TALEN.

Het Tagaleesch en Bisajaansch zijn de meest verspreide talen op de

Philippijnen, maar elk dezer heeft zulk eene verscheidenheid van

tongvallen, dat de inwoners van verschillende eilanden en districten

dikwijls voor elkander niet verstaanbaar zijn en dat is nog minder

het geval bij de inlandsche stammen, die de bergdistricten bewonen. De

meest opmerkelijke verscheidenheden zijn de dialecten van Pampangas,

Zambal, Pangasinan, Ilocos, Cagajan, Camarines, Batanes en Chamorro,

die allen aan eene van de beide hoofdtakken ontleend zijn. Maar de

talen der onbekeerde Indianen wijken geheel af en hebben weinig

verwantschap met elkander. Van de bovenbedoelde bestaan dertig

verschillende tongvallen. De verwantschap tusschen en de aard van

de Tagalesche en Bisajaansche talen kan men het best opmaken uit

eene vergelijking van het «Onze Vader» in elk der beide, met eene

woordelijke vertaling daarvan:

Tagaleesch.

Ama nanim [14] sungma [15] sa langit ca [16] sambahin [17]

Vader onze (van ons) zijt in den hemel Gij geheiligd (zij)

ang ngalan mo; mupa sa anim ang caharian mo; sundin ang lool

de naam Uw; kome tot ons het koningrijk Uw; geschiede de wil

mo dito sa lupa para na sa langit; bigianmo camin ngai-on

Uw hier op aarde gelijk in den hemel; gegeven (zij) ons nu

nang anim canin sa arao-arao [18] at patauarvin-mo camis nang

de onze rijst van alle dagen en vergeven (zij) ons de

animg manga-otang para nang pagpasawat nanim sa

onze schulden gelijk als vergeven (zijn) ons die

nangagcacaoton sa anim; at hunag-mo caming

welke schulden hebben begaan jegens ons; en laat niet ons

ipahivntolot [19] sa toeso; at yadia-mo camis sa ditan

vallen in verzoeking; en verlos ons van alle

masama.

kwaad.

Bisajaansch.

Amahan namu nga itotat ca sa langit, ipapagdayat [20] an

Vader onze die zijt gij in den hemel, geheiligd zij de

imong ngalan; moanhi [21] canamun an imong pagcahadi [22];

Uw naam; kome tot ons het Uw koningrijk;

tumancun an imong buot dinhi si yuta maingun sa langit;

geschiede de Uw wil hier op aarde gelijk in den hemel;

ihatag mo damsin an canun namun sa matagarvlao, ug pavadin

gegeven (zij) ons de rijst onze op elken dag, en vergeven

mo [23] canir san mga-sala namu, maingun ginuara [##] namun

zij ons de schulden onze, gelijk vergeven ons

san mganacasala danum; ngan diri imo tugotan

deze schulden tegen ons; niet door U toegelaten (zij)

cami maholog sa manga-panulai sa amun manga caauai [24];

ons vallen in verzoekingen van onze vijanden;

apan baricun-mo cami sa manga-maraut ngatanan.

ook verlos (zij) ons van kwaad alle.

Een woordenboek van de Tagalesche taal werd in 1613 door Pater San

Buenaventura uitgegeven en een folio Vocabulario door Fr. Domingo de

los Santos, te Sampaloc (Manilla) in 1794. Dit woordenboek bestaat uit

ongeveer 11.000 uitdrukkingen; daar ieder woord zoovele beteekenissen

heeft, zoo bedraagt het tegenwoordige aantal Tagalesche woorden

naauwelijks meer dan 3,500. De voorbeelden van ieders verschillende

uitlegging zijn ontelbaar.

Een ander Vocabulario de la Lengua Tagala, door «verscheidene vrome en

geleerde personen» nagezien en in orde gebragt door de Jezuïten paters

Juan de Noceda en Petro de San Lucar, werd in 1832 te Valladolid

uitgegeven. De uitgever zegt hartelijk gewenscht te hebben van de

taak ontlast te worden, maar de «blinde gehoorzaamheid» aan zijn'

