OPENBAAR ONDERWIJS.

Het openbaar onderwijs verkeert op de Philippijnen in een onvoldoenden

toestand. De instellingen zijn in dit opzigt weinig verschillend van

die der middeneeuwen.

Op de hoogeschool van St. Thomas bevinden zich omstreeks duizend

studenten. Men heeft er faculteiten van theologie, het kanoniek

en burgerlijk regt, metaphysica en taalkunde; de natuurkundige

wetenschappen en de nieuwere talen worden er echter veronachtzaamd

en geene der verbeteringen in het onderwijs, die op de meeste

instituten van Europa en Amerika zijn ingevoerd, hebben tot nog toe

in de Philippijnen een weg gevonden. Op de colegios en scholen maken

de voornaamste takken van onderwijs uit hetgeen men philosophie,

welsprekendheid en Latijn noemt. De drukst bezochte instellingen,

die men hier vindt, zijn twee of drie eeuwen geleden gesticht en nog

wordt er dezelfde wijze van onderrigt gevolgd, die bij de oprigting

was ingevoerd. Men vindt overigens verscheidene collegiën en kloosters

voor vrouwen. Dat van Santa Potenciana werd krachtens een koninklijk

decreet, dd. 1589 gesticht, waarbij bepaald was dat daarop meisjes

(doncellas) zouden worden opgenomen en er in het «zedige leven»

(honestamente) en in de heilige leerstellingen zouden worden opgevoed,

om tot «een huwelijk te geraken en het menschelijk geslacht voort te

planten» (hagan propagacion). Men heeft voorts eene school voor de

zeevaart, waarvan mij veel goeds berigt werd en eene schilderschool,

die echter tot nog toe geen Murillo of Velasquez heeft gevormd. De

beste inlandsche kunstwerken, die ik er zag, waren twee hoofden van

de Heilige Maagd en van St. Francisco, die door een Indiaan in ivoor

zijn gesneden en het klooster van Lucban, in de provincie Tajabas,

versieren. De goede monniken zien in die schilderstukken veel

wonderbaarlijks en verzekerden mij, dat, ofschoon hevige regens de

processiën waarin deze beelden gedragen werden, waren voorafgegaan

en gevolgd, een heldere en schoone zonneschijn hen op hunnen weg

had vergezeld.

