Tot het jaar 1784 waren de Philippijnen zoo improductief voor
de Spaansche inkomsten, dat het deficit in de schatkist werd
gedekt door eene jaarlijksche toelage van 250,000 dollars van het
Mexicaansche gouvernement. Eene hoofdelijke belasting werd ongeregeld
van de inlanders geïnd; even als een tolgeld (almojarifango)
op den kleinen handel die bestond en een accijns (alcabala) op
binnenlandschen verkoop. In het begin dezer eeuw intusschen leverden
de Spaansch-Amerikaansche koloniën de gelden voor de militaire uitgaven
van Manilla. In 1829 verkreeg de schatkist een onafhankelijken tak van
administratie. Vermeerdering van de belasting-betalende bevolking,
het tabaks- en wijnmonopolie, verlof van vreemdelingen om zich als
kooplieden in de hoofdstad te vestigen, aanvraag naar inlandsche en
verbruik van vreemde producten en eene algemeene neiging naar eene meer
liberale staatkunde, leverden de gewone zegenrijke resultaten op en,
ofschoon langzaam, zijn de Philippijnen tot een trap van voorspoed
geklommen, die voor eene oneindige ontwikkeling vatbaar is.
De hoofdelijke belasting of schatting, die de inlanders betaalden,
was de grondslag van het finantiële stelsel in de Philippijnen. Zij
is de eenige directe belasting (behalve voor bijzondere gevallen),
maakt geen onderscheid tusschen personen en eigendom, heeft de
verdienste van een lang bestaan en wordt op eene wijze ingezameld,
door de Indianen zelven aan de hand gegeven. Oorspronkelijk werd zij
in producten geheven, doch met de waarde van een dollar (acht realen)
gelijkgesteld; later werd zij tot een en een kwart dollar verhoogd en
eindelijk hebben de monniken er 50 opcenten bijgevoegd, waarvan vier
vijfden voor de Kerk en een vijfde voor handelsbelangen zijn bestemd.
De belasting is thans verschuldigd door ieder volwassen persoon
uit een gezin, tot den ouderdom van zestig jaren; de plaatselijke
autoriteiten (cabezas de barangay), hunne vrouwen en oudste of een
aangenomen zoon uitgezonderd. Een cabeza is belast met de inning
van de belasting van zijne cabaceria, die gewoonlijk uit omstreeks
vijftig personen bestaat. Er bestaan vele andere uitzonderingen,
zoo als ontslagen soldaten en personen, die op bijzondere gronden
ontheffing verzoeken, om niets te zeggen van de onzekere inningen van
Indianen, die geen vaste verblijfplaats in steden of dorpen hebben en
de zekere niet-inning van de wildere stammen. Buzeta rekent dat slechts
5 percent van de geheele bevolking de belasting betaalt. Buiten de
geconcentreerde groepen van inlanders bestaat weinig contrôle; ook is
de meest uitgebreide van de bestaande invloeden--de geestelijke--in
het geheel niet geneigd den inner te helpen en daardoor het algemeen
misnoegen op te wekken, vooral als de vorderingen van het klooster
zijn erkend en in de behoeften van de Kerk voldoende is voorzien,
hetgeen meestal het geval is. De monnik staat dikwijls tusschen
de fiscale autoriteit en den Indiaanschen schuldenaar, en daar zijn
voornaamste streven is populair onder zijne kudde te zijn, ondersteunt
hij, wanneer zijne eigene verwachtingen zijn voldaan, natuurlijk zwak
den inner der belasting. De monnik heeft een groot direct belang in
de geldbelasting, zoowel in het sanctorum als in de tienden; maar
de Indiaan heeft vele middelen om den pater tevreden te stellen, en
laat die niet achterwege, terwijl de invloed van den geestelijke niet
alleen domineert, maar voortdurend tegenwoordig en in gestadige werking
is. Bij een besluit van 1835 is aan de Indianen vergund de belasting
in goederen te betalen, doch tegen zoo ellendig lage prijzen, dat ik
meen dat de betalingen thans naauwelijks anders dan in klinkend metaal
geschieden. Het tegenwoordig geheven bedrag wordt geschat als volgt:
Voor het Gouvernement 10 realen.
Voor de tienden 1 realen.
Gemeentefondsen (caja de communidad) 1 realen.
Sanctorum (kerk) 3 realen.
--
15 realen of 1 7/8 dollar.
Tegen 54 stuivers per dollar maakt dit dus eene hoofdelijke belasting
van ruim vijf gulden per hoofd.
De Sangleys (mestizen van Chineschen oorsprong) betalen 20 realen
Gouvernements-belasting of 25 realen in het geheel, zijnde ongeveer
8 1/2 gulden.
Er bestaan eenige bijzondere belastingen voor plaatselijke voorwerpen,
doch het bedrag is niet groot.
De Chinezen werden bijzonder gekozen als de slagtoffers van den
belasting-inner en, in aanmerking genomen het algemeen geringe
bedrag der belasting, en dat de Chinezen op de Philippijnen werden
uitgenoodigd onder verzekering van alle bescherming en als een zeer
gewigtig element voor de ontwikkeling van het land, zal men toegeven
dat het besluit van 1828 vrij ligt werkt. Het verdeelt Chinesche
kolonisten in drie klassen:
Kooplieden die eene maandelijksche
belasting betalen van 10 dollars 27 p. st. 0 per jaar.
Winkeliers die maandelijks 4 dollars
betalen 10 p. st. 16 per jaar.
Alle anderen die 2 dollars per maand
betalen 5 p. st. 8 per jaar.
Wanneer zij zich hieraan niet onderwerpen en ongehuwd zijn, mogen
zij het land binnen zes maanden verlaten of de waarde der belasting
in arbeid betalen, en na drie maanden in de betaling der belasting
achterlijk te zijn gebleven, zijn zij aan eene boete van 2 realen per
dag onderworpen. Tijdens de uitvaardiging van het besluit bevonden
zich 5708 Chinezen in de hoofdstad, waarvan onmiddellijk 800 zich
naar China begaven, terwijl 1083 naar de bergen vlugtten en heusch
ontvangen en beschermd werden door de inlanders; 453 werden tot de
openbare werken veroordeeld, terwijl de overigen in zulk een staat
van ontevredenheid en ellende bleven, dat de intendant in 1831 een
krachtig vertoog ten hunnen behoeve aan het gouvernement indiende en
in 1834 magtiging werd verleend om de geheele fiscale wetgeving ten
opzigte der Chinezen te wijzigen.
De Chinezen, die in Manilla aanlanden, hetzij als zeelieden of als
kolonisten, zijn verpligt een publiek gebouw te bewonen, de Alcaiceria
de San Fernando genaamd, waarvoor betaling wordt gevorderd en de
voordeelen daaruit voortvloeijende komen aan den staat.