superieur verschuldigd, dwong hem voort te gaan. «Er kunnen--zegt

hij--geene regels gesteld worden voor de juiste grammaticale uitspraak

van de taal, van wege de uitzonderingen en de uitzonderingen op

die uitzonderingen. De verwarring tusschen bedrijvende en lijdende

deelwoorden is een labyrinth, dat men niet kan doorkomen. Er bestaan

meer boeken over de taal (artes)--berigt hij--dan over eenige doode of

levende taal.» Hij heeft niet minder dan 37 geraadpleegd, waaronder de

eerste plaats moet worden toegekend aan den Tagaleschen Demosthenes

(pater Francis de San José), aan wiens nasporingen niemand iets

goeds kan toevoegen. Hij zegt al de wortels te hebben aangegeven,

maar niet hunne vertakkingen, die onmogelijk zijn te volgen. Maar

de Vocabulario is zeer gunstig beoordeeld door den «Visitador» als

«een adelaar in zijne vlugt» en «eene zon in haren glans». Het mogt

drie duizend nieuwe woorden aan dit woordenboek hebben toegevoegd. De

uitgever zelf is zedig genoeg en zegt slechts een drup in den Oceaan te

hebben gestort. Pater Noceda heeft zich dertig jaren met de bewerking

van het boek bezig gehouden, dat in menige hand is geweest; hij wilde

geen woord opnemen vóórdat «twaalf Indianen» hem hadden verzekerd dat

hij de ware beteekenis had gevonden. Hij wilde niet minder nemen, want

was hij van zijn' regel afgeweken en had hij het aantal verminderd;

wie weet, vraagt hij, met welk een gering gezag hij zich tevreden zou

hebben gesteld? Het lijdt geen twijfel dat het geheel onmogelijk was

volkomen synoniemen te vinden tusschen zoo ongelijke talen als het

Castiliaansch en Tagaleesch, en dat de wortel van een woord, waarnaar

de uitgever zocht, dikwijls verloren geraakt in de afleidingen,

zamenstellingen en toevoegsels, waarvan het omgeven is, zonder een

vasten grondslag te hebben. En na dat alles kan men de vraag stellen:

Wat is de Tagalesche taal? Die der bergen verschilt veel van die in

de dalen; de tongval van den Comingtang wijkt af van die der Tingues.

Het woord Tagala, dat somtijds Tagal, Tagalo of Tagaloc geschreven

wordt, is, naar mijne meening, afgeleid van Taga, inlander. Taga

Madjajdjay is een inlander van Madjajdjay. Een goede Christen wordt

ang manga taga langit, een inlander van den hemel genoemd, en het is

eene gewone verwensching, wanneer men tot iemand zegt: «Taga infierno,»

hetgeen beteekent: «Gij moest een inlander van de hel zijn.»

De Tagalesche taal is niet gemakkelijk te leeren. Een Spaansch

spreekwoord zegt dan men noodig heeft un ano de arte y dos di bahaque:

een jaar taalkunde en twee van bahaque. Bahaque is de inlandsche

kleeding. De monniken verzekerden mij dat zij verscheidene jaren

moesten verblijf houden vóór dat zij in het Tagaleesch konden prediken;

en in vele kloosters wordt meestal in de inlandsche tongvallen

gesproken, dewijl er weinig gelegenheid bestaat om in het Spaansch

te spreken.

De vereeniging van naam- en werkwoorden tot een enkel woord en

de moeijelijkheden om de wortels van elk derzelve te bepalen,

wordt uit verlegenheid gedaan, daar de armoede aan woorden vele

beteekenissen aan dezelfde uitdrukkingen doet geven. Zoo beteekent

ayao: genoeg, voorbijgaan van koopwaren, duurte, en is tevens

een verwonderingsteeken; baba beteekent: vischhaak, baard, longen,

toevallig, afwijking; bobo: een net, smelten, verschrikken, verspillen;

alangalang: hoffelijkheid, hoogheid, waardigheid. Van daar dan ook de

voortdurende herhalingen van hetzelfde woord. Aboabo: mist; alaala:

herinneringen; ngalangala: paleis; galagala: lijm; dilidili: twijfel;

hasahasa: een visch.

Zoo wordt een groot aantal Tagalesche woorden gebruikt om een

werkwoord in zijn verschillende toepassingen voor te stellen,

waarin het moeijelijk is eenigen gemeenen wortel of een schijn van

gelijkenis te vinden. Noceda heeft voor het werkwoord geven (dar in

het Spaansch) 140 woorden in het Tagaleesch; voor (meter) plaatsen,

bestaan 41 vormen; voor (hacer) doen, 126. De stand van de maan wordt

door twaalf uitdrukkingen voorgesteld, waarvan in slechts twee het

Tagaleesch woord voor maan voorkomt.

