten van
ananassen worden geplant, die somtijds onder de vrucht tot een getal
van twaalf groeijen; zij worden opgegraven en in een ligten grond
geplaatst, zoo mogelijk beschermd en onmiddellijk na het planten
bevochtigd. Na vier maanden wordt de kroon weggenomen, ten einde het
uitbotten te beletten en te voorkomen dat de bladen breeder en langer
worden. Na acht maanden zijn zij een el lang en zes duimen breed;
alsdan worden zij afgehaald, op eene plank uitgestrekt en terwijl de
Indiaan die met zijn' voet vasthoudt, krabt hij met een stuk gebroken
aardewerk het vleesch, totdat de vezel verschijnt. Deze worden in het
midden vastgehouden en zorgvuldig van het eene einde tot het andere
opgehaald; zij worden twee of drie maal in water gewasschen, in de
lucht gedroogd en gezuiverd; later worden zij gesorteerd naarmate
van de lengte en kwaliteit. Vrouwen binden de afzonderlijke draden
te zamen in pakken en dan zijn zij gereed voor het gebruik van den
wever. Bij het weven is het noodig eene te hooge of te lage temperatuur
te vermijden; te zorgen dat het niet te droog en niet te vochtig is;
en de fijnste draden worden onder beveiliging van een mosquito-net
geweven. De weefster is zoo geduldig, dat zij somtijds niet meer
dan een halven duim per dag produceert. De fijnste worden pinilian
genoemd en alleen op aanvraag gemaakt. De ananassen worden alleen ten
behoeve van den vezel gecultiveerd, die op de markt wordt gekocht. De
meeste stoffen zijn zeer smal; als zij met zijde zijn gefigureerd,
koopt men ze voor ongeveer zes gulden per el. De effen stof, die
voor borduurwerk wordt gebruikt, gaat naar Manilla, waar de hoogste
prijzen voor het voortreffelijk werk worden betaald.»
De vice-consul Bosch heeft een belangrijk rapport geschreven over de
voordeden van de provincie Pangasinan en van Sual, hare voornaamste
haven. De omtrek van de kust bedraagt 50 à 60 mijlen ten zuiden en
oosten van de golf van Lingajen. In het binnenland vindt men een
aantal gemakkelijke waterwegen en de belangrijkste rivier, de Agno,
vloeit te St. Isidro in de zee, ongeveer anderhalve mijl van Sual. De
Agno is omstreeks 70 à 80 mijlen in het binnenland bevaarbaar en
brengt producten van de naburige provinciën van La Union en Nueva
Ecija over. De uitvoer naar Manilla geschiedt meestal uit Sual, naar
China uit Dagupan. Dagupan ligt aan de monding van een grooten zeearm,
maar een dam belet het binnenzeilen van een groot vaartuig. Het gebrek
aan eene veilige ankerplaats is het ongerief van de geheele kust in
de provincie, met uitzondering van de haven van Sual. Deze haven,
ofschoon klein, is veilig; zij is bijna geheel rond. Zij kan 12 à
15 groote vaartuigen en 30 à 40 kustvaarders bevatten en wordt van
alle zijden goed beschermd, maar in de haven zelve bevindt zich eene
eenigzins gevaarlijke bank.
Men vindt ongeveer 400 huizen in Sual; zij zijn op de vlakte tegenover
de haven verspreid en van hout gebouwd. Bovendien heeft men er 100
Indiaansche hutten (chozas), die uit nipapalm zijn zamengesteld. De
kerk is een armzalig hulpgebouw.