Onder de eigenaardigheden, die Manilla oplevert, vooral op de morgens

van godsdienstige fiestas, behooren groepen gesluijerde vrouwen,

die eene donkere geheimzinnige kleeding dragen en de verschillende

kerken bezoeken. Zij dragen een zwart wollen of zijden jakje, waarover

eene groote glanzende mantille of sluijer van eene donker paarsche

kleur; anderen dragen den ouden Andalusischen zwarten mantel. Er

zijn zustergenootschappen, die de Colegialas de los Beaterios

genoemd worden; dit zijn godsdienstige instellingen, waar jonge

vrouwen hare opvoeding genieten; sommigen bestaan door «heilige

stichtingen»; anderen door vrijwillige bijdragen. De regels in deze

kloosters verschillen; sommige nonnen verlaten toch nooit de gebouwen,

terwijl andere de kerken onder geleide van eene «moeder» bezoeken; in

enkele is het aan de colegiale vergund hare familie op zekere tijden

bij zich te ontvangen en aan de wereldsche genoegens deel te nemen,

hetzij te huis of buiten de stad. Zij betalen voor hare opvoeding eene

som, die van twee tot acht dollars per maand verschilt naar gelang

van de regelen der verschillende beaterios, wier kleeding ook in

sommige opzigten verscheiden is, zooals bijv. de kleur van de voering

der kleederen. Men zegt dat er bijna geene respectabele familie in

Manilla is, waarvan zich niet ten minste eene dochter op een beaterio

bevindt. In die van Santa Rosa betaalt ieder vijf dollars per maand. De

meisjes staan daar 's morgens ten 5 ure op, om de trisagio (heilig,

heilig, heilig!) te zingen, de mis te hooren en zich voor het eerste

gedeelte van den rozenkrans tot 6 ure voor te bereiden; daarop wasschen

en kleeden zij zich. Ten half zeven ure ontbijt men, van zeven tot

tien ure wordt er gestudeerd. Ten half twaalf ure gebruikt men het

middagmaal in de eetzaal, daarna rust men en heeft de siesta plaats

tot half drie ure. Vervolgens bereidt men zich in de kapel voor het

tweede gedeelte van den rozenkrans voor. Van half vier tot half zes

ure wordt er weder onderwijs gegeven; bij de «oratie» keert men in

de kapel terug, draagt het derde gedeelte van den rozenkrans voor en

leest of overdenkt dan een half uur. Ten acht ure wordt het avondmaal

aangerigt; tot 9 ure vermaakt men zich verder in het klooster of

in den tuin, daarop wordt er nogmaals gebeden en ieder begeeft zich

naar hare cel terug. In de beaterio van St. Sebastiaan van Calumpang

staan de kloosterlingen ten vier ure op; er worden vijf dollars per

maand betaald, doch overigens wordt ook daar den door ons beschreven

leefregel gevolgd. In de beaterio van Santa Catalina de Sena mag men

het klooster niet verlaten. Men betaalt daar acht dollars en deze

instelling is als de beste bekend, waar ook het meeste voedsel wordt

gegeven. De beaterio van de Jezuïten telt omstreeks 900 kloosterlingen,

maar in de vasten wordt dit getal nog veel grooter; dan toch komt

eene menigte nieuwelingen om daar hunne geestelijke opvoeding te

krijgen. Men betaalt daar slechts 2 dollars per maand, maar in het

klooster moet veel genaaid en gewasschen worden om in zijne behoefte

te voorzien. Na de verdrijving der Jezuïten, werd het toezigt over

deze beaterio aan den vicaris-generaal van het aartsbisdom opgedragen.

De beaterio van Pasig is uitsluitend bestemd voor de opname van

Indiaansche weezen en de stichter verlangde dat zij zouden worden

onderwezen in de «Christelijke leerstellingen, naaijen, lezen,

schrijven, borduren en andere vakken voor vrouwen.»

Men vindt vele liefdadige instellingen in Manilla. De Jezuïten, die

later door Karel II van de Philippijnen verdreven werden, stichtten

verscheidene der meest belangrijke. Het gesticht van San Juan de Dios

telt 112 bedden; dat van San José de Cavite 250, waarvan 104 voor

soldaten en de overige voor armen en misdadigers. Er bestaat voorts

eene administracion de Obras Pias, onder leiding van den aartsbisschop,

den regent en sommige van de hoogste civile beambten; het heeft ten

doel geld te leenen aan de Indianen ter waarde van twee derden van

hunne eigendommen aan landerijen, de helft van de waarde aan goud,

zilver en juweelen en schepen te verzekeren die in den kusthandel

worden gebezigd. Een caja de comunidad eischt jaarlijks eene halve

reaal (3 1/4 stuiver) van de Chinezen en Indianen, ter betaling van

«schoolmeesters, vaccinateurs, verdedigers van misdadigers, zangers

en kerkbewaarders.» Het fonds wordt door den finantieraad bestuurd.

De geschiedenis van het gesticht van den H. Lazarus, onder leiding van

de Franciscaner monniken, is niet onbelangrijk. Het werd in 1578 ten

gebruike van de inlanders gebouwd, werd vergroot en twee malen door

het vuur vernield. In het jaar 1632 werden er 150 Christen-Leprozen,

die uit Japan verdreven waren, opgenomen en van toen af kreeg het zijne

tegenwoordige benaming. In 1662 werd het door den kapitein-generaal

omvergehaald, toen de Chinesche zeeroovers de hoofdstad bedreigden

en tot eene barricade ter verdediging van de plaats ingerigt. De

verpleegden werden overgeplaatst en een nieuw gesticht gebouwd, dat

in 1783 op nieuw werd vernield, omdat het de Engelschen was dienstig

geweest in hunnen inval in 1762; een paar jaren later echter werd het

tegenwoordige gebouw op een' grond opgerigt, die aan de Jezuïten had

behoord, vóór dat zij van de Philippijnen verdreven werden.

Een Bezoek aan de Philippijnsche Eilanden · 第 24 / 58 题