Het behoeft bijna niet gezegd te worden, dat eene zoo ruwe taal als de

Tagalesche nooit het kanaal voor wetenschappelijke of philosophische

kennis kan worden. Toch beweert Mallat dat zij rijk, welluidend, vol

uitdrukking is en, zoo zij werd aangemoedigd, spoedig eene letterkunde

zou bezitten, waardig naast die van andere Europesche natiën te staan!

Een folio-woordenboek van de Bisajaansche en Spaansche talen, zooals

zij op het eiland Panay gesproken worden, is in 1841 te Manilla

uitgegeven en geschreven door pater Alonzo de Mentrida. Die voor de

Spaansche en Bisajaansche talen, door pater Julian Martin, werd in

het volgende jaar uitgegeven.

De letters e, f, r en z ontbreken en de eenige klank, die niet door

het Engelsche alphabet wordt aangegeven, is de ng. De Tagalesche

Indianen gebruiken de letter p in plaats van de f, die zij niet

kunnen uitspreken. Zoo zeggen zij: Paranciso voor Francisco, palso

voor falso, pino voor fino enz. De r is geheel onuitspreekbaar

voor de Tagalezen. Zij veranderen die in d en maken zich dikwijls

belagchelijk door de misvattingen, daaruit ontstaande. De z wordt door

de s vervangen, die niet aan den Castiliaanschen klank beantwoordt,

welke door het Engelsche th wordt voorgesteld.

In verscheidene provinciën van Spanje intusschen is de Castiliaansche

uitspraak van de z niet aangenomen. Er bestaat in het Tagaleesch geen

klinker tusschen a en i, zooals in het Spaansch door de letter e.

Bij het onderwijs in het Tagalesche alphabet, wordt het woord yaou,

zijnde het aanwijzend voornaamwoord, achter de letter geplaatst, die

door den klinker a wordt gevolgd en de letter herhaald, als: Aa yaou

(a); baba yaou (b); caca yaou (c); dada yaou (d); gaga yaou (g);

haha yaou (h); lala yaou (l); mama yaou (m); nana yaou (n); nganga

yaou (ng); papa yaou (p); sasa yaou (s); tata yaou (t); vava yaou;

(v). De ng is eene zamenstelling van de Spaansche n met g.

Naamwoorden hebben in het Tagaleesch geene naamvallen, getallen of

geslacht. Werkwoorden hebben onbepaalde-, tegenwoordige-, verledene-,

toekomende- en gebiedende tijden, maar zij worden niet veranderd

door de persoonlijke voornaamwoorden. Onder meer bijzonderheden kan

opgemerkt worden, dat geen bedrijvend werkwoord met de letter b kan

beginnen. Sommige der tusschenwerpsels, en er zijn er vele in het

Tagaleesch, zijn van verschillende geslachten. Hoe leelijk! tot een

man gerigt, is: paetog! tot eene vrouw: paetag!»

De Tagalezen gebruiken den tweeden persoon enkelvoud icao of co,

wanneer zij onder elkander spreken, maar voegen er het woord po

bij, als bewijs van eerbied. Tegenover eene vrouw wordt het woord

po weggelaten, maar eene vrouw gebruikt dit woord wel tegenover

een' man. De persoonlijke voornaamwoorden volgen in plaats van de

werkwoorden en naamwoorden vooraf te gaan, als napa aco: ik zeg;

napa suja: het is goed.

Een kenmerk van de taal is dat het lijdende werkwoord over het algemeen

in plaats van het bedrijvende wordt gebruikt. Een Tagalees zal niet

zeggen: «Jan bemint Maria,» maar «Maria wordt door Jan bemind.»

Fr. de los Santos zegt, dat het netter is het bedrijvende dan het

lijdende werkwoord te gebruiken, maar in de godsdienstige boeken,

door de monniken uitgegeven, is de gewone schrijfwijze: «Het wordt

door God gezegd», «het wordt door Christus geleerd», enz.

Ofschoon het Tagaleesch niet rijk aan woorden is, dewijl dezelfde

uitdrukking soms verschillende beteekenissen heeft, bestaat er veel

bezwaar in de zamenstelling. Pater Verduga intusschen geeft eene

lijst van verscheidene soorten van werkwoorden, met aanwijzingen van

de naamwoorden naar de regels van de Europesche taalkunde.