Sual vertoont eenige sporen van verbetering. De weg naar de naburige
provincie Zambales wordt verbeterd. De geallieerde magten in
Cochin-China hebben laatstelijk voorraad, vooral vee, uit Sual doen
komen. De waarde van den uitvoer uit Sual over 1858 bedraagt 670,095
dollars; de invoer van buitenlandsche goederen en fabrikaten in de
drie havens der provincie--Dagupan, Binmaley en Lingajen--beloopt
meer dan 464,116 dollars, allen aangebragt door kustvaartuigen,
waarvan 75 tot de provincie behooren. De grootste pueblo van de
provincie is San Carlos met 26,376 inwoners; de tweede, Binmaley,
met 24,911, en de derde, Lingajen, met 23,063 inwoners, maar de
bevolking van Sual bedraagt slechts 3,451 zielen. Rijst en suiker
zijn de voornaamste uitvoer-artikelen van productie, maar te Calasiao
bestaat eene aanzienlijke fabrikatie van hoeden, cigarenkokers,
matten en andere fabrikaten uit de vezelen van het land. Men vindt
geene groote etablissementen of fabrieken op eene uitgebreide
schaal. Alles wordt door kleine eigenaars en huiselijke industrie
vervaardigd. Op vele plaatsen worden op geregelde tijden markten
(tiangues genaamd) gehouden, waarop alle soorten van artikelen ter
verkoop gebragt worden. Men berekent dat Pangasinan 20,000 vaten rijst
voor den uitvoer kon opleveren, nadat het reeds in de plaatselijke
behoeften heeft voorzien. Voor de bereiding van suiker wordt weinig
zorg gedragen, ofschoon zij in overvloed kon worden geproduceerd. Er
wordt veel hout gekapt voor den scheepsbouw en andere doeleinden. Bij
het invallen van den N.-O. mousson beginnen de handelsondernemingen
en hebben vele verschepingen plaats; de wegen zijn dan begaanbaar,
de magazijnen met goederen gevuld; dit duurt tot het einde van Junij
of Julij. Dan vallen de hevige regens in: de vaartuigen voor den
kusthandel worden voor het saisoen weggedaan, de rivieren overstroomen,
de meeste hulpbruggen worden door de vloeden weggespoeld; iedereen
is bezig met hetgeen de Spanjaarden hun «inwendig leven» noemen;
zij maken de berekeningen over het afgeloopen jaar op en maken zich
gereed voor hetgeen komt, terwijl de kleine buitenlandsche handel
van Sual het eenige spoor van handelsbeweging is.
De arbeid wordt matig betaald. Wanneer men vijftig scheepstimmerlieden
neemt, die op eene plaats bezig zijn, is de minste bezoldiging 5,
de hoogste 10 realen per week (dat is 3 à 6 sh.). Zij krijgen voorts
twee maten rijst en een stukje vleesch of visch. Een veldarbeider
(of peon) heeft eene reaal per dag en de kost. Een kar met een buffel
en voerman kost 1 1/2 reaal per dag.
Bijna alle aankoopen worden gedaan door makelaars (personeros),
die voor eene commissie, meestal van 5 pCt. en eene guarantie van 2
1/2 pCt., de producten van het land van de landbouwers inzamelen,
aan wie zij voorschotten doen, altijd in zilver, en het gaat soms
door vele handen, vóór dat de landbouwer-producent het krijgt.
In Pangasinan vindt men weinig Spanjaarden van geboorte. Een aantal
mestizen wijden zich aan den handel. In Lingajen, met 23,000 inwoners,
zijn meer dan 1,000 mestizen; in Binmaley, met 24,000 inwoners, slechts
22 mestizen. De eerste is eene handelsplaats, de tweede eene plaats van
den landbouw. Slechts weinige Indianen hebben vermogen verkregen. Het
Chinesche element is daar doorgedrongen en zij verkrijgen meer en meer
invloed als active handelslieden. Geen Oostersch geslacht kan met
hen wedijveren, waar van geduld, volharding en spaarzaamheid sprake
is. Zij zijn niet bemind, maar zij verdragen gewillig vele lasten
en vereenigen en versterken zich door eenheid van doel. In Calasiao
zegt men dat zij in twee jaren bijna 80 winkels hebben opgerigt en
dat zij langzamerhand alle winstgevende ondernemingen aanvatten,
terwijl zij de markten bezochten als verkoopers zoowel als koopers
en relatiën met het binnenland aanknoopten, waaraan geen inlandsche
Indiaan ooit zou gedacht hebben. In de gewone handelszaken begaan zij
ook het euvel niet om buitengewone winsten te eischen. Een Chinees
zal, ja, een hoogen prijs vragen of een lagen prijs aanbieden in
zijne verschillende relatiën, maar wanneer hij het uitzigt heeft
op eene matige winst, zal hij die niet laten ontglippen. Er bestaat
toenemende aanvraag naar Europesche koopwaren, waarvan de Chinezen
de voornaamste invoerders zijn, terwijl zij, meer dan alle anderen,
geneigd zijn nieuwe kanalen voor den handel te openen. De gewone
interest is 10 pCt., ofschoon de kerkfondsen tegen 6 pCt. geleend
worden aan diegenen, wie de geestelijkheid gunstig gezind is. Dit is
dan ook de wettige prijs.
Volgens de opgaven van den heer Bosch over 1858 zijn in dat jaar
acht groote vaartuigen, met 7,185 tonnen en 282 kustvaartuigen met
7,780 tonnen, de haven van Sual binnengeloopen. Slechts vier van
de eerste voerden ladingen mede, twee hadden schade te herstellen,
terwijl twee andere Spaansche gouvernements-stoombooten waren, die
geld, ten bedrage van 210,000 dollars, naar Manilla overbragten.