Bij het aannemen van Spaansche woorden vereenvoudigen en verkorten de

Tagalezen die dikwijls; bijvoorbeeld voor zapato (schoen) gebruiken

zij alleen pato; Lingo voor Domingo; bavay, caballo (paard). Het

verkleinwoord van Maria is Mariangui; daarvan Angui, de gewone benaming

voor Marie.

In het woordenboek vind ik in de taal slechts 35 monosyllaben, als:

a, ab, an, ang, at, ay, ca (met dertien verschillende beteekenissen,

als: een getal (1), een persoonlijk voornaamwoord (zij), vier

zelfstandige naamwoorden, als: zaak, medgezel, schrik, afgetrokken;

een werkwoord: gaan, en de overige bijvoegelijke, bijwoordelijke en

andere termen), cay, co, con, cun, di, din, ga, ha, i, in, is, ma

(met achttien beteekenissen, waaronder vier zelfstandige naamwoorden,

acht werkwoorden en vier bijvoegelijke naamwoorden), man, mi, mo,

na, nga, o, oy, pa (met zeven beteekenissen), po, sa, sang, si, sing,

ta, ya en yi.

Horologiën zijn zeldzaam onder de Indianen en de tijd wordt niet door

de uren van den klok aangeduid, maar door de gewone gebeurtenissen van

den dag. De Mas geeft niet minder dan 23 verschillende taalvormen voor

de aanduiding van verschillende verdeelingen, de eene langer, de andere

korter, van de vierentwintig uren, zooals: duisternis-verdwijning;

dageraad-aanbreking; licht-aankomst (magumagana); de zon komt spoedig

op (sisilang na ang arao); volle dag (arao na); zon opgekomen;

haan-kraaijen; (zon) hoogte van de as; hoogte een speer (van de

horizon); middag; zonsondergang; zon opkomt (lung mononna); Ave

Maria-tijd; duisternis; donkerheid; kinderslaaptijd; animas geluid;

bijna middernacht; middernacht; over middernacht (mababao sa haling

gaby). Deze spreekwijze verschilt op onderscheidene plaatsen. Daar

het luiden der bellen en het slaan der klokken door de Spanjaarden is

ingevoerd, moeten de meeste dezer termen voor dien tijd zijn gebruikt.

Herhalingen van dezelfde lettergreep hebben in de Tagalesche en

Bisajaansche talen plaats. Zij zijn niet noodzakelijk aan meervoud

onderworpen, maar duiden dikwijls eene reeks of vervolg aan, als

lavay lavay, slavernij (voortdurend werk); ingilingil, het gehuil

van een' hond; ngingiyao ngingiyao, het gemaauw van eene kat;

cococococan, eene hen, die hare kuikens roept; pocto pocto, oneven,

onregelmatig (hiervoor bestaat een Devonshirsch woord scory, dat

dezelfde beteekenis heeft); timbon timbon, opeenstapelen; punit punit,

lompen; angao angao, een oneindig getal; aling aling, veranderlijk;

caval caval, onzeker. Sommige Spaansche woorden worden verdubbeld,

ten einde de verwarring met inlandsche uitdrukkingen te vermijden,

als dondon voor don. Deze herhalingen zijn een noodzakelijk gevolg

van het klein aantal oorspronkelijke woorden.

Hoe opmerkelijk de armoede der taal is, vindt men eene groote

verscheidenheid van beteekenissen voor zekere voorwerpen. Rijst bijv.,

in den bast is palay (Maleisch padi); vóór het overplanten, botobor;

wanneer zij begint te ontspruiten buticas; als de aar verschijnt,

basag; in een vergevorderden staat, maimota; als zij geheel rijp

in de aar is, bongana; als zij door den wind wordt nedergeslagen

of onder het gewigt van de aar neerhangt, dajapa; vroege rijst,

cavato; brokkel-rijst, lagquitan; slecht gevormd in het graan,

popong; gezuiverde maar niet van de bast ontdane rijst, loba;

gezuiverde rijst, bigas; bedorven rijst, binlor; grond-rijst, digas;

geroosterde rijst, binusa; bloemrijst, binuladac; rijst-pastei,

pilipieg; fracasseé-rijst, sinaing; op eene andere wijze gereed

gemaakte rijst, soman. Er bestaan niet minder dan 19 woorden voor

verscheidenheden van hetzelfde voorwerp. Evenzoo met werkwoorden,

als: binden, tali; rondbinden, lingquis; een gordel binden, babat;

de handen binden, gapus; iemand den nek binden, tobong; met een strik

binden, hasohaso; rond een put binden, baat; een ligchaam opbinden,

balacas; aan het eind van eene beurs binden, pogong; op eene mand

binden, bilit; twee stokken te zamen binden, pangcol; op eene deur

binden, gacot; op een bundel (als van stokken) binden, bigquis;

graanschoven opbinden, tangcas; een levend wezen opbinden, niquit;

de planken van een' vloer zamenbinden, gilaguir; een tijdelijk band,

bilaguir; verscheidene malen met een knoop rondbinden, balaguil;

digtbinden, jaguis; bamboes binden, dalin; een rekening optrekken,

pangajla. Van deze 21 werkwoorden is de wortel van bijna geen enkel

in een zelfstandig naamwoord te vinden. Voor rijst bestaan niet minder

dan 65 woorden in het Bisajaansch; voor bamboe 20.

Er bestaan een aantal namen voor den krokodil. Buaja drukt het

denkbeeld uit van zijnen groei uit het ei tot het volwassen dier, als

wanneer hij buajang cotoo, een ware krokodil, wordt genoemd. Voor goud

heeft men niet minder dan vijftien benamingen, die de verschillende

hoedanigheden aanwijzen.

Juan de Noceda geeft 29 woorden aan ter vertaling van mirar (zien);

42 voor meter (zetten); 27 voor menear (bewegen); maar synoniemen

vindt men moeijelijk in talen, die geene verwantschap met elkander

hebben, vooral wanneer men eenig abstract denkbeeld wil uitdrukken.

In familiebetrekkingen is het geslachtswoord voor broeder colovong;

oudere broeder cacang; als er slechts drie zijn, wordt de tweede

colovong, de derde bongso genoemd; zijn er meer dan drie, dan heet

de tweede sumonor, de derde colovong. Tweelingbroeders noemt men

cambal. Anac is de geslachtsnaam voor zoon; een eenige zoon heet

bogtong; de eerstgeborene panganai; de jongste bongso; een pleegzoon

jnaanac. Magama beteekent vader met zoon; magcunaama vader met

pleegzoon; nagpapaama, hij die een ander verkeerdelijk zijn vader

noemt; pinanamahan een ten onregte genoemd vader; maanac, vader of

moeder van verscheidene kinderen; maganac, vader, moeder en gezin

van vele kinderen; caanactilic, de zoons van twee weduwnaars; magca

aangenomen broeders.

Eene gewone ironieke uitdrukking is: Catalastasan mo aya a (Hoe

erg knap!)

De Indiaansche benaming voor het hoofd van een barrio of dorp,

is dato, maar het woord, dat tegenwoordig meer gebruikt wordt is

het Castiliaansche cabeza, zoodat de Indiaan over het algemeen deze

inlandsche autoriteit cabeza sa balangai noemt. Het Tagalesche woord

voor de hoofdplaats van een district is dojo; in het Castiliaansch,

cabazera.

Het woord cantar is aangenomen voor kerkmuziek, maar men heeft

hiervoor vele van de oude Indiaansche woorden behouden, als: Pinanan

umbitanan ang patai: zij zingen den doodzang; dajao: de victorie-zang;

hunc het gezang der vogelen. Het geraas van de ghiko-hagedis wordt

halotictic genoemd.

Het volgende kan als een staaltje dienen van Tagalesche

veellettergrepige woorden:

Anagnalalàqui zoon.

Ananababai dochter.

Cababulaánang liegen.

Malanuingiolog donder.

Pagsisisi | lijden.

Paghahanducan |

Pagsisingsingan vinger.

Pagpapahopa peren.

Palajanglajangan verslinden.

Panganganjaja jammer.

Sangtinacpan de wereld.

Solonmangajo komeet; uitwaseming.

Magbabaca | strijder; van baca licht.

Tagupagbaca |

Tangcastancasan takkebosch.

Masaquit angmangapilipis anco mijn hoofd doet zeer.

Ilahampasinguita Ik zal u slaan (gij zult

door mij geslagen worden).

Guiguisingincata Ik zal u bewaken (gij zult

door mij bewaakt worden).

Magpasavalabanhangan eeuwigdurend.

Pananangpahataja trouw.

Mapagpaunbabao bedriegelijk.

Mapagpalamara ondankbaar.

Ongelijke getallen worden in het Tagaleesch gangsal; gelijke getallen

tocol genoemd:

Bevestigend, ja! Oo, tango.

Ontkennend, neen! Di; dili; houag; dakan.

Vele Maleische woorden komen, sommige in hunnen zuiveren, andere in

een verbasterden zin, niet alleen in het Tagaleesch en Bisajaansch,

maar ook in andere tongvallen van de Philippijnen voor. [25]

Zoo heeft men: Langit, hemel; puti, wit; mata, oog; vata, steenen;

moera, goedkoop en vele anderen. Slechts weinig veranderd zijn: dita

voor lina, taal; babi voor babuy, big; hagin (Tagaleesch) en hangin

(Bisajaansch) voor angin, wind; masaguit voor sakit, ziek; patay

voor mati (Maleisch); mat, dood; nagcasama, in gezelschap; matacut

voor takot, vrees; ulan voor udian, regen; en eenige anderen. Het

Maleische woord tuan, dat geacht beteekent en gewoonlijk gebruikt

wordt om de gehoorzaamheid en den ootmoed te kennen te geven van den

spreker aan den aangesproken persoon, wordt door de Tagalezen meestal

in een ironieken zin gebruikt. Ay touan co! Een waarlijk achtenswaardig

man! «Tuan mij niet» staat gelijk met: «weg met uw onzin.»

De monniken hebben de meeste Castiliaansche woorden van Griekschen en

Latijnschen oorsprong ingevoerd voor de belijdenis van de Katholieke

eeredienst of de viering van hare godsdienstige ritussen, waarvoor

men slechts weinige uitdrukkingen in de oorspronkelijke talen vindt.

Het langdurig bezit van vele gedeelten der Philippijnen door stammen,

die het Mohammedanisme belijden, in aanmerking genomen, is het

aantal gewone Arabische woorden klein. Ik hoorde salam voor groet;

malin, meester; arrac, wijn of geestrijke dranken; arraes voor reis,

kapitein. En onder de Muselmannen van Mindanao waren: Islam, koran,

rassoel (profeet), bismillah, kitab en andere woorden, onmiddellijk

in verband staande met het Islamismus, zeer algemeen.

Het eenige Chineesche woord dat algemeen in gebruik is, is sampan,

eene kleine boot; letterlijk beteekent dit woord drie planken.

Vele klanken in het Tagaleesch zijn geheel Engelsch. Toobig is

water, en asin, zout, door de Indiaansche bedienden over tafel

uitgesproken, trof mij eenigzins; ik kon niet vinden waarin de bedoelde

buitensporigheden of de begane zonde lag. De meeste monniken spreken

de inlandsche tongvallen vloeijend; zij prediken nooit in eenige

andere taal en daar de meesten hunner geheel omgeven zijn door de

Indiaansche bevolking, zoodat zij zelden hunne oorspronkelijke

spaansche taal spreken, is het niet te verwonderen dat zij van

de Indiaansche tongvallen met veel gemak gebruik maken. De meeste

bestaande taal- en woordenboeken werden door geestelijken geschreven,

om de voortplanting der Christelijke leerstellingen te bevorderen

en kleine werken (allen over godsdienstige onderwerpen) zijn tot

onderrigt van het volk geschreven. Ik kon niet ontdekken dat zij

eenige historische opgaven of traditiën uit de oudheid bevatten.

Hoe meer mijne aandacht tot de studie van de tongvallen in verre

landen werd getrokken, zooveel te meer werd ik getroffen door de

ongerijmde denkbeelden en theoriën, welke zoo algemeen zijn geworden

ten opzigte van de afleiding en verwantschap van talen. De Biscajers

houden vol dat hun Euscaarsche tongval de taal voor Adam en Eva in

het paradijs en bijgevolg de algemeene taal van den eersten man en

de oorsprong van alle andere is geweest. Meer dan een Cimber heeft

dezelfde eer voor het Welsh gevorderd, daarbij er op aandringende dat

al de dialecten van de wereld van het Cimbersch zijn afgeleid. Maar

het zou moeijelijk zijn te bewijzen dat een enkel woord van voor den

zondvloed in onze tijden is overgekomen. Verkeer en handel schijnen

de eenige kanalen te zijn waardoor elk gedeelte van de taal van elke

natie of stam in het woordenboek van eene andere is gekomen. Men

zegt dat het woord zak tot de meeste verwarring hebben aanleiding

gegeven. Een Fransche schrijver beweert dat het 't eenige woord is,

dat men uit de Babelsche spraakverwarring heeft behouden, ten einde

de regten van eigendom in de algemeene anarchie mogten geëerbiedigd

blijven. In de lagere getallen van verwijderde tongvallen bestaat vele

en zonderlinge verwantschap, hetgeen kan worden toegeschreven aan het

vele gebruik, dat men er in handelsaangelegenheden van maakte. Wilden,

die geene eigene benamingen voor de hunne hebben, hebben meermalen

de hoogere cijfergetallen aangenomen van beschaafde natiën, waarvan

het vele gebruik van het woord lac voor 10,000 tot voorbeeld kan

dienen. Monster is bij handelsnatiën, met kleine afwijkingen, het bijna

algemeen aangenomen woord voor staal; evenzeer de woorden rekening,

datum en dergelijke. Hoe vele zeetermen zijn niet van Nederlanders,

hoe vele krijgskundige benamingen van Frankrijk, hoevele uitdrukkingen

in verband tot spoorwegen, stoomvaart en industrie uit het Engelsch,

overgenomen! Het Justiniaansche wetboek heeft al de Europesche talen

met volzinnen uit de Romeinsche wet voorzien. Aan de Katholieke

missiën kan men in de tongvallen van bekeerde natiën bijna geheel

hunne godsdienstige woordenrijkdom toeschrijven. In de gemakkelijke

combinatie van de Grieksche taal heeft de wetenschap onschatbare

hulpbronnen gevonden. De Engelsche koloniën vergrooten voortdurend

den overvloed van het moederland, en er bestaat niet (zoo als in

Frankrijk) weêrzin tegen de invoering van nuttige, hoezeer minder

noodige, woorden. Bentham plagt te zeggen, dat de zuiverheid van eene

taal en de armoede van eene taal bijna synoniem waren.

Onder de blijken van vooruitgang, die zich in onzen tijd voordoen,

behoort niet alleen de trapsgewijze vervanging van de lagere door

de opkomst van de hoogere menschenrassen, maar is een niet minder

merkwaardig feit de verdwijning van ruwe en onvolmaakte tongvallen,

die plaats maken voor meer doeltreffende werktuigen van vooruitgang en

beschaving, welke men in de talen van geciviliseerde natiën vindt. De

pogingen, die men aangewend heeft om de woordenrijkdom van gevorderde

kunsten en wetenschappen in talen in te voeren welke nog op een

lagen trap van beschaving staan, zijn ongelukkig mislukt. Men kan

in barbaarsche tempels geene geschikte plaats vinden om de schoone

stukken van het beschaafd genie voor beeldhouwwerk aan te brengen. De

ruwe kleederen van de wilden kunnen zoo gemakkelijk niet in het reine

werkmanspak van den gegoeden kunstenaar herschapen worden. En toch

kan niets meer tot de welvaart van het menschdom toebrengen, dan dat

de middelen van mondeling verkeer worden uitgebreid, en dat eenige

weinige ver verspreide talen (zoo niet ééne algemeene taal, welker

de invoering een ijdele droom mag worden genoemd) in den loop der

tijden een doelmatig middel van verkeer voor de geheele wereld worden.

De verzen der Tagalezen tellen twaalf lettergrepen. Zij hebben den

Spaanschen klank, maar de woorden worden reeds als rijm beschouwd,

als zij slechts met denzelfden klinker of medeklinker eindigen.

De Indiaan kan altijd zijne verzen zingen, als hij ze reciteert,

hetgeen trouwens een algemeen aangenomen Aziatische gewoonte is. De San

tze King of het drie-lettergrepig gezang, dat meestal als leerboek op

de scholen in China wordt gebruikt, zingt men altijd en de versificatie

en muziek komen het geheugen hierin natuurlijk te hulp. De muziek

van het lied, dat de Tagalezen zingen om kinderen stil te houden, de

helehele genaamd, gelijkt, volgens de Mas, op die der Arabieren. [26]

Een Bezoek aan de Philippijnsche Eilanden · 第 28 / 